HOOFDSTUK IV.

Den volgenden morgen was ik al om 4 uur wakker; den ganschen nacht

had ik gedroomd van juist voor m'n neus vertrekkende treinen, en van

al de moeite, die ik hebben zou, om mijn plan voor tante Caroline

geheim te houden. Ik was dan ook wat blij, toen het eindelijk begon

te lichten en ik kon opstaan; erg gejaagd kleedde ik mij aan, want

het was een heerlijk avontuur, en wij houden allen van avonturen.

Overal had ik voor gezorgd. Voor niemand wilde ik weten, waar ik was

heengegaan, en ik had dus een heel oud katoenen jurkje aangetrokken,

met een boezelaar er over, denzelfden, dien ik altoos in den tuin

draag. Mijn haar vlocht ik in een paar dichte vlechten, en daarover

ging een groote zomermuts, die ook achterhoofd en hals bedekte. Tante

Caroline vindt dat soort zoo geschikt voor onzen tuinarbeid, maar wij

houden er niet van, om juist als de dorpskinderen gekleed te gaan.

Heel stil moest ik me aankleeden, om Lena niet wakker te maken;

eindelijk stond ik gereed, en legde het briefje op Lena's tafel dan

kon zij het aan tante geven. Voorzichtig sloop ik de trappen af,

opende de deur en liep op m'n teenen de stoep af. Den vorigen avond

had Baldwin de groentenmand al in den stal gezet, de eenige kunst was

nu nog, om ze daar vandaan en het hek door te krijgen.

't Viel niet mee maar ten slotte gelukte het toch; ik moest ze langs

den grond sleepen, en angstig keek ik naar boven, of niemand mij zag.

Buiten het hek liet ik ze staan, want de groentenwagens komen hier

altoos langs, en toen liep ik zoo vlug ik kon naar het huis van

juffrouw Tapson. Bob had mij gezegd, dat als ik wat vroeg kwam, ik

een mooi plaatsje op zijn wagen kon krijgen. Toen ik het huis bereikt

had, was Bob aan 't schoonmaken van zijn paard. Hij keek verwonderd

op toen hij me zag, en herkende me niet in mijn groote muts.

"Ik wil niet, dat ze in 't dorp weten, wat ik ga doen," zei ik. "Je

zult er toch niets van zeggen, wel? Mijn mand staat vlak bij ons hek.

Ik dacht, je rijdt er toch langs, en dan kunnen wij haar zoo

meenemen."

"'t Komt in orde, hoor," zei hij hartelijk. "Jij bent een vlug

vogeltje, heb je al wat gegeten?"

Ik haalde twee dikke boterhammen uit m'n zak, die de keukenmeid mij

den vorigen avond had gegeven, toen ze dacht dat ik ergen honger had.

Bob verraste me met een heerlijken kop thee. Toen ging hij naar

boven, om z'n oude moeder goeden dag te zeggen, en vroeg mij, of ik

haar ook nog even wilde groeten. Ik ging naar boven, en de oude vrouw

schudde mij glimlachend de hand. "Je bent een dapper meisje," zei ze,

"om er zoo op uit te trekken, en ik zal je eens zeggen, wie je wel

zal willen helpen. Vraag maar naar Marie Dutton, ze is een eigen

zuster van me en woont twee mijlen van Lemworth. Zij zal je graag

helpen, en Bob zal je wel bij haar brengen."

"Ik ben nog nooit op een markt geweest," zei ik haar, "Ik ben heel

blij, dat er iemand is, die mij helpen wil."

En toen gingen we naar beneden, en ik klom op den volgeladen wagen,

die in den tuin te wachten stond. Die Bob is toch zoo'n goeie jongen:

hij had een stoof in den wagen gezet, zoodat ik zoo echt gemakkelijk

kon zitten.

[Illustratie]

En daar ging het; mijn hart klopte van blijdschap en spanning. Nog

drie vrouwen met boodschappen voor Lemworth reden mee; bij ons hek

zette Bob mijn mand in den wagen; terwijl keek een der vrouwen mij

aan en vroeg: "Wat is dat voor een kleine meid?" Ik draaide mijn

hoofd niet om en Bob antwoordde kortaf: "Zij is met mij mee gekomen."

