HOOFDSTUK VIII.

Puf was danig verstoord, toen we zonder ezeltje thuis kwamen.

Dadelijk na de thee ging Daan het nieuwe briefje aan den mijlpaal

hechten. Allen gingen we mee en hielpen hem. Hij schreef er op:

"Gevraagd een eerste-klas ezel. Op bezien te zenden Maandagavond 6

uur aan de pastorie." Erboven schreef hij nog: "Belangrijk en

spoed-eischend."

Toen dat afgeloopen was, gingen we weer naar huis, en hielp ik tante

Caroline met opruimen, want het was Zaterdagavond. De zangoefening

had ze ons ditmaal geschonken, omdat we uit waren geweest; doch voor

we naar bed gingen, nam ze ons mee naar de piano in de zitkamer, en

zongen wij de gezangen nog eens, die we voor Zondag moesten kennen.

Daarna zei tante Caroline tot Daan: "Kom je morgen naar de

Zondagsschool?" Daan antwoordde erg ruw: "Ja, ik denk 't wel."

Toen zei ik: "Tante, ik wou wel een klas nemen, als u nog een andere

had."

"Ik denk, Grietje, dat er daarvoor niet genoeg kinderen zijn. Lang

geleden heb ik het je al gevraagd."

"Wat leer je hun toch, Daan?" vroeg Lena. Maar Daan ging de kamer

fluitende uit, en zei geen woord. Ik was er ook zeer benieuwd naar,

wat hij ze leerde, maar toen ik het tante vroeg, zei ze: "'t Is

jammer, dat jongens altijd denken, dat ze hun gevoelens onder zich

moeten houden. Hij weet uitnemend de orde te bewaren, leert ze hun

tekst en versje, en vertelt hun heel aardig een Bijbelsch verhaal."

Ik zuchtte, want ik wou zoo graag hetzelfde werk doen.

Maandagmiddag kwam Lena naar me toe rennen: "O Griet! ik ben bij

juffrouw Ribbon geweest, en zij zegt, dat ze een prachtigen ezel

weet, en dat had ze ons allang kunnen zeggen, als we 't haar maar

verteld hadden, en we niet naar die zigeuners waren gegaan. Zij zegt,

dat ie aan een boer behoort, en dat die 'm verkoopen wil.

"Wel," zei ik, "zeg haar, dat ze hem bericht den ezel vanavond

opzicht te zenden."

"Dat heb ik haar gezegd, maar zij zei dat ze niemand had om hem die

boodschap te brengen."

"Waar woont hij?"

"Dat weet ik niet."

Ik ging dadelijk naar juffrouw Ribbon, en kwam te weten, waar de boer

woonde. Het was wel een heel eind, maar ik dacht, als tante Caroline

me maar even vrij liet, kon ik wel even heengaan. Tante zou juist met

vader uitgaan. Ze gingen naar een vergadering in Lemworth, en vader

zou er spreken. Zij vonden goed, dat ik ging, en zeiden meteen, dat

we met de thee niet op ze behoefden te wachten. Ik vroeg angstig:

"Maar u zult toch tijdig genoeg terug zijn, vader, om ons ezeltje uit

te kiezen?" Hij glimlachte: "Ik vrees, dat we zullen moeten

adverteeren, kind; ik twijfel er aan of je hier wel ezels heen zult

krijgen."

"Wij verwachten wagenladingen vol!" riep ik uit, en rende heen.

Lena wou meegaan, en samen staken we dus de velden dwarsover. 't

Rennen hield spoedig op, want het was o zoo warm; wij plukten bladen

van zuring en varenkruid om ons te verkoelen. Eindelijk waren we aan

de boerderij. Een prachtige tuin lag vóór de groote boerderij; in

dien tuin lag een heer in een rieten stoel, en daarbij zat een dame.

Ik vreesde, dat we verkeerd waren, maar we moesten den tuin door, om

bij de voordeur te komen. Ik vroeg hun, of daar Mr. Donnyball woonde.

De dame glimlachte: "Ja zeker, ga maar naar het huis, daar zul je

zijn vrouw wel vinden. Wij zijn maar logé's."

Ik liep door, maar Lena bleef achter, zij mag graag met vreemde

menschen praten; ik niet. Ik belde en een boerenmeid kwam voor; zij

riep dadelijk de boerin, die heel blij was, toen ze hoorde wie ik

was. Ik herkende haar dadelijk; zij en haar man komen elken

Zondagmorgen bij ons in de kerk en zitten in de middelste banken.

