HOOFDSTUK VII.

En nu: waar kunnen we een ezel koopen?

Ziedaar de groote vraag, welke ons allen bezig hield, toen we op een

pufwarmen middag ons hadden neergevleid onder de boomen langs het

grasveld. Behalve Puf, die nog niet tot bedaren gekomen was en

telkens opsprong om vlinders na te jagen.

Alex opende de debatten, kriebelde Lena met een grassprietje in haar

oor en zei: "Je ziet nog wel es veel ezels zoo grazen, maar ik heb er

tot nu toe nog niet zoo bijzonder op gelet."

"Laten we naar juffrouw Ribbon gaan, en haar vertellen, wat we noodig

hebben," stelde ik voor, en begon alvast te zingen:

Wie hier eens komt, die komt terug,

Die wordt geholpen, goed en vlug.

"Zij zal er een uit haar dierenverzameling halen," zei Daan, "en dan

zal 't niet veel moois wezen, dat verzeker ik je. Neen, de eenige

lui, die werkelijk goede ezels hebben, dat zijn de zigeuners, en die

moeten we vóór alles zien te vinden."

"Hoera!" riep Alex uit, "we gaan een zigeunerkamp bezoeken." En Lena

voegde erbij: "Juffrouw Ribbon zal ons wel zeggen, waar er een is."

"Wacht es even," zei Daan, "we kunnen het best zelf uitvinden, waar

ze zitten, evengoed als de politie. Laat mij maar begaan."

"Nou ja, maar we kunnen toch evengoed eerst es bij juffrouw Ribbon

gaan hooren," meende ik.

Aldus werd besloten; we sprongen allen overeind en draafden naar het

"dorpsmagazijn". Er stonden juist twee vrouwen af te rekenen, maar

toen ze ons zagen, gingen ze heen, en spoedig had ons clubje den

ganschen winkel gevuld, natuurlijk Puf vooraan. O, wat was het er

snikheet! De vliegen zaten overal op, en juffrouw Ribbon zag er uit,

alsof ze zoo van een wilde vliegenjacht kwam, natuurlijk kwamen de

vliegen nu ook nog op haar gezicht af, alsof het met stroop besmeerd

was. Met haar zakdoek trachtte ze de lastige dieren op 'n afstand te

houden. Niettemin glimlachte ze, zooals altijd en onder alle

omstandigheden.

Daan nam eerst het woord en zei alsof het een bestelling gold: "Wij

wilden een zigeunerkamp hebben." Juffrouw Ribbon keek hem versteld

aan, maar glimlachte alweer spoedig; zij houdt van een grap, en

daarom wij ook van haar.

"Hoeveel geld heb je daarvoor beschikbaar? Ze zijn duur, jongeheer

Daan!"

"O, dat komt later wel terecht, als u er ons maar aan een helpt," zei

Daan.

"Een zigeunerkamp is een flinke bestelling," zei juffrouw Ribbon

nadenkend. "Maar je moet me eens wat nader zeggen, wat je bedoelt.

Hoeveel zigeuners moet je hebben? Of is de bedoeling een kamp

alleen?"

Wij zagen, hoe ze lachte. Maar Alex zei nog eens uitdrukkelijk: "Dat

zou nu de eerste keer worden, dat we hier tevergeefs kwamen. Neen,

juffrouw, we moeten een compleet kamp hebben, met levende zigeuners

erin."

"Maar groote goedheid, kinderen, ik verkoop alleen dingen, die de

menschen kunnen koopen. Levende zigeuners zijn niet te koop in dit

Christelijk land."

Wij begonnen terrein te verliezen, juffrouw Ribbon is ons te knap af.

Toen zei Daan met potsierlijke verontwaardiging: "Wij zullen het

onthouden, juffrouw. Wat wij wilden koopen was de inlichting over een

zigeunerkamp. Maar we zullen u verder niet lastig vallen."

Allen verlieten we den winkel, 't hoofd in den nek als vertoornde

klanten.

