Natuurlijk zeggen de jongens, dat ik het weer niet klaar zal spelen.
Maar ik zeg van wel. Moet u weten, we zijn in een dorp beland, waar
alles vreemd en nieuw is, en daar is dus heel wat van te vertellen.
Nu zegt Daan wel, dat iedereen, die schrijft, een kwast is; en Alex,
dat ik alleen over mezelf zal schrijven, maar dat heeft geen nood;
want er is heel wat belangrijkers te beschrijven, dan mezelf.
Bovendien, ik ben zelfs niet van plan, alleen op te schrijven, wat
wij gedaan en gezegd hebben, d'r zijn hier nog zooveel andere
menschen, waar ik wat van vertellen wil. 't Is wel gemakkelijk,
besluiten te nemen, maar ze uit te voeren, is moeilijker. Toch zal ik
het probeeren.
En daarom zal ik maar eens beginnen met te vertellen, dat onze vader
Jan Hendrik Marjoribanks heet, en dat hij dominee is. Moeder is een
jaar geleden gestorven; liever schreef ik daar niet over, maar het
zal wel moeten. Het was toen ook zulk een vreeselijke tijd. Wij waren
heel arm, want vader was toen nog maar hulpprediker, en moeder kon
voor hem geen dikke winterjas koopen. Haar wintermantel versneed ze,
om er een voor mij van te maken, en toen zij op een bitter kouden
avond uitging om een zieke vrouw te bezoeken, keerde zij huiverend
van koorts terug; zij kreeg -- ik weet heusch 't woord niet meer,
maar 't begon met een p. Haar longen waren aangedaan, en er moest een
verpleegster komen, die heel wat geld kostte; niemand van ons mocht
haar zien voor den laatsten dag van haar leven, toen ze ons bij zich
riep om afscheid te nemen. Ik kan daar niet meer over schrijven, het
maakt mij zoo bedroefd -- wij hielden zoo veel van moeder. Zij zeide
mij, dat ik trachten moest, haar plaats in te nemen, want ik was haar
oudste dochter, en ik gevoel zoo, nooit, nooit zal ik het worden,
want ik ben zoo vergeetachtig en ik haat het naaiwerk. Om de
eenvoudigste dingen lach ik, iedereen kan me aan 't lachen maken, en
dat weten ze.
Onze arme vader werd steeds bedrukter, en Mej. Glass, de vrouw van
onzen dominee, toonde zich een vreeselijke bemoeial. Haar kinderen
konden wij niet zetten; 't waren lastposten. Eens, toen we weer aan
't vechten waren, zeiden ze: Jullie vader moet doen, wat onze vader
hem zegt, en als hij 't niet doet, wordt hij weggestuurd. Zij schenen
te denken, dat vader een soort knecht was; wij hebben ze eens goed de
waarheid gezegd, en daarna hebben we in geen vijf dagen een woord
tegen elkaar gesproken.
Kort daarna kwam de blijde tijding: vader gaat naar den Rector van
Warlington, en dat beteekende: hij zou een eigen kerk en een eigen
huis krijgen. Wij zouden verhuizen!
Een verhuizing is 't mooiste, wat je kunt beleven. Twee keer waren we
al verhuisd, en we zouden 't elk jaar wel willen. Ditmaal was het
niet zóó gezellig meer als vroeger, omdat moeder er niet meer was.
Tante Caroline kwam nu eens kijken.
[Illustratie]
Nog denk ik met genot terug aan die dagen; den laatsten dag, toen
onze maaltijd op een kist werd opgediend en overal de grootste herrie
heerschte, en alle kamers zachtjesaan leeg raakten, vond ik vooral
verrukkelijk.
Tante Caroline trok mee naar de nieuwe woning, en zij is nu nog bij
ons. Zij is een eigen zuster van vader, heel vriendelijk en nog al
druk. Onze overtocht per spoor duurde lang; wij hadden vlak bij
Londen gewoond, en ons nieuwe huis stond in Lincolnshire. Toen we
aankwamen, waren we allen van vermoeidheid in slaap gevallen.
Misschien is het beter, nu eerst wat van onszelf te vertellen, dan
wat van het huis, en dan mijn eigenlijke verhaal te beginnen.