Zij zei: "Kom binnen, lieve. Jan en ik zeggen altijd tegen mekaar,

jelui zitten als engelen in het koor, en het is een genot, jelui te

hooren zingen, en jelui goeje lieve vader preekt als een apostel.

Kom, ga binnen, dan zal ik je een stuk van mijn eigengebakken koek

geven, en een glas melk. En wat is nu de boodschap, kind?"

Zij sprak zóó snel, dat ik er geen woord tusschen had kunnen

krijgen. Toen ik haar het doel van mijn komst verteld had, zei ze:

"Ja, jelui hebt een ezel noodig, hé? Kijk es wij hebben logé's,

kapitein en mevrouw Rogers. Zij komen uit Londen; zij hebben familie

te Lincoln. Hij is sedert den oorlog kreupel, en wij dachten, dat

onze Nell hem heel zacht in een rieten wagentje zou kunnen trekken,

maar hij ziet het ding niet, of maakt rechtsomkeert, en is niet tot

kalmte te krijgen. Wij hebben er toen over gedacht, een pony te

nemen. Mijn mans broer heeft er een; en zoo is het gekomen, dat ik

tegen juffrouw Ribbon zei, dat we Nell niet wilden houden. Mijn

kleine jongen reed er altijd op" -- ze begon eensklaps te schreien;

ik begreep, dat haar kind was overleden en betuigde haar mijn

deelneming daarover. Vervolgens zette ze mij in een heerlijk koele

serre, riep Lena ook, en beiden kregen we toen een glas melk en een

stuk gebak. Ze beloofde, dat de ezel dien avond door een der knechts

zou gebracht worden. Ik was wat in m'n schik; we wilden nog graag den

ezel zien, maar men was met 'm naar den molen om meel te malen. We

namen nu afscheid en bij 't heengaan hielden de heer en mevrouw

Rogers ons nog aan.

[Illustratie]

Lena had hun natuurlijk alles al verteld; de kapitein vroeg lachend:

"Wat geven jelui voor den ouden knol?" Ik vertelde hem, dat we een

ezelen-revue zouden hebben, en daaruit kiezen zouden.

"O!" riep hij uit, "daar moet ik bij wezen." Lena klapte in de handen

en liet hem beloven, dat hij komen zou. Maar Mevrouw Rogers was er

niet voor; hij was niet erg sterk, vertelde zij. Toen zei Lena: "Ik

zal u een brief sturen, als u 't goed vindt, en daarin van de revue

vertellen. Tante Caroline laat ons brieven schrijven, om te leeren

stellen." Mevrouw Rogers vond het heel aardig, en wij vertrokken.

Lena begon te rammelen: "Wat zijn ze lief hé? Ik geloof, dat

kapitein Rogers vergeten heeft te groeien, hij praat net als de

jongens; Mevrouw Rogers keek hem onophoudelijk aan, en zei een keer:

"Charles, breng het kind nu niet in de war." Ik zei, dat ik nooit in

de war kwam. Toen fluisterde hij: "Als je met je hoofd omlaag slaapt,

hou je ook op met groeien."

"Hij spreekt net als tante Marie," merkte ik op. "Ik hoop, dat hij

bij ons zal komen."

"Ik zal hem een brief schrijven en vragen, om toch vooral te komen,"

zei Lena.

Toen wij thuis kwamen, was het theetijd, en waren de jongens juist

uit school terug. Zij spotten met ons ezeltje. "Als de ezel van

juffrouw Ribbon komt, zullen we 'm slaan, waar de anderen bij zijn,"

dreigden ze. Wij vertelden hun, dat het niet juffrouw Ribbon's, maar

boer Donnyball's ezel was.

En zoo naderde het met spanning verwachte oogenblik van de

ezelen-revue.

Toen 't zes uur was, stonden we allen aan 't hek; Puf was op 't

poortje geklommen, om toch vooral de eerste te wezen, die hen zag

komen. Wij wachtten, wachtten tot bijna halfzeven, toen Nell kwam

opdagen. Hij zag er prachtig uit, dik en helder, en met een mooie

grijze kleur; de jongen, die hem bracht, scheen ook zeer met hem

ingenomen. Terwijl we ons om den aankomeling verdrongen, kwamen, in

een stofwolk gehuld, vier leelijke, ruwe beesten aangedraafd,

begeleid door een man en een jongen. En toen begon de revue.

