Waarin van een samenzwering en saliemelk verteld wordt.
Jennike had de kamer verlaten, maar was volstrekt niet van zins,
om zoover buiten de stad te gaan en den steenbakker Pekeric te gaan
roepen. Niet dat zij wegens de moeite en den afstand tegen deze
boodschap opzag,--volstrekt niet. Al ware het nog tweemaal verder
geweest en het weder nog donkerder en onstuimiger, zou zij er niet
tegen opgezien hebben, den wensch van den edelman te vervullen,--maar
zij vertrouwde de dingen en nog veel minder de personen niet, die
haar heer omgaven. Buitendien er waren geruchten tot haar gekomen--hoe
wist ze zelf niet, misschien had zij ze in een droom gehoord--dat er
een samenzwering op til was tegen Heer Jan Van Arkel. Er heerschte
veel ontevredenheid in de stad wegens de gedurige oorlogen en
de onverzettelijkheid van Heer Jan, om met den graaf van Holland
vrede te maken. Zij wist, dat Walraven Van Brederode in het geheim
bijeenkomsten hield met aanzienlijke personen, onder anderen met
Jan Gerardijn, proost en deken van het canonikale college dier stad,
met de gebroeders Herlaars en anderen,--menschen, die een vriendelijk
gelaat in zijn bijzijn aan Heer Jan Van Arkel vertoonden, maar achter
zijn rug tegen hem samenspanden. Van dezen handel had zij een gruwel,
te meer omdat het haar bekend was, hoe Heer Jan Van Arkel dezen Jan
Gerardijn, die van arme ouders stamde, door ondersteuningen in geld
in de gelegenheid gesteld had, tot zulk een hooge betrekking op te
klimmen. En meer dan ooit besloot zij een waakzaam oog te houden,
vooral toen het haar bleek, dat Walraven Van Brederode in de laatste
dagen dikwijls uit de stad geweest was en telkens bij zijn terugkomst
bijeenkomsten gehouden had met bovengemelde personen.
Jennike was in geenen deele dom, en wie haar beschuldigde van verstand
ontbloot te zijn, sloeg de plank geheel mis. Zij vermoedde, dat er
weder een geheime samenkomst op til was; het was alsof haar iemand
zeide, dat die samenkomst in de gewelven van het benedenhuis zou
plaats vinden en dat het bezoek der beide schepenen slechts diende, om
Quannevan bezig te houden en zijn opmerkzaamheid op hetgeen er beneden
mocht plaats grijpen af te leiden. Zij kon dus het huis niet uit, zoo
zij de bewegingen der verraders wilde gadeslaan. Maar hoe zou het dan
gaan met de boodschap aan den steenbakker? Zij mocht toch haar meester
niet ongehoorzaam zijn. In haar angst riep zij tot God om hulp--en
spoediger dan zij verwachten kon, daagde deze op. Aart kwam te huis,
en wetende, dat hij een liefhebber was van saliemelk, beloofde zij
hem een ketel vol, als hij voor haar de boodschap ging verrichten.
