Hij lachte. "Wie heeft je tot vischboer aangesteld?"

"Ikzelf. Ik tracht een eerlijk centje te verdienen, om een ezel te

kunnen koopen." Toen vertelde ik hem ons plan. Hij vond het zóó

vermakelijk, dat hij dadelijk z'n beurs trok, mij een halven gulden

gaf en zei: "Daar, breng de visch maar in huis, en breng mij morgen

weer zoo'n mandje vol."

Ik danste van blijdschap naar de boerderij, en gaf mijn visch af,

doch aan de deur stond een knecht, die mij ook al vroeg, waar ik die

visch vandaan had. Ik vertelde het hem. "Het is een geluk, dat Morris

je niet gesnapt heeft," zei hij; "dat is juist privaat bezit van

onzen meneer, en hij vervolgt iedereen, die zich op zijn terrein

waagt."

Ik zei niets, vertrok, en gevoelde mij verre van prettig gestemd. Ik

begreep nu, waarom die ouwe heer zoo gegrinnikt had, maar ik was niet

van plan, domme dingen te doen, ging dus naar hem toe en zei hem, dat

ik hem z'n halven gulden kwam terugbrengen. "Ik heb bemerkt,

mijnheer, dat het uw eigen visch is," zei ik. "Het spijt mij, dat ik

op uw eigendom heb gevischt, ik zal het niet weer doen."

"Hier," zei hij, "je houdt wat je hebt verdiend. Wij zullen zien, of

je daar niet met een vischacte van mij kunt visschen. Het overkomt

mij niet vaak, dat ik mijn eigen visch kan koopen. Vroeger mocht ik

ook dolgraag visschen, maar mijn jicht laat het niet meer toe."

"Nu, als u het goedkeurt, dat ik het geld behoud, zal ik het graag

aannemen. Maar in uw vischwater zal ik niet meer visschen, uw

opzichter zou mij kunnen betrappen. Ik ben u zeer dankbaar, goeden

middag, mijnheer!"

Ik nam weer mijn pet af, en ging heen; hij lachte als om een grap,

maar ik behield den halven gulden.

Toen zei ik: "Maar Daan, dan schijn je toch niet veel beter dan wij

allen, want jij vangt visch, die niet aan jou toebehoort."

"Ja, maar ik doe het niet meer," zei Daan snel. "Ik ga niet weer naar

dien ouden heer. Ik zal het mijlen verder wel weer beproeven. Ik

weet, dat vader op een deel der rivier ook vischrechten heeft."

"Wie is die oude heer?" vroeg ik.

"Hij is de graaf van Benton, hij heet Generaal Walton. Hij vroeg mijn

naam niet, dat bewijst zijn voornaamheid." "En je zei eerst, dat hij

vroeg wie je was," zei Alex.

"Jawel, hij bedoelde mijn beroep," zei Daan deftig. "Heeren vragen

niet iedereen naar hun naam, dat is niet naar den vorm."

"Welnu, nu alle geheimen onthuld zijn, zal ik jelui het mijne

vertellen," zei Alex. "Ik heb hard gewerkt en meer uitgevoerd, dan

jelui allemaal samen." Wij lachten hem allen uit. "Goed," zei Alex,

"vraag het dan maar aan den ouden Cummins. Hij vertelde aan vader,

welk een drukke week hij voor zich had met het hooien, en dat hij

één mannetje te kort kwam, en hoe moeilijk het was, hulp te krijgen.

Maandagmorgen vroeg ging ik naar hem toe en zei hem, dat ik werken

zou als de beste, als ie me maar betaalde; 't slot van de zaak was,

dat hij me het loon van een halfwas knecht zou geven, nadat ik hem

verteld had, waarvoor ik het geld noodig had. Zoo ging ik aan den

arbeid, en Vrijdag krijg ik m'n loon: dan hoopt hij al het hooi

binnen te hebben."

Wij hadden wel eerbied voor Alex' plan. Maar wij hadden nog meer

eerbied voor den afstand, die ons scheidde van het oogenblik, dat we

geld genoeg zouden hebben. Eensklaps dacht ik aan een ander plan, en

ik ging spoedig naar juffrouw Tapson, om haar meening erover te

vragen. Mijn doel was, om elken Dinsdag een mand met groenten aan Bob

mee te geven, en dan juffrouw Dutton ze te laten verkoopen. Juffrouw

Tapson vond het een heel goed idee; ik ging weer gauw naar huis

terug, en vroeg vader, of hij het goed vond; hij zei ja, tenminste

zoolang Baldwin mij kon geven, wat wij uit onzen tuin te missen

hadden.