[Illustratie]

Ik wenschte, dat vader er nu maar was, maar Daan meende zelf de keuze

wel te kunnen maken. Nog waren we bezig, van alle kanten het vijftal

te bekijken, toen een oude vrouw kwam opzetten, ook met een ezel, en

werkelijk een aardig beest.

Het begon nu vermakelijk te worden; een troep kinderen stond om ons

heen, en nog meerderen kwamen erbij kijken. Wij hadden nu zes ezels,

en nog was vader er niet.

De vier magere ezels behoorden aan onzen vriend den zigeuner, en de

mooie zwarte behoorde aan een vriendin van juffrouw Tapson. Daan deed

heel gewichtig; hij fluisterde Alex wat in, waarna deze z'n pet in de

lucht wierp en uit alle macht Hoera! riep. Onmiddellijk daarna nam

Daan het woord en schreeuwde: "Kijk hier, we moeten een ezel hebben,

die goed kan loopen, en nu willen we uit deze zes den besten kiezen.

Daarvoor zullen we een wedstrijd houden; wie van de zes het vlugst

een afstand van één mijl loopt, is ons."

De dorpskinderen juichten bij het hooren van deze afkondiging, en wij

niet minder. De man met de vier magere exemplaren keek niet bijzonder

opgewekt. En hij mopperde: "Ik heb deze puike beestjes 10 mijlen

moeten laten loopen, om ze hier te brengen, en ik heb er niet op

gerekend, dat ze nu ook nog een wedstrijd moeten meemaken. En dat op

zoo'n heeten dag!"

"Wel," zei Daan, die altijd rake opmerkingen heeft, "we zullen ze een

voorsprong geven. Op den hoogen weg zal de wedloop plaats hebben; tot

den ouden eik, waar de bliksem is ingeslagen, is het een halve mijl,

ik heb het opgemeten. Nu zullen we ze tot daar laten rennen; de start

is bij ons hek."

Vervolgens vroeg hij aan juffrouw Tapson's vriendin, die Rowe heette,

hoe ver haar ezel had geloopen; 5 mijlen, was het antwoord. Bob

Tapson had ons briefje aan den mijlpaal gelezen, en toen haar

gewaarschuwd. Zij was nu met het ezelkarretje hierheen gekomen.

Daan begon nu den wedstrijd te regelen. "Wij moeten jockeys hebben,"

vond Alex, en voegde er meteen bij: "ik zal den grijzen berijden."

Toen deed Daan ook maar eerst een keus, en bestemde den zwarten voor

zich. Dit was de ezel van juffrouw Rowe.

Maar de jongen van boer Donnyball zei, dat hij zelf z'n ezel moest

berijden, want hij kende z'n eigenaardigheden. Alex koos zich dus een

van de vier zigeuner-ezels; dan nam de jongen, die erbij was, een

tweeden van 't viertal, de man wilde dan den derden nemen. Maar Daan

vond hem daar te zwaar voor. Lena en ik vroegen hem, ook een ezel te

mogen berijden, maar hij wou 't niet hebben. Hij vond, dat wij

moesten post vatten bij de start. Twee jongens uit 't dorp bestegen

toen de twee andere zigeuner-ezels. Zij moesten alle vier zonder

zadel bereden worden.

Het begon nu te spannen; iedereen wond zich op, en toen we de ezels

alle op den hoogen weg brachten, en ze daar op een rij plaatsten,

scheen het heele dorp wel uitgeloopen, om er naar te kijken.

Daan gaf den 10-mijlen-ezels 200 meter voorsprong, dien van juffrouw

Rowe 100 meter, en de grijze, die maar een mijl geloopen had, vertrok

bij ons hek. Het kostte heel wat tijd, voordat alles in orde was. Als

vertreksein vind Daan een pistool heel geschikt, maar we hadden geen

bruikbaar exemplaar meer; dus werd de tafelbel gekozen. Hiermee liep

ik tot midden op den weg, en luidde haar toen uit alle macht. De zes

harddravers zetten zich in beweging, maar ook de gansche troep

kinderen rende er achter aan, schreeuwend en juichend, dat je hooren

en zien verging. Lena en ik hadden graag evenzoo gedaan, maar wij

hadden de wacht bij het eindpunt, en hielden ons dus gereed voor een

nauwkeurige opname van den tijd der terugkomst.

Een van de bruine ezels wilde niet; hij struikelde over een kuiltje,

en bleef bewegingloos staan. De man, die hem en z'n 3 makkers

gebracht had, begon te vloeken en hem te slaan. Lena en ik werden

beangst, en we vroegen Baldwin, er heen te gaan, en hem te vragen,

maar op te houden. Natuurlijk waren de keukenmeid en Emma en Baldwin

ook komen kijken.

