En nu: waar kunnen we een ezel koopen?
Ziedaar de groote vraag, welke ons allen bezig hield, toen we op een
pufwarmen middag ons hadden neergevleid onder de boomen langs het
grasveld. Behalve Puf, die nog niet tot bedaren gekomen was en
telkens opsprong om vlinders na te jagen.
Alex opende de debatten, kriebelde Lena met een grassprietje in haar
oor en zei: "Je ziet nog wel es veel ezels zoo grazen, maar ik heb er
tot nu toe nog niet zoo bijzonder op gelet."
"Laten we naar juffrouw Ribbon gaan, en haar vertellen, wat we noodig
hebben," stelde ik voor, en begon alvast te zingen:
Wie hier eens komt, die komt terug,
Die wordt geholpen, goed en vlug.
"Zij zal er een uit haar dierenverzameling halen," zei Daan, "en dan
zal 't niet veel moois wezen, dat verzeker ik je. Neen, de eenige
lui, die werkelijk goede ezels hebben, dat zijn de zigeuners, en die
moeten we vóór alles zien te vinden."
"Hoera!" riep Alex uit, "we gaan een zigeunerkamp bezoeken." En Lena
voegde erbij: "Juffrouw Ribbon zal ons wel zeggen, waar er een is."
"Wacht es even," zei Daan, "we kunnen het best zelf uitvinden, waar
ze zitten, evengoed als de politie. Laat mij maar begaan."
"Nou ja, maar we kunnen toch evengoed eerst es bij juffrouw Ribbon
gaan hooren," meende ik.
Aldus werd besloten; we sprongen allen overeind en draafden naar het
"dorpsmagazijn". Er stonden juist twee vrouwen af te rekenen, maar
toen ze ons zagen, gingen ze heen, en spoedig had ons clubje den
ganschen winkel gevuld, natuurlijk Puf vooraan. O, wat was het er
snikheet! De vliegen zaten overal op, en juffrouw Ribbon zag er uit,
alsof ze zoo van een wilde vliegenjacht kwam, natuurlijk kwamen de
vliegen nu ook nog op haar gezicht af, alsof het met stroop besmeerd
was. Met haar zakdoek trachtte ze de lastige dieren op 'n afstand te
houden. Niettemin glimlachte ze, zooals altijd en onder alle
omstandigheden.
Daan nam eerst het woord en zei alsof het een bestelling gold: "Wij
wilden een zigeunerkamp hebben." Juffrouw Ribbon keek hem versteld
aan, maar glimlachte alweer spoedig; zij houdt van een grap, en
daarom wij ook van haar.
"Hoeveel geld heb je daarvoor beschikbaar? Ze zijn duur, jongeheer
Daan!"
"O, dat komt later wel terecht, als u er ons maar aan een helpt," zei
Daan.
"Een zigeunerkamp is een flinke bestelling," zei juffrouw Ribbon
nadenkend. "Maar je moet me eens wat nader zeggen, wat je bedoelt.
Hoeveel zigeuners moet je hebben? Of is de bedoeling een kamp
alleen?"
Wij zagen, hoe ze lachte. Maar Alex zei nog eens uitdrukkelijk: "Dat
zou nu de eerste keer worden, dat we hier tevergeefs kwamen. Neen,
juffrouw, we moeten een compleet kamp hebben, met levende zigeuners
erin."
"Maar groote goedheid, kinderen, ik verkoop alleen dingen, die de
menschen kunnen koopen. Levende zigeuners zijn niet te koop in dit
Christelijk land."
Wij begonnen terrein te verliezen, juffrouw Ribbon is ons te knap af.
Toen zei Daan met potsierlijke verontwaardiging: "Wij zullen het
onthouden, juffrouw. Wat wij wilden koopen was de inlichting over een
zigeunerkamp. Maar we zullen u verder niet lastig vallen."
Allen verlieten we den winkel, 't hoofd in den nek als vertoornde
klanten.
