HOOFDSTUK VI.

In groote spanning zagen Lena en ik de theevisite bij Mevrouw Laura

tegemoet. Lang voordat tante Caroline het gewild had, waren we al in

ons beste pakje gestoken. Emma bracht ons weg, en liep onophoudelijk

druk te praten over het mooie, groote huis van den baron. Ik wou, dat

ze allen bij ons in de kerk kwamen, maar dat doen ze niet; dichterbij

hebben ze een kerk, en daar gaan ze heen. Wat zullen de jongens

jaloersch op ons zijn; ik heb ze maar gezegd, dat er heelemaal geen

jongens zijn, waarna Daan opmerkte, dat een visite van louter meisjes

hem te min was.

Lena was gewoon wild; ik waarschuwde haar, dat, als ze wat verkeerds

uithaalde, ik dadelijk naar huis terug zou keeren, om haar daar te

laten. Natuurlijk werd ik weer voor verwaandheidje uitgescholden,

maar dat is minder: Lena was nu niet kalm.

Toen we de groote voordeur naderden, was ze o zoo schuchter, ik denk

een beetje angstig. Ikzelf eigenlijk ook wel een weinig, toen een

deftige huisknecht ons in een vestibule liet, die geheel met

schilderstukken en platen versierd was, en ons vervolgens langs

eindelooze gangen geleidde, waarna hij een deur opende, en riep: "De

jongedames van de pastorie!"

Even daarna stonden we in een allerliefste kinderkamer, en kwam Clara

ons tegemoet om ons te verwelkomen. Zij bracht ons dadelijk bij 't

venster, waar Betty op een sofa lag. Zij geleek sprekend op Clara,

alleen haar gezichtje was wat smaller en bleeker. Dan was er in deze

kamer nog een vriendelijke gouvernante, Miss Tudor.

[Illustratie]

Onmiddellijk vroeg Lena haar, of ze nog familie was van den koning

Tudor. Miss scheen het nog al niet kwaad op te vatten; ze lachte

althans en zei, dat ze vreesde, wel geen koning in de familie te

zullen hebben.

Toen trok Clara ons mee, en liet ons al haar prachtige poppenkamers

en ander speelgoed zien. Al spoedig zat Lena op den vloer en

vermaakte zich met een der poppenkamers. Inmiddels was ik met Betty

gaan praten.

"Clara heeft me verteld van jelui badkamer en de groote wasch," zei

ze; "ik wou, dat ik er bij geweest was. Toe, vertel me d'r es wat

meer van." Ik ging haar nu vertellen van ons ezeltje, en hoe wij

probeerden het geld te krijgen; ze vond het allerleukst.

Clara kwam naar ons toe: "Zeg, Betty, wij hebben toch zoo'n schik met

ons poppenhuis; Lena vertelt me allerlei nieuws, hoe ik er mee om

moet gaan. Wij hebben inbrekers door den schoorsteen laten klimmen,

en onder het ledikant verborgen, en" -- hier ging ze fluisteren --

"als Miss meteen uit de kamer gaat, gaan we een brandje voorstellen,

en dan zijn wij brandweermannen; dan halen we de tuinslang en

bespuiten het met water."

Betty's oogen schitterden, maar ik moest zien, dat spelletje te

voorkomen. Ik vertelde haar, dat wij zooiets thuis ook eens gedaan

hadden. De jongens staken toen een brandenden lucifer onder een van

de poppenbedden. 't Was o zoo aardig, maar het gansche bed vatte

vlam, en al onze poppen verbrandden. 't Was wel heel vermakelijk, het

toen te blusschen, doch net kwam moeder binnen, en wij moesten haar

beloven, zooiets nooit weer te zullen uithalen. Als we hier zoo'n

rommel maken, mogen we nooit weer komen.

Lena keek me nijdig aan. "Hè, Griet, wat ben je weer vervelend, je

houdt nou ook nooit es van een grapje!"

't Is wel hard, als je voor vervelend wordt gescholden, terwijl je 't

goed bedoelt; maar ik zei geen woord meer, zoodat Lena al spoedig

haar zinnen op wat anders zette. 't Duurde niet lang of de

poppenkamer was veranderd in een kasteel, door soldaten belegerd; de

poppen werden verondersteld, te worden gevangen genomen en vermoord,

waarbij Clara en Lena een afgrijselijk geschreeuw aanhieven.

