ZESDE HOOFDSTUK.

Hoe Gorcum verrast werd--En nog eens in de gewelven van Quannevan's

huis.

Het was Jonker Willem Van Arkel bovenal te doen, om zich van Gorcum

meester te maken. Dit kon evenwel niet door middel van een openbaren

oorlog geschieden, want de stad was van een Hollandsche bezetting

voorzien en al de toegangen versterkt door gewapende mannen, die van

poort tot poort, zoowel binnen als buiten de vest en de grachten,

de wacht hielden. Ook zou het niet mogelijk geweest zijn, met een

groot leger tot Gorcum door te dringen, daar Utrecht vijandig gezind

was tegen de Van Arkels en de stad van den waterkant moeilijk te

naderen was. Er moesten dus andere maatregelen genomen worden,

en wel om de stad bij verrassing te overrompelen. De eerste maal,

toen jonker Willem dit beproefde, was het ongelukkig afgeloopen,

en, door de ondervinding geleerd, wilde hij het thans op een andere

wijs beproeven, vooral daar hij zich verzekerd had van de hulp van

eenige getrouwe vrienden, die te Gorcum achtergebleven waren of in

de nabijheid der stad op de omliggende dorpen en hoeven vertoefden.

Op ongeveer een half uur van de stad, en wel ten noordwesten, lag

een eenzame hoeve, die tot de bezittingen der heerlijkheid Van Arkel

behoorde. De hoeve was thans ledig en verlaten, daar de bewoners

gevlucht en wijd en zijd verspreid waren. Toch zou haar ruimte eerlang

weer worden gevuld en ingenomen, niet door vreedzame landbouwers noch

door vee, maar door personen, die niet gewoon waren een stal tot hun

verblijf of een schuur tot hun woning te kiezen.

Gedurende drie dagen en nachten had het aanhoudend geregend, en

dit onaangename weder was vergezeld van storm en hevige windvlagen,

zoodat de landlieden, die in de maand September 1407 nog de laatste

overblijfselen van den oogst en de karige veldvruchten van het veld

bijeen wilden verzamelen, niet bij machte waren dit naar eisch te

verrichten. Ook zag er de lucht nog niet naar uit, dat er spoedig een

verandering ten goede zou komen, want onophoudelijk dreven de donkere

wolken langs het zwerk en ontlastten zich over velden en akkers, zoodat

de vest en stadsgrachten tot overloopens toe gevuld waren. Onaangenaam

was dit ruwe, woeste weder niet alleen voor de landlieden, maar ook

voor de krijgers, die op zekere afstanden tusschen of nabij de poorten

der stad, in kleine torens de wachtposten betrokken hadden, daar zij op

hun hoede moesten zijn tegen den een of anderen naderenden vijand. Geen

maan of ster flikkerde aan 's hemels trans, en het was des nachts zóó

donker, dat de schildwachten, zelfs op slechts eenige passen afstands,

elkander niet konden zien. Niemand, die niet volstrekt buiten moest

zijn, gaf dan ook de voorkeur aan het zitten buitenshuis, en zelfs

eenige ruwe krijgslieden, meenende; dat er geen gevaar op handen was,

zochten liever een schuilplaats in een der torens, dan zich ten bate

van den Hollandschen graaf te laten natregenen.

Bij bovengenoemde hoeve zou men, zoo de duisternis van den nacht het

niet verhinderd had, kunnen gezien hebben, dat van tijd tot tijd eenige

mannen binnen haar wanden slopen. Van alle kanten drongen zij huis,

schuur en stal in, zoodat de hoeve ten laatste bijna eivol werd. Toch

hoorde men daar buiten geen geruisch, geen woord, wat trouwens ook

onmogelijk was, daar de wind voortdurend langs de muren gierde en

de toppen der peppelboomen deed zwiepen. Zoover de donkerheid het

toeliet te zien, kon men vijf--zes mannen opmerken, die zich aan den

ingang der deur geplaatst hadden en een langen, uitvorschenden blik

naar de zijde der duistere stad wierpen. Zij droegen allen donkere

mantels en hun rechterhand rustte op het gevest van het zwaard,

alsof zij ieder oogenblik bereid waren, het uit de scheede te trekken.

