Jonker Willem Van Arkel en zijn bezoekers.
Misschien bestond er weleer in Nederland geen trotscher, sterker
en prachtiger slot dan dat des heeren Van Arkel, en zeer is het te
bejammeren, dat er van al die heerlijkheid zelfs geen spoor meer is
overgebleven. Niet door den tand des tijds noch door het geweld van
stormen en onweer is het ineengestort en met den grond gelijkgemaakt,
maar de verwoestende hand des gewelds, de mokers en houweelen, de
brandfakkels des oorlogs hebben dit ontzaglijke gevaarte zoodanig
gehavend, dat er van gezegd kan worden, dat men zijn plaats niet
meer kent, gelijk een bloem, over welke de wind is heengegaan. Dit
is het geval met alles op deze aarde. Hoe hecht en sterk, hoe groot
en trotsch men ook heden ten dage moge bouwen, er komt eens een dag,
waarop dat alles in elkander stort, omdat deze aarde den stempel der
vergankelijkheid draagt.
Het is geenszins mijn voornemen, u een uitvoerige beschrijving te
geven van dien prachtigen burcht, want dat zou mij te veel afleiden
van de gebeurtenissen, die ik u wenschte mede te deelen. Alleen wilde
ik u zeggen, dat een der voorvaderen van Heer Jan Van Arkel dezen
burcht tusschen de jaren 1230 en 1267, aan de Noordoostelijke zijde
van Gorcum aan den rechteroever der Linge heeft gesticht. Het gebouw,
zegt een oud geschiedschrijver, was zóó aanzienlijk, dat er zijns
gelijke in gansch Duitschland niet geweest is. Kemp geeft er ons in
zijn beschrijving van Gorcum de volgende vermelding van: "Het hoge Hof
hadt in zijnen omgang zeve onwinbare Toornen, met een hooge, lange en
wijde zaal, en een schoone kapel kostelijk verciert, daar de Heeren,
Vrouwen en Kinderen van Arkel den Godsdienst in hoorden. 't Middelste
Hof had vier grote, zwaare Toornen, en beide de Hoven een grote,
wijde omgaande gragt. Het nederste Hof had rondom een grote, dikke,
hoge cingelmuur, met veele sterke Toornen en een grote voorpoort,
in 't midden van 't nederhof stond een grote, schone kerk met een
Choor voorzien, waarin de gemeene Dienaars van de Heeren Van Arkel
dagelijks den Godsdienst hoorden. Dezelve Burg had ook schone hoven en
boomgaarden, en langs de steeg of Dalemsche weg, grote opgaande boomen,
een werk, dat het gezigt der aanschouwers met verwondering steroogende
naar zig trok." Als de lezer vergelijken wil wat ik in voorgaande
deeltjes van mijn "Historische Verhalen" ten opzichte der burgen,
sloten en kasteelen gezegd heb, zal het hem niet moeilijk vallen te
weten wat er onder 't "hoge, middelste en nederste Hof" alsmede van den
"Singelmuur" moet verstaan worden, en dus veronderstellende, dat hij
eenigszins in zulk een burcht of kasteel te huis is, noodig ik hem uit,
mij naar het plein van het "middelste Hof" te volgen, waar ik hem in
kennis zal brengen met eenige belangrijke personen uit ons verhaal.
Het was in den vroegen morgen van den 31sten Maart van het jaar
1406, dat een jeugdig man, wien men het zoowel aan zijn kleeding
als aan zijn voorkomen kon aanzien, dat hij tot den aanzienlijken
stand behoorde, de hooge poort van het kasteel uittrad en het plein
opging. Hij liep eenigszins haastig, zoodat het blauw-fluweelen en
met pelswerk omboord manteltje, dat om zijn schouders geslagen was,
in den wind heen en weder fladderde. Hij sloeg hier echter geen acht
op, daar zijn oog gericht was naar de voorpoort, waarvan de ijzeren
deur juist door een paar lijfwachten geopend werd, om den toegang te
geven tot een ruiter, die langzaam de brug van de gracht overreed en
zijn paard tot spoed aanzette, zoodra hij den jongen man gewaarwerd.
"Hoe verblijdt gij mij, Splinter, dat gij mij komt bezoeken. Ik zag u
van den Ruiterstoren in de verte aankomen en haastte mij, u te gemoet
te gaan."