Nauwelijks was Aart weg, of haar luisterend oor meende iets onder
in het huis te vernemen. Zachtjes sloop zij uit haar keuken naar
een klein vertrekje, dat onmiddellijk boven het middelste gewelf
gebouwd was. Zij legde zich hier plat op den grond met het oor op
den estriken vloer, doch zij kon niets vernemen, dat naar eenig
gesprek of woord geleek. Het baatte haar dus niets, al bleef zij
hier ook den ganschen avond op de loer,--en weten moest zij wat er
onder haar gebeurde. Eensklaps viel het haar in, wel eens gehoord te
hebben, dat er in de kast van het vertrekje, waarin zij zich thans
bevond, een deur was, die op een gang uitkwam, aan welker einde een
trap naar de gewelven voerde. Wat zou zij nu doen? Zou zij zich in
de duisternis van die gang wagen? Zou zij tot in de nabijheid der
samenzweerders afdalen? Hevig klopte haar hart, want de vrees, dat men
haar ontdekken en wellicht van het leven berooven zou, woog zeer zwaar
bij haar. Eenige oogenblikken stond zij stil en dacht na wat zij doen
zou, maar ook slechts eenige oogenblikken, want twee minuten later
stond zij reeds in de kast, tastte langs alle reten en kieren of zij
ook den verborgen ingang kon vinden, en wilde--ontmoedigd--reeds het
zoeken opgeven, toen zij met haar voet tegen een klein, hard voorwerp
stiet. Zij bukte zich, om dit te bevoelen, en ontdekte, dat het de
knop eener veer was. Op dezen drukte zij met de volle kracht harer
hand en langzaam rees de deur opwaarts, en stroomde haar de koele,
vochtige nachtlucht uit de gang tegen, te gelijk met een huivering,
die haar plotseling overviel. Doch zij mocht zich geen tijd gunnen
tot overleggen, en eenigszins haastig, maar toch met bedachtzamen
tred betrad zij de donkere gang, aan welker einde zich de steenen
trap bevond. Nauwelijks had zij deze bereikt, of de stemmen, die
zij straks had meenen te hooren, werden nu duidelijk verstaanbaar,
en niet verder durvende gaan, zette zij zich op een der treden neder
en luisterde thans met scherpe aandacht, wat zij des te gemakkelijker
kon doen, daar zij in dezen haren schuilhoek door niemand kon gezien
of gehoord worden. Ook zijzelf zag niemand, en het eenige, wat zij
waarnam, was het zwakke licht van een paar kaarsen, welker schijnsel
door eenige spleten en scheuren tot haar doordrong.
Gedurende eenige minuten vernam zij niets dan eenig gemompel, doch
straks hoorde zij een stem, die zeide:
"Is heer Bruyn Woutersz. nog niet gekomen?"
"Neen," was het antwoord.
"Ik ken die stemmen," fluisterde Jennike. "De vrager is Jan Gerardijn,
de proost onzer kerk. Die Judas! Onder zijn heilig gewaad verbergt
hij het verraad tegen zijn weldoener. Maar God zal hem te zijner tijd
wel vinden! De andere stem is die van Arend Van Goor."
"En is Heer Walraven Van Brederode verwittigd, dat wij te zeven uren
hier zouden bijeenkomen?" vroeg Jan Gerardijn.
"Ja, eerwaarde heer," antwoordde Arend Van Goor. "Maar het is mogelijk,
dat hij eenig oponthoud heeft gehad en een weinig later zal komen,
daar hij zijn weg herwaarts over Utrecht wilde nemen, ten einde nog
met den bisschop eenige zaken nader te overleggen."
"Als hij ons dan maar niet tevergeefs laat wachten want op
zijn verzoek zijn wij immers hier saamgekomen, en zou hij ons de
noodige bescheiden van Graaf Willem--de heilige Maagd behoede onzen
vorst!--medebrengen. Gij begrijpt dus wel, dat wij van onzen kant
wel te huis hadden kunnen blijven, als wij zeker wisten, dat hij
oponthoud gekregen heeft."
"Heer Walraven is anders voortvarend genoeg," zeide een andere stem.
"Dat is de stem van Gerrit Herlaar," fluisterde Jennike. "Ik herken
hem aan zijn grove spraak."
"En niet alleen voortvarend," zeide Van Goor, "maar ook ijverig. Wat
hij onderneemt zet hij met alle kracht door, en ik zou mij zeer
moeten bedriegen, als wij hem niet binnen weinige oogenblikken in
ons midden zagen."
"Het beste is, dat wij dan maar met geduld wachten. Weet ook iemand
uwer, hoe het hierboven gesteld is en of de ingang van dezen kelder
goed bewaakt wordt?"