Het duurde lang, eer ze terugkwamen, maar eindelijk hoorden we

juichkreten en zagen we Daan op den zwarten ezel in draf aanrijden.

Met een galop sprong hij het eindpunt binnen. Van de anderen was nog

niets te zien. Eindelijk verscheen ook Alex; hij was twee keer

afgeworpen; hij zei, dat zijn ezel kuren had, en terwijl hij ons

daarvan vertelde, nam het dier juist weer een sprong, en buitelde

Alex over z'n kop in een bed brandnetels. Ik kon m'n lachen niet

houden, hoewel ik het voor Alex jammer vond. Vervolgens verscheen de

boerenknecht; zijn ezel lag aan den weg, en had hem enkele

oogenblikken geleden afgeworpen.

[Illustratie]

De andere ezels waren geen van alle goed, zij kwamen niet eens tot

aan den eikeboom, ze stonden koppig op den weg, en wilden niet voort,

waarop Daan den man te kennen gaf, dat we een loopenden, geen

stilstaanden ezel moesten hebben. De man was verre van prettig

gestemd en raasde van belang. Hij wilde voor z'n vergeefsche reis

betaald worden, en ging naar de herberg om vaders thuiskomst af te

wachten. Natuurlijk waren we 't allen eens over den winnaar, en

juffrouw Rowe was wàt in haar schik. Zij prees haar ezel als een

eerste-klas-harddraver en wilde er haar karretje en het tuig bij

verkoopen voor een prijsje. Nu kwam het belangrijkste nog: de

koopsom. Zij zei, dat ze den ezel en het karretje niet meer noodig

had, omdat ze te Lemworth ging wonen, en daarom zou ze 't ons voor

een prijsje laten: voor de gansche verzameling vroeg ze 54 gulden. 't

Scheen goedkoop, maar ... wij hadden het niet! Daan telde onze kas na;

er was slechts 10 gulden en 20 cent in, en daar kwam dan bij

grootmoeders 36 gulden. Terwijl we hierover nog aan 't onderhandelen

waren, kwamen vader en tante Caroline van 't station.

Hoewel vader zeer vermoeid was, kwam hij ons dadelijk helpen. Hij

deed eenige vragen over den ezel, hoe oud hij was, en hoe lang ze hem

had gehad, en of ie ook rare kuren had, en hoe snel of ie loopen kon;

wij vertelden hem dadelijk van den wedstrijd, en toen wilde vader ook

de andere zien.

Te midden van deze nieuwe drukte riep tante Caroline Lena en mij naar

binnen, om naar bed te gaan. Toen ze was thuisgekomen, had ze Puf al

naar bed gestuurd. We moesten dus van al dat moois scheiden, doch

waren er zeker van, dat vader Andy, den ezel van juffrouw Rowe, zou

kiezen.

Zoo gebeurde het ook, en Alex kwam ons nog even vertellen, toen we al

in bed lagen, dat vader ook het karretje gekocht had; wij moesten hem

ons verdiende geld geven, en hij zou de rest er bijvoegen. Juffrouw

Rowe had den ezel met toebehooren voor 48 gulden achtergelaten.

Lena en ik waren verschrikkelijk verdrietig, dat we den intocht van

ons ezeltje in den stal niet konden bijwonen. Den volgenden morgen

had Baldwin hem al in 't grasveld bij de keuken gelaten. Wij gingen

naar 'm toe en Lena gaf hem een wortel. Hij kwam dadelijk op ons af,

en at 'm op. Maar toen we op z'n rug wilden klimmen, sprong ie weg.

Na het ontbijt gingen vader en tante hem bekijken. Vader vond, dat de

jongens best zelf het karretje konden opschilderen.

Na school gingen we allen, verheugd over onzen nieuwen makker, naar

den stal, en beproefden het karretje. Het bleek ons alle vijf best te

kunnen houden.

Daarna gingen we Andy vangen, zetten Puf op z'n rug, en maakten een

plechtigen rondgang over het grasveld. Vervolgens maakte ieder van

ons een rijtoer, totdat Andy zóó vermoeid was, dat ie op z'n

voorknieën ging liggen, zich tuimelen liet, en in 't gras lag te

rollen.

Wij gingen in huis, en Alex fluisterde mij in: "We gaan morgenavond

naar 't zigeuner-feestmaal!"

------

Wij en ons ezeltje · 第 12 / 29 题