"Uitmuntend weer voor onze onderneming, Willem," fluisterde een zachte,

manlijke stem.

"Uitmuntend Splinter," was het antwoord, "het is alsof de hemel ons

begunstigen wil. Mij dunkt, niemand in de stad zal er een voorgevoel

van hebben, dat wij thans hier zijn, om haar--zoo mogelijk--in ons

bezit te brengen."

"Wellicht zijn zij in de meening, dat het niemand in de donkerheid

gelukken zal, haar te naderen."

"En daarin konden zij ook wel gelijk hebben, Splinter," zei Jonker

Willem Van Arkel, "maar zij vergeten, dat wij een juiste opgave

bezitten van al de wegen en paden. Ik althans heb ze mij zóó diep

ingeprent, dat ik zelfs geblinddoekt den weg naar de poort zou kunnen

vinden, ten minste tot de vest."

"Dat is stout gesproken, Willem," hernam Splinter steeds op

fluisterenden toon, "maar gij zijt hier geboren en opgevoed, en

daarenboven gij hebt Simon en de gebroeders Van der Werve bij u,

die deze streek zoo goed kennen als de os zijn kribbe. Ook wordt gij,

als het ware, voorgelicht door den vurigen ijver, die u drijft."

"Zoo is het, Splinter," zeide Willem, "en moge God alles zóó leiden,

dat ik, met zoo weinig bloedvergieten mogelijk, meester van de stad

word. Hoe gelukkig zou mijn vader zijn, en hoe zou ik het voorrecht

van den man benijden, die, als overbrenger der gelukkige tijding,

de vreugde op zijn aangezicht zou mogen lezen. O Splinter! ik kan u

niet half zeggen, hoezeer ik naar het oogenblik haak, waarop ik zal

kunnen zeggen: de stad is ons!"

"Ik kan mij dit verlangen zeer goed verklaren," zeide Splinter, "maar

wees voorzichtig, laat geen gunstig oogenblik ongebruikt voorbijgaan,

en zorg vooral, dat alles, voor de overrompeling bestemd, bij de hand

is. Zijn de schuitjes reeds aangekomen?"

"Neen, heer," antwoordde Simon, de zoogbroeder van Jonker Willem,

tot wien deze vraag gericht was. "Wij wachten ze ieder oogenblik."

"Zij kunnen echter onmogelijk lang uitblijven, en als het niet zoo

duister ware, zouden wij ze reeds ginder zien."

"Gij spreekt zoo stout, Willem," zeide Splinter, "omdat gij weet,

dat Otto Van Heukelom zich daarmede belast heeft. En deze is bekend

als iemand, die zich nooit laat wachten."

"Juist," hernam Jonker Willem, "Otto Van Heukelom, dien mijn oom

Reinout aan het hoofd heeft gesteld van de Gelderschen, die mij in

mijn onderneming zullen bijstaan, heeft het opzicht genomen over de

schuitjes, die wij straks hopen te water te kunnen laten. Doch stil,

zie ik daar niet eenige schaduwen naderen? Dat zullen de verwachte

voorwerpen zijn."

Vier mannen naderden langzaam en zonder het minste gedruisch te maken

de plaats, waar de hoofden der onderneming bij elkander stonden. Deze

vier mannen droegen een schuitje, dat van leder gemaakt en zóó

ingericht was, dat het acht of tien krijgsknechten kon bevatten. Deze

vier man waren vergezeld van een vijfden.

"De overige schuitjes zijn in aantocht," fluisterde deze, op wiens

bevel de dragers het vaartuig op den grond neerzetten. "Heer Otto

Van Heukelom zal oogenblikkelijk hier zijn met de andere. Het ging

zoo vlug niet als wij dachten, daar de weg moeilijk, de last zwaar

en de onderneming niet geheel zonder gevaar was."

