HOOFDSTUK II

Wij hebben twee weken vacantie, voor wij aan de lessen beginnen, en

dan duurt het nog maar enkele weken, en wij hebben weer vacantie, de

groote zomervacantie, die einde Juli begint.

Ik verlang er naar te beginnen met mijn plan om geld te verdienen, en

ik denk er vandaag maar een aanvang mee te maken. Ik wou er eerst

niets van zeggen, maar ik heb toch vader eerst maar verlof gevraagd,

en hem gezegd, dat hij er niets van aan de anderen moet zeggen. Lena

kan nooit een geheim bewaren; vanmorgen al, toen ze nog in bed lag,

wilde ze mij al vertellen, wat ze doen ging, maar ik stopte mijn

vingers in mijn ooren, zoodat ze kon zien, dat ik het toch niet

hooren wou. Ik geloof stellig, dat we ons geheim niet lang zullen

bewaren; dat spelen we nooit klaar. Was het nu nog één geheim, maar

't zijn er vijf, en die houden we onmogelijk stil.

Vandaag is 't Zaterdag. Tante Caroline houdt elken Zaterdagavond een

huisgodsdienst voor den Zondag, en daar gaan we allen heen. Dat

geschiedt in onze mooie oude kerk; tante Caroline bespeelt dan het

orgel, en wij vormen het koor; Daan noemt het een gekras van belang.

Nu is er een oude man, die als voorzanger dienst doet, en de

antwoorden opzegt, als niemand ze weet. Hij heeft een foei-leelijke

stem, en zingt altijd een heel eind achter. Hij heet Nathan Porter.

Verleden Zaterdag zei Daan tegen hem: "Kijk es, u moet niet zoo hard

zingen, wij kunnen 't best af. Ik denk, dat u wel vermoeid zult zijn

van 't zingen. Waarom gaat u niet midden in de kerk zitten, met een

kussen in uw rug?" De oude man was beleedigd en stampte met zijn stok

op den vloer: "Jongetje, ik ben hier spijkervast huisraad; jelui

doortrekkend volk gaat voorbij als het gras. Ik ben hier al veertig

jaar voorzanger, en nog niemand heeft mij ooit van hier willen jagen.

Ik zing hier al van dat ik knaap was, en ik zal zingen blijven, tot

dat ik naar het koor hierboven ga, en dan zal ik dáár zingen." Daan

voelde zich terechtgezet, en zei geen woord meer.

Ook een kreupele jonge kleermaker, en de onderwijzeres, en vier

schoolkinderen doen aan den kerkdienst mee. Ik houd erg van de

kooroefeningen, maar de jongens niet. Zij hadden vanmiddag liever

gecricket in 't veld. Vreeselijk verhit kwamen zij aanhollen, toen 't

tegen 4 uur liep, en in de grootste haast werden de handen

gewasschen. De kerk was koel, na het voortdurend gejakker in 't land.

In de kerk is één geschilderd raam; de andere ramen zijn gewoon, en

je kunt de wuivende boomkruinen, en de blauwe lucht er door zien. Het

maakt je aan 't droomen, als je dat ziet, terwijl je zit te zingen.

Soms vergeet ik waar ik ben, en dan stooten de jongens mij aan en

fluisteren: "Word wakker, Griet, kijk, een wesp!" Zij weten wel, hoe

bang ik voor wespen ben; en dan schreeuw ik bijna luid van angst, en

zie, dat er niets is. Het is heel moeilijk, je altijd goed te houden

als er jongens bij zijn; zij maken je aan 't lachen en doen je 't

geduld verliezen. En ik wil me juist in de kerk zoo graag goed

houden, vooral als het een mooie dag is, en alles zoo rustig en stil

om ons heen. Als ik dan de gouden vlammen zie bij zonsondergang, en

de blauwe luchten en de rose wolken, dan komt er een lichte huivering

over me, en ik fluister in mezelf: "O God, maak mij goed! Maak mij

goed!"