Hij drukte hem daarbij hartelijk de aangeboden hand en wenkte een
der toegesnelde dienaren, om het paard, dat den ruiter gedragen had,
naar den stal te geleiden en goed te verzorgen.
"Het doet mij leed, Willem, dat mijn bezoek slechts van korten duur
zal zijn. Ik moet reeds over een uur vertrekken, daar ik nog een
langen rit voor mij heb en gaarne morgen in Arnhem wenschte te zijn,
schoon ik vrees, dat dit niet lukken zal."
"Dat spijt mij zeer," zeide Willem, die niemand anders was dan
Jonker Willem Van Arkel, die zijn vriend Jonker Splinter Van
Nieuwenroode verwelkomde, "ik had gehoopt, dat gij een paar dagen
bij mij vertoefdet, om mij de eenzaamheid op dezen burcht draaglijk
te helpen maken."
"Ik dacht, dat uw zwager, Heer Jan Van Egmond [8], en diens broeder,
Willem Van IJselstein, u gezelschap hielden. Ook verwachtte ik hier
een aanzienlijk gezelschap van heeren en ridders, die uw nieuwe
donderbussen wenschen te bezichtigen."
"Allen zijn reeds eergisteren vertrokken. Mijn zwager is naar Haarlem
en Willem Van IJselstein wilde Otto Van Heukelom gaan bezoeken, zoodat
ik moederziel alleen ben met Simon, mijn zoogbroeder, die mij soms
met zijn droomerijen en bange voorgevoelens verveelt, en ik dan maar,
bij gebrek aan beters, het gezelschap opzoek van pater Bernardus en van
mijns vaders geheimschrijver, dien hij, gelukkig, heeft hier gelaten
en die mij dan iets uit onze kronieken voorleest. Doch laat ons naar
binnen gaan. De rit zal u warm gemaakt hebben en het is hedenmorgen
juist niet aangenaam, om buiten te staan."
Beide jonge mannen traden hierop het kasteel binnen en Jonker Willem
geleidde zijn vriend door verscheidene gangen en langs een paar
steenen trappen naar een rond vertrek in een der torens, waaruit
men door een smal venstertje het uitzicht had op Gorcum, de beide
rivieren en omliggende vlekken. Een goed vuur brandde er in den haard,
en daar Jonker Splinter inderdaad een weinig huiverig geworden was,
plaatsten zij zich beiden bij het vuur.
Het was een schoon gezicht, die beide jeugdige vrienden, wier
gelaat blonk van het geluk, eenige oogenblikken elkanders bijzijn te
genieten. Hoewel zij beiden even oud en pas hun twee-en-twintigste
jaar ingetreden waren, won Jonker Splinter het toch in manlijke
forschheid en ontwikkeling op Jonker Willem Van Arkel, die het teedere
en beminnelijke van zijn vroeg gestorven moeder Johanna Van IJselstein
meer had overgeërfd dan het ruwe en fiere van zijn vader. Beide jonge
mannen waren bestemd, althans door hun rang en stand, om eenmaal een
schitterende toekomst te gemoet te gaan, maar--ofschoon ik hier een
weinig vooruitloop--zij vermoedden niet, terwijl zij daar zoo gezellig
bij het vuur zaten en Willems arm op Splinter's schouder rustte,
dat zij beiden in de kracht en den bloei huns levens op hetzelfde
uur en denzelfden dag zouden weggerukt worden.
Een oogenblik, maar ook slechts een oogenblik staarden beide vrienden
stilzwijgend in het vuur. Door beider ziel vlogen eenige gedachten,
die zij elkander wel konden, maar niet durfden toevertrouwen. Jonker
Splinter, die een scherpen blik had in de toekomst, vreesde voor Jonker
Willem, en deze dacht er over, van welk gevolg het voor hem zou zijn,
als hij in een nieuwen krijg tusschen zijn vader en den Hollandschen
graaf gewikkeld werd.
"Gij hebt mij nog niet gezegd, Willem," begon Jonker Splinter, die
het schrikbeeld, dat zich voor zijn geest geplaatst had, trachtte af
te schudden, "gij hebt mij nog niet gezegd, waar uw vader is."