Jonker Willem beefde.

"Niet zonder gevaar!" riep hij op meer dan fluisterenden toon

uit. "Heeft men dan iets in de stad gemerkt? Heeft een der voorposten

u gezien of gehoord? Ach, dan ware onze onderneming mislukt!"

"Stel u gerust, edele jonker," fluisterde Quannevan, die het eerste

schuitje vergezeld had, "niemand heeft ons opgemerkt, al is het

volkomen waar, dat onze last zwaar was. Maar de mannen hebben zich

uitmuntend gehouden, en telkens wanneer een zwarte wolk afdreef en de

lucht een weinig lichter werd, bukten zij met het schuitje ter aarde,

zoodat zij onmogelijk door den vijand konden gezien worden."

Zijn woorden werden afgebroken door de komst van andere mannen,

die allen, vier aan vier, een schuitje droegen, en Jonker Willem,

tevreden, dat de maatregelen tot dusver zoo gelukkig geslaagd waren,

drukte met vuur de hand van Otto Van Heukelom, den bevelhebber der

Geldersche benden, die met het laatste schuitje was aangekomen.

Thans vormden deze hoofden een soort van krijgsraad, om nog eens zoo

spoedig mogelijk, daar er geen tijd mocht verloren gaan, wilde hen

de dag niet overvallen, het punt van aanval te bespreken, en toen

dit vastgesteld was, werden in alle stilte de mannen uitgekozen,

die bestemd waren, het eerst met de schuitjes naar den overkant der

gracht te varen.

Intusschen hielden eenige krijgsknechten op het buitenste bolwerk

tusschen de oude Kanse- en Arkelpoorten de wacht. Het was waarlijk

geen aangenaam verblijf daar in de open lucht, blootgesteld als zij

waren aan den onophoudelijken regen en de woeste rukwinden. Zij liepen

heen en weder en trachtten zich nu en dan onder een vooruitspringend

gedeelte van den muur te beschutten, maar ook daar bereikte hun de

wind en de regen.

------

FIGURE

------

"Ik zou zeggen," zei een hunner, "dat wij hier een onaangename

standplaats hebben. Mij dunkt, het is ginds in den toren veel beter."

"Dat is het ook," sprak een ander. "Daar is vuur, licht en bovenal

bier, warm bier, dat ik zeer gaarne zou lusten, want ik ben tot in

mijn nieren koud en daarbij dorstig."

"Ik zou ook niet weten," hernam de eerste, "welk verschil er bestaat

tusschen ons zijn hier en het zitten ginds? Geen muis verroert zich op

het veld, en Jonker Willem Van Arkel of zijn vader liggen misschien

zoo lang als zij zijn in de veeren en droomen van hun verblijf op

den ouden burcht."

"Dien zij toch nooit zullen krijgen," viel hier een derde in, "al ware

het ook, dat hun de lust bekroop, deze stad te overvallen. Daar moeten

zij vroeg voor opstaan, want ik verzeker u, dat ik ze ongemakkelijk

zou onthalen, als zij het waagden, hier te komen."

"Ja, gij zijt een held, Dirk," zeide de eerste op spottenden toon,

"dat weten wij wel, vooral als gij op een bos stroo ligt te slapen."

"Zeg dat niet!" riep Dirk, terwijl hij zijn piek tegen den arm liet

rusten en zich de natte handen wreef, om warm te worden, "heb ik niet

nog onlangs.... maar stil! Zie ik daar ginds niet wat? Schuift daar

niet iets zwarts over den grond?"

De overige mannen namen niet eens de moeite, om te zien, en lachten

den vrager uit.

"Het zal de schaduw zijn van den man, dien gij verleden te Woudrichem

een piek door het hart hebt gestoken...."

"Toen die man al dood was!" spotte een derde. "Ja, ja, onze Dirk is

een held!"

