HOOFDSTUK V.

Den volgenden dag vertelde Daan ons zijn geheim. Ik zal het maar net

zoo overschrijven als hij het zei, dat is gemakkelijker. Hij was de

rivier langs gegaan, om visch te vangen. Hij begon met deze

bekentenis:

"Den eersten dag trof ik het heel slecht. Daarom ging ik gisteren

verder de rivier langs. En daar vond ik een heerlijk, rijk beschaduwd

plekje, waar je de visschen letterlijk zag spartelen van ongeduld, om

bij je te komen. Zij beten flink toe, en het ging puik! D'r waren ook

wel kleintjes bij, maar ik had toch in een oogenblik mijn mandje vol.

Nu kwam het er op aan, ze aan den man te brengen, en ik besloot, op

mijn terugweg naar huis bij eenige boeren aan te loopen, en te zien,

of die ze van mij koopen wilden.

Ik vond al spoedig een groote boerderij, en liep er zoo snel mijn

beenen mij maar dragen konden, heen. Juist was ik het huis genaderd,

toen ik een ouden heer in een tuinstoel zag zitten, die uit een

groote pijp dampte. Ik nam mijn pet voor hem af; hij hield mij

staande en vroeg me, wie ik was.

"Ik ben vischkoopman," zei ik. "Ik zou zeggen, uw keukenmeid zal wel

wat visch van me willen koopen."

Hij staarde me aan alsof ik een chimpansee was.

"Maak je mand maar es open," zei hij. Met trots toonde ik hem de

vangst. Weer staarde hij mij aan.

"Waar heb je die visch gevangen? In welk gedeelte van de rivier?"

[Illustratie]

Ik legde het hem uit. "Ik heb alleen vandaag maar geluk gehad; ik

denk, dat ik eerst naar 't verkeerde plekje ben geweest. Voor zestig

cent laat ik u het gansche zoodje, meneer. Prachtig en frisch, pas

gevangen!"

Wij en ons ezeltje · 第 8 / 29 题