"Mijn vader bevindt zich sedert een week bij mijn oom Hertog Reinout
van Gelre te Arnhem en zoo er geen onvoorziene gebeurtenissen
plaats hebben, wacht ik hem eerst na de andere week hier. Ik denk,
dat hij met mijn oom maatregelen neemt, om den oorlog voort te
zetten. Misschien ook wil hij hem het beheer onzer bezittingen, en
vooral van Gorcum, overdragen, ten einde een sterken arm te hebben
tegenover de aanmatigingen van Graaf Willem."
"Dat zou ik verkeerd vinden van uw vader," zeide Splinter, "en ik
geloof ook niet, dat hij hiertoe nu weder zal overgaan. Het zou
immers gelijkstaan met de erkenning van zwakheid tegenover den
graaf--en waarlijk uw vader is de man niet, hiertoe te besluiten,
tenzij in den hoogsten nood. Wat uw oom Reinout betreft, hoe hoog ik
hem ook schat, en welk een ridderlijk man hij ook zij, toch is hij
niet vrij te pleiten van zelfzucht, en derhalve geloof ik, dat het
plan eer van hem dan van uw vader zal uitgaan."
"Ik stem de waarheid toe van hetgeen gij zegt," sprak Willem ernstig,
"en nu verblijd ik mij te meer, dat ik u zie, want ik kan u thans
opdragen, gedurende uw verblijf te Arnhem de zaken aldaar eens te
polsen, opdat gij mij dan berichten kunt, of ik mij in mijn vermoedens
bedrogen heb, ja dan neen. Doch zeg mij uw gevoelen aangaande mijn
vader, van wien gij weet, dat hij niet gezind is, het kwaad te laten
rusten."
"Dat behoef ik u niet te herhalen, Willem; gij kent het, en wat zou
het mij baten, u nog eens te zeggen, dat ik de onverzettelijkheid
uws vaders in deze prijs. Uw spreekwoord is: Medio tutissimus ibis
(de middelweg is de veiligste), maar ik houd het er voor, dat een man
moet weten wat hij wil, dat hij partij moet kiezen en zich niet moet
laten slingeren door de gevoelens van deze en gene. Uw vader is in
zijn volle recht: de Hollandsche graaf heeft hem bij gelegenheid van
het tornooispel even smadelijk bejegend als wijlen Hertog Albrecht, en
het moge christelijk zijn, beleedigingen te vergeven, maar een edelman
heeft ook zijn eischen. Allereerst die, dat de beleediger vergiffenis
vraagt. En dit heeft Graaf Willem nooit gedaan; integendeel, toen
uw vader naar recht handelde, viel Willem VI in zijn bezittingen en
ontroofde hem, in vereeniging met Utrecht vele schoone sterkten en
steden. Zoo uw vader zich door weeke gevoelens liet leiden of door
klaagbrieven de zaak op de lange baan wilde schuiven, zou hij zeer
in mijn achting dalen."
"Maar, Splinter," viel hem Jonker Willem haastig in de rede, "denkt
gij dan nooit aan het lijden onzer onderhoorigen, aan de verliezen,
die de bewoners van Gorcum of Leerdam hoogstwaarschijnlijk zullen
treffen, als mijn vader zijn halsstarrigheid doordrijft?"
"Zeker denk ik daaraan, en met smart stel ik mij voor, hoe zoovele
menschen door een vernieuwden oorlog van leven, huis en have beroofd
zullen worden--maar als het goede recht aan onze zijde is, moeten
wij niet op de gevolgen letten: wij moeten kiezen of deelen. Wat mij
betreft, ik heb reeds lang gekozen, en zoo uw vader den strijd hervat,
zal mijn zwaard hem en uw huis gewijd zijn."
Jonker Willem was beschaamd en wist niet anders te doen dan de hand
van zijn vriend te drukken.
"Het geeft mij inderdaad een groote vertroosting, van u deze
verzekering te ontvangen," begon hij na eenige oogenblikken
stilzwijgens. "Ik heb deze voortdurend noodig, geslingerd als ik word
door hoop en vrees; vrees dat de oorlog weer met vernieuwde woede
zal uitbreken en hoop dat er een eervol vergelijk komt tusschen mijn
vader en Graaf Willem. Te weten dat gij mij en ons huis in lief en
leed zult bijstaan, is mij een ware verkwikking."