"Maar held of geen held, wie gaat er met mij mede naar den toren? Daar

is de stadswacht bijeen. Hier is het niet, om uit te houden, en ik

ben verzekerd, dat die mannen ons met vreugde zullen ontvangen. Zij

zullen denken: hoe meer zielen hoe meer vreugd. En Dirk kan hun van

zijn heldendaden iets vertellen. Wie gaat mede?"

Hij behoefde niet lang te vragen. "Bij dit hondenweer denkt niemand er

aan, de stad te verrassen, en nu wij Dirk bij ons hebben, kunnen wij

meer dan gerust zijn," was het algemeen gezegde. Allen begaven zich

naar den toren [15], en zooals zij het gedacht hadden kwam het uit:

zij werden met gejuich ontvangen, en zij, die meenden, dat het toch

gevaarlijk en onbedachtzaam was, den buitenpost onbewaakt te laten,

werden voor lafhartigen en bevreesden uitgekreten. De krijgsknechten

stookten het vuur goed op, zorgden voor een verkwikkenden drank en

vlijden zich rondom het vuur neder, hopende, dat de dag spoedig zou

aanbreken en zij afgelost zouden worden.

Eensklaps begint een hond, die bij de stadswacht behoorde, te knorren

en te blaffen.

"Wat zou dat wezen?" vroeg Dirk, die opgesprongen was.

"Hij zal een snoek hooren, die in de stadsgracht rondspringt," was

het antwoord.

"Maar het kon ook wel iets anders wezen," vervolgde Dirk, "als het

eens...."

"Houd u maar stil," zeide een der stadswachters, "ik zal het luikje

openzetten en naar buiten zien."

Doch nauwelijks had hij dit gedaan, of hij wijkt achteruit, en zoozeer

had de schrik hem bevangen, dat hij niet in staat was, een woord te

uiten. Dit was echter bij de overigen niet onopgemerkt gebleven. Zij

staan allen op, zien uit het luikje--.... en onder den uitroep: "Wij

zijn verraden! De vijand! De vijand!" stortten zij zich naar buiten,

om den vijand tegen te houden. Dirk echter verschool zich onder een

bos stroo.

Maar het was te laat. Met de grootste behoedzaamheid en met

inachtneming van alle stilte hadden de Arkelsche mannen en de

Gelderschen de schuitjes, bevracht met krijgslieden en ladders,

te water gelaten, waren de gracht overgekomen, en de gebroeders Van

de Werve, met Jacob Luytgensz, den boer, wien de bovengemelde hoeve

behoorde, waren de eersten, die, gevolgd door een trompetter, Jonker

Willem Van Arkel, Splinter en de anderen, den muur beklommen. Tegen

zulk een overmacht was nòch stadswacht nòch buitenpost bestand. Zij

wierpen de pieken weg, en onder het geschreeuw "Van Arkel! Van

Arkel!" vluchtten zij naar de Kanzepoort, waar een afdeeling

Hollandsche soldaten lag.

De toren werd aanstonds genoegzaam bezet, en de arme Dirk, die hier

veilig meende te wezen, krijgsgevangen gemaakt.

"Blaas--blaas victorie, trompetter!" riep Quannevan uit, die niet

achtergebleven was. "Die oproermakers daarbinnen moeten het hooren,

dat wij er zijn!"

En eer Splinter, die bedachtzamer was dan Jonker Willem en de driftige

edelman, het verhinderen kon, blies de trompetter victorie, zoodat

de tonen wijd en zijd langs bolwerk en wallen weerklonken. Gelukkig

had het geen ongunstige uitwerking. Integendeel, de Gelderschen,

van wie nog een gedeelte aan den overkant stond, kregen meer moed en

haastten zich met de terugkeerende schuitjes over te komen, terwijl

de bezetting, in de verbeelding dat de Van Arkels zeer talrijk

waren, van schrik niet wist of zij vluchten dan wel zich verdedigen

moest. Jonker Willem en Splinter voeren thans hun manschappen naar

de Kanzepoort, terwijl Otto Van Heukelom bij den toren blijft, en zóó

snel was de overrompeling geschied, dat zij weldra meester waren van

de buitenpoort.