Daan en Alex zingen heel aardig; hun zang klinkt in de kerk als ....

ja, ik zou haast zeggen als een klok, maar er is nog een lieflijker

geluid: als ge met uw natgemaakte vingers langs den rand van een glas

wrijft! Vader zegt, dat ik ook geen slechte stem heb, maar 't haalt

toch niet bij die van de jongens. Moeder kon prachtig zingen -- maar

ik zal over haar niet spreken, dat maakt me maar droevig -- en dan

word ik boos op de jongens. Ik verwonder mij er vaak over, waarom het

nu zoo verkeerd is, om te schreien. Ik denk, omdat het te

kinderachtig is. Daan is altoos boos, als er een van ons schreit. Hij

zegt, dat het fijnste volk van de wereld de Amerikaansche Indianen

zijn; die lachen nog, terwijl ze onthoofd worden.

Maar ik huil om de minste aanleiding; dan komen de tranen me in de

oogen en ik kàn ze niet tegenhouden. Zelfs de stemmen der jongens

bij de kooroefeningen maken me al bedroefd. Ik wou, dat ik een

Amerikaansche Indiaan was.

Toen de kerkdienst afgeloopen was, bleef ik met tante Caroline nog

even in de kerk, om de zangboeken op te bergen, en toen kwam vader de

kerk binnen. Hij zag er opgewekt uit, liep naar een graftombe dicht

bij den preekstoel, en riep mij bij zich. In den grafsteen was de

figuur van een ridder gebeiteld; wij vinden het altijd zoo jammer dat

zijn neus kapot is, want het bederft z'n gansche gelaat. Maar vader

wees mij op eenige woorden, gegrift aan het voeteneind. "Grietje,"

zei vader, "dat zijn nu de woorden, welke ik ook op mijn graf zou

wenschen, tenminste, als ik er naar geleefd heb. Lees ze mij eens

voor, kind." Ik las ze, hoewel ik ze niet begreep: "Semper fidelis,

semper paratus."

"Altijd getrouw, altijd bereid," zei vader; "niet soms, Grietje. Hoe

weinigen van ons kunnen dat "semper" voor onze deugden plaatsen!"

Ik begrijp vader niet altijd, maar ik zei niets, totdat de zon scheen

door het beschilderde kerkraam, en blauwe en roode stralen over den

ridder wierp. Toen glimlachte ik.

[Illustratie]

"O, vader, wat is het toch een lief kerkje, en is u nu niet blijde,

dat dit alles aan u behoort? Het is toch allemaal van u, is 't niet?"

Hij schudde zijn hoofd.

"Het is niet mijn kerk, Grietje, maar die van mijn Meester."

"Jawel, dat weet ik wel," zei ik langzaam.

Toen zei vader op zachten toon, alsof hij tot zichzelf sprak in

plaats van tot mij: "Slechts rentmeester. En -- van den rentmeester

wordt getrouwheid vereischt, semper fidelis."

Tante Caroline kwam bij ons. "'t Is theetijd, Grietje, kom, mee naar

binnen." Ik ging heen, spijtig, dat ik het heerlijk-koele kerkgebouw

alweer moest verlaten. Ik wou, dat we altoos buiten eten en drinken

konden. Thee is zomers zoo heet. Ik ging de eetkamer binnen. De

jaloezieën waren neer; de pas binnengebrachte theepot stoomde nog.

Alex was bezig met de vliegen te verdrijven van onze boterhammen;

Daan leerde Puf op z'n hoofd loopen, en Lena was nergens te zien.

Ik zou ze net gaan zoeken, toen ze de kamer binnenholde. Heur haar

hing los, haar gezicht was erg verhit en haar schortje vuil als roet.

Ze danste de kamer door en zong zoo hard als ze kon: "Hoerah! Ik heb

het gedaan!" Toen stond ze plotseling stil en liet een kwartje zien.

"Mijn eerste winst," riep ze uit; "ik ben jelui allemaal voor!"

Ik ging naar haar toe en zei: "Ik weet wat je hebt gedaan, ik kan 't

aan je ruiken." "Zeg het nu maar niet! Vang 'm, meneer de

penningmeester! Ik ga me wasschen." Zij huppelde de kamer uit, Puf

keek me ernstig aan.

"Zij heeft suikergoed in de keuken gemaakt." De jongens begonnen te

lachen.

"Makkelijk genoeg, haar geheim uit te visschen, maar ik zou wel es

willen weten, wie er haar geld voor geeft," zei Daan. Ik antwoordde:

"Misschien vader of tante Caroline. Maar laten we daar nu niet naar

raden, totdat ze 't ons zelf vertelt. Dat zou niet in den vorm zijn."