"'t Zal haar wàt spijten, dat ze ons niet heeft geholpen," zei Daan.

We gingen dadelijk weer naar huis. Daar schreef Daan, op een groot

vel van vaders preekenpapier, zoo mooi als hij kon:

"Onmiddellijk inlichtingen gevraagd

naar het naastbijgelegen zigeunerkamp.

Gedurende één week in te zenden

aan de pastorie.

Daniël Marjoribanks."

[Illustratie]

Toen was de vraag: Waar zullen we dien brief brengen? We waren 't er

allemaal over eens: niet bij juffrouw Ribbon. Daan had een mooi idee.

Bij den kruisweg, juist aan 't begin van ons dorp, staat een groote

mijlpaal. Wij namen een beetje lijm mee en gingen er heen. Onderweg

zei ik tegen Daan: "Je zult er nog een belooning voor moeten geven."

Daar had hij niet aan gedacht, maar vlug krabbelde hij nog op den

brief: "De aanbrenger zal goed beloond worden." Zoo hoog als wij

erbij konden, werd het papier tegen den paal geplakt, en daarna

keerden we weer naar huis terug. Na de thee ging Daan nog twee keer

kijken, of de lijm wel goed hield. Den tweeden keer zag hij, dat er

twee mannen en een jongen bij stonden te lezen. "Ik hield me weg,"

vertelde hij; "ik kroop achter een heg. Zij schenen er veel belang in

te stellen."

"Ik geloof, dat we beter gedaan hadden, met naar een ezel te vragen,"

merkte ik op. Maar de jongens moesten daar niets van hebben. "Dat

zigeunerkamp is juist de grap!" schreeuwde Daan. "Misschien zijn er

in Lincolnshire niet eens zigeunerkampen," zei Lena.

Dat hadden we nog niet overdacht. En dus gingen we op nader onderzoek

uit. Vader werd aangeklampt om ons daar wat meer van te vertellen.

Hij vertelde ons, dat hij eens zoo'n kamp had bezocht, toen daar een

man ziek was geworden. Wij vertelden vader echter niet, waarom wij

onze vraag deden, maar Puf wilde weten, of ze ook jongens en meisjes

stalen.

Den dag daarna kwam er een jongen aan de achterdeur en vroeg Daan te

spreken. Gelukkig was hij thuis, want den volgenden dag begonnen de

lessen weer. Zeer gejaagd kwam Daan aanloopen. De jongen vertelde:

"Ik heb dien brief gelezen. Boer Brown, aan den weg naar Lemworth,

laat altijd zigeunertroepen op een stuk land bij z'n boerderij

uitrusten. In deze maand komen ze gewoonlijk, omdat ze dan naar de

Lemworthsche kermis gaan, en die is vandaag over een week."

"Sjonge, dat treffen we!" riep Alex. "Hoeveel heb je hem gegeven?"

"Dertig centen. Dat vond ie heel best. Ik zal het natuurlijk uit onze

ezelkas betalen."

"Ik wou, dat we nu morgen dien ezel maar kochten, dat lange wachten

is nergens goed voor," vond ik.

Maar de jongens vonden, dat het wel een week uitstel waard was, om

een echten ezel te kiezen uit een echt zigeunerkamp. En toen begonnen

de lessen; alle dagen waren de jongens weg. Lena en ik kregen 's

morgens les van tante Caroline, en Puf verbeeldde zich dat ook maar.

De middagen hadden we voor onszelf, maar dan was er altijd wel wat

naar een zieke te brengen, of andere boodschappen.

Op zekeren dag hoorde vader mij brommen, omdat ik zoo graag een nieuw

leesboek uit de school-bibliotheek wou lezen, en tante me toen een

boodschap wilde laten doen, terwijl ik pas voor haar was weggeweest.

Vader schudde zijn hoofd, en zei: "Semper paratus! Grietje, zoo wordt

je niet een goede dienstmaagd."

"Maar ik ben de meid van tante Caroline niet," flapte ik eruit.

