HOOFDSTUK III.

Een gansche week lang heb ik niets geschreven, dus mag ik nu wel eens

spoedig aan 't werk. 'k Zal eerst maar eens wat vertellen van

verleden Zondag.

Bij het ontbijt krijgen we Zondagsmorgens allemaal een gekookt ei;

dat is het eerste pleizier van den dag, ongerekend nog het genot der

Zondagsche kleeren. Lena en ik zijn dol op witte jurken, en daar we

nu juist uit den rouw zijn, kunnen we ze mooi dragen. Ook onze hoeden

zijn wit, met witte linten. Lena lijkt Zondags wel een engel; als ze

vleugels had, zou ze er bepaald een wezen. En het dragen van

Zondagsche kleeren stemt je ook zoo opgewekt.

[Illustratie]

We moeten Zondags heel vlug ontbijten, omdat tante Caroline naar de

Zondagsschool moet. Nog vóór kerktijd is ze terug, om met ons ter

kerk te gaan. Verleden Zondag was het verschrikkelijk warm, en de

brandende zonnestralen door de groote kerkramen maakten het

daarbinnen benauwd. Leuk was het, toen de zon het kale hoofd van een

boer ging plagen; hij sloeg met z'n zakdoek over z'n hoofd, als zaten

er vliegen, eindelijk spreidde hij z'n zakdoek geheel over z'n hoofd

uit, en had toen zóó 'n koddig voorkomen, dat ik 'n vreeselijken

toer had, om niet in lachen uit te barsten. Ten slotte kon ik het

niet meer uithouden, en proestte het zóó hard uit, dat vader

ophield met preeken en mij strak aankeek. Wat had ik het toen te

kwaad; m'n oogen stonden vol tranen, en ik kon het toch heusch niet

helpen, ik had alles gedaan om niet te lachen. Eindelijk ging vader

weer voort, en luisterde ik met aandacht naar hem. Want vader preekt

heel mooi, altijd vertelt hij wat nieuws uit den bijbel.

Hij begon met de geschiedenis van den hoofdman over honderd, en sprak

daarbij over deze woorden: "Ik zeg tot dezen: ga, en hij gaat, en tot

genen: kom, en hij komt, en tot een anderen: doe dit, en hij doet

het." Vader zei, dat dit het voorbeeld was voor een goeden

dienstknecht. En toen zei hij, dat Jezus Christus ook tot ons die

drie woorden spreekt, maar dan in deze volgorde: Kom, ga, doe. Zoo is

ons Christelijk leven. Wij moeten komen, vóór wij kunnen gaan, om

te doen. Wij moeten komen, en onszelf als dienstknechten van Jezus

opgeven, opdat Hij onze zonden vergeve en ons tot Zijn eigendom make;

en wij moeten gaan, om anderen van Hem te spreken, eerst onze

vrienden, en dan hen, die Jezus niet kennen. Sommigen moeten daarvoor

ver van huis, en vader vertelde hierbij van de zendelingen; anderen

moeten in hun eigen omgeving doen, wat Jezus hen geboden heeft.

Elk woord van de preek heb ik begrepen, en zelfs de jongens zaten te

luisteren, omdat vader het een preek over soldaten noemde, en de

jongens zijn dol op soldaten.

Toen we uit de kerk kwamen, was ik heel stil. De jongens vroegen, of

ik aan 't tobben was over mijn geheim, maar ik zei hun van niet.

Na het middageten gingen we allen naar het veld, om er de vragen en

antwoorden uit onzen catechismus te leeren. Tante Caroline ging weer

naar de Zondagsschool, maar vader kwam naar ons toe, ging in een

gemakkelijken stoel onder de olmen zitten, en overhoorde ons de

geleerde vragen. Toen dat afgeloopen was, gingen de jongens weg, en

Lena ook, maar ik bleef, want ik hoopte, dat vader nog wat over zijn

preek zou zeggen. Hij deed het al dadelijk; hij legde zijn hand op

m'n schouder, en vroeg: "Heb je naar de preek geluisterd, Grietje?"