"'t Zal haar wàt spijten, dat ze ons niet heeft geholpen," zei Daan.
We gingen dadelijk weer naar huis. Daar schreef Daan, op een groot
vel van vaders preekenpapier, zoo mooi als hij kon:
"Onmiddellijk inlichtingen gevraagd
naar het naastbijgelegen zigeunerkamp.
Gedurende één week in te zenden
aan de pastorie.
Daniël Marjoribanks."
[Illustratie]
Toen was de vraag: Waar zullen we dien brief brengen? We waren 't er
allemaal over eens: niet bij juffrouw Ribbon. Daan had een mooi idee.
Bij den kruisweg, juist aan 't begin van ons dorp, staat een groote
mijlpaal. Wij namen een beetje lijm mee en gingen er heen. Onderweg
zei ik tegen Daan: "Je zult er nog een belooning voor moeten geven."
Daar had hij niet aan gedacht, maar vlug krabbelde hij nog op den
brief: "De aanbrenger zal goed beloond worden." Zoo hoog als wij
erbij konden, werd het papier tegen den paal geplakt, en daarna
keerden we weer naar huis terug. Na de thee ging Daan nog twee keer
kijken, of de lijm wel goed hield. Den tweeden keer zag hij, dat er
twee mannen en een jongen bij stonden te lezen. "Ik hield me weg,"
vertelde hij; "ik kroop achter een heg. Zij schenen er veel belang in
te stellen."
"Ik geloof, dat we beter gedaan hadden, met naar een ezel te vragen,"
merkte ik op. Maar de jongens moesten daar niets van hebben. "Dat
zigeunerkamp is juist de grap!" schreeuwde Daan. "Misschien zijn er
in Lincolnshire niet eens zigeunerkampen," zei Lena.
Dat hadden we nog niet overdacht. En dus gingen we op nader onderzoek
uit. Vader werd aangeklampt om ons daar wat meer van te vertellen.
Hij vertelde ons, dat hij eens zoo'n kamp had bezocht, toen daar een
man ziek was geworden. Wij vertelden vader echter niet, waarom wij
onze vraag deden, maar Puf wilde weten, of ze ook jongens en meisjes
stalen.
Den dag daarna kwam er een jongen aan de achterdeur en vroeg Daan te
spreken. Gelukkig was hij thuis, want den volgenden dag begonnen de
lessen weer. Zeer gejaagd kwam Daan aanloopen. De jongen vertelde:
"Ik heb dien brief gelezen. Boer Brown, aan den weg naar Lemworth,
laat altijd zigeunertroepen op een stuk land bij z'n boerderij
uitrusten. In deze maand komen ze gewoonlijk, omdat ze dan naar de
Lemworthsche kermis gaan, en die is vandaag over een week."
"Sjonge, dat treffen we!" riep Alex. "Hoeveel heb je hem gegeven?"
"Dertig centen. Dat vond ie heel best. Ik zal het natuurlijk uit onze
ezelkas betalen."
"Ik wou, dat we nu morgen dien ezel maar kochten, dat lange wachten
is nergens goed voor," vond ik.
Maar de jongens vonden, dat het wel een week uitstel waard was, om
een echten ezel te kiezen uit een echt zigeunerkamp. En toen begonnen
de lessen; alle dagen waren de jongens weg. Lena en ik kregen 's
morgens les van tante Caroline, en Puf verbeeldde zich dat ook maar.
De middagen hadden we voor onszelf, maar dan was er altijd wel wat
naar een zieke te brengen, of andere boodschappen.
Op zekeren dag hoorde vader mij brommen, omdat ik zoo graag een nieuw
leesboek uit de school-bibliotheek wou lezen, en tante me toen een
boodschap wilde laten doen, terwijl ik pas voor haar was weggeweest.
Vader schudde zijn hoofd, en zei: "Semper paratus! Grietje, zoo wordt
je niet een goede dienstmaagd."