Verder zei ze niets, want ze praatte zóó druk met de andere

vrouwen, dat ze mij geheel vergat. Doodstil zat ik op den wagen, die

zóó langzaam reed als duurde de tocht een jaar. Ik kreeg ten slotte

kramp in mijn beenen, en werd moe ook. Zoo vroeg ook op geweest! Toen

wij Lemworth naderden, zat ik al te knikkebollen! Het scheen een heel

groote stad, en ik voelde me wat beangst toen we naar de markt reden;

wat een menschen, en wat een drukte! Toen de vrouwen waren

uitgestapt, en Bob z'n paard had afgespannen, nam hij mijn mand op

z'n schouder, en zei me, hem te volgen.

De markt was alleraardigst; er waren gansche rijen kuikens en eenden,

vruchten en bloemen, boter en eieren, en iedereen schreeuwde zoo hard

als ie kon. En wat waren daar grappige oude boerinnen bij, en

druk-lachende kinderen, net als op de schilderijen, die ik wel eens

gezien heb.

Bob trok me mee naar een hoekje, waar een vriendelijke oude vrouw

zat. Zij leek veel op juffrouw Tapson, maar haar gezicht was heel wat

dikker. Bob vertelde haar, wie ik was; zij lachte en vroeg mij, haar

alles van mijn plan te vertellen. Dat deed ik; terwijl pakte zij m'n

mand uit, en maakte ruimte op een hoek van haar stalletje, om mijn

koopwaar daar neer te leggen. Ik begon er schik in te krijgen, en had

wat graag gewild, dat de jongens mij zoo even hadden gezien. En mijn

bloemruikers waren veel mooier dan alle, die ik zag; ik had ze dan

ook met zorg gerangschikt.

Maar er kwam maar niemand bij me koopen, en ik begon den moed al te

verliezen. Nooit zal ik dan ook vergeten, dat de eerste koopster mijn

bloemen opmerkte en mij vroeg, wat de ruikers per stuk kostten. Ik

zei: een dubbeltje -- juffrouw Dutton had mij gezegd, dat ik er dat

voor vragen moest -- en zij kocht zes ruikers van me! Ik had de

gansche markt wel kunnen ronddansen, zoo blij was ik. Spoedig daarna

kwamen weer twee dames voorbij. Zij hielden stil, wenkten juffrouw

Dutton goeden morgen, en vroegen haar, of zij crocussen had. Zij zei

van niet, maar vertelde hun, dat ik heele mooie had. Zij bekeken de

mijne, kochten er vier, bovendien nog een bundeltje varens, en

betaalden er negen stuivers voor. De eene dame zei tot de andere:

"Wat een schilderachtig tafreeltje, die kleine meid te midden harer

bloemen! Als de arme menschen hun kinderen altijd zóó kleedden, als

haar moeder haar kleedt, zouden we onder de lagere klassen niet zulke

armoedige aankleeding vinden. Zij is een voorbeeld voor haar stand!"

Ik durfde niet te lachen, toen ik dat hoorde....

Later verkocht ik nog vier koolen, en drie bos wortelen. Toen de

middag ten einde liep, had ik alles verkocht, wat ik had meegebracht,

behalve twee koolen en één bloemruiker; die kocht juffrouw Tapson

van me, zij heeft een groentenwinkeltje en zei dat ze haar wel te pas

zouden komen.

Ik vergat nog te vertellen, dat ik om 1 uur met juffrouw Dutton naar

een tentje ging, waar thee werd verkocht en koeken. Ik had honger,

maar ik had geen zin, van mijn verdiende geld veel uit te geven; ik

kocht dus alleen een kop thee voor 5 cent en een koek voor 5 cent;

juffrouw Dutton gaf me een van haar grootste appels er bij.

Toen was het tijd, om naar huis terug te keeren. Ik telde nog even

mijn geld: ik had één gulden en 25 cents verdiend! Wat was ik blij!

Doch daar kwam Bob Tapson aan, om mij te zeggen, dat hij om 4 uur

vertrok, en dat de vrouwen reeds lang hun manden gepakt hadden. Het

speet mij, nu al van de markt te moeten scheiden, maar er was niets

aan te doen, ik klom op den wagen en ging weer op mijn oude plekje

zitten. De terugweg scheen eindeloos; er reed een oude man mee, die

erg naar bier rook en om de flauwste kleinigheden lachte. Ik gevoelde

mij vreeselijk vermoeid, en viel ten slotte in slaap, zóó vast, dat

Bob mij bij het hek van de pastorie van den wagen moest zetten.