"Ik dacht, dat je een van Christus' dienstmaagden waart," sprak vader

ernstig. "Jou kleine dagelijksche werkzaamheden zijn de plichten, die

Hij je oplegt, Je kunt niet Zijn dienst scheiden van den dienst hier

in huis, het zijn dezelfde plichten. Denk je wel altijd aan Zijn

bevelen, kind?"

"Ik vergeet het zoo vaak," zuchtte ik.

"Een ontrouwe dienstmaagd is zulk een teleurstelling voor Jezus,"

sprak vader zacht.

Toen begon ik te schreien. Ik kon er niets aan doen.

"Ik geloof niet vader, dat ik ooit een trouwe, gewillige dienstmaagd

zal worden."

"Waarom niet? Deze boodschap van je tante was een oproep tot _gaan_,

nietwaar?"

"Ik denk van wel," fluisterde ik.

"Geloof je zelf, dat je in Christus' dienst bent?" vroeg hij me.

"Ik hoop van wel, vader. Ik wil Hem dienen, omdat Hij voor mij

gestorven is, en ik heb Hem lief, maar niet zóó, als het moest

wezen. Ik denk, dat het _komen_, waarover u preekte, heel wat

gemakkelijker is, dan het _gaan_. En wat het _doen_ betreft, ik heb

er niet eens over gedacht. En, vader, het spijt me toch zoo, dat ik

die Zondagsschoolklas niet heb genomen; Daan was me net voor."

"Elken dag, Grietje, moet je zoowel komen als doen. Het eerste wat

een knecht des morgens doet, is zijn heer om orders vragen. Heb je

van morgen den Heer om Zijn bevelen gevraagd?"

"Neen vader," zei ik, "ik heb mijn gebed vanmorgen afgeraffeld, omdat

ik te laat op was."

"O, maar dàt is de oorzaak van je ontrouw. Ik ben in mijns Meesters

dienst al heel wat jaren meer, dan gij Grietje. Als ik beproef Zijn

bevelen uit te voeren, zonder Hem steeds te bidden, dan geraak ik

dadelijk in moeite. Den ganschen dag, en elken dag is het "komen" en

"gaan"."

Vader ging heen, ik bleef in nadenken verzonken staan, en beloofde

mijzelf in stilte, dat ik trachten zou, nooit meer te mopperen, al

werden mij honderd boodschappen per dag opgedragen.

Ons plan, om op de kermis van Lemworth te gaan kijken naar een

ezeltje, vond vader niet goed. De jongens vroegen hem toen, of we

Zaterdag een langen dagmarsch mochten gaan maken; we zouden dan ons

twaalf-uurtje meenemen, en zien, of er ook zigeuners te vinden waren,

die een ezel voor ons te koop hadden.

Vader vond dit goed, maar zei erbij, dat we slechts inlichtingen

mochten vragen; het koopen van een ezel moesten we aan hem overlaten.

Wat duurde het lang, voor 't Zaterdag was! Eindelijk was de

langverwachte dag er, en dadelijk na 't ontbijt gingen we op weg. Puf

ging te keer als een wanhopige, omdat hij niet mee mocht, en tante

Caroline trachtte hem met allerlei schoone beloften tot bedaren te

brengen.

[Illustratie]

Wij begonnen met twee mijlen te marcheeren langs den kalen, stoffigen

weg; daarna klommen we over een schutting en gingen dwars over de

landerijen. Drukke gesprekken en allerlei verhalen maakten de

wandeling kort. Daan vertelde van een jongen op zijn school, met wien

hij altoos aan 't vechten is. Hij komt uit Londen, heeft een

verbeelding, alsof z'n vader hertog is, en ziet met minachting neer

op "dat gewone volk", zooals hij het noemt.

"Ik vind het niet erg "in den vorm" voor zoo'n heertje om te

vechten", merkte ik op. Ik houd er van, om Daan met z'n eigen woorden

te bekampen.

"Ik heb 'm als een worst in mekaar gedraaid," zei Daan. "Ik had er

zin in, met mijn vuisten er nog eens goed op te beuken. Maar ik laat

hem nog liever heelemaal links liggen, omdat hij gewone menschen

minacht."

Lena vroeg: "Zouden we de zigeuners wel thuis vinden? Ze zullen

allicht naar de kermis te Lemworth zijn." Daar hadden we zoowaar nog

niet aan gedacht. We hielden even stil, om de zaak te overdenken;

inmiddels werd de lunch in 't gras gebruikt.

"Alle ezels zullen toch niet naar de kermis zijn," zei ik. "Hebben

zigeuners wel altijd ezels?" vroeg Lena. "Och, hou toch op en doe

niet van die malle vragen," zei Daan verstoord.

Na nog een heelen tijd te hebben geloopen, kwamen we bij de boerderij

van Brown, en daar vonden we tot onze blijdschap een kamp, een vuile

tent, en een troep kinderen, die er bij speelden. Een zwart-uitziende

vrouw was bezig met kleeren wasschen in een groote braadpan. Maar

ezels waren er niet te zien; slechts een oud wit paard liep er te

grazen.

"Ik vrees, dat ze naar de kermis zijn," fluisterde Alex. "Toe Daan,

ga es heen en groet die vrouw es."

Daan kan dat altijd heel netjes; de lui op 't dorp mogen hem graag,

omdat hij zoo netjes z'n pet kan afnemen. Hij ging recht op de vrouw

af, en groette met z'n stroohoed.

"Morgen juffrouw, mogen wij het genoegen hebben, enkele minuten met u

te spreken?" Zij trok haar handen uit de braadpan en staarde ons aan,

of we wilde dieren waren. Daan ging voort: "Ik weet niet wie

de .... baas van dit kamp is, maar ik zou hem graag over zaken

spreken."

"Houdt je me voor den mal?" vroeg de vrouw ruw.

"We meenen het allemaal ernstig," zei Daan. "U moet weten, wij willen

een ezel koopen, en wij meenden, dat u er wel een te koop zoudt

hebben."

De vrouw lachte, en riep daarna: "Jim! Kom es hier en vertel dien

jongens es, dat ze aan 't verkeerde adres zijn voor ezels."

Een man, een echte zigeuner, kwam langzaam aanslenteren. Hij droeg

groote blinkende knoopen aan jas en vest en broek, had een grooten

geelrooden zakdoek om z'n hals en een zwaren ring aan een der

vingers.

[Illustratie]

"Wij doen niet in ezels!" zei hij, terwijl hij aan een groote pijp

trok en ons met loerende oogen bekeek. "Hoeveel heb je er voor over?"

"Dat zal vader wel behandelen," zei Daan met beslistheid. "We moeten

een goeden, vluggen ezel hebben, een die loopt als de wind, en wij

wenschen hem Maandagavond na zes uur aan de pastorie te Warlington te

hebben, om 'm te bezien. Kan ik daarop rekenen?"

Daan doet altijd zaken, als was hij een koopman van zessen klaar.

Maar wij waren toch allen teleurgesteld, dat wij nu niet één

ezeltje te zien kregen. Intusschen sloop Lena wat verder het kamp in,

kwam weer terug en vroeg aan de zwarte vrouw: "Laat mij eens uw

woning van binnen zien; ik zou ook wel in zoo'n kamp willen wonen."

De vrouw vond het goed en ging ons voor; Alex ging mee, en Daan bleef

met den man praten. De wagen zag er van binnen wat aardig uit. Aan

den wand hingen schilderijtjes, platen en helder geschuurde pannen;

maar lekker rook het er niet. Lena vond het er verrukkelijk en zei:

"Zeg u es -- we zullen 't aan niemand verklappen -- maar is het waar,

dat jelui kleine kinderen stelen, of staat dat alleen in de boeken?"

De vrouw moest hardop lachen. "Wou je een tijdje met ons mee op reis,

juffie?"

"O, dolgraag, maar slechts voor een paar weken, in de vacantie. Ik

geloof, dat het heerlijk is, gestolen te zijn!" De vrouw schudde haar

hoofd. "Kinderen geven meer kwelling, dan ze waard zijn; die wij

hebben, zijn al meer dan genoeg," zei ze.

Lena was geheel uit 't veld geslagen. Alex vroeg haar, of ze wel

waarzeggen kon. Ze schudde van neen. Maar -- zeiden we haar -- dan

kun je ook geen echt zigeunerkind wezen.

Toen we den wagen weer verlaten hadden, riep Daan ons. "De zaak is al

in orde," zei hij; "wij zullen eenige ezels thuis krijgen, om uit te

kiezen. Overmorgen komen ze; zoolang zullen we moeten wachten."

Alex vroeg hem toen, of hij den zigeuner wilde vragen, dat die ons

zou verzoeken om op een avond een echt zigeunermaal te komen

bijwonen.

Daan vroeg het en antwoordde ons, dat we er zelfs aan mochten

deelnemen, voor twintig cent de man. De man verzocht ons te komen den

eerstvolgenden Dinsdag, 's avonds om 9 uur. Toen zeiden we hem goeden

dag, en vertrokken.

Ik weet niet, hoe dat kwam, maar we waren allemaal een beetje

teleurgesteld. Wij hadden verwacht een prachtigen ezel te zullen

zien, en met een mooi-gezadeld exemplaar thuis te zullen komen; wij

hadden gedacht, een groot, dichtbevolkt zigeunerkamp te zullen

aantreffen, met een waarzegster er bij, met mannen er bij, die ringen

in hun ooren droegen, die dansten en feest vierden, en een of ander

gestolen kind, dat achter een boom stond te huilen. Maar van dat

alles niets; niet één ezel, één kermiswagen maar, geen gestolen

kind, één man maar en ééne vrouw.

Intusschen vertelde Daan ons, dat de man iemand wist, die ezels

verkocht, en dat die persoon op de kermis was. Maar hij zou hem wel

vertellen, wat wij wenschten, en dan zou die koopman ze wel brengen.

"Ik heb hem den tijd gegeven tot Maandagavond," zei hij deftig, "en

ik heb er nog een mooi plan bij bedacht. Wij zullen op den mijlpaal

aan den kruisweg een nieuw briefje plakken, waarop te lezen staat,

dat iedereen die een ezel te koop heeft, er dienzelfden avond mee aan

de pastorie moet komen." "Dat wordt een ezelen-revue!" juichte Alex,

en sprong in 't rond.

Met groot verlangen zagen we Maandagavond tegemoet. Wij houden er erg

van, iets lang vooraf te weten, dan heb je altijd schik vooruit en je

wordt niet zwartgallig. Betty en Clara zeggen, dat ze haast altoos

somber gestemd zijn, daarom heb ik ze gezegd, dat ze vooral veel

plannetjes moeten maken.

In een tevreden stemming naderden we ons dorp weer. Bij het spreken

over de avondpartij in 't zigeunerkamp, liet ik Daan merken, dat ik

vreesde, dat vader ons geen toestemming zou geven, om er heen te

gaan. "Nu ja," zei hij, "jelui -- Lena en jij -- doen ook beter met

niet te gaan. Alex en ik wel, omdat vader het ook wel eens gedaan

heeft; vader zei, dat sommigen van die zigeuners heel nette menschen

zijn."

"Maar wij zouden toch graag meegaan," zei ik wat ontevreden. "Alles

wat lekker is, is nog niet verkeerd!"

"Wees toch zoo'n kwast niet," zei Alex. En Lena voegde er nijdig aan

toe: "Ik ga toch, 't kan me niet schelen, wat ouwe Griet doet; als ik

er voor gestraft word, heb ik het toch al gehad!"

------

Wij en ons ezeltje · 第 11 / 29 题