"Maar ik ben de meid van tante Caroline niet," flapte ik eruit.
"Ik dacht, dat je een van Christus' dienstmaagden waart," sprak vader
ernstig. "Jou kleine dagelijksche werkzaamheden zijn de plichten, die
Hij je oplegt, Je kunt niet Zijn dienst scheiden van den dienst hier
in huis, het zijn dezelfde plichten. Denk je wel altijd aan Zijn
bevelen, kind?"
"Ik vergeet het zoo vaak," zuchtte ik.
"Een ontrouwe dienstmaagd is zulk een teleurstelling voor Jezus,"
sprak vader zacht.
Toen begon ik te schreien. Ik kon er niets aan doen.
"Ik geloof niet vader, dat ik ooit een trouwe, gewillige dienstmaagd
zal worden."
"Waarom niet? Deze boodschap van je tante was een oproep tot _gaan_,
nietwaar?"
"Ik denk van wel," fluisterde ik.
"Geloof je zelf, dat je in Christus' dienst bent?" vroeg hij me.
"Ik hoop van wel, vader. Ik wil Hem dienen, omdat Hij voor mij
gestorven is, en ik heb Hem lief, maar niet zóó, als het moest
wezen. Ik denk, dat het _komen_, waarover u preekte, heel wat
gemakkelijker is, dan het _gaan_. En wat het _doen_ betreft, ik heb
er niet eens over gedacht. En, vader, het spijt me toch zoo, dat ik
die Zondagsschoolklas niet heb genomen; Daan was me net voor."
"Elken dag, Grietje, moet je zoowel komen als doen. Het eerste wat
een knecht des morgens doet, is zijn heer om orders vragen. Heb je
van morgen den Heer om Zijn bevelen gevraagd?"
"Neen vader," zei ik, "ik heb mijn gebed vanmorgen afgeraffeld, omdat
ik te laat op was."
"O, maar dàt is de oorzaak van je ontrouw. Ik ben in mijns Meesters
dienst al heel wat jaren meer, dan gij Grietje. Als ik beproef Zijn
bevelen uit te voeren, zonder Hem steeds te bidden, dan geraak ik
dadelijk in moeite. Den ganschen dag, en elken dag is het "komen" en
"gaan"."
Vader ging heen, ik bleef in nadenken verzonken staan, en beloofde
mijzelf in stilte, dat ik trachten zou, nooit meer te mopperen, al
werden mij honderd boodschappen per dag opgedragen.
Ons plan, om op de kermis van Lemworth te gaan kijken naar een
ezeltje, vond vader niet goed. De jongens vroegen hem toen, of we
Zaterdag een langen dagmarsch mochten gaan maken; we zouden dan ons
twaalf-uurtje meenemen, en zien, of er ook zigeuners te vinden waren,
die een ezel voor ons te koop hadden.
Vader vond dit goed, maar zei erbij, dat we slechts inlichtingen
mochten vragen; het koopen van een ezel moesten we aan hem overlaten.
Wat duurde het lang, voor 't Zaterdag was! Eindelijk was de
langverwachte dag er, en dadelijk na 't ontbijt gingen we op weg. Puf
ging te keer als een wanhopige, omdat hij niet mee mocht, en tante
Caroline trachtte hem met allerlei schoone beloften tot bedaren te
brengen.
[Illustratie]
Wij begonnen met twee mijlen te marcheeren langs den kalen, stoffigen
weg; daarna klommen we over een schutting en gingen dwars over de
landerijen. Drukke gesprekken en allerlei verhalen maakten de
wandeling kort. Daan vertelde van een jongen op zijn school, met wien
hij altoos aan 't vechten is. Hij komt uit Londen, heeft een
verbeelding, alsof z'n vader hertog is, en ziet met minachting neer
op "dat gewone volk", zooals hij het noemt.
"Ik vind het niet erg "in den vorm" voor zoo'n heertje om te
vechten", merkte ik op. Ik houd er van, om Daan met z'n eigen woorden
te bekampen.
