De taak, die ik op mij genomen had, om u een episode uit de Arkelsche
oorlogen tijdens de regeering van Graaf Willem VI te schetsen, is
ten einde. Doch daar ik vermoed, dat gij nog wel het een en ander
aangaande de beide Van Arkels wilt weten, zal ik u in korte trekken
den verderen loop hunner geschiedenis mededeelen.
Het spreekt vanzelf, dat de Hollandsche graaf, onmiddellijk na de
tijding van Gorcums verrassing, zijn krijgsknechten bevel gaf, naar
de stad op te rukken, terwijl Jonker Willem het beleg sloeg voor den
burcht, welks bezetting zich moedig verdedigde en bestand bleef zelfs
tegen het geschut, dat de jonker er op liet richten. Hertog Reinout,
die zijn neef wilde te hulp komen, zonder nog in openbaren oorlog
met den Hollandschen graaf te treden, zond een bende Gelderschen
naar Gorcum, die slechts het doel had, de stad van mondbehoeften
en verdedigingsmiddelen te voorzien. Dit nam evenwel niet weg, dat
de Gelderschen en Hollanders, die toch reeds verbitterd op elkander
waren, dikwijls handgemeen geraakten, en dat de laatsten allerwegen
in den Tieler- en Bommelerwaard het land afliepen, terwijl de eersten
Woudrichem bestookten. Maar tot een eigenlijken oorlog kwam het niet,
al had ook Reinout den graaf van Holland uitgedaagd. De staatkunde
van vele vorsten is weinig betrouwbaar, en niet onmogelijk is het,
dat Reinout en Graaf Willem in het geheim een verbond hebben gesloten,
om, onder den schijn van tegen elkander te strijden, Jan Van Arkel
van zijn heerlijkheid te berooven en deze in handen van den graaf
te brengen. Althans er werd spoedig vrede gemaakt tusschen beide
vorsten. Of evenwel Jonker Willem lang in het bezit van Gorcum
is gebleven, is niet recht duidelijk. De burcht bleef intusschen
door de Hollanders bezet, en af en toe veranderde Gorcum van heer,
daar onder anderen Jan Van Arkel in het begin van 1409 aan zijn
zwager het beheer zijner heerlijkheid opdroeg. De beide heeren Van
Arkel intusschen konden hun wrok tegen den Hollandschen graaf niet
overwinnen, en gedurig vielen zij met gewapende benden in het Sticht
en Holland, en daar Reinout hieraan niet vreemd was, ontbrandde de
krijg tusschen Gelderland en Holland weder, die daarmede eindigde,
dat Graaf Willem 24 Juli 1412 te Gorcum als heer gehuldigd werd, en
de eerste daad, die de nieuwe heer volbracht, was, dat hij het aloude
slot Arkel tot den grond liet slechten en aan de Merwede een sterkte
deed opwerpen, die de stad voortaan in bedwang zou houden. Wat Jan
Van Arkel betreft, deze werd later gevangengenomen, op de poort van
het hof in Den Haag gezet, vervolgens naar Gouda gevoerd, waar hij
tot 1427 bleef en te Leerdam, 25 Juli 1428, in den ouderdom van 65
jaren overleed. Voorwaar, deze man, de rijkste edelman van die dagen,
mocht wel met den aartsvader Jacob uitroepen: "weinig en kwaad zijn
de dagen der jaren mijns levens geweest."
Jonker Willem Van Arkel mocht zijn vader niet lang overleven. Onder
de regeering van Jacoba Van Beieren, de dochter van Graaf Willem VI,
hadden zich Willem Van Arkel en zijn zwager Jan Van Egmond van Gorcum
meester gemaakt, waarop de jeugdige gravin met een groot leger,
onder bevel van Walraven Van Brederode, naar die stad trok en deze
na een hevige bestorming innam. Doch thans ontstond er een woedende
strijd binnen de straten; de Van Arkels verdedigden iederen hoek en
elk huis, en zelden is er zooveel edel bloed binnen Gorcum gevloten
als op den 1sten December 1417. Walraven Van Brederode sneuvelde, en
helaas, ook Jonker Willem Van Arkel, die aan de zijde van zijn vriend,
Jonker Spijker Van Nieuwenroode den dood vond in die zelfde straat en
bij hetzelfde huis, waar hij eenige jaren geleden zoovele bewijzen van
een zachte inborst gegeven had. Men zegt, dat Gravin Jacoba, toen zij
den dood van Jonker Willem vernam, in tranen uitbarstte en uitriep:
"Ik heb niet gewonnen, maar verloren," en de kroniekschrijver Kemp
voegt er bij, "dat zij gehoopt had hem gevangen te maken en dan met de
vrijheid hem tevens haar hand te schenken." Jacoba vertoefde zoolang
te Gorcum, tot zijn lijk plechtstatig in de kerk was bijgezet. Zijn
asch rust in de tombe der heeren Van Arkel "op ons Lieve Vrouwen
Koor," en hij werd--zooals Van Zomeren het uitdrukt--met zijn zestien
kwartieren begraven, die hij met name noemt.
Ter nagedachtenis aan dezen strijd en het sneuvelen van Jonker Willem
Van Arkel werd in de Krijtstraat (Rivetsteeg) een langwerpige,
witte arduinsteen in den gevel van een der huizen geplaatst, met
dit opschrift:
Doe men schreef den 1 December M CCCC XVI, en een.
Doen bleef den Edelen Hooggeboren Willem Van Arkel voor deze steen.