"In den vorm" is een woord van Daan; hij zegt het heel veel.

"Het is niet in den vorm, een kwast te wezen," zei hij.

"Dàt weet ik evengoed als jij."

"Dan ben je 't niet, Griet!"

Toen kwam tante Caroline binnen, en wij eindigden ons getwist.

Toen tante Caroline goed en wel gezeten was, schonk ze thee voor ons

in; daar verscheen Lena, blinkend van frischheid, nu ze zich eens

terdege had gewasschen. Maar nog was haar gezicht opgezet, zoodat

tante uitriep: "Kind, wat zie je er uit!" Ze leek ook wel wat op een

gekookte kreeft. "Ik heb zoo hard gewerkt," zeide ze; "ik zou voor

geen duizend gulden kok willen wezen!"

Vervolgens kwam vader binnen; hij drinkt altijd gelijk met ons thee;

maar zijn eigenlijk avondeten gebruikt hij nooit vóór 8 uur; dan

eet hij met tante Caroline samen. Geen van ons had veel trek in thee;

ze was zoo heet, en er was alleen brood met boter, niet eens bisquit,

geen jam en geen aardbeien. Natuurlijk hebben we die lekkernijen niet

iederen avond.

[Illustratie]

Na het theedrinken gingen de jongens den tuin in, terwijl ik tante

Caroline hielp met het klaarleggen van al onze Zondagsche kleeren, en

het verstellen van eenig ondergoed. We hebben slechts twee

dienstboden, de keukenmeid en Emma; die kunnen dus het verstellen van

ons goed er niet bij hebben. Emma helpt Puf bij z'n bad, waarbij hij

danst en springt en soms over z'n hoofd buitelt in 't water, onder

veel geschreeuw en drukte. Lena is trotsch op haar verdiende kwartje.

Ik kan vóór Dinsdag a.s. niets verdienen, maar dan zal het ook raak

zijn. En nu moet ik met schrijven eindigen, want ik ga naar bed.

Lena kwam juist naar me toe en zei: "Griet, raad eens, hoe ik dat

kwartje heb verdiend." Ik zei haar, dat het een geheim moest blijven.

"Jawel," zei ze, "maar jij kunt toch wel een geheim bewaren, is 't

niet?" "Ik weet, dat je je borstplaat hebt verkocht, maar ik weet

niet, aan wie. Misschien aan Emma, zij is dol op zoet goed." "Emma!

Alsof ik van haar een kwartje zou aanpakken! Neen, niemand hier in

huis gaf het mij, maar een heel voornaam persoon." Dit maakte mij

nieuwsgierig, doch ik wou het haar niet laten merken. "Vader wil niet

hebben, dat je je suikergoed aan vreemden verkoopt," zei ik. "'t Is

geen vreemdeling," en toen, fluisterend aan mijn oor: "mejuffrouw

Ribbon. Zeg het niet tegen de jongens."

Ik schrok. Mej. Ribbon is een beste vriendin van ons, hoewel we haar

nog niet lang kennen. Zij is eigenares van den dorpswinkel, en is

heel dik en heel vriendelijk. Zij heeft een grooten zoon, die dikke

vrienden is met Emma. Hij heeft een paar dichtregels geschilderd

buiten de winkeldeur, een heel aardig versje:

Wie hier eens komt, die komt terug,

Hij wordt geholpen goed en vlug.

Mejuffrouw Ribbon heeft van alles in haar winkel. Alex ging naar haar

toe, en vroeg een Braziliaanschen postzegel, hij verzamelt

postzegels. Zij zei, dat ze hem binnen een week zou hebben, er waren

postzegels besteld. Wij geloofden haar niet, doch op een Dinsdag, als

het marktdag te Lemworth is, stuurde ze haar zoon naar een grooten

boekwinkel daar, en hij kwam terug, niet alleen met een

Braziliaanschen postzegel, maar ook met vele andere, zoodat Alex

langen tijd keuze had. Later ging Daan er heen en vroeg naar een

witte muis. Zij ging naar de stad en bracht er een voor hem mee; ik

zei hem, dat ze een gewone muis had gevangen en die wit geverfd had.