"Op mijn hulp--ik herhaal het--," zeide Jonker Splinter, "kunt gij
voortdurend rekenen; ik ben op dat punt beslist. Maar mijn hulp is
slechts zwak. Bedenk, hoe vele machtige vijanden uw vader heeft:
Adolf Van Kleef, de beide Van Borselens, Floris Van der Aa, Filips
Van de Leck en zooveel anderen. Bovendien, gij hebt in uw eigen stad
uw vijanden, sommigen die vriendschap en onderwerping huichelen,
anderen die bijna in het openbaar den graaf van Holland huldigen. En
onder deze is Walraven Van Brederode niet de minste."
"Wat zegt gij? Walraven Van Brederode!" riep jonker Willem verwonderd
uit. "Houdt gij hem voor een verrader?"
"En twijfelt gij daaraan nog?" vroeg Splinter op zijn beurt.
"Zeker," antwoordde Jonker Willem met hartstocht. "Ik weet zeer goed,
dat hij met hart en ziel aan den graaf van Holland is gehecht en weleer
de wapenen tegen ons huis heeft opgevat; ik weet zeer goed, dat hij
nooit de partij van mijn vader zou kiezen en dat, als er wederom een
oorlog ontstaat tusschen Holland en Van Arkel, hij zijn best zal doen,
om onze balken te vernielen [9], maar iets anders is het, hem een
verrader te verklaren. Zie, Splinter, gij hebt onze partij gekozen,
en het zou uw lust zijn, indien het tot een oorlog kwam, het zwaard
tegen den Hollandschen graaf te keeren--maar nimmer zoudt gij er aan
denken, hem door verraad in onze macht te brengen. Een verrader is in
mijn oog een laaghartig mensch, en verre is het van mij, Heer Walraven
Van Brederode voor zulk een te houden. Bovendien zou het schandelijk
ondankbaar van hem zijn, op deze wijze de goedheid mijns vaders te
vergelden, aan wien hij zijn vrijheid te danken heeft."
"Het doet mij leed, Willem," zeide jonker Splinter, "dat gij van een
ander gevoelen zijt. Gij vertrouwt de menschen te veel en gij sluit
uw oogen te lichtvaardig voor hetgeen zij bedekt of onbedekt doen."
"Maar Brederode is een vriendelijk man," hernam Willem. "Als hij mij
zijn bezoek aankondigt en tot ons komt, dan is hij uiterst beleefd
en hartelijk. Er ligt ook niets in zijn oog, dat eenigen schijn van
valschheid verraadt. Gij ziet misschien te scherp."
"En gij te weinig. Er zijn ten allen tijde menschen geweest, die de
kunst verstaan hebben, hun gedachten achter hun woorden en gebaren
te verbergen. Gij moogt zeggen, wat gij wilt, maar als Walraven tot u
komt, dan heeft hij daarmede een doel, dat hij u niet laat bemerken,
en terwijl hij u bezighoudt en u tot spreken uitlokt, zwerft zijn
blik naar alle kanten en is zijn oor voor alles geopend, waarvan hij
voordeel kan meenen te trekken."
Jonker Willem was opgestaan. Splinter's gevoelen had hem gemelijk
gemaakt, en op korreligen toon zeide hij:
"Gij zijt ook altijd zoo wantrouwend."
"Wantrouwend of niet," sprak Splinter, die ook opstond, "maar zoo ik u
een raad mag geven, hoed u voor Brederode. Die man is een roofdier met
fluweelen pootjes, en als hij er kans toe ziet, om Gorcum en alles,
wat heer Jan Van Arkel in Holland bezit, aan den graaf van Holland
in handen te spelen, zal hij niet terugdeinzen voor onzedelijke
middelen. Doch het wordt tijd, dat ik heenga, en het doet mij leed,
dat ons gesprek, gedurende de weinige oogenblikken, die ik hier heb
doorgebracht, zulk een wending heeft genomen. Vaarwel, Willem, overleg
mijn woorden. Moge het nimmer bewaarheid worden wat ik vermoed."
Hij reikte hem de hand, en Jonker Willem nam ze aan, maar drukte ze
niet zoo hartelijk als weleer: hij kon niet ontkennen, dat Splinter's
woorden hem ontstemd hadden. Toch wist hij zich te bedwingen en
geleidde hij zijn vriend naar buiten, gaf den bediende last, het
paard te brengen, en vergezelde hem tot aan den buitensten hof,
waar hij afscheid van hem nam en hem een goede reis wenschte.