Inmiddels vertelde Betty mij, hoe het voortdurend liggen op de sofa

haar vermoeide, en hoe zij ernaar verlangde, er af te mogen en de

kamer rond te huppelen. Vervolgens toonde ze me haar boeken en

speelden we een leuk spelletje, totdat de thee kwam. Wij waren toen

al de beste vrinden; Clara zei, dat er in geen mijlen zulke meisjes

als wij te vinden waren. Wij vroegen haar de namen van al de dominees

in de buurt, en van al de baronnen, en het bleek, dat zij ze allen

bij name kende.

Na de thee, toen Miss Tudor de kamer verlaten had, zei Betty tegen

me: "Ik ben toch zoo blij, dat jelui niet zoo braaf bent. Ik dacht

altijd, dat kinderen van een dominee zoo heel braaf waren. En als

jelui dat waart, zou ik niet van je gehouden hebben."

Ik voelde me wat vernederd en zei langzaam: "Zoo. Ja, heel goed ben

ik niet, maar ik tracht het toch te worden." Zij keek mij aan. "Maar

het is toch veel grappiger om ondeugend te zijn."

"Dat weet ik niet," antwoordde ik. "Zoolang je 't bent, lijkt het

heel dapper, maar daarna is het dat lang niet."

"Ik wou, dat er geen "daarna" bestond," zei Betty ongeduldig. "Dat ik

hier op die vreeselijke sofa lig, is ook een "daarna". Je weet, ik

heb mijn voet verstuikt, toen ik als een jongen in een boom wou

klimmen. Miss Tudor riep me, om er uit te komen, maar ik lachte haar

uit, klom hooger en -- viel."

"Verschrikkelijk," zei ik, en voegde er aan toe, terwijl ik mijn

wangen voelde gloeien: "Dat is nu precies hetzelfde, wat ik zou

gedaan hebben. Het is dan zoo akelig gemakkelijk, zoet te wezen."

"Ik houd ervan, flink ondeugend te wezen," sprak Betty met trots.

"Ik wou, dat je vader kende," zei ik. "Hij gunt ons zooveel mogelijk

pleizier. Vaak zegt hij tegen tante Caroline: Een losse teugel,

tante, voor mijn jonge wildebrassen, en zoo weinig mogelijk bevelen

en regelen als 't maar kan. Dat zal ongehoorzaamheid voorkomen."

"Wat een lieve vader!" riep Betty.

En ik ging voort: "Hij zegt, dat als wij Gods geboden gehoorzamen,

wij ook de zijne zullen opvolgen. Toen ik nog een klein meisje was,

las ik vaak de Tien Geboden over, en ik dacht, dat ik er nooit één

van overtrad. Maar nu weet ik beter. Verleden Zondag noemde vader ons

drie geboden: Kom, ga, doe."

Betty luisterde met aandacht. "Toe, ga voort. Je bent een

heerlijkerd; 't eene oogenblik brul je van 't lachen en 't andere hou

je een preek."

Ik vertelde haar nu, zooveel als ik nog wist van vaders preek. "Zoo

doet een trouwe knecht. In onze kerk ligt een ridder begraven, die

altoos trouw en altoos bereid was. Vader zegt, dat hij dat ook wil

wezen, en natuurlijk is hij het ook, en als ik er maar veel om denk,

tracht ik het ook te wezen."

"Vergeet je het dan zoo gauw?"

"Bijna altoos," antwoordde ik zuchtend.

In dit gesprek werden we gestoord door Lena en Clara. Ze wilden zich

verkleeden. Wij gingen dus naar Clara's slaapkamer en trokken

allerlei malle kleeren aan. Daarna keerden we terug naar Betty. Clara

stelde een oude bedelares voor; Lena moest een Indiaan verbeelden,

terwijl ik een deftige Amerikaansche dame voorstelde.

[Illustratie]

Allemaal deden we verhalen aan Betty, en zeiden, uit Engeland te zijn

gekomen, omdat we gehoord hadden, dat ze zoo rijk en goed was.

Vervolgens kondigde Lena een Indiaanschen dans aan; zij klauterde op

de tafel, en tolde als een dolle rond, zoodat Betty tranen van 't

lachen kreeg.

