Puf was danig verstoord, toen we zonder ezeltje thuis kwamen.
Dadelijk na de thee ging Daan het nieuwe briefje aan den mijlpaal
hechten. Allen gingen we mee en hielpen hem. Hij schreef er op:
"Gevraagd een eerste-klas ezel. Op bezien te zenden Maandagavond 6
uur aan de pastorie." Erboven schreef hij nog: "Belangrijk en
spoed-eischend."
Toen dat afgeloopen was, gingen we weer naar huis, en hielp ik tante
Caroline met opruimen, want het was Zaterdagavond. De zangoefening
had ze ons ditmaal geschonken, omdat we uit waren geweest; doch voor
we naar bed gingen, nam ze ons mee naar de piano in de zitkamer, en
zongen wij de gezangen nog eens, die we voor Zondag moesten kennen.
Daarna zei tante Caroline tot Daan: "Kom je morgen naar de
Zondagsschool?" Daan antwoordde erg ruw: "Ja, ik denk 't wel."
Toen zei ik: "Tante, ik wou wel een klas nemen, als u nog een andere
had."
"Ik denk, Grietje, dat er daarvoor niet genoeg kinderen zijn. Lang
geleden heb ik het je al gevraagd."
"Wat leer je hun toch, Daan?" vroeg Lena. Maar Daan ging de kamer
fluitende uit, en zei geen woord. Ik was er ook zeer benieuwd naar,
wat hij ze leerde, maar toen ik het tante vroeg, zei ze: "'t Is
jammer, dat jongens altijd denken, dat ze hun gevoelens onder zich
moeten houden. Hij weet uitnemend de orde te bewaren, leert ze hun
tekst en versje, en vertelt hun heel aardig een Bijbelsch verhaal."
Ik zuchtte, want ik wou zoo graag hetzelfde werk doen.
Maandagmiddag kwam Lena naar me toe rennen: "O Griet! ik ben bij
juffrouw Ribbon geweest, en zij zegt, dat ze een prachtigen ezel
weet, en dat had ze ons allang kunnen zeggen, als we 't haar maar
verteld hadden, en we niet naar die zigeuners waren gegaan. Zij zegt,
dat ie aan een boer behoort, en dat die 'm verkoopen wil.
"Wel," zei ik, "zeg haar, dat ze hem bericht den ezel vanavond
opzicht te zenden."
"Dat heb ik haar gezegd, maar zij zei dat ze niemand had om hem die
boodschap te brengen."
"Waar woont hij?"
"Dat weet ik niet."
Ik ging dadelijk naar juffrouw Ribbon, en kwam te weten, waar de boer
woonde. Het was wel een heel eind, maar ik dacht, als tante Caroline
me maar even vrij liet, kon ik wel even heengaan. Tante zou juist met
vader uitgaan. Ze gingen naar een vergadering in Lemworth, en vader
zou er spreken. Zij vonden goed, dat ik ging, en zeiden meteen, dat
we met de thee niet op ze behoefden te wachten. Ik vroeg angstig:
"Maar u zult toch tijdig genoeg terug zijn, vader, om ons ezeltje uit
te kiezen?" Hij glimlachte: "Ik vrees, dat we zullen moeten
adverteeren, kind; ik twijfel er aan of je hier wel ezels heen zult
krijgen."
"Wij verwachten wagenladingen vol!" riep ik uit, en rende heen.
Lena wou meegaan, en samen staken we dus de velden dwarsover. 't
Rennen hield spoedig op, want het was o zoo warm; wij plukten bladen
van zuring en varenkruid om ons te verkoelen. Eindelijk waren we aan
de boerderij. Een prachtige tuin lag vóór de groote boerderij; in
dien tuin lag een heer in een rieten stoel, en daarbij zat een dame.
Ik vreesde, dat we verkeerd waren, maar we moesten den tuin door, om
bij de voordeur te komen. Ik vroeg hun, of daar Mr. Donnyball woonde.
De dame glimlachte: "Ja zeker, ga maar naar het huis, daar zul je
zijn vrouw wel vinden. Wij zijn maar logé's."
Ik liep door, maar Lena bleef achter, zij mag graag met vreemde
menschen praten; ik niet. Ik belde en een boerenmeid kwam voor; zij
riep dadelijk de boerin, die heel blij was, toen ze hoorde wie ik
was. Ik herkende haar dadelijk; zij en haar man komen elken
Zondagmorgen bij ons in de kerk en zitten in de middelste banken.