"Ik heb 'm als een worst in mekaar gedraaid," zei Daan. "Ik had er
zin in, met mijn vuisten er nog eens goed op te beuken. Maar ik laat
hem nog liever heelemaal links liggen, omdat hij gewone menschen
minacht."
Lena vroeg: "Zouden we de zigeuners wel thuis vinden? Ze zullen
allicht naar de kermis te Lemworth zijn." Daar hadden we zoowaar nog
niet aan gedacht. We hielden even stil, om de zaak te overdenken;
inmiddels werd de lunch in 't gras gebruikt.
"Alle ezels zullen toch niet naar de kermis zijn," zei ik. "Hebben
zigeuners wel altijd ezels?" vroeg Lena. "Och, hou toch op en doe
niet van die malle vragen," zei Daan verstoord.
Na nog een heelen tijd te hebben geloopen, kwamen we bij de boerderij
van Brown, en daar vonden we tot onze blijdschap een kamp, een vuile
tent, en een troep kinderen, die er bij speelden. Een zwart-uitziende
vrouw was bezig met kleeren wasschen in een groote braadpan. Maar
ezels waren er niet te zien; slechts een oud wit paard liep er te
grazen.
"Ik vrees, dat ze naar de kermis zijn," fluisterde Alex. "Toe Daan,
ga es heen en groet die vrouw es."
Daan kan dat altijd heel netjes; de lui op 't dorp mogen hem graag,
omdat hij zoo netjes z'n pet kan afnemen. Hij ging recht op de vrouw
af, en groette met z'n stroohoed.
"Morgen juffrouw, mogen wij het genoegen hebben, enkele minuten met u
te spreken?" Zij trok haar handen uit de braadpan en staarde ons aan,
of we wilde dieren waren. Daan ging voort: "Ik weet niet wie
de .... baas van dit kamp is, maar ik zou hem graag over zaken
spreken."
"Houdt je me voor den mal?" vroeg de vrouw ruw.
"We meenen het allemaal ernstig," zei Daan. "U moet weten, wij willen
een ezel koopen, en wij meenden, dat u er wel een te koop zoudt
hebben."
De vrouw lachte, en riep daarna: "Jim! Kom es hier en vertel dien
jongens es, dat ze aan 't verkeerde adres zijn voor ezels."
Een man, een echte zigeuner, kwam langzaam aanslenteren. Hij droeg
groote blinkende knoopen aan jas en vest en broek, had een grooten
geelrooden zakdoek om z'n hals en een zwaren ring aan een der
vingers.
[Illustratie]
"Wij doen niet in ezels!" zei hij, terwijl hij aan een groote pijp
trok en ons met loerende oogen bekeek. "Hoeveel heb je er voor over?"
"Dat zal vader wel behandelen," zei Daan met beslistheid. "We moeten
een goeden, vluggen ezel hebben, een die loopt als de wind, en wij
wenschen hem Maandagavond na zes uur aan de pastorie te Warlington te
hebben, om 'm te bezien. Kan ik daarop rekenen?"
Daan doet altijd zaken, als was hij een koopman van zessen klaar.
Maar wij waren toch allen teleurgesteld, dat wij nu niet één
ezeltje te zien kregen. Intusschen sloop Lena wat verder het kamp in,
kwam weer terug en vroeg aan de zwarte vrouw: "Laat mij eens uw
woning van binnen zien; ik zou ook wel in zoo'n kamp willen wonen."
De vrouw vond het goed en ging ons voor; Alex ging mee, en Daan bleef
met den man praten. De wagen zag er van binnen wat aardig uit. Aan
den wand hingen schilderijtjes, platen en helder geschuurde pannen;
maar lekker rook het er niet. Lena vond het er verrukkelijk en zei:
"Zeg u es -- we zullen 't aan niemand verklappen -- maar is het waar,
dat jelui kleine kinderen stelen, of staat dat alleen in de boeken?"