Toen deze voorstelling was beëindigd, werd ons meegedeeld, dat Emma

gekomen was, om met ons weer naar huis te gaan. Wij namen afscheid

van elkaar; Clara en Betty vroegen ons, toch vooral weer te komen.

Wij vonden het heerlijk, en Lena zei, toen we thuis kwamen: "Nu zie

je es, hoe goed het was, dat ik er met den pony vandoor ging, want nu

hebben we beste vriendjes in Clara en Betty." Toen wij thuis kwamen,

vonden wij de jongens druk bezig met het tellen van hun geld. Daan

had 65 cent gemaakt voor gevangen visch, die hij bij drie

verschillende boeren had verkocht, en Alex had f1.80 verdiend bij

Cummins; deze had hem 30 cent per dag gegeven voor zijn hulp bij 't

hooien. Met de noodige plechtigheid verklaarde Alex: "'t Is verdiend

in het zweet des aanschijns; maar het is ook alles, wat ik kan

verdienen, want er wordt nergens meer gehooid nu. En de volgende week

moeten we ook weer naar school."

Oversecuur telden we allen ons geld nog eens na; 't was nog lang niet

genoeg, om er een ezel voor te koopen, maar wij hadden alle hoop, er

nog heel wat bij te verdienen. Lena kon doorgaan met het maken van

borstplaat, en ik met het plukken van bloemen, en het zenden van

groenten naar de markt. Daan kon voortgaan met zijn visscherij.

Alleen voor Alex moest fluks een ander plan bedacht worden.

"Niet noodig!" zei hij. "Ik heb harder gewerkt dan jelui allemaal

samen. Ik heb mijn aandeel geleverd."

"Eén gulden en tachtig cents is niet veel," merkte ik op. Alex begon

korzelig te worden en zei: "'t Zit 'm niet in de hoeveelheid, 't zit

'm in de waarde. Deze 36 stuivers vertegenwoordigen een zeer zwaren

arbeid. Wat zou je meer op prijs stellen als verjaarsgeschenk: een

boek, dat je zoo maar koopt en weer weggeeft, of een boek, waarvoor

een jaar lang gespaard is, en de krachten van wie het kocht, bijna

heeft uitgeput?"

Ik was onder den indruk van deze redevoering, maar Daan heelemaal

niet. "Je bent een lui stuk mensch," zei hij; "ik weet heel goed, dat

je den halven dag in 't land lag, en frissche dranken kreeg."

Maar Alex meende een week rust noodig te hebben; daarna zou hij een

nieuw plan aanvatten. "Mijn lichaam is zoo vermoeid, dat ik niet

denken kan; maar ik beloof je, dat mijn nieuwe plan niet minder

aardig zal wezen dan dat van jelui."

De Zaterdag met z'n zangoefening in de kerk kwam weer aan. Juist was

ik aan 't zingen, toen ik ineens dacht aan vaders preek: Semper

fidelis, semper paratus. Ik dacht erover, wat vader nu wel van mij

zou wenschen. Maar ik had den moed niet, om het te doen; Daan zou mij

uitlachen m'n leven lang. Maar toen ik naar bed ging, bad ik tot God,

of Hij mij zóó moedig wilde maken, dat ik het doen durfde.

Zondagmorgen vond ons allen aan 't ontbijt. Tante Caroline staat

gewoonlijk al vóór ons van tafel op, omdat ze naar de Zondagsschool

moet. Ook nu zou ze juist weer heengaan, toen Daan eensklaps

opsprong, met rood gezicht haastig z'n kopje thee leegslurpte, en

zei: "Tante, ik ga met u mee naar de school. Ik zal de klasse der

kleintjes nemen." Tante nam het heel kalm op, maar voor onze ooren

was het, of het onweerde.

"Ik heb al zoo vaak er op aangedrongen, dat een van jelui me helpen

zou," zei tante. "De arme kleintjes begrijpen mijn onderwijs aan de

ouderen nog niet."

Daan ging de kamer uit. Alex sloeg z'n oogen ten hemel, hief z'n

handen op en riep: "De hemel komt naar beneden!" Lena begon te

giegelen. "Stel je voor: Daan de kleintjes aan 't onderwijzen! Hij

weet ze niets anders te zeggen dan "goede vormen"."

Ik gevoelde mij als aan den grond genageld. Als ik dàt geweten had!