Toen waren we allen een beetje uit ons doen; alle geheimen waren nu

onthuld, en wij houden juist zoo van geheimen. De volgende week

beginnen de lessen weer.

Niet weinig schrok ik, toen Lena den volgenden middag naar me toe

kwam gehold en zei: "O, Griet, ik zit vreeselijk in de rats, toe,

help me!"

Lena komt altijd naar me toe, als ze wat bijzonders heeft uitgehaald,

en dat doet ze altoos, als ze niets te doen heeft. Zij vertelde me

nu, dat ze, bij het hek aan 't spelen zijnde, het meisje had zien

voorbijrijden, dat ik den vorigen dag in het mooie dogkarretje had

gezien. Het meisje moest in juffrouw Ribbon's winkel wezen, en daar

ze alleen was, moest ze haar paardje los laten staan. Lena ging er

heen, en toen, zonder over de gevolgen na te denken -- Lena denkt

nooit na, als ze iets gaat doen -- sprong zij in het karretje, en

reed er het dorp mee in.

"Het was alleen maar uit de grap, Grietje," zei ze; "ik wilde binnen

twee minuten weer terug zijn, en ze zou er niets van hebben gemerkt,

maar ik gaf het paard een tikje met de zweep, en het ging er van door

als de wind en ik kon het niet meer tot stilstaan brengen. Toen ik

dat gewaar werd" -- hier knipte Lena boosaardig met de oogen, -- "had

ik eerst dol veel schik. Wij vlogen erlangs en toen we te Cross Glen

kwamen, draaide het paard een groote poort in! Toen werd ik angstig,

want ik wist, dat onze baron daar woont zooals vader mij verteld

heeft. Op zoo'n groot heerenhuis, Griet! Zoodra we de plaats waren

opgereden, hield de pony stil; een huisknecht kwam de stoep af, en

keek verbaasd rond, toen hij me zag.

"Waar is juffrouw Clara?" vroeg hij.

Ik klom snel uit het karretje, en zei: "Zij was bij ons in den

winkel, en toen is het paard met mij weggerend." O, wat was ik

beangst, Griet; ik vloog de laan uit, en verborg mij achter struiken,

opdat niemand me zien zou. Eindelijk kroop ik te voorschijn, klom

over een heg, en kwam zoo weer op den landweg terecht. Wat ben ik

warm en moe!"

"Maar Lena, wat is dat een leelijke streek van je! Waar is het meisje

nu?"

"Ik weet het niet. Ik denk, dat ze naar huis is gewandeld. Toe Griet,

ga 's gauw naar juffrouw Ribbon, en vraag het eens even. Ik hoop nog,

dat ze niet zullen ontdekken, wie het gedaan heeft."

"Ga zelf," zei ik boos. Toen sloeg Lena haar armen om mijn hals.

"Lieve Grietje, toe, ik houd zoo van je. Hè toe, ga jij nu even!

Iedereen weet wel, dat jij er geheel buiten staat."

Ik ging, en vond juffrouw Ribbon heelemaal in de war over wat er was

voorgevallen.

In één adem door vertelde juffrouw Ribbon wat er gebeurd was.

"'t Gebeurt niet vaak, dat er een van de jonge dames van 't Huis in

mijn winkeltje komt. Ik stond dan ook verplet, toen ik plotseling den

pony hoorde wegrennen. Net was ik bezig, Clara een ons van Lena's

borstplaat af te wegen, en ik vertelde haar wie ze gemaakt had, toen

we eensklaps opschrikten door het wegrijden van 't karretje; beiden

vlogen we de deur uit, en daar zagen we met ontzetting Lena

wegrijden, haar lange haar als een gouden wolk om haar hoofd waaiend,

en met een snelheid als van een automobiel. Houd haar vast! gilde

Clara, zij rijdt met mijn pony weg!

[Illustratie]

Maar je hadt evengoed een locomotief kunnen tegenhouden. Ik trachtte

toen de jongejuffrouw weer naar binnen te krijgen, om bij mij te

wachten. Maar zij was zóó geschrokken, en ook zóó boos, dat ze

stampvoetend van ergernis bleef staan en zei: Mijn moeder zal dat

borstplaatmeisje wel eens duchtig straffen! Toen ging ze op den weg

heen en weer loopen. En als nu Mevrouw er van hoort, zal ze nog hier

komen en mij vragen, waarom ik niet iemand bij 't paard heb gezet, en

dan zal ze 't me daarvoor ook nog lastig maken. Ik zou voor geen geld

van de wereld haar willen boos maken, want dit is haar huis en ik ben

haar huurster!"

