TWEEDE HOOFDSTUK.

Een stuk uit de geschiedenis, dat vooral niet overgeslagen mag worden.

Het is thans mijn voornemen, u in de gewelfde kelders te brengen

onder het huis van den edelman Quannevan, ten einde u te toonen wat

daar plaats had, maar alvorens dit te doen, zal het noodig zijn, u op

de hoogte van onze geschiedenis te brengen, waarna gij beter sommige

toestanden en uitdrukkingen van het vorige hoofdstuk zult verstaan.

Reeds gedurende de regeering van Hertog Albrecht, graaf van Holland,

was er een vredebreuk ontstaan tusschen hem en Jan Van Arkel. Deze

laatste was een zeer rijk en machtig edelman, een der voorlaatste

spruiten uit het oude geslacht der Van Arkels, dat zich, gelijk

een geschiedschrijver zegt, evenzeer door rijkdom en trotschheid,

als door overmoed en dapperheid had onderscheiden. Vandaar dan ook,

dat zijn naam als zoodanig voorkomt in het Oud-Hollandsche rijmpje:

De Brederode's de edelsten; de Wassenaars de oudsten;

De Egmonds de rijksten; de Arkels de stoutsten.

Behalve de heerlijkheid Arkel met den weleer zoo beroemden burcht

van dien naam, bezaten de Arkels de steden Gorcum, Leerdam,

Schoonrewoerd, met de burchten en vestingen Everstein, Gasparne en

Hagestein. Buitendien had Jan Van Arkel in Frankrijk de heerlijkheid

Pirlepont [5], in Brabant de stad Mechelen met onderscheidene dorpen

en vlekken, benevens nog vele steden, dorpen en goederen in Holland

en Zeeland. Gij kunt begrijpen, dat zulk een machtig heer ook niet

ontbloot was van geld. Zijn jaarlijksche inkomsten bedroegen drie en

tachtig duizend zeshonderd Rijnsche guldens, benevens vijf duizend

oude schilden uit Veluwsche tienden en jaarlijks zes duizend dukaten

uit de bank van Venetië, een rijkdom voor dien tijd zoo aanzienlijk

als geen Duitsch vorst dien bezat.

Nu zegt men wel eens voor een spreekwoord: geld geeft moed, maar ook

overmoed. En dit spreekwoord was ten volle van toepassing op Heer

Jan Van Arkel. Rijk en machtig als hij was, verwant aan invloedrijke

vorsten en edelen, meende hij niemand te behoeven te ontzien, en was

hij terstond bereid, het zwaard te trekken en