Jonker Willem was naar zijn vertrek teruggekeerd en had zich weder bij
het vuur nedergezet. Zijn gewoonlijk opgeruimde stemming bleef thans
achterwege en verdrietig staarde hij in het vuur, volgde het spel
der vlammen en trachtte den indruk, dien Splinter's woorden op hem
gemaakt hadden, uit te wisschen. Terwijl hij daar zoo alleen zat, werd
zachtjes een deur geopend en het hoofd van een jongen man zichtbaar,
die, na zich verzekerd te hebben, dat niemand anders dan de jonker
hier aanwezig was, stil en behoedzaam de kamer binnentrad en de deur
weer achter zich sloot. Hoe stil dit ook geschied was, toch was het
door Jonker Willem niet onopgemerkt gebleven. Hij wendde het hoofd
naar den kant der deur en toen hij den binnenkomende gewaarwerd,
keerde hij weder den blik naar het vuur, alsof hem het bezoek
geheel onverschillig was. Er was, wat jaren betreft, weinig verschil
tusschen Jonker Willem en den binnenkomende, maar ook slechts een
vluchtige vergelijking tusschen hun kleeding was voldoende, om te
doen zien, dat die van den laatste van minder gehalte was dan van
den rijken erfgenaam der Van Arkels. Hij droeg de kleuren van het
Arkelsche huis, donkerblauw en lichtrood, en bewees hierdoor reeds,
dat hij tot de onderhoorigen of dienstbaren van Heer Jan Van Arkel
behoorde. Toch was er een verschil tusschen hem en de lijfknechten,
die wij daar straks bij het bezoek van Jonker Splinter opmerkten,
daar zijn kleeding fijner was en hij aan den gordel een kleinen dolk
droeg, ten teeken dat hij een der wapendragers was van Jonker Willem.
"Gij moet mij niet storen, Simon," zeide Jonker Willem op stuurschen
toon, zonder het hoofd naar den binnentredende te wenden. "Al zijt
gij ook duizendmaal mijn zoogbroeder en geniet gij het voorrecht met
mij in denzelfden toren te wonen, toch verlang ik niet, dat gij mij
zoo dikwijls lastig valt."
Een ander dan Simon zou misschien bij het hooren dezer woorden
schielijk de kamer verlaten en zich verontschuldigd hebben, maar
Simon scheen aan dergelijke bejegeningen gewoon te zijn of wist uit
ondervinding, dat zulk een booze bui spoedig overwoei en dat het
spreekwoord: de aanhouder wint, waarheid bevatte. In plaats van heen
te gaan, deed hij nog een paar stappen vooruit, zoodat hij vlak achter
den jonker kwam te staan, en zeide:
"Ik wist niet, dat gij verdrietig waart, jonker--maar al waart gij
het nog erger en nog langer, toch zou mij dit niet teruggehouden
hebben, u kennis te komen geven van een bezoek, dat ik daar straks
heb ontvangen van...."
"Mij gaan uw bezoeken volstrekt niet aan, Simon," viel hem de jonker
in de rede.
"Een bezoek van Aart," vervolgde Simon hardnekkig.
"Al was het een bezoek van uw overgrootvader, die reeds vijftig jaar
dood is," bromde de jonker. "Houd uw bezoeken maar voor u."
"Van Aart," ging Simon voort, "gij weet wel, jonker, den lijfknecht
van den edelman Quannevan, bij wien mijn zuster Jennike...."
Jonker Willem zette de beide ellebogen op zijn knieën en hield
de handen voor zijn ooren ten teeken, dat hij naar niets wilde
luisteren. Simon, die dit opgemerkt had en reden scheen te hebben
voor den wensch, dat de jonker het toch hooren zou, versterkte nu
zijn stem en riep luid:
"Hij kwam vanwege mijn zuster en verzocht mij, u te mogen spreken. Toen
ik hem vertelde, dat gij een vriend bij u hadt en hem verzocht,
mij de boodschap slechts op te dragen, antwoordde hij, dat Jennike
hem gezegd had, dat het een groot geheim was en hij het aan niemand
anders mocht openbaren dan aan u."
Jonker Willem bleef doof.
"Een groot geheim," herhaalde Simon, nog luider sprekende.
"Ik wil de geheimen uwer zuster niet weten," zeide de jonker. "Zij
gaan mij niets aan."