"O, daarop kan ik u het beste antwoord geven," sprak een stem, die
door Jennike als van Rutger Van der Haar, een der schepenen, herkend
werd. "Zooals Uw Eerwaarde bekend is, heb ik dezen kelder in gebruik
als bergplaats van koopmansgoederen, en mijn knecht Dirk, die zoo
trouw is als goud, staat aan den ingang en laat niemand door, die het
wachtwoord niet weet. Hij heeft van mij den last ontvangen, ons door
een schel gefluit kennis te geven van naderend gevaar, daar wij toch
op onze hoede moeten wezen. Mocht dat gevaar waarlijk bestaan, welnu
dan nog geen nood. Wij blazen eenvoudig de lichten uit en vluchten. Ook
moet ergens een trap uitkomen, die--ik weet niet waar--heen geleidt."
Jennike's hart klopte hevig bij het hooren dezer woorden.
"Ik bemerk, dat gij uw voorzorgen goed genomen hebt," zeide de proost,
"maar mijn vraag: hoe het hierboven gesteld is, hebt gij nog niet
beantwoord."
"Ook daaromtrent kan ik u geruststellen, eerwaarde Heer," hernam Rutger
Van der Haar. "Mijn beide medeschepenen Jacob Roelofsz. en Boudewijn
De Ledige houden den ouden edelman gezelschap, en om hem nog meer
afleiding te bezorgen, en vooral om de meid--die looze feeks--uit het
huis te krijgen, zullen zij Quannevan overhalen haar naar buiten te
zenden tot Willem Pekeric den steenbakker. Ha! ha! ha! Het zal haar
op dien duisteren weg niet invallen, dat wij haar die poets gebakken
hebben.... Maar daar komt iemand."
"Het is Heer Walraven Van Brederode!" zeide Jan Gerardijn, naar voren
gaande en den binnenkomende de hand reikende. "Welkom, Heer! Ik moet
zeggen, gij zijt een man, die uw tijd kent."
"En zoudt gij meenen, eerwaarde Heer," sprak Brederode, eenigszins
driftig, "dat een Brederode zijn woord kon breken? Neen, ik zou
gekomen zijn, al had ook Van Arkel den geheelen weg met palen laten
afzetten. Een vroom edelman springt over alle bezwaren heen. En ik
verzeker u, ik heb er niet weinige gehad," vervolgde hij, zich het
zweet van het voorhoofd wisschende. "Maar daarover later. Thans ben
ik hier en mijn eerste vraag moet nu zijn, of de vrienden allen weten
waartoe deze bijeenkomst strekt."
"Ik heb het hun daar zooeven juist herinnerd, edele Heer," gaf Jan
Gerardijn ten antwoord, "en ik behoef u dus niet te zeggen, hoe wij
allen begeeren te weten, welke de uitslag is geweest van uw pogingen
bij den graaf."
"Ja, wij allen verlangen hoe eer hoe beter van het gehate juk van
Jan Van Arkel ontslagen te worden," riepen sommigen der aanwezigen.
"Welnu dan, mijn vrienden, ik ben verblijd, dat ik u, die zulke trouwe
aanhangers van onzen vorst zijt, goede tijding kan brengen. Ik had de
eer, den graaf te spreken en uit zijn hand een brief te ontvangen,
dien ik u voorlezen zal, terwijl hij mij opdroeg, u allen van zijn
hooge toegenegenheid te verzekeren."
"Leve onze graaf Willem VI!" schreeuwden sommigen, maar Jan Gerardijn
wenkte hun met de hand en verzocht hun, hun geestdrift een weinig te
matigen, hun het spreekwoord in herinnering brengende, dat sommige
muren ooren hebben.
"Ik wenschte echter vooraf een vraag te doen," zeide Arend Van Goor,
"voordat de heer Van Brederode ons den brief voorleest."
"En welke is die vraag?" vroeg Walraven.