Inmiddels begon de dag aan te breken en geraakte de bezetting,

opgewekt door het geschreeuw en het rumoer van de naderende benden,

op de been. Jonker Willem meende nu geen oogenblik te moeten verliezen

en besloot stoutmoedig de krijgsknechten van den Hollandschen graaf

tegen te trekken, voordat deze den tijd hadden, zich geregeld

te verzamelen. Quannevan, Simon, de gebroeders Van de Werve en

verscheidene krijgsknechten, die de vluchtelingen achtervolgd hadden,

braken de poort met bijlslagen open, en voordat het morgenrood de spits

van den kerktoren bestraalde, mocht Jonker Willem de eerste schreden

in zijn vaderstad zetten. Thans ging het met vroolijk trompetgeschal

voorwaarts; de Arkelsche mannen en Gelderschen, aangevuurd door hun

jeugdige bevelhebbers, rukten juichend de stad binnen, terwijl van

alle kanten de stadswakers en de krijgsknechten van den graaf de vlucht

namen. In de Kruisstraat evenwel kwam het tot een stilstand. Van Goor

had in allerijl de bezetting bijeengeroepen en was besloten Jonker

Willem den voortgang te betwisten, doch Quannevan, die vuur en vlam

was van woede op de oproermakers, stortte zich met het zwaard in de

vuist vooruit, en geholpen door tien--twaalf dappere mannen, deed

hij de bende uiteenstuiven als kaf voor den wind.

"Blaas! Blaas,--blaas, victorie!" riep hij den trompetter toe, die

wederom de trompet aan den mond zette en met al de kracht zijner

longen de overwinning verkondigde.

Gorcum was in de macht van Jonker Willem Van Arkel. De vijand was

buiten de stad gevlucht, om de treurige tijding aan den graaf van

Holland te gaan verkondigen; anderen hadden zich naar den burcht

gewend, om niet alleen daar een toevlucht te zoeken, maar ook de

bezetting te versterken, wel voorziende, dat Jonker Willem straks

met zijn Arkelsche mannen de vaderlijke bezitting zou trachten te

heroveren.

Dit was ook inderdaad het plan van den jonker, maar zijn krachten

schoten vooralsnog te kort; eerst moest hij zich overtuigen, dat het

grootste deel der burgerij en inwoners op zijn zijde was, en als dan

Hertog Reinout of zijn vader Jan Van Arkel hem een nieuwen toevoer van

krijgsknechten zond, wilde hij een aanval op den burcht ondernemen. Wat

het eerste betreft, spoedig smaakte hij de voldoening, dat hij meer

aanhangers en vrienden in de stad had dan hij wist, en inderdaad, de

Gorcummers waren in lang niet tevreden, dat hun stad door verraad in

de macht van Graaf Willem VI gekomen was. Zoodra Jonker Willem zijn

trompetter en eenige soldaten in de straten uitzond met den uitroep:

"Wie zich onder de banier van Van Arkel schaart, dien zal niets misdaan

worden!" [16], stroomden van alle kanten de inwoners uit de huizen,

juichten den moedigen overwinnaar toe en vervulden de lucht met hun

gejubel. Alle mutsen vlogen omhoog en de kreet galmde wijd en zijd:

"Leve onze nieuwe landsheer!" Al juichende trok het volk voorwaarts

en verlangde, dat de jonker zijn intrek op het stadhuis zou nemen,

maar hiertegen verzette zich Quannevan, die zich de eer niet wilde

laten ontnemen den zoon zijns weldoeners in zijn huis te ontvangen.