Zij zei: "Kom binnen, lieve. Jan en ik zeggen altijd tegen mekaar,
jelui zitten als engelen in het koor, en het is een genot, jelui te
hooren zingen, en jelui goeje lieve vader preekt als een apostel.
Kom, ga binnen, dan zal ik je een stuk van mijn eigengebakken koek
geven, en een glas melk. En wat is nu de boodschap, kind?"
Zij sprak zóó snel, dat ik er geen woord tusschen had kunnen
krijgen. Toen ik haar het doel van mijn komst verteld had, zei ze:
"Ja, jelui hebt een ezel noodig, hé? Kijk es wij hebben logé's,
kapitein en mevrouw Rogers. Zij komen uit Londen; zij hebben familie
te Lincoln. Hij is sedert den oorlog kreupel, en wij dachten, dat
onze Nell hem heel zacht in een rieten wagentje zou kunnen trekken,
maar hij ziet het ding niet, of maakt rechtsomkeert, en is niet tot
kalmte te krijgen. Wij hebben er toen over gedacht, een pony te
nemen. Mijn mans broer heeft er een; en zoo is het gekomen, dat ik
tegen juffrouw Ribbon zei, dat we Nell niet wilden houden. Mijn
kleine jongen reed er altijd op" -- ze begon eensklaps te schreien;
ik begreep, dat haar kind was overleden en betuigde haar mijn
deelneming daarover. Vervolgens zette ze mij in een heerlijk koele
serre, riep Lena ook, en beiden kregen we toen een glas melk en een
stuk gebak. Ze beloofde, dat de ezel dien avond door een der knechts
zou gebracht worden. Ik was wat in m'n schik; we wilden nog graag den
ezel zien, maar men was met 'm naar den molen om meel te malen. We
namen nu afscheid en bij 't heengaan hielden de heer en mevrouw
Rogers ons nog aan.
[Illustratie]
Lena had hun natuurlijk alles al verteld; de kapitein vroeg lachend:
"Wat geven jelui voor den ouden knol?" Ik vertelde hem, dat we een
ezelen-revue zouden hebben, en daaruit kiezen zouden.
"O!" riep hij uit, "daar moet ik bij wezen." Lena klapte in de handen
en liet hem beloven, dat hij komen zou. Maar Mevrouw Rogers was er
niet voor; hij was niet erg sterk, vertelde zij. Toen zei Lena: "Ik
zal u een brief sturen, als u 't goed vindt, en daarin van de revue
vertellen. Tante Caroline laat ons brieven schrijven, om te leeren
stellen." Mevrouw Rogers vond het heel aardig, en wij vertrokken.
Lena begon te rammelen: "Wat zijn ze lief hé? Ik geloof, dat
kapitein Rogers vergeten heeft te groeien, hij praat net als de
jongens; Mevrouw Rogers keek hem onophoudelijk aan, en zei een keer:
"Charles, breng het kind nu niet in de war." Ik zei, dat ik nooit in
de war kwam. Toen fluisterde hij: "Als je met je hoofd omlaag slaapt,
hou je ook op met groeien."
"Hij spreekt net als tante Marie," merkte ik op. "Ik hoop, dat hij
bij ons zal komen."
"Ik zal hem een brief schrijven en vragen, om toch vooral te komen,"
zei Lena.
Toen wij thuis kwamen, was het theetijd, en waren de jongens juist
uit school terug. Zij spotten met ons ezeltje. "Als de ezel van
juffrouw Ribbon komt, zullen we 'm slaan, waar de anderen bij zijn,"
dreigden ze. Wij vertelden hun, dat het niet juffrouw Ribbon's, maar
boer Donnyball's ezel was.
En zoo naderde het met spanning verwachte oogenblik van de
ezelen-revue.
Toen 't zes uur was, stonden we allen aan 't hek; Puf was op 't
poortje geklommen, om toch vooral de eerste te wezen, die hen zag
komen. Wij wachtten, wachtten tot bijna halfzeven, toen Nell kwam
opdagen. Hij zag er prachtig uit, dik en helder, en met een mooie
grijze kleur; de jongen, die hem bracht, scheen ook zeer met hem
ingenomen. Terwijl we ons om den aankomeling verdrongen, kwamen, in
een stofwolk gehuld, vier leelijke, ruwe beesten aangedraafd,
begeleid door een man en een jongen. En toen begon de revue.