"Maar juffrouw Ribbon, wat spijt het me, dat het zoo geloopen is.

Maar u weet, hoe Lena is. De borstplaat heeft haar eenigen tijd zoet

gehouden, maar altoos haalt ze wat uit, dat verkeerd is. Denkt u, dat

de jongejuffrouw goed thuis gekomen is?"

"Hoe zou ik dat weten? Ik hoorde of zag sedert niets van haar."

Vol van allerlei gedachten kwam ik thuis. Voor verklikker te spelen,

vind ik verschrikkelijk. Dat is een van de dingen, die niet "in den

vorm" zijn; bluffen en liegen en klikken vind ik slecht. Maar ik wist

ook, dat vader van deze geschiedenis hooren zou, en er is niets, wat

hij meer haat, dan dingen te vernemen, die wij hem verzwegen hebben.

Hij wil, dat we altoos dadelijk onze verkeerdheden vertellen. Ik ging

dus naar Lena toe, en zei haar, dat ze naar vader moest gaan, en het

hem vertellen. Zij wou niet, en toen zei ik haar, dat ik zelf zou

gaan. Toen begon ze natuurlijk weer heel lief te doen. Juist kwam

vader binnen, toen we druk aan 't twisten waren, wie gaan zou.

"Wat is er aan de hand?" vroeg hij.

"Lena wou u iets vertellen," zei ik en liep daarna vlug de kamer uit.

Natuurlijk biechtte ze nu op; vader nam haar mee naar de

studeerkamer, en las haar daar eens flink de les; schreiende kwam ze

terug. Later heeft ze me verteld, dat vader haar een briefje van

schuldbekentenis had laten schrijven; zelf had hij er een aan Mevrouw

geschreven, waarin hij de toedracht der zaak meedeelde. Hij had tegen

Lena gezegd, dat hij telkens weer zich voor zijn kinderen moest

schamen, en daarop was Lena gaan schreien. Maar hij had haar gekust,

voor ze wegging; vader is dol op Lena; hij zegt altoos, dat ze hem

aan moeder herinnert!

Den daarop volgenden avond, Vrijdag, waren Lena en ik in de badkamer.

Wij moesten "de groote wasch" doen, altijd een groot vermaak. Wij

vullen dan de kuip maar half, en wasschen alles, wat we maar machtig

kunnen worden. Puf hielp ons dapper. Alle kammen en borstels worden

eerst gewasschen, dan alle poppenkleeren van Lena, zakdoekjes,

halskraagjes, schortjes, en alles wat er maar vuil in huis te vinden

is. Puf bracht ons alle artikelen aan; juist had hij een wollen aapje

in 't bad laten plonsen, en stonden we te schaterlachen om z'n koddig

gezicht, toen Emma kwam binnenvliegen.

"De jongedames Grietje en Lena moeten dadelijk naar de huiskamer

gaan; er is visite, en tante heeft gezegd, dat je komen moet!"

[Illustratie]

"Hè, wat vervelend!" zei ik, "En wie is het, Emma?"

Lena en ik stonden in onzen onderrok, vanwege het geplas met water.

"Het is Mevrouw Londesburg met haar dochtertje."

Lena en ik keken elkaar verschrikt aan.

"Ik ga niet heen," zei Lena, "ik doe het niet."

Maar Emma troonde ons mee naar de slaapkamer, waar we ons

aankleedden.

"Wij moèten gaan, Lena. O kind, ik wou, dat je 't maar niet gedaan

hadt. Ik zou wel vriendin met dat meisje willen zijn." "Ik niet

graag!"

Lena was boos, en zij stond maar steeds heen en weer te wiegen, toen

Emma trachtte haar het haar met den pas schoongemaakten borstel te

borstelen. "Ga weg, Emma! Ik zal ze uur aan uur op me laten wachten.

Ik ben in geen jaren klaar!"

Emma ging boos weg. Toen smeekte ik Lena, om toch anders te doen;

binnen twee minuten helderde haar gelaat op -- zij is nooit langer

dan 5 minuten boos -- en was ze bereid, mee naar beneden te gaan.

"Ik zal voorwenden, dat ik van niets afweet," zei ze; "vader is uit,

en dus kan hij het haar niet zeggen."