[Illustratie]

"Ja, vader." "En welke van de drie bevelen heb je nu gehoorzaamd? Ben

je op weg, om een van Christus' trouwe volgsters te worden?" Ik

antwoordde beschroomd: "Ik denk _komen_." Vader zei niets. En ik

vervolgde: "Maar ik begreep niet goed het _gaan_. Ik kan toch niet

de geheele wereld doorgaan, en het Evangelie brengen!" Vader sprak:

"Ik heb gehoord, dat tante je gevraagd heeft, of je haar niet kunt

helpen in de Zondagsschool; ik dacht, je zoudt daarheen kunnen gaan."

"Maar vader," riep ik uit, met verbaasde oogen hem aanstarende, "daar

ben ik toch veel te jong voor; de jongens zouden zeggen, dat ik dan

nog verwaander was dan ooit, ze noemen me nu al altoos verwaand."

"De vraag is maar, waar je 't meeste om geeft: het bevel van Jezus of

de jongens." Ik liet mijn hoofd hangen; toen opeens viel ik uit: "Een

kwast te heeten, is niet in den vorm." Vader lachte luid. En ik

voegde er haastig aan toe: "Ik vind zelf, dat zulk werk voor mij te

verwaand zou staan." "Heel wel," zei vader, "ik zal er niets meer

over zeggen."

Ik voelde mij ver van gelukkig. Net kwam Puf aan en klom op vaders

knie; ik ging weg, liep naar de leerkamer en nam een boek uit onze

"Zondagsche" verzameling. Ik las door tot theetijd. Werkelijk, ik

kàn nog geen klas onderwijzen. Ik zou niet weten, wat ik zeggen

moest; bovendien, de kinderen kijken je zoo aan, en Daan zou me maar

uitlachen.

Na de thee gingen we naar de avondkerk, maar ik was al bang, niet

veel aandacht voor de preek te zullen hebben. En toen wij den

avondzang gingen zingen, voelde ik de tranen opkomen, omdat ik wist,

dat ik een lauw hart heb.

Ik was maar wat blij, toen 't weer Maandag was, omdat ik dan heel wat

te doen had voor onze vergadering op Dinsdag. Alex vroeg vader bij

het ontbijt, of hij den ganschen dag mee uit hooien mocht met

Cummins, dat is de boer, die vaders land verzorgt. Als Cummins hem

mee hebben wou, vond vader 't goed.

Ik beneed Alex, omdat ik er ook zoo van houd, om mee uit hooien te

gaan. "Je maakt er een mooi lui dagje van, terwijl je zorgen moest om

je plan uit te voeren," zei ik hem. "Sluit je op, ouwe Griet!" riep

hij, en rende lachend weg. Daan keek hem een oogenblik na, alsof hij

ook mee wou. "Ik ga hard aan 't werk," zei hij, "mijn plan is rijp om

vandaag uit te werken."

"Morgen zal 't mijne rijp zijn," zei ik, en ging den tuin in, om met

den ouden Baldwin te praten. Dat is onze tuinman. Vroeger hadden we

geen tuinman, eenvoudig, omdat we geen tuin hadden. Het is een

alleraardigste oude man, maar hij wil van niemand bevelen hooren,

zelfs niet van vader.

"De tuin is mijn werk," zei hij eens tot vader, "en preeken maken is

uw werk, en het is niet goed ze door elkaar te halen. U is er op

berekend om te preeken, ik om te tuinieren, en zoo weten we zelf onze

zaken het best."

Altijd is hij gereed voor een praatje, en het spijt mij daarom

eigenlijk een beetje, dat ik hem iets van mijn plan heb verteld. Nu

weten vader en hij er allebei iets van; maar dat moet toch ook wel,

want anders kan ik het niet uitvoeren.

Tegen etenstijd zei tante Caroline tegen me: "Griet, je moet eens

even soep brengen naar een arme vrouw, die een halve mijl buiten het

dorp woont. Je kunt Puf meenemen, een wandeling zal hem goed doen."

"Och tante," riep ik teleurgesteld uit, "moet ik nu vanmiddag uit, ik

wou zoo graag wat in den tuin gewerkt hebben."