Daan is de oudste, hij is 13 en Alex 12 jaar. Zij doen altijd alles
samen, Daan heeft de leiding, en gewoonlijk is Alex het met hem eens,
nadat hij er eerst flink met hem over getwist heeft. Iedereen vindt
hen knappe jongens. Ik ook wel, maar als de menschen tegen vader
zeggen: Wat flinke jongens! Zulke kleine meneertjes al! -- dan schudt
hij het hoofd. Na hen volg ik. Ik ben de leelijkste van de familie.
Ik heb roodachtig haar, een bleek gezicht en groenachtig-bruine
oogen. Heelemaal rood is mijn haar niet; d'r zijn d'r wel rooder. De
jongens zeggen, dat roodharige menschen altijd leelijk zijn. Meer zal
ik over mezelf niet zeggen; alleen nog dit eene, dat ik
boekenschrijfster wil worden, en daarom er nu vast mee begin. Ik heet
Grietje. Is 't geen vreeselijke naam? Ik heb hem van een oude tante,
die mijn peettante was. De jongens noemen mij natuurlijk Griet. Je
kùnt geen schoonheid zijn met zoo'n naam, zei Daan eens tegen me,
toen ik hem vertelde zoo mooi te willen wezen als ons zusje Lena.
Neen, zei ik, maar als ik m'n oogen sluit, klinkt Grietje als een
grimmige oude vrouw met een baard onder d'r kin, en ik vrees, dat ik
óók zoo zal worden. Ik denk het ook wel, zei Daan, maar je behoeft
niet leelijker te zijn dan je verkiest. Je bent nu nog niet oud.
Ziezoo, dat is ten minste één ding om dankbaar voor te wezen: oud
ben ik nog niet.
Lena is negen jaar, heel lief, en een echte dolle dries. Zij heeft
prachtig lang haar, dat in blonde golven neerhangt tot op haar
middel, en blauwe oogen. Onze jongste is Puf, oftewel onze baby. Zijn
eigenlijke naam is George, maar wij noemen hem Puf, omdat hij zoo
snel praat, dat hij tusschen de woorden blaast als een stoommachine,
en omdat hij stapt als een haan. Hij is pas 6 jaar en heeft altijd
een schortje voor, waar hij 't land aan heeft, en dat tracht los te
maken, zooveel hij maar kan. Wij hebben het nu met heel veel knoopen
van achteren vastgemaakt. Hij probeert het zooveel mogelijk vuil te
maken, maar als hij dientengevolge meer dan één schortje per dag
noodig heeft, krijgt hij geen suiker in z'n thee, en dat vindt hij
verschrikkelijk. Hij heeft een kroeskop, dikke wangen, stapt heel
zwaar en heeft dus heel wat schoenen noodig.
Nu zal ik ons huis gaan beschrijven. 't Is een heerlijk huis, vlak
bij de kerk, omringd van vele huisjes met rieten daken. Onze poort is
naast die van de kerk, maar als we naar de kerk gaan, loopen we langs
een klein nauw paadje tusschen dichte heesters door, en dan komen we
door een nauw poortje op het kerkhof, vlak tegenover den ingang. Een
breed pad leidt van onze poort naar de huisdeur; aan dezen kant zijn
ook de stallen, een koetshuis met zolder en nog twee stallen voor
paarden. Wij hebben geen paard of rijtuig, maar er zijn daar
heerlijke plekjes om te spelen. Vóór ons huis is een groot grasveld
daar staat ook een prieel, en aan de eene zijde een groepje boomen;
verder nog struikgewas en bessenstruiken.
Achter de keuken zijn twee grasvelden en daarachter loopt de
spoorlijn; ons huis ligt wat hoog, zoodat de tuin wat afloopt,
hetgeen heel geschikt is, om den trein te halen, als je wat laat
bent. Aan de andere zijde van 't huis zijn bloemperken, waarop vaders
studeerkamer uitziet. Achter de stallen is het werkhok en de
kippenren, staande tegen een dijkje, dat ons erf van den weg scheidt.
Ik ben niet heel sterk in beschrijvingen als deze, maar ik hoop, er
nu voldoende van te hebben gezegd.
In ons benedenhuis hebben we de eetkamer, de zitkamer en vaders
studeerkamer. Een lange gang leidt naar de keuken. Boven hebben we
onze leerkamer, dan vaders slaapkamer, die van tante Caroline, en de
bergkamer. Ook hier weer een lange gang, aan het eind daarvan onze
slaapkamers en die van de dienstbode. Alex en Daan slapen samen in de
eene, Lena en ik in de andere kamer. Puf slaapt bij tante Caroline.