Maar hij geloofde het niet; 't eenige lastige was, dat zij er meer

geld voor vroeg, dan hij bezat. Later merkten we, dat Tom, zoo heet

de zoon van juffrouw Ribbon, een groote menagerie in den tuin had:

duiven, kanarievogels, honden, katten enz.

In juffrouw Ribbon's winkel hangt zoo'n heerlijke geur. Van alles

ruik je er; Daan zegt, dat het een mengsel is van zeep, uien, stroop

en koffie. Ik vind het meer een mengsel van zwavel, spek, appels, en

kaas. Alex vindt het meer ruiken naar suiker, kool, vet en leer.

Altoos helpt juffrouw Ribbon met een vriendelijken glimlach haar

klanten, nooit verliest ze haar hoofd bij de zoo verschillende

boodschappen. Deze moet pepermunt hebben, die worst, een ander zes el

katoen, weer een ander een kookpan, kopjes en schoteltjes, dan weer

touw, veters, inkt, huismiddeltjes, rapen, bisquit, te veel om op te

noemen; altoos weet ze het precies te vinden. Ik zei haar eens, dat

winkel houden mij een heel zenuwachtig werkje leek, want je krijgt

zooveel menschen, die zelf niet weten, wat ze moeten hebben. "Niets

erg," zei ze, "ik weet beter wat ze noodig hebben, dan zij zelf."

Daaruit blijkt, dat ze een knappe vrouw is.

"Kocht juffrouw Ribbon je borstplaat?" vroeg ik aan Lena. "Ja, ik gaf

het haar, en vroeg, of ze 't niet kon gebruiken; ik vertelde haar,

dat ik wat geld moest verdienen. Dat vond ze heel lief; ze kocht het

van me en beloofde Woensdag nog meer van me te zullen koopen."

Ik werd een beetje jaloersch. Wij hebben van jongsaf altoos zelf onze

borstplaat gemaakt. Lena heeft het van mij geleerd. Natuurlijk was

het slim van haar, om er aan te denken, het te gaan verkoopen; maar

toen juffrouw Ribbon het eenmaal wilde koopen, was er voor haar geen

kunst meer aan. En als ik er nu aan denk, wat mijn plannen zijn ....

maar ik zeg er niets van, want de jongens mochten dit dagboek eens in

handen krijgen.

"Ik weet niet, of tante Caroline wel goed vindt, dat jij alle boter

en suiker daarvoor gebruikt," zei ik een beetje gemelijk.

"O, dat maakt de keukenmeid wel in orde, zij heeft al gezegd, dat zij

er voor zorgen zou. Van elke 25 centen, die ik verdien, geef ik er

haar vijf en zij kan er meer boter voor koopen, dan zij noodig

heeft!"

"Ik geloof er niets van, dat zij jou elken dag in de keuken wil

hebben," zei ik.

"Dat zal ook niet elken dag gebeuren, maar de keukenmeid heeft

gezegd, dat zij, zoo dikwijls als ik het maken wil, me zal helpen."

Ik wist, dat dit waar was, want Lena speelt het met iedereen klaar

door haar mooipraterij. Ik begrijp niet, hoe ik zoo verkeerd kwam,

maar 't was nu eenmaal zoo, en toen werd ik nijdig op mij zelf, dat

ik zoo nijdig was, en werd dus nog nijdiger. Lena was zóó akelig

met zichzelf ingenomen, dat zij d'r mond er niet over kon houden.

"Niemand van jelui is nog begonnen met wat te verdienen," zei ze, "ik

ben jelui allemaal voor."

"Ga toch naar bed," schoot ik uit, "je bent zoo lastig en druk, dat

ik niet eens rustig kan schrijven."

Zij liep de kamer uit en schold mij uit voor zeurkous. Ik zal ook

maar naar bed gaan; toch ben ik een beetje huiverig om zoo boos in te

slapen. Wij hebben eens een verhaal gehoord van een jongen, die z'n

zuster niet wou vergeven, voor zij ging slapen; maar zij werd niet

weer wakker: zij stierf van hartzeer.

Ik ben blij, dat 't morgen Zondag is; dan kan niemand van ons geld

verdienen, en dus behoeven we elkaar daarover dan ook niet in 't haar

te vliegen. Daar houd ik trouwens toch niet van; wij hebben allen

noodig, dat we vrede met elkaar houden.

------

Wij en ons ezeltje · 第 5 / 29 题