"Ik heb gemerkt, Grietje, als ik je wat vraag voor mij te doen, dat

je dan altijd wat anders hebt te doen. Zoo vreeslijk is dat toch

niet, even een halve mijl te loopen, om soep bij een arme vrouw te

brengen! Ik kan zelf niet gaan, want ik heb met je vader nog een en

ander te bespreken."

Ik trok een lip, en toen dacht ik in eens: dat kon nu wel dat "gaan"

zijn, waarvan vader sprak. In elk geval was 't prettiger dan het

onderwijzen in de Zondagsschool. Ik trachtte dus opgeruimd te kijken,

ging Puf halen, en begaf mij met hem op weg. Lena kwam net het hek

uit en riep juichend: "Hoera! Ik ga nog meer borstplaat maken! Ik zal

't van jelui allemaal winnen, wat zijn jelui ook voor langzame

kinderen!" Terwijl ze dit zei, wond ze zich zóó op, dat ze van het

hekje, waarop ze was gaan staan, plat op den grond viel.

"Hoogmoed komt voor den val," riep ik haar na, terwijl ze overeind

krabbelde en haar elleboog wreef. Toen rende ik met Puf weg.

Hij was natuurlijk weer druk als twee. "Ik wil de volgende week het

ezeltje naar de wei brengen," zei hij, "en ik wil er den eersten keer

op rijden."

"Wanneer komt het dan?" vroeg ik hem.

Hij keek even voor zich, en zei toen: "Ik heb al gezegd, dat het een

mooie ezel moet wezen, niet zooals ze die aan 't strand hebben, maar

een met blauwe oogen en die niet bijt. Ik verwacht hem binnen 5

dagen."

Ik moest lachen; hij keek zoo ernstig en babbelde maar weer verder:

"Het zal de beste ezel van de heele wereld wezen, omdat ik den

rijksten man van de wereld gevraagd heb, hem te geven." "Ik vind, dat

je niet zoo oneerbiedig over God spreken mag, Puf." "Ik heb niet

gezegd, wien ik bedoelde, stoute meid, je hebt mijn geheim geraden."

Puf stond het huilen nader dan 't lachen, en midden op den weg

stilstaande riep hij: "'t Kan me ook niet schelen, ik vertel het aan

niemand anders!" Toen begon ik hem maar een verhaal te vertellen, om

zijn aandacht af te leiden.

Het was een lange warme wandeling naar juffrouw Tapson; 't leek mij

meer een mijl dan een halve mijl, maar ten slotte kwamen we er dan

toch! 't Was een aardig klein huisje met een tuintje, vlak aan den

weg. De deur stond open, ik liep dus binnen, en zag daar een man,

bezig met het vuur op te poken.

[Illustratie]

"Soep voor moeder?" vroeg hij, terwijl hij zich omdraaide en van mij

gehoord had, wat ik kwam doen. "Ik ben er zoo dankbaar voor. Boven

ligt ze te bed met pijnlijke rheumatiek, en ik verzorg haar zoo goed

als ik kan. 's Morgens moet ik naar Lemworth, en pas 's avonds 7 uur

kom ik weer in 't dorp terug." Hij had inmiddels het pannetje van me

aangenomen en keek er in. "Daar is genoeg in voor vandaag en morgen,"

zei hij. "Vriendelijk bedankt hoor kind. Wil je niet even naar boven

gaan, om moeder te groeten? Ze houdt zoo van gezelligheid."

Ik klom de nauwe trap op, en Puf stommelde achter mij aan. Ik ben

gewoonlijk bang voor zieke menschen, maar van deze oude vrouw hield

ik. Een helder mutsje had ze op en ze lag onder een lappendeken. Haar

gansche gezicht helderde op, toen ze ons zag komen. Zij zei, dat ze

al van ons gehoord had, en of ik nu dat meisje was met het mooie

haar? Ik lachte terwijl ik mijn roode lokken naar achteren schudde,

en vertelde haar, dat dat Lena was. Toen begon Puf met haar te

praten, en natuurlijk vertelde hij haar ook van het ezeltje. Daar was

hij nu eenmaal vol van.

"Puf begrijpt nog niet, wat bidden is," legde ik haar uit. "Hij

denkt, dat hij zeker alles krijgt, waar hij God om vraagt. Hij vraagt

b.v. om z'n speelgoed heel te maken, maar gewoonlijk doe ik het maar,

anders gaat hij nog rekenen op wonderen."

