[1] Van Zomeren, in zijn beschrijvinge van Gorcum zegt, dat dit huis
later de Gevangenpoort en het cipiershuis is geweest. Bladz. 309.
[2] Walraven Van Brederode was de zeventiende heer van Brederode,
en bekleedde weleer het stadhouderschap over Holland. Hij werd de
eerste Edele en graaf van Gennep genoemd. Als bloedverwant der laatste
graven uit het Hollandsche huis droeg hij de volle wapenen van stam
in zijn banier. Reeds onder den vader van Willem VI had hij zich door
dapperheid onderscheiden, maar werd vier jaren vóór den aanvang van
ons verhaal, in 1402, tijdens den eersten oorlog tusschen den graaf van
Holland en Jan Van Arkel bij de belegering van Gorcum door een uitval
der Arkelschen gevangengenomen en binnen de stad opgesloten. Eerst
sedert kort was het Hertog Reinoud van Gelderland gelukt, hem door zijn
voorspraak bij Jan Van Arkel te ontslaan, en kreeg Walraven verlof,
van tijd tot tijd de stad te verlaten, een vrijheid, waarvan hij,
gelijk wij zien zullen, ten nadeele van Jan Van Arkel gebruik maakte.
[3] Het jaar te voren (1405) hadden de Hollanders, in vereeniging met
de Stichtsche legerbenden, den burg Everstein, de stede Gasparne en het
slot Hagestein, die aan Jan Van Arkel toebehoorden, door hongersnood
en geweld van wapenen tot de overgave gedwongen. Hagestein met het
omliggende land kwam toen aan Utrecht.
[4] Kabeljauwschgezinden. Mijn lezers weten, dat sedert de regeering
van Willem V (oom van den thans regeerenden graaf) de onzalige
twisten der Hoekschen en Kabeljauwschen een aanvang hebben genomen. Ik
veronderstel, dat zij met den oorsprong dezer partijen bekend zijn, die
eigenlijk slechts een leus was, welke naar omstandigheden veranderde,
zoodat soms steden en edelen, die het eene jaar Hoekschgezind waren,
het volgende jaar tot de partij der Kabeljauwschen overgingen. Deze
partijen bestaan, meen ik, nog altijd, schoon onder een anderen naam,
en ik houd het er voor, dat de Kabeljauwschen tot de liberale richting
behoorden en de Hoekschen meer conservatief waren.
[5] Pirlepont lag in het hertogdom Bar, een erfdeel van zijn moeder,
die hij, helaas, schandelijk bejegend heeft.
[6] Hij bekleedde deze waardigheid sinds 1389. Zie Arend,
Alg. Gesch. des Vad. II. 2. Bladz. 302.
[7] Zie Van Wijn, Naleezing op de Vaderl. Hist. bladz. 194-196.
[8] Deze Jan Van Egmond was gehuwd met de dochter van Jan Van Arkel,
Maria, die in 1415 stierf, nalatende twee zoons, Arend en Willem Van
Egmond. Arend werd later hertog van Gelre.
[9] Jonker Willem zinspeelt hier op het Arkelsche wapen: twee roode
balken op een zilveren veld. Vroeger voerden de Van Arkels in hun
wapen twee ronde torens met een blauw dak op een gouden veld.
[10] Eenige kroniekschrijvers deelen de zaak eenigszins anders
mede. Zij doen het voorkomen, dat de dienstmaagd van Quannevan
onmiddellijk aan Jan Van Arkel van de samenzwering had kennisgegeven,
die daarop daags daarna, uit de kerk komende, zijn zoon te gemoet
treedt en hem op vaderlijken, teederen toon zijn gedrag verwijt,
waardoor Jonker Willem zóó getroffen zou geworden zijn, dat hij
aan zijns vaders voeten nederzonk. Jan Van Arkel zou vervolgens
zijn zoon bij de hand genomen en ter kerk geleid hebben, waarop de
samenzweerders zich uit de voeten gemaakt hebben. Ik houd het er voor,
dat zoo iets wel gebeurd kan zijn, maar niet bij gelegenheid van de
samenzwering ten huize van Quannevan. Immers Jan Van Arkel bevond
zich toen te Arnhem en niet te Gorcum. Hij kan dus onmogelijk den
dag na het verraad met zijn zoon naar de kerk gegaan zijn.
[11] Zoo drukt zich Arend uit in zijn Alg. gesch. des Vaderlands III,
bladz. 437, maar deze lezing is mij niet duidelijk.
[12] 6 April 1407.
[13] Zie van Zomeren's beschrijving van Gorcum, bladz. 312.
[14] Van Zomeren, bladz. 313.
[15] Van Zomeren spreekt van den "Robbrechtstoren," die tusschen
de Kanze- en Arkelpoorten moet gestaan hebben, maar ik heb dezen op
geene zelfs der oudste grondteekeningen van de stad kunnen vinden.
[16] Van Zomeren, bladz. 315.