"Wel, Grietje, heb je een goeden dag gemaakt?"

"Ja," zei ik met slaperige stem, "hoeveel moet ik je betalen?"

"O niets, kind, je nam geen ruimte in beslag; en denk er aan, even

bij moeder aan te komen en haar alles van vandaag te vertellen. Zij

zal het zoo graag hooren."

Ik nam afscheid van hem, en bedankte hem hartelijk; vervolgens droeg

ik mijn leege groentenmand naar den stal, opende de keukendeur en

stapte heel rustig binnen. Ik was wel een beetje bang voor tante

Caroline. Lena kwam net de trap afrennen.

"O, jou ondeugende meid! Daar zal wat opzitten! Vader is thuis

gekomen, en hij is o zoo boos op je. En wat heb je toch uitgevoerd?

Den heelen dag hebben we er naar gegist, en weet je al, dat ik Daan's

geheim heb geraden? Zou je het graag willen weten?"

Ik antwoordde slechts: "Ik ben zoo moe; heb je wat thee voor me? Waar

is tante Caroline?"

"Ze zijn allemaal in den tuin, aan 't bloemen begieten. Toe, Griet,

lieverd, zeg me nou es, wat je hebt uitgevoerd."

Maar ik wilde 't haar niet zeggen. Ik voelde mij niet prettig door

die ontvangst, en wou maar rechtuit aan vader gaan zeggen, wat ik

gedaan had. Ik liep den tuin in. Tante kwam dadelijk op mij af.

"Griet, dat is heel ondeugend van je. Waar ben je toch geweest? En

wat heb je den ganschen dag uitgevoerd? Je weet toch wel, dat zoo

verdwijnen zonder iets te zeggen, heel onbehoorlijk is."

"Ik wilde het vader gaan zeggen, het is een geheim," zei ik. Tante

Caroline kwam altijd weer in haar humeur, als we zeiden, naar vader

te zullen gaan. Zij riep vader, die juist bezig was den gieter te

vullen, en ging toen heen, vader en mij alleen latende. Daan zegt,

dat zij geheel "in den vorm" is, als zij zoo doet.

[Illustratie]

Vader zette zijn bril op, en keek mij scherp aan.

"Grietje, je hebt tante vandaag heel wat angst berokkend. Ik ben niet

tevreden over je."

"Hoor u eens, vader. Luister es. Het gaat over de groenten en

bloemen, waarvan u gezegd had, dat ik ze mocht hebben. Ik ben ze gaan

verkoopen, om mee te helpen voor het koopen van onzen ezel." En ik

vertelde hem alles, wat ik vandaag gedaan had. Een keer lachte hij,

en toen wist ik al, dat mijn straf niet heel zwaar zou wezen. Maar ik

kreeg toch een lichte straf; vader zei me, dat ik er niet aan mocht

denken, ooit weer zoo iets te doen. Dat maakte mij zeer verdrietig.

"Neen Grietje, ik wil niet, dat mijn kind daar alleen tusschen al dat

ruwe volk is, hoe vriendelijk ze ook voor je zijn. Het mag niet. Je

moeder zou het zeker niet hebben toegestaan. En in elk geval had je

eerst toestemming moeten vragen. Ik ben bang, dat je vermoed hebt,

die niet te zullen krijgen. Spreek op en zeg de waarheid."

Ik bloosde sterk. "Ja, ik was bang, dat u me niet zoudt laten gaan,

maar ik was niet ongehoorzaam, want ik wist het niet zeker."

"Dat was juist verkeerd van je. Doe nooit zoo iets weer. En ga nu

naar binnen, om wat te eten."

"En mag ik het geld houden?"

"Ja, daar heb ik niets tegen; maar je moet een ander middel zoeken,

om de groenten aan den man te brengen."

Ik ging naar de eetkamer, tante had de thee klaar. Zij zei niet veel;

maar voor ik het eten op had, holden de jongens en Lena binnen.

"Nou, zondaar, biecht op! Wat heb je vandaag uitgehaald?"

"Bepaald goede zaken! Wij hebben je brief gezien, 't was een

prachtstuk!"

"En tante Caroline was zoo bang voor je!"

Ik haalde rustig mijn beurs te voorschijn en legde de zilver- en

koperstukken op tafel.

"Ziedaar," riep ik uit, "kan één van jelui 't beter?"