"Och lieve kind," zei juffrouw Tapson, "de Heere hoort gaarne het

gebed der kinderen! 't Is net als met mijn Bob; wat die vroeg, kon ik

niet half geven, toch luisterde ik geduldig naar al zijn wenschen.

Maar bid, bid gerust; veel gebed maakt je ziel sterk, en zoo ben je

ons ouderen nog ten voorbeeld."

Puf begreep er niets van. Hij liep wat heen en weer, en ging toen de

trap af. Ik keek hem na, en zag, dat Bob Tapson met hem spelen wilde.

En toen heb ik juffrouw Tapson mijn geheim verteld; ik gevoelde, dat

ik het nu toch aan iemand moest vertellen, en zoo stortte ik mijn

hart voor haar uit. Zij luisterde met ingehouden adem, en beloofde

mij, dat haar zoon voor mij zou uitzien, en een plekje in z'n kar

voor mij zou openlaten.

Ziedaar het geheim! Vader had mij aangeraden, om uit onzen tuin

bloemen en groenten te verzamelen, die te Lemworth ter markt te

brengen, en ze daar te verkoopen. Met den trein er heen gaan, was

veel te duur, en daarom had ik gevraagd, op Baldwins groentenkar te

mogen meerijden. Maar die gaat 's morgens om 8 uur al heen, en komt

's avonds 7 uur pas terug, en ik ben dus bang, dat tante, als ze er

achter komt, het mij zal verhinderen.

Ik wandelde met Puf naar huis terug en gevoelde mij verdrietig. Als

ik ging, zou ik het ontbijt moeten missen, want voor 8 uur ontbijten

we nooit. Ik kon wel gemakkelijk zoo vroeg weg gaan, maar zouden ze

dan thuis niet denken, dat me wat overkomen was? Maar dan kon ik toch

een briefje voor vader achterlaten, en hem vragen, er niets van te

zeggen!

Ik leefde weer op, en zoodra we thuis waren, holde ik den tuin in, om

mijn mand te gaan inpakken. Toen we kwamen theedrinken, vertelde

tante ons, dat vader verzocht was, om in een naburig dorp een

begrafenis te gaan bijwonen, omdat de predikant daar uit was. "En hij

zal daar den nacht overblijven," voegde zij er bij. "Hij zal niet

voor morgenavond terugkomen, want morgenochtend is er ook nog een

huwelijk te bevestigen."

Zoo zou dus mijn brief aan vader weinig geven. Ik zat leelijk in de

war, en peinsde, wat ik doen moest. 't Beste leek mij toe, dan maar

voor tante Caroline een briefje achter te laten. Ik schreef nu, voor

ik naar bed ging, dit briefje:

Lieve tante Caroline,

Als ik den ganschen dag weg blijf, dan is er niets met mij gebeurd.

En vanavond om 7 uur zal ik thuiskomen, het dient om mijn plan uit

te voeren, dat echter een geheim is.

Uw liefhebbende nicht Grietje.

P. S. Het is geen verkeerde zaak, maar een goede.

Tante Caroline zei, voordat we naar bed gingen, dat zij vandaag

nauwelijks een van ons gezien had, en dat zij hoopte, dat wij geen

van allen verkeerde dingen in 't schild voerden. Alex werd zoo rood

als een pioen, en zei, dat hij vreeselijk moe was, en Daan zag er

moedeloos uit, als had hij al z'n geld verloren.

"Ik heb hard genoeg gewerkt, om 10 kwartjes te verdienen," zei hij,

"en ik durf zeggen, dat ik dat al lang gedaan heb."

"Kinderen," zei tante, "ik houd niet van al dat gepraat over geld.

Het schijnt, dat jelui aan niets anders denkt tegenwoordig. Het staat

zoo onkinderlijk!"

"Maar het is om een ezel te krijgen," riepen we allen uit. Toen zei

tante Caroline niets meer. En wij gingen naar bed; ik vol van de

plannen voor morgen.

------

Wij en ons ezeltje · 第 6 / 29 题