Zoo kwamen we de huiskamer binnen; ik was heel wat meer beangst dan

Lena. Daar zat het meisje; alleraardigst zag ze er uit in haar witte

zijden jurk en witten hoed. Mevrouw was in druk gesprek met tante

Caroline. Iedereen in het dorp is bang voor Mevrouw Laura; ik begrijp

niet waarom; zij keek heelemaal niet streng, en toen ze ons zag,

barstte ze in een schaterlach uit.

"Wie van jelui heeft me dat aardige briefje geschreven? Ik ben hier

gekomen, om het je te vergeven, en om je te vragen, of je morgen bij

mijn dochtertjes komt theedrinken. Wil je komen?"

Lena sloeg niet eens beschaamd de oogen neer.

"Ik ben het, die u vergiffenis woudt schenken," zei ze. Toen gaf

Mevrouw ons de hand, en wij gaven Clara ook een hand. Zij keek Lena

heel ernstig aan, maar glimlachte tegen mij.

"Hebben jelui een kinderkamer?" vroeg ze mij.

"Neen, alleen een leskamer; wil je ze eens zien?" Dadelijk ging ze

met ons mee. Wij gingen zwijgend de trap op; boven gekomen, zei Lena:

"Wil je ons bad eens zien?"

Zij aarzelde even en zei toen van ja. Wij hadden heelemaal vergeten,

dat we Puf alleen hadden achtergelaten; toen we de badkamer

binnengingen vonden we hem bezig met onze oude kat en haar twee

jongen, die hij in de kuip had gezet, om ze alle drie te wasschen. De

kleine poesjes waren al bijna verdronken. Vliegens haalden we ze uit

het water, en in den angst van het oogenblik was alle stugheid

tusschen Clara en ons geweken, en begon ze al druk over allerlei mee

te babbelen. Zij vertelde ons, dat ze een tweeling was; haar zusje

heette Betty. Betty had haar voet verstuikt, en kon nu niet loopen;

de dokter had gezegd, dat ze heel lang moest blijven liggen. Puf keek

Clara eens even aan, en zei toen: "Wil je ook niet es wat wasschen?

Mijn slabbetje is heel erg vuil."

Intusschen was Lena de katten aan 't afdrogen, en toen ze er wat

toonbaar uitzagen, droegen we ze naar beneden, om ze in de keuken

verder te laten drogen. Daarna lieten we 't vuile water uit de kuip

loopen, en deden er weer versch in; Clara vond het zóó verrukkelijk,

dat zij ook wou wasschen. Wij gaven haar een vuil paardedekje van Puf

en vertelden haar, terwijl ze ijverig te wasschen stond, hoe we tante

eens voor den gek hadden gehouden.

Wij waschten toen een roodwollen poppejurkje; dit gaf zóó erg af in

't water, dat ik naar beneden vloog, en tante Caroline toeriep: "Kom

u es gauw boven, Lena bloedt zoo." Tante Caroline liep zoo hard als

ze kon de trap op, en kwam doodelijk verschrikt bij 't bad. Daar zag

ze, hoe we haar voor 't lapje hadden gehouden. Clara vond de historie

allerleukst.

Maar wat was ze nat geworden! Haar jurkje kon je wel uitwringen. Wij

beproefden haar te drogen, doch toen we beneden kwamen, was tante

Caroline erg boos, en zelfs Mevrouw Laura keek verstoord. Clara kreeg

Lena's beste witte jurk aan, die haar heel goed paste; tante zei

tegen Mevrouw: "Ik verzeker u, dat ik geen oogenblik gerust ben, wat

er gebeuren zal. Ik kan u niet zeggen, hoe dit me nu weer spijt."

Maar Clara zei dadelijk: "Och mama, ik vond het zoo heerlijk; ik kan

me thuis nooit zoo vermaken." Mevrouw Laura glimlachte en sprak: "Ik

kan me zoo begrijpen, juffrouw, dat u uw handen vol hebt; bij mij

moeten ze maar niet wasschen, als ze op de thee komen morgen."

Mevrouw en Clara vertrokken nu per rijtuig; Lena en ik kregen droog

brood bij de thee, omdat we Clara hadden laten wasschen. Ik vind die

straf niet verdiend. Vader straft ons nooit onverdiend. Tante denkt

altijd, dat we dan beter zullen opgroeien. Maar wij denken wel eens,

dat die bijzonder goed opgevoede lui de malste menschen van de wereld

worden. En daarom zijn we d'r heelemaal niet op gesteld, zoo heel

best op te groeien.

------

Wij en ons ezeltje · 第 9 / 29 题