Dat was nu de jongen, van wien ik vreesde, dat hij mij uit zou

lachen, als ik deed, wat hij nu doet! Ik liep den tuin in, en

schreide eens goed uit. En o, hoe bewonderde ik Daan nu! Altijd doet

hij de dingen zoo onverwacht. Nooit praat hij er over, en je zou

denken, 't kan hem niet schelen ook, maar plotseling komt ie uit z'n

rust, gaat heen, en doet het. Ik zou zoo graag als hij wezen.

"Wat zal ik een pret hebben over die zuigelinglessen," zei Alex, toen

we samen naar de kerk gingen. "Neen, dat mag je niet," zei ik, "want

het is heel goed, wat Daan gaat doen. Verleden Zondag heeft vader er

nog over gepreekt. Ik had het ook willen doen, maar ik was bang, dat

jelui me zouden uitlachen. En nu is Daan me vóór geweest. Heusch

Alex, onder het ontbijt dacht ik elk oogenblik het te zullen zeggen,

maar zie, ik kwam net te laat."

Alex keek me een beetje scheef aan, maar zei niets; en toen we Daan

bij het middageten weer zagen, zei geen van ons wat tegen hem; wij

deden, alsof er niets gebeurd was. Ik bewonder Daan, als hij zoo

doet, want hij zegt nooit, dat hij iets goed doet. En om elkaar te

zeggen, dat je iets goed doet, vind ik verkeerd, lijkt me zoo

verwaand.

En nu moet ik vertellen van Maandagmorgen, en van de groote

verrassing, welke ons toen te beurt viel. Puf had al telkens gezegd,

dat hij iederen dag een brief van God verwachtte, met het geld voor

een ezel erbij. Elken morgen klampte hij den brievenbesteller aan. 't

Zal den man wel raar in de ooren geklonken hebben, toen Puf hem

vroeg: "Weet u wel zeker, dat er geen brief voor mij bij is, want ik

verwacht er een van God; het moet een heele zware brief wezen."

[Illustratie]

Dezen Maandag bracht hij de brieven weer binnen, en toen vader ze

nakeek, zei deze plotseling: "Is hier een mijnheer George

Marjoribanks in de kamer?" "Dat ben ik!" riep Puf, en danste in de

grootste opwinding om de tafel. "Laat mij hem zelf openmaken!" Hij

kreeg den brief in z'n handjes. "Maak 'm nu maar open," zei vader,

ook wel 'n beetje nieuwsgierig. Puf maakte hem open: er zaten drie

postbewijzen in, en een velletje papier, waarop geschreven stond:

"Van grootmoeder. Voor een ezeltje."

En elk van de postbewijzen was f12.-- groot.

Wij konden onze oogen niet gelooven. Grootmoe geeft ons zelden geld

-- alleen op verjaardagen. Ik vermoedde natuurlijk al dadelijk, dat

tante Caroline haar verteld zal hebben, hoe vurig Puf er om bad. Pufs

gezicht was een portret waard, toen hem werd uitgelegd, hoe de zaken

nu stonden. Zijn oogen straalden van blijdschap; hij zette een borst

op en zei: "Natuurlijk. Ik begrijp heel goed, wat er gebeurd is.

Vader zegt, dat God geld aan sommige menschen geeft, om er goed voor

te zorgen. Hij heeft het Zelf te druk gehad, om het te zenden, en

daarom droeg Hij oma op om het te doen."

"Ik geloof, dat je de waarheid zegt, Puf," sprak vader, terwijl hij

hem kuste op z'n heerlijken kroeskop. Puf keek met verrukte blikken

om zich heen. "Mijn plan is het beste geweest van ons allen," juichte

hij.

Wij waren te verrast, om te spreken. Vader sprak zachtjes: "Want

derzulken is het Koninkrijk Gods."

Toen, na nog even stilte, barstten we allen uit in een blij gejuich.

Het ezeltje was zoo goed als gekocht, en we konden zelfs nog wel geld

over houden. Daan zei al dadelijk, dat dat dan wel kon dienen voor

een zadel, maar vader zei, dat we voor die 36 gulden en wat we al

reeds hadden; allicht wel een ezeltje en een tweede-hands wagentje

konden koopen. Maar vader schat de dingen altijd goedkooper dan ze

zijn.

------

Wij en ons ezeltje · 第 10 / 29 题