Jonker Willem, vergezeld van zijn bevelhebbers en voorafgegaan door

Quannevan, begaf zich thans naar de Krijtstraat, en mijn lezer gist

reeds, dat Jennike zich boven op het steenen bordes bevond, om den

jeugdigen veroveraar toe te juichen, die, van Quannevan vernomen

hebbende, welk een levendig aandeel de zuster zijns zoogbroeders

in zijn lot genomen had, de hand der getrouwe dienstmaagd hartelijk

drukte.

"Sta mij toe, edele heer," zeide zij, "dat ik u, voordat gij met mijn

heer een beker wijn drinkt op het welslagen uwer onderneming en God

dankt voor de overwinning, die Hij u geschonken heeft,--sta mij toe,

dat ik u vooraf drie der ergste en valschte vijanden van u en heer

Quannevan toon."

"Kom, kom!" riep Quannevan uit, "wij hebben nu geen vertooning meer

noodig. De edele jonker is moede en verlangt naar rust. Luister niet

naar haar, edele heer, want als gij dat doet, zijt gij verloren. Zij

geeft nooit iets op en zet haar plannen met een hardnekkigheid door,

die mij soms razend gemaakt heeft. Als ik er nog aan denk, dan...."

Hij balde in zijn drift de vuist, meenende, dat hij zijn karwats in

de hand had.

"Maar haar aanbod is toch welgemeend, Heer Quannevan," zeide Jonker

Willem glimlachend. "Ik wil wel eens mijn ergste vijanden zien--vooral

als overwinnaar!"

"Ik niet," riep Quannevan uit. "Als ik mijn ergste vijanden in mijn

macht heb, laat ik ze, zonder dat ik ze zie, ophangen. Men moet korte

metten maken met oproermakers!"

"De schoonste taak van een overwinnaar is te vergeven," zeide Jonker

Willem.... "Kom, toon mij eens mijn ergste vijanden en die van uw

heer. Misschien kan ik ze tot mijn vrienden maken."

"Nieuwerwetsche grillen!" bromde Quannevan, "in mijn goeden ouden tijd

ging het beter. Toen liet men het vergeven aan de priesters over en

hing de booswichten op."

Jonker Willem, vergezeld van Splinter, eenige krijgsknechten en den

trompetter, volgde Jennike, die hem door allerlei vertrekken naar de

kamer bracht, waar de kast was met de verborgen deur. Hier gaf zij

Aart een wenk, die een paar fakkels ontstak, waarop zij allen door

de geheime gang de trappen afdaalden naar het gewelf.

Toen zij dit bereikt hadden, bleef Jennike een oogenblik stilstaan

en zeide:

"Dezen morgen vroeg, terwijl mijn hart vroolijk klopte, toen ik de

juichtonen van het trompetgeschal vernam en mij naar het bordes begaf,

in de hoop u spoedig te zien, zag ik drie mannen in allerijl herwaarts

vluchten. Zoodra zij mij gewaarwerden, vlogen zij de trappen op en

smeekten mij, ter wille van de trouw en liefde, die ik mijn heer

toedroeg, hen te verbergen. Ik wilde hun dit eerst weigeren, toen

eensklaps zich een betere gedachte van mij meester maakte. Ik kende

u, edele heer, ik wist, dat een edelmoedig hart in uw boezem klopt,

en daar straks mocht ik daarvan weder een nieuw bewijs hooren. Welnu,

die drie mannen zijn de grootste vijanden van u en Heer Quannevan. Zij

hebben mijn heer vriendschap gehuicheld en samenspanningen tegen u

gesmeed. Thans zijn zij in uw beider macht. Daar zijn zij! Doe met

hen gelijk gij meent, dat een Christen doen moet."

Bij deze woorden schoof zij een grendel weg, trok de deur op en een

koele, vochtige lucht woei hun tegen. Wat zagen zij bij het walmende

fakkellicht?

Daar lag Jan Gerardijn, de proost en deken der kerk, op zijn knieën,

met gevouwen handen, terwijl de beide schepenen, Roelofsz en Boudewijn

De Ledige, bijna dood van schrik en angst op den grond uitgestrekt

lagen.