De vrouw moest hardop lachen. "Wou je een tijdje met ons mee op reis,
juffie?"
"O, dolgraag, maar slechts voor een paar weken, in de vacantie. Ik
geloof, dat het heerlijk is, gestolen te zijn!" De vrouw schudde haar
hoofd. "Kinderen geven meer kwelling, dan ze waard zijn; die wij
hebben, zijn al meer dan genoeg," zei ze.
Lena was geheel uit 't veld geslagen. Alex vroeg haar, of ze wel
waarzeggen kon. Ze schudde van neen. Maar -- zeiden we haar -- dan
kun je ook geen echt zigeunerkind wezen.
Toen we den wagen weer verlaten hadden, riep Daan ons. "De zaak is al
in orde," zei hij; "wij zullen eenige ezels thuis krijgen, om uit te
kiezen. Overmorgen komen ze; zoolang zullen we moeten wachten."
Alex vroeg hem toen, of hij den zigeuner wilde vragen, dat die ons
zou verzoeken om op een avond een echt zigeunermaal te komen
bijwonen.
Daan vroeg het en antwoordde ons, dat we er zelfs aan mochten
deelnemen, voor twintig cent de man. De man verzocht ons te komen den
eerstvolgenden Dinsdag, 's avonds om 9 uur. Toen zeiden we hem goeden
dag, en vertrokken.
Ik weet niet, hoe dat kwam, maar we waren allemaal een beetje
teleurgesteld. Wij hadden verwacht een prachtigen ezel te zullen
zien, en met een mooi-gezadeld exemplaar thuis te zullen komen; wij
hadden gedacht, een groot, dichtbevolkt zigeunerkamp te zullen
aantreffen, met een waarzegster er bij, met mannen er bij, die ringen
in hun ooren droegen, die dansten en feest vierden, en een of ander
gestolen kind, dat achter een boom stond te huilen. Maar van dat
alles niets; niet één ezel, één kermiswagen maar, geen gestolen
kind, één man maar en ééne vrouw.
Intusschen vertelde Daan ons, dat de man iemand wist, die ezels
verkocht, en dat die persoon op de kermis was. Maar hij zou hem wel
vertellen, wat wij wenschten, en dan zou die koopman ze wel brengen.
"Ik heb hem den tijd gegeven tot Maandagavond," zei hij deftig, "en
ik heb er nog een mooi plan bij bedacht. Wij zullen op den mijlpaal
aan den kruisweg een nieuw briefje plakken, waarop te lezen staat,
dat iedereen die een ezel te koop heeft, er dienzelfden avond mee aan
de pastorie moet komen." "Dat wordt een ezelen-revue!" juichte Alex,
en sprong in 't rond.
Met groot verlangen zagen we Maandagavond tegemoet. Wij houden er erg
van, iets lang vooraf te weten, dan heb je altijd schik vooruit en je
wordt niet zwartgallig. Betty en Clara zeggen, dat ze haast altoos
somber gestemd zijn, daarom heb ik ze gezegd, dat ze vooral veel
plannetjes moeten maken.
In een tevreden stemming naderden we ons dorp weer. Bij het spreken
over de avondpartij in 't zigeunerkamp, liet ik Daan merken, dat ik
vreesde, dat vader ons geen toestemming zou geven, om er heen te
gaan. "Nu ja," zei hij, "jelui -- Lena en jij -- doen ook beter met
niet te gaan. Alex en ik wel, omdat vader het ook wel eens gedaan
heeft; vader zei, dat sommigen van die zigeuners heel nette menschen
zijn."
"Maar wij zouden toch graag meegaan," zei ik wat ontevreden. "Alles
wat lekker is, is nog niet verkeerd!"
"Wees toch zoo'n kwast niet," zei Alex. En Lena voegde er nijdig aan
toe: "Ik ga toch, 't kan me niet schelen, wat ouwe Griet doet; als ik
er voor gestraft word, heb ik het toch al gehad!"
------