"Deze: hoe denkt Graaf Willem over Jonker Willem Van Arkel? Gij
weet het allen, ik ben een gezworen vijand van Jan Van Arkel, maar
tegen zijn zoon heb ik niets dan spijt, dat hij zijns vaders naam
draagt. Welke zijn de gevoelens van den graaf omtrent jonker Willem?"
"Graaf Willem," antwoordde Brederode, "heeft mij meer dan eens gezegd,
dat hij zeer welwillend omtrent Jonker Willem denkt en dat hij niets
liever zou zien, dan dat er tusschen hen beiden vrede en vriendschap
bestond, maar dat, zoolang de zoon partij kiest voor zijn vader tegen
den graaf, er geen sprake van kan zijn, om in vrede en vriendschap
met Jonker Willem te leven."
"Braaf gedacht van den graaf," zeide een der gebroeders Herlaar,
"en daarom zou het, zoowel voor den graaf, voor Jonker Willem, als
voor ons zeer wenschelijk wezen, dat er een scheiding bewerkt werd
tusschen vader en zoon."
"Hoe schandelijk!" fluisterde Jennike op de trap.
"Ik zie er het nut niet van in," zei Jan Gerardijn, het voorbeeld
volgende van menschen, die weldaden ontvangen en hun weldoeners
ondankbaar zijn, "wat gaat het ons aan, of Jan Van Arkel in vrede
dan wel in twist leeft met zijn zoon! Ons doel is, het land van de
Arkelsche heerschappij te bevrijden."
"Toch geloof ik, eerwaarde Heer, dat er in de woorden van Herlaar een
diepere en goede zin ligt," zeide Brederode. "Ik heb over dit onderwerp
reeds verscheidene malen met Herlaar en Van Goor gesproken, en ons
gevoelen zoowel als dat van vele vroede mannen in Holland en Utrecht
is, dat een scheuring tusschen Jan Van Arkel en zijn zoon voor ons
uitermate voordeelig zou zijn. Maar er is nog meer: Zooals gij weet,
is Hertog Reinout van Gelre, vooral wegens bloedverwantschap, zeer
op de hand van Jan Van Arkel en zal hij nooit dulden, dat Gorcum aan
de heeren Van Arkel ontrukt wordt. Wij kunnen ons verzekerd houden,
dat, zoodra Graaf Willem Gorcum op deze wijze in zijn bezit brengt,
Hertog Reinout onmiddellijk al zijn edelen en steden met Kleef en
Meurs ter heirvaart zou oproepen en Gorcum voor zijn zwager en neef
ontzetten, ten minste zou trachten te ontzetten. Het zou van onze zijde
een staatkundige fout en ten nadeele van Graaf Willem zijn. Ik zal u
zeggen, hoe naar mijn oordeel de lijn moet wezen, die wij te volgen
hebben. Wij moeten een scheuring bewerken tusschen vader en zoon,
met belofte aan den laatste, dat hij in het bezit van het Arkelsche
grondgebied en deze stad zal gehandhaafd worden, zoo hij, met onze
hulp, zijn vader het land uitdrijft of desnoods gevangenzet."
"Dat zal moeilijk van den zoon geëischt kunnen worden," zeide Rutger
Van der Haar, "en gewis zal hij dit ver van zich afwijzen."
"Zeg dat niet--zeg dat niet," sprak Brederode eenigszins
haastig. "Jonker Willem heeft wel een edel gemoed, maar hij is zwak van
karakter, en bovendien, als het hem klaar voor oogen gesteld wordt,
dat hij nimmer zijn vader in het bezit van Gorcum en het Arkelsche
zal kunnen opvolgen, ja, dat hij wellicht alles zal verliezen, zoo
hij de partij zijns vaders houdt--dan geloof ik, dat hij er wel toe
te bewegen zal zijn, om aan de stem der eerzucht meer gehoor te geven
dan aan die der kinderlijke liefde."
"Ik zie evenwel nog niet in, dat dit ons veel zal baten," zeide de
proost. "Wij willen met de Van Arkels niets uitstaande hebben."