In het gansche huis hangt een echt landelijke geur. Beschrijven kan
ik dien niet, wij hebben altijd in de stad gewoond, maar als ik m'n
oogen dicht doe, kan ik zeggen, waar ik ben, door den geur.
De eerste weken na onze aankomst waren gezellig. Wij hielpen tante
Caroline met het plaatsen der meubelen, terwijl vader naar Lemworth
ging, een naburige stad, om er eenige nieuwe kleeden en enkele
nieuwe meubelstukken te koopen. Wij klapten in onze handen, toen wij
ze zagen, maar vader zei: Ach kinderen, hoe zou moeder dit verblijd
hebben! Toen ging hij naar z'n studeerkamer en sloot de deur, en wij
werden in eens stil.
Ge hebt gezien, dat we met onze nieuwe woning bijzonder in onze
nopjes waren; 't was ook alles zoo nieuw voor ons, en we konden
nauwelijks gelooven, dat dit alles nu voor ons was.
Wij zijn hier begin Juni gekomen, we hebben onophoudelijk aardbeien
gegeten en morgen is het Juli! Gisteren hadden we onzen eersten
regendag, en zijn we allemaal in de leerkamer gebleven; we begonnen
met een praatje over onze lessen. Daan en Alex moeten elken dag 3
mijlen loopen naar den dominee van het naastbijzijnde dorp; die
dominee geeft zijn eigen kinderen en enkelen anderen les. Zij blijven
daar dan eten, en keeren pas op het theeuurtje terug. Lena en ik
nemen les van tante Caroline; ik geloof, dat tante niet heel secuur
is, maar zeker weten doe ik 't niet. Zij en tante Marie komen bij
beurten vaders huishouding waarnemen. Zij wonen dicht bij Londen; van
tante Marie houden we erg omdat zij vaak spelletjes met ons doet en
verhaaltjes vertelt; pas in den herfst is het haar beurt om te komen,
dat duurt dus nog even.
"Ik vind zes mijlen per dag loopen een vervelend baantje," zei Daan,
en wierp z'n lei driftig op tafel; "wij moesten een fiets hebben, dan
zou 't makkelijker gaan." "Die zullen we nooit krijgen," zei Alex,
"zoolang we zoo arm blijven. Als ik ouder word, zal ik gaan sparen,
voor ik trouwen ga, en dan geef ik ieder van m'n jongens een fiets,
als ze zes jaar zijn." "Hoe leg je dat aan?" vroeg Daan. "Zeker niet
door hard te werken."
"Ik ga goud, of diamanten, of petroleum zoeken," zei Alex. "Kan niet
schelen wat, maar dàt is _je_ manier om geld te verdienen." Toen
Daan weer: "Maar goud en diamanten spuiten den grond niet uit, als
jij voorbij komt." "Dat niet, maar ik zal ze onverwacht ontdekken."
"Ik wou, dat we een klein ponykarretje konden houden," zei ik.
"Gisteren zag ik er een rijden door ons dorp, met zoo'n aardigen
pony, bestuurd door een klein meisje in 't blauw en met een witten
stroohoed op."
"Pony's kosten veel geld," zei Alex. "Een oude ezel zou niet kwaad
zijn; hij zou ons in een wip naar school brengen."
"Ja," riep ik verheugd uit, "en ik zou iederen morgen met jullie mee
gaan om hem weer terug te brengen, omdat we hem hier overdag wel eens
noodig konden hebben, en dan ga ik jullie 's middags weer met hem
halen."
[Illustratie]
Daan gooide z'n boek naar mijn hoofd; ik ving het op en wierp het
terug; 't was goed raak. Gevolg: een geregeld bombardement van
boeken, totdat tante Caroline in de deur verscheen en ons beval, op
te houden. Toen begonnen we weer over onzen ezel te denken, en we
besloten te gaan sparen, om er een te koopen. Wij beloofden elkaar
plechtig, geen cent meer te zullen uitgeven voor snoepgoed, zoolang
niet genoeg geld bijeen was, om een ezel te koopen.