"Vergiffenis--vergiffenis!" stamelde de proost.

"Die zij u geschonken!" riep Jonker Willem, "onder voorwaarde, dat

gij die ook van God begeert en dat gij u voortaan, niet meer bemoeit

met dingen, die uw heilige bediening niet aangaan. Heer Quannevan,

sta toe, dat ik dezen man eerst eenige verkwikking doe toedienen,

voordat hij van hier gaat!"

"Nieuwerwetsche grillen! nieuwerwetsche grillen!" pruttelde

Quannevan. "Had ik slechts mijn karwats! Dan zou ik het wel weten!"

Hij durfde zich evenwel niet tegen het verzoek verzetten en beval

Aart, den proost naar binnen te geleiden en hem een beker wijn in te

schenken, waaraan deze ook voldeed.

De beide schepenen, wier ooren niet gesloten waren, hadden eensklaps

door dit goede voorbeeld moed gekregen; zij stonden op en riepen ook

de lankmoedigheid van Jonker Van Arkel in.

"Wij hebben dwaselijk gehandeld, edele heer!" zeide Roelofsz. "Dat

zien wij thans duidelijk in."

"Ja, dat zien wij thans duidelijk in," stamelde Boudewijn De Ledige.

"Hadden wij geweten, dat gij zulk een edelmoedig heer waart, wij

zouden ons nimmer tot zulke booze daden geleend hebben. Maar wij hopen,

dat gij het ons vergeven zult."

"Wij hopen, dat gij het ons vergeven zult," herhaalde zijn echo.

"Kerels!" riep Quannevan uit, die meende ook een woordje te moeten

meespreken en beefde van drift, "kerels! hoe is het mogelijk, dat

gij tot zulke goddelooze dingen in staat zijt geweest!"

"Dat kan ik u wel verklaren, Heer Quannevan," zeide Jonker Splinter,

die den driftigen edelman zachtjes op den schouder sloeg: "ons hart

is geen bron van rein water; daaruit komen alle ongerechtigheden en

wandaden te voorschijn, en hoe meer zich de mensch van God en Zijn

dienst vervreemdt en den toegang voor hemelsche invloeden afsluit,

des te sterker treden deze boosheden naar buiten!"

"Dan ware het maar het beste, dat men die kerels, die zulke booze

harten hebben, hoe eer hoe beter uit de wereld hielp!" riep Quannevan.

"En dan?" vroeg Splinter kalm.

"En dan? Ja, dat moge de Heilige Maagd weten wat zij met die kerels

doen wil. Wij zijn ze kwijt--en daarmede basta!"

"Dat mag ons niet genoeg zijn, Heer Quannevan!" zeide Splinter. "Die

menschen toch hebben schuld beleden en onze vergiffenis ingeroepen,

en wij mogen niet minder doen dan God, die--ik herhaal wat ik vroeger

tot Jonker Willem zeide--mildelijk geeft en niet verwijt. Ik ondersteun

dus hun verzoek en hoop, dat de jonker hen ontslaan zal."

"Altemaal nieuwmodische instellingen!" pruttelde Quannevan. "Ophangen

is maar de baas!"

"Gij erkent slecht gehandeld te hebben?" riep Jonker Willem den beiden

schepenen toe.

"Ja,--ja!" antwoordde Roelofsz.

"Ja,--ja!" galmde zijn echo.

"Welnu, dan voort van hier! Gaat naar het stadhuis en verkondigt

daar aan allen, die het hooren willen, dat Jonker Willem Van Arkel

de verovering zijner stad niet wil vieren met het plengen van bloed,

maar met het bewijzen van liefde en vergevensgezindheid!"

Dit zeggende, verwijderde hij zich, terwijl Jennike, blijde als zij

was, naar de kelderdeur onder het bordes liep, deze wijd openzette

en de beide schepenen naar buiten geleidde.

Jonker Willem van Arkel · 第 11 / 14 题