"Ik heb u reeds gezegd, eerwaarde Heer," antwoordde Brederode,
"dat wij geen oorlog tusschen Graaf Willem en Hertog Reinout moeten
uitlokken. Beiden zijn zeer machtige heeren en ons land zou daardoor
het grootste nadeel lijden. Maar bovendien, heer Reinout wordt oud--en
als hij gestorven is, hebben wij een vijand minder te duchten. Eerst
de eene partij tot vriend gemaakt, en dan de andere verslaan; op
deze wijze komen wij tot ons doel, en Graaf Willem, al is het ook
niet onmiddellijk, in het bezit van Gorcum."
"Als ik het plan wel begrijp," zeide Jan Gerardijn, "dan is het dit:
eerst een scheuring tusschen Jan Van Arkel en Jonker Willem; daarna
Hertog Reinout voor ons doel te winnen, en, door hem de eene of andere
strook lands te beloven, gezamenlijk Jonker Willem uit het grondgebied
te verjagen en Graaf Willem als heer des lands te huldigen."
"Zoo is het--zoo is het!" zeide Brederode. "En ik wil er nog dit
bijvoegen, dat ik voor een en ander weinig zwarigheden zie, zoo wij
maar trouw blijven aan ons verbond en geen woord buiten deze muren
brengen."
"Ik zal wel zorgen, dat het buiten deze muren komt," fluisterde
Jennike.
"Wat mij betreft," vervolgde Brederode, "ik neem het op mij, Jonker
Willem te belezen, onzen voorslag aan te nemen, en wat Hertog Reinout
aangaat, ik reken op diens heerschzucht. Hij houdt meer van een schoone
stede en nieuwe vesting dan van een neef, die in de verlegenheid
zit. Mij dunkt, Hertog Reinout zal wel te vinden en te winnen zijn."
"De Heilige Maagd en al de engelen te zamen mogen het u doen gelukken,"
zeide de proost, "maar...."
"Ik weet reeds, wat uw eerwaarde wil zeggen," viel Brederode hem in de
rede, terwijl hij den duim zijner rechterhand eenigszins snel over den
wijsvinger wreef, "gij herinnert u de tachtig duizend Fransche kronen,
die Graaf Willem u en uw vrienden toegezegd heeft voor het geval,
dat gij hem de stad in handen speelt. Nu, gij kunt gerust zijn, de
graaf zal niet vergeten, wat hij u verschuldigd is voor de moeite,
die gij doet. Hij weet, dat het geld u niet onverschillig is."
Jan Gerardijn beet zich op de lippen. Het was algemeen bekend, dat
de proost een minnaar was van het klinkend metaal, en er waren zelfs
onder zijn vrienden, die hem verdacht hielden, dat hij geen oneerlijke
middelen schroomde, als het gold zijn schat te vermeerderen.
"Ik wilde maar zeggen," hernam Jan Gerardijn, zich bedwingende,
"dat ik toch liever uit den mond van den graaf zelf de verzekering
ontving zijner gunst en daarom heb ik reeds met vriend Van Goor de
afspraak gemaakt, naar Den Haag te trekken en den graaf op te zoeken."
"Gij kunt doen, wat gij wilt, eerwaarde Heer," zeide Brederode, die
zich een weinig gekwetst gevoelde in zijn eigenliefde, "en wanneer
denkt gij er heen te gaan?"
"Eerstdaags."
"Nog voordat ik met Jonker Willem gesproken en de scheuring bewerkt
heb."
"In het laatste geval zou ik immers een boodschapper van goede tijding
zijn," zeide Gerardijn, "en de graaf..."
"Zal u dan niet met ledige handen laten gaan," viel hem Brederode,
die een kleine wraak wilde nemen, in de rede.
"Mag ik u beiden herinneren," liet zich Rutger Van der Haar hooren,
"dat wij op deze wijze veel kostbaren tijd verliezen. Ik geloof,
dat wij moeten handelen en tot een besluit komen."