"Als we geen karretje kunnen koopen, zullen we hem bij beurten
berijden," stelde Alex voor. Toen nam Puf het woord:
"Ik ga ook sparen, en dan koop ik een renpaard, dat is heel wat beter
dan een oude ezel." "Kun jij zes mijlen lang op een paard zitten, jij
kleine vent?" vroeg Daan. Puf wond zich op: "Een oude ezel weet niet,
hoe ie loopen moet; en rennen kan ie heelemaal niet, ik hou van
rennen, en ik wil niet op een ezel zitten, en ik geef mijn geld niet
voor zoo'n sukkel, en ik...." "Hou op!" riep Daan, "jou kleine
windhapper, of we zullen je vierkant uit 't raam zetten. Nou, jongens
hoeveel geld hebben we samen? Ik zal penningmeester zijn; vlug wat!"
[Illustratie]
Daan had nog niet uitgesproken, of Lena en ik vlogen al naar ons
kamertje, om onze beursjes te halen. Lena had 5 1/2 cent, ik 9
dubbeltjes. Wij gaven dit bedrag aan Daan, die het geld in z'n
spaarpot deed. Daarna nam hij uit zijn beurs 65 cent, terwijl Alex
met smart beleed, dat ie geen cent bezat. Toen werd Puf bevolen twee
centen af te staan, hetgeen hij al huilende deed, en telden we ons
gezamenlijk bezit: één gulden, 62 1/2 cent. Niet veel, om een ezel
voor te koopen!
"Wij moeten probeeren, er wat geld bij te verdienen," sloeg ik voor.
"Dat is nog zoo gek niet," zei Daan, "en ik heb er al over gedacht,
hoe." "Dat heb ik ook," zei ik snel, "maar ik zeg het je niet, wel de
volgende week, het is o zoo leuk."
Lena was bezig de kamer rond te hinken; even hield ze stil. "Ik wou
dat we konden bedelen," zei ze. "Er is geen politie, om ons het te
beletten." Daan sprak: "Alsof wij in onzen stand konden bedelen!"
Daan is heel trotsch op "onzen stand". Ik vroeg hem eens, van welken
stand wij waren. Van den tweeden, zei hij; de groote heeren en dames
zijn van den eersten; maar ik herinnerde hem, dat moeders grootmoeder
Mevrouw Louise werd genoemd, en wij dus ook tot den eersten stand
behoorden. Hij zei toen, dat we van gekruist ras zijn. Ik weet niet,
wat dat beteekent.
"Misschien zal vader ons een ezel geven, als we hem er om vragen,"
zei Lena; "hij is nu veel rijker. Ik zal hem er over spreken." Ze
rende de kamer uit. Vader is dol op Lena; nooit bromt hij op haar,
als ze op zijn studeerkamer komt. Wij wachtten in spanning; ze kwam
met een lang gezicht terug. "Vader zegt, dat de verhuizing zooveel
geld heeft gekost, dat hij nauwelijks al z'n rekeningen kan betalen."
"'t Is ook veel aardiger als wij zelf den ezel kunnen koopen," zei
Daan. Opeens riep Alex: "Ik heb een eenig plan, om geld te
verdienen." "Dan hebben we nu drie plannen," merkte Daan op; "laten
we elkaar daar nu niets van vertellen, dan komen we vandaag over een
maand hier weer bij elkaar,' en tellen we onze verdiensten. Lena, jij
moet nog een plannetje verzinnen, om geld te verdienen." Zij schudde
lachend het hoofd: "Ja, ik weet al wat, en ik vertel het ook aan geen
mensch."
[Illustratie]
De vergadering werd besloten met een harddraverij om de tafel, totdat
tante Caroline weer verscheen, om ons het te verbieden. Toen Puf dien
avond naar bed ging, vroeg ie aan vader, of God soms ook geld had.
Puf doet altijd van die wonderlijke vragen, en vader geeft hem altoos
ernstig antwoord, hij zal hem nooit uitlachen.
"God is heel rijk, is 't niet vader?"
"Alle dingen in hemel en op aarde zijn van Hem," antwoordde vader.
Puf ging heel gelukkig naar bed, maar eerst stak hij zijn hoofd nog
even bij ons door de deur; "ik heb een heel mooi plan," zei hij. En
wij lachten allemaal, omdat wij wel konden gissen, wat het was.
------
[Illustratie]