"Vijf en twintig stuivers!" schreeuwde Daan, en grabbelde er in om,

als een oude gierigaard.

"Nou, 't is niet slecht voor een meisje! Vertel ons nu es, hoe je 't

hebt gedaan gekregen."

"Dat is mijn geheim," zei ik.

Het was mijn overwinningskreet. Maar ik wist: mijn geheim zou niet

lang geheim blijven. Want eigenlijk wou ik ze 't allemaal zoo graag

vertellen.

"Zeg," riep Lena, "ik weet wat Daan deze laatste twee dagen heeft

gedaan. Vraag hem es, hoeveel hij al heeft, Griet!"

Daan grinnikte, en hield mij z'n dichtgeknepen vuist voor. "Ik heb

vandaag een avontuur gehad," zei hij. En hij toonde ons een halven

gulden.

Ik stond op en danste de tafel rond. "Het duurt niet lang, of wij

rollen allemaal met rijksdaalders," riep ik uit. En Alex: "Wacht maar

tot aan 't einde der week, dan zal ik mijn klein millioen er nog

bijvoegen."

Toen gingen we allen achter elkaar de tafel rond marcheeren, terwijl

Daan zong:

Een ezel is een heerlijk dier,

Over een maand dan komt ie hier,

Lang zal ie leven!

Lang zal ie leven!

Ons ezeltje loopt voor ons pleizier!

Daan kan altijd gedichten maken, als hij er zin in heeft. Wij waren

zoo opgetogen, dat we hoe langer hoe sneller gingen dansen, totdat

het een complete oorlogsdans werd. Ten slotte vielen we allen over

elkaar heen, en rolden van den lach over den grond. Toen we buiten

adem weer opstonden, riep ik uit:

"Hoor es, Daan. Als jij jouw avontuur vertelt, dan zal ik het mijne

vertellen."

"Dames gaan voor," zei hij, met een buiging.

Toen begon ik, vreeselijk gejaagd, mijn wedervaren te vertellen. Ik

dacht wel, dat het hen zou verbazen, en dat deed het ook. Maar Daan

en Alex, al zouden ze 't wat graag zelf gedaan hebben, zouden het

toch niet zeggen. Daan trok een heel voornaam gezicht en zei: "Ik

geloof niet, dat jij en Lena de zaak goed aanpakken. Dat kan iedereen

wel, geld maken uit vaders eigendommen. Wel, ik ging z'n studeerkamer

binnen, haalde er eenige boeken weg, en verkocht ze."

"Maar dat zou heiligschennis zijn," riep ik uit.

"De bloemen en de groenten zijn niet van jou, om ze te verkoopen,"

zei Daan, "evenmin als de suiker en de boter, die Lena voor haar

borstplaat gebruikt."

"O, maar vader heeft er ons toestemming voor gegeven!" liepen wij

beiden luid.

"En ik betaal ook het mijne," zei Lena. "Het is heel wat zwaarder

werk, in de dompige, heete keuken te wezen, dan op de markt te zitten

en daar verkoopen, en ook niet half zoo aardig."

"Vader gaf mij toestemming," herhaalde ik, "en dus is de zaak heel

zuiver."

"Maar kind, wij hebben allemaal recht, om de bloemen te verkoopen,"

zei Alex.

"Niet waar," zei ik op stelligen toon, "alleen die daar het eerst om

vroeg! 't Was mijn plan."

"Nou, als jij het dan voor gisteren hebt gevraagd, dan zal ik het

voor morgen vragen; waarom niet? Ik heb harder gewerkt dan jelui

allen, de gansche week."

"Maar ik kan er niet mee voortgaan," zei ik verdrietig; "vader heeft

gezegd, dat ik het niet weer mocht doen."

"Wil je mijn avontuur nu hooren?" vroeg Daan.

"Hij gaat nog dood, als ie niet over z'n eigen plan kan spreken," zei

Lena boosaardig. Wij zetten ons allen tot luisteren, maar Daan zou

z'n redevoering niet houden. Juist was hij z'n keel aan 't schrapen,

toen tante Caroline binnen kwam, en ons naar bed joeg. "Ik zal het

bewaren tot morgenochtend," zei Daan. En ik was er eigenlijk blij om,

want ik was zóó slaperig en vermoeid, dat ik al sliep, vóórdat ik

nog goed en wel onder de dekens lag.

--------

Wij en ons ezeltje · 第 7 / 29 题