------
FIGURE
------
"Goed gesproken," zeide Gerrit Herlaar, "en ik geloof, dat zich beide
zaken best laten vereenigen: de eerwaarde heer proost vertrekt met
Van Goor naar Den Haag, om nog eenige punten met den graaf vast te
stellen, b. v. verzekering van zijn bescherming tegen een mogelijken
aanval van Van Arkel of tegen een niet gewenschte mislukking onzer
plannen. Middelerwijl kan Brederode Jonker Willem een bezoek op den
burcht brengen en hem trachten over te halen, onze partij te kiezen,
hetgeen hem, bij het wankelmoedig karakter van den jongen man, wel
gelukken zal. Willen wij dit zoo voor afgesproken houden?"
"Goed, zeer goed!" antwoordden verscheidene stemmen, en
Brederode knikte met het hoofd ten teeken, dat hij hierin
bewilligde. Middelerwijl had deze een papier uit een plooi van zijn
lijfrok te voorschijn gehaald en, na het ontvouwd te hebben, op een
tafel gelegd.
"De brief van den graaf! de brief van den graaf!" riepen Van Goor en
Gerardijn. "Heer Brederode zal zoo vriendelijk zijn, ons den brief
voor te lezen."
"Dat is mijn voornemen," sprak Brederode, "en gij zult daarin bevestigd
zien, dat de graaf uw ijver voor zijn zaak op den rechten prijs
stelt. Hij belooft u allen aanzienlijke posten, groote voorrechten
en.... aan geld zal het niet ontbreken."
Al de samenzweerders drongen thans rondom Walraven Van Brederode, die
zich gereedmaakte, bij het licht der kaars den brief voor te lezen,
toen plotseling allen hevig ontstelden en den blik naar een duisteren
hoek richtten.
"Wat is het?" fluisterde de proost, bleek van schrik, en zich achter
Heer Walraven plaatsende. "Wat is dat? O! O! Daar is het weer!"
Nu kan ik juist niet zeggen, dat datgene, wat de personen, die in den
kelder waren, hoorden, zoo akelig was en zoozeer om te ontstellen,
maar wij moeten in het oog houden, dat niet alleen het oponthoud
in die donkere gewelven, maar ook het doel der samenkomst weinig
geruststellends en bemoedigends had, en ten volle werd de spreuk
uit een der psalmen van David bevestigd: "de goddeloozen vlieden,
waar geen gevaar is."
"Daar is het weer!" fluisterden de samenzweerders.
"Houdt u stil!" zeide Van Goor, zoo zacht mogelijk, "en blaast het
licht uit, opdat ons niemand verrasse!"
Op hetzelfde oogenblik, terwijl aller lippen bezig waren de kaarsen
uit te blazen, hoorde men--misschien reeds voor de tiende maal--een
geroep, dat blijkbaar van de trap kwam, die Rutger Van der Haar daar
straks had aangewezen. Thans was het evenwel zóó duidelijk, dat men
zijn ooren niet behoefde te spitsen, om te vernemen, dat er iemand
boven in het huis "Jennike!" riep.
"Jennike! Jennike!" herhaalde dezelfde stem, thans lager komende.
"Het wordt tijd, dat wij zoo schielijk en zachtjes mogelijk deze
plaats verlaten," fluisterde Van der Haar, "want zoo wij hier nog
langer toeven, zou het best kunnen gebeuren, dat de roepende ons hier
verraste, en dit zou ons geen van allen lief zijn."
Die raad werd opgevolgd, en zoo stil mogelijk slopen de samenzweerders
heen, de een na den ander, doch niet zonder zich hier en daar aan
een vooruitspringenden steen of ander voorwerp te stooten, daar het
thans volslagen duister in den kelder was.
Voor ons is het geen raadsel, van waar en van wien de stem kwam. Gij
zult u nog wel herinneren, dat Jennike, die reden had van te huis te
blijven, Aart naar buiten had gezonden, om de boodschap te verrichten,
welke de edelman haar opgedragen had. Aart was teruggekomen en hoopte
nu de beloofde saliemelk te genieten, die hem in dit gure weer zeer
welkom zou zijn, maar in de keuken komende, vond hij nòch Jennike,
nòch eenig spoor van saliemelk. Teleurgesteld zette hij zich bij den
kouden haard en rakelde de glimmende kolen bijeen, ten einde een vuur
te ontsteken, ieder oogenblik Jennike hopende te zien. Maar Jennike
kwam niet. Hij wachtte en wachtte, zette zich op een laag bankje bij
het nu flikkerend vuur en viel in slaap. Hij begint te droomen en
in zijn droom is het hem alsof iemand hem een slag geeft op den rug,
nog een slag, twee--drie--vier. Hij wil schreeuwen, wordt wakker--en
daar staat de edelman Quannevan, met een van drift bloedrood gelaat
voor hem, die hem een hagelbui van karwatsslagen op den rug toedient
en hem toeroept:
"Zoo luiaard! Dwingt gij mij, u hier op te zoeken, rekel! Ik heb reeds
twintigmaal u en die draalkous van een meid geroepen. Waar is zij?"
"Ik weet--ik weet het niet," stotterde Aart, zijn rug wrijvende.
"Weet gij het niet!" riep Quannevan woedend uit en paf! daar kreeg Aart
weer een streek over den rug, "dat moet gij weten. Zij is toch voor
een half uur te huis gekomen, nadat zij den steenbakker Pekeric bij
mij ontboden had, en dus moet zij hier zijn. Weten wil ik het waar zij
is, en nu zeg ik u, als gij mij niet binnen drie minuten nog een kan
wijn brengt en binnen vijf minuten zeggen kunt waar die draalzak is,
dan sla ik deze karwats op uw rug stuk. Ik heb thans geen tijd meer,
om mij met u in te laten, daar mijn drie gasten mij wachten."
Hij hief nog eens dreigend de karwats op en verliet de keuken. Aart
gunde zich geen oogenblik tijd, om te bedenken, waar hij zich het
meest moest wrijven,--hij haastte zich, den wijn te brengen, en
bleef ook geen minuut langer, om toe te zien, hoe de dobbelsteenen
over de tafel rolden en de schepenen met den nieuwen gast den beker
ledigden;--de vurige oogen van den edelman waren voldoende, om hem
tot spoed aan te manen. Zoo snel hij kon, spoedde hij zich weer
naar de keuken en van daar naar ieder vertrek in het huis, waar hij
vermoedde, dat zich Jennike kon bevinden. Eindelijk kwam hij ook
in de ons reeds bekende kast, en niet wetende wat die opgeschoven
deur en die donkere gang beteekenden, begon hij eerst zacht en daarna
steeds harder "Jennike!" te roepen. Jennike had hem wel gehoord, maar
daar zij hoopte, dat hij spoedig stil zou zwijgen, verried zij haar
schuilplaats niet, waarvoor zij reden meende te hebben,--doch toen
zijn geroep niet bedaarde en zij ook geen geluid meer uit den kelder
vernam, haastte zij zich, hem te gemoet te gaan, en fluisterde hem in:
"houd u stil en zeg niemand, waar gij mij gevonden hebt. Tot belooning
zal ik u ook een dubbele portie saliemelk bereiden, goede Aart."
Aart was inderdaad goed. Hij had reeds op de lippen haar te zeggen
wat hij om harentwil geleden had, maar het uitzicht op een dubbele
portie saliemelk verzoette alles, en nadat hij den edelman bericht
had gegeven, dat Jennike in de keuken was, zette hij zich op zijn
bankje neer, wachtende op de dingen, die daar komen zouden, terwijl
de lieflijke saliegeur zijn neusvleugels deed zwellen.