[Illustratie]
Ik wenschte, dat vader er nu maar was, maar Daan meende zelf de keuze
wel te kunnen maken. Nog waren we bezig, van alle kanten het vijftal
te bekijken, toen een oude vrouw kwam opzetten, ook met een ezel, en
werkelijk een aardig beest.
Het begon nu vermakelijk te worden; een troep kinderen stond om ons
heen, en nog meerderen kwamen erbij kijken. Wij hadden nu zes ezels,
en nog was vader er niet.
De vier magere ezels behoorden aan onzen vriend den zigeuner, en de
mooie zwarte behoorde aan een vriendin van juffrouw Tapson. Daan deed
heel gewichtig; hij fluisterde Alex wat in, waarna deze z'n pet in de
lucht wierp en uit alle macht Hoera! riep. Onmiddellijk daarna nam
Daan het woord en schreeuwde: "Kijk hier, we moeten een ezel hebben,
die goed kan loopen, en nu willen we uit deze zes den besten kiezen.
Daarvoor zullen we een wedstrijd houden; wie van de zes het vlugst
een afstand van één mijl loopt, is ons."
De dorpskinderen juichten bij het hooren van deze afkondiging, en wij
niet minder. De man met de vier magere exemplaren keek niet bijzonder
opgewekt. En hij mopperde: "Ik heb deze puike beestjes 10 mijlen
moeten laten loopen, om ze hier te brengen, en ik heb er niet op
gerekend, dat ze nu ook nog een wedstrijd moeten meemaken. En dat op
zoo'n heeten dag!"
"Wel," zei Daan, die altijd rake opmerkingen heeft, "we zullen ze een
voorsprong geven. Op den hoogen weg zal de wedloop plaats hebben; tot
den ouden eik, waar de bliksem is ingeslagen, is het een halve mijl,
ik heb het opgemeten. Nu zullen we ze tot daar laten rennen; de start
is bij ons hek."
Vervolgens vroeg hij aan juffrouw Tapson's vriendin, die Rowe heette,
hoe ver haar ezel had geloopen; 5 mijlen, was het antwoord. Bob
Tapson had ons briefje aan den mijlpaal gelezen, en toen haar
gewaarschuwd. Zij was nu met het ezelkarretje hierheen gekomen.
Daan begon nu den wedstrijd te regelen. "Wij moeten jockeys hebben,"
vond Alex, en voegde er meteen bij: "ik zal den grijzen berijden."
Toen deed Daan ook maar eerst een keus, en bestemde den zwarten voor
zich. Dit was de ezel van juffrouw Rowe.
Maar de jongen van boer Donnyball zei, dat hij zelf z'n ezel moest
berijden, want hij kende z'n eigenaardigheden. Alex koos zich dus een
van de vier zigeuner-ezels; dan nam de jongen, die erbij was, een
tweeden van 't viertal, de man wilde dan den derden nemen. Maar Daan
vond hem daar te zwaar voor. Lena en ik vroegen hem, ook een ezel te
mogen berijden, maar hij wou 't niet hebben. Hij vond, dat wij
moesten post vatten bij de start. Twee jongens uit 't dorp bestegen
toen de twee andere zigeuner-ezels. Zij moesten alle vier zonder
zadel bereden worden.
Het begon nu te spannen; iedereen wond zich op, en toen we de ezels
alle op den hoogen weg brachten, en ze daar op een rij plaatsten,
scheen het heele dorp wel uitgeloopen, om er naar te kijken.
Daan gaf den 10-mijlen-ezels 200 meter voorsprong, dien van juffrouw
Rowe 100 meter, en de grijze, die maar een mijl geloopen had, vertrok
bij ons hek. Het kostte heel wat tijd, voordat alles in orde was. Als
vertreksein vind Daan een pistool heel geschikt, maar we hadden geen
bruikbaar exemplaar meer; dus werd de tafelbel gekozen. Hiermee liep
ik tot midden op den weg, en luidde haar toen uit alle macht. De zes
harddravers zetten zich in beweging, maar ook de gansche troep
kinderen rende er achter aan, schreeuwend en juichend, dat je hooren
en zien verging. Lena en ik hadden graag evenzoo gedaan, maar wij
hadden de wacht bij het eindpunt, en hielden ons dus gereed voor een
nauwkeurige opname van den tijd der terugkomst.
Een van de bruine ezels wilde niet; hij struikelde over een kuiltje,
en bleef bewegingloos staan. De man, die hem en z'n 3 makkers
gebracht had, begon te vloeken en hem te slaan. Lena en ik werden
beangst, en we vroegen Baldwin, er heen te gaan, en hem te vragen,
maar op te houden. Natuurlijk waren de keukenmeid en Emma en Baldwin
ook komen kijken.