"Maar zij konden wel eens zeer gewichtig zijn. Gij weet het, jonker,
mijn zuster is zeer aan uw huis gehecht, en als zij eens iets gehoord
had, dat voor u noodig was te weten...."
"Ik blijf er bij, Simon," sprak Jonker Willem opstaande, "dat mij de
geheimen uwer zuster niets aangaan. Het zullen keukenpraatjes zijn,
of misschien heeft zij weder kibbelarij gehad met den driftigen heer
Quannevan.... Kom, ga heen, en laat mij alleen!"
"En wat moet ik dan tegen Aart zeggen?" vroeg Simon.
"Alles, wat gij wilt," antwoordde Jonker Willem, die naar de deur
ging als wilde hij het vertrek verlaten.
Op dit oogenblik liet zich trompetgeschal vernemen ten teeken, dat
iemand den burcht naderde en begeerde binnengelaten te worden.
"Ga eens zien, wie daar komt," zeide Jonker Willem.
"Maar Aart....?" vroeg Simon weifelende.
"Loop rondom met uw Aart!" riep de jonker uit.
"Hij heeft mij echter gezegd, dat, zoo hij u niet kon spreken,
hij onverwijld uw vader moest opzoeken, daar zijn boodschap geen
uitstel gedoogde."
Deze laatste woorden brachten den jonker Van Arkel toch tot eenig
nadenken, zoodat hij staan bleef en zeide:
"Wat zou hij mij dan toch te zeggen hebben? Misschien kan ik hem van
avond of morgen spreken. Misschien ook kan ik hem nu...."
Op dit oogenblik kondigde een bediende het bezoek aan van Heer
Walraven van Brederode. Jonker Willems gelaat helderde op en zijn
schreden richtende naar den uitgang, om den bezoeker te verwelkomen,
zeide hij tot Simon:
"Gij ziet, ik kan thans dien knecht niet spreken. Als zijn boodschap
zóó belangrijk is, laat hem dan mijn vader opzoeken, die te Arnhem
of op reis herwaarts is."
Met deze woorden verliet hij het vertrek.
Helaas, deze gril heeft Jonker Willem vele onaangenaamheden
gebracht. Had hij Aart toegelaten en de boodschap aangehoord,
die deze kwam brengen, gewis zou hem dan veel leeds gespaard zijn
gebleven. Mijn lezer vermoedt reeds wat Aart te zeggen had. Jennike,
bevreesd, dat het Walraven gelukken mocht, overwicht op Jonker Willem
te krijgen, had Aart naar den burcht gezonden, om den zoon van Heer Jan
te waarschuwen, en slechts diens onstandvastig, wispelturig karakter
droeg schuld, dat de boodschap niet tot hem kwam. Aart, getrouw aan
zijn opdracht, sloeg den weg in naar IJselstein, in de hoop Heer
Jan daar te vinden. Jonker Willem ontving Walraven Van Brederode
en den raad van Splinter in den wind slaande en slechts zijn eigen
oppervlakkig gevoel raadplegende, viel hij, bevreesd als hij was voor
den ondergang van zijn huis, in den gespannen strik zijner vijanden
en werd de verrader zijns vaders. Niet bestand tegen de vloeiende
en klemmende redenen van Brederode, trad hij in een verbond met de
samenzweerders, die hem kwansuis het bezit van Gorcum en het omliggende
land waarborgden, maar eigenlijk slechts een tweespalt tusschen
vader en zoon beoogden, om daarvan ten voordeele van den graaf van
Holland partij te trekken. Jonker Willem, zeg ik, viel in den strik,
en de zoon, die nog een dag geleden vol liefde was voor zijn vader,
kwam binnen de muren van Gorcum en liet de poorten sluiten voor den
ouden Jan Van Arkel, die, zoodra hij bericht ontvangen had van hetgeen
er tegen hem gesmeed werd, in allerijl naar Gorcum trok en tevergeefs
beproefde binnengelaten te worden. Evenzoo geschiedde dit te Leerdam,
werwaarts de samenzwering zich verplaatst had, en schoot er voor Jan
Van Arkel niets over, dan tot zijn zwager Reinout Van Gelre te keeren.
Het was een schandelijke daad van Jonker Willem, die door geen tranen
ooit kon uitgewischt worden.