Het duurde lang, eer ze terugkwamen, maar eindelijk hoorden we
juichkreten en zagen we Daan op den zwarten ezel in draf aanrijden.
Met een galop sprong hij het eindpunt binnen. Van de anderen was nog
niets te zien. Eindelijk verscheen ook Alex; hij was twee keer
afgeworpen; hij zei, dat zijn ezel kuren had, en terwijl hij ons
daarvan vertelde, nam het dier juist weer een sprong, en buitelde
Alex over z'n kop in een bed brandnetels. Ik kon m'n lachen niet
houden, hoewel ik het voor Alex jammer vond. Vervolgens verscheen de
boerenknecht; zijn ezel lag aan den weg, en had hem enkele
oogenblikken geleden afgeworpen.
[Illustratie]
De andere ezels waren geen van alle goed, zij kwamen niet eens tot
aan den eikeboom, ze stonden koppig op den weg, en wilden niet voort,
waarop Daan den man te kennen gaf, dat we een loopenden, geen
stilstaanden ezel moesten hebben. De man was verre van prettig
gestemd en raasde van belang. Hij wilde voor z'n vergeefsche reis
betaald worden, en ging naar de herberg om vaders thuiskomst af te
wachten. Natuurlijk waren we 't allen eens over den winnaar, en
juffrouw Rowe was wàt in haar schik. Zij prees haar ezel als een
eerste-klas-harddraver en wilde er haar karretje en het tuig bij
verkoopen voor een prijsje. Nu kwam het belangrijkste nog: de
koopsom. Zij zei, dat ze den ezel en het karretje niet meer noodig
had, omdat ze te Lemworth ging wonen, en daarom zou ze 't ons voor
een prijsje laten: voor de gansche verzameling vroeg ze 54 gulden. 't
Scheen goedkoop, maar ... wij hadden het niet! Daan telde onze kas na;
er was slechts 10 gulden en 20 cent in, en daar kwam dan bij
grootmoeders 36 gulden. Terwijl we hierover nog aan 't onderhandelen
waren, kwamen vader en tante Caroline van 't station.
Hoewel vader zeer vermoeid was, kwam hij ons dadelijk helpen. Hij
deed eenige vragen over den ezel, hoe oud hij was, en hoe lang ze hem
had gehad, en of ie ook rare kuren had, en hoe snel of ie loopen kon;
wij vertelden hem dadelijk van den wedstrijd, en toen wilde vader ook
de andere zien.
Te midden van deze nieuwe drukte riep tante Caroline Lena en mij naar
binnen, om naar bed te gaan. Toen ze was thuisgekomen, had ze Puf al
naar bed gestuurd. We moesten dus van al dat moois scheiden, doch
waren er zeker van, dat vader Andy, den ezel van juffrouw Rowe, zou
kiezen.
Zoo gebeurde het ook, en Alex kwam ons nog even vertellen, toen we al
in bed lagen, dat vader ook het karretje gekocht had; wij moesten hem
ons verdiende geld geven, en hij zou de rest er bijvoegen. Juffrouw
Rowe had den ezel met toebehooren voor 48 gulden achtergelaten.
Lena en ik waren verschrikkelijk verdrietig, dat we den intocht van
ons ezeltje in den stal niet konden bijwonen. Den volgenden morgen
had Baldwin hem al in 't grasveld bij de keuken gelaten. Wij gingen
naar 'm toe en Lena gaf hem een wortel. Hij kwam dadelijk op ons af,
en at 'm op. Maar toen we op z'n rug wilden klimmen, sprong ie weg.
Na het ontbijt gingen vader en tante hem bekijken. Vader vond, dat de
jongens best zelf het karretje konden opschilderen.
Na school gingen we allen, verheugd over onzen nieuwen makker, naar
den stal, en beproefden het karretje. Het bleek ons alle vijf best te
kunnen houden.
Daarna gingen we Andy vangen, zetten Puf op z'n rug, en maakten een
plechtigen rondgang over het grasveld. Vervolgens maakte ieder van
ons een rijtoer, totdat Andy zóó vermoeid was, dat ie op z'n
voorknieën ging liggen, zich tuimelen liet, en in 't gras lag te
rollen.
Wij gingen in huis, en Alex fluisterde mij in: "We gaan morgenavond
naar 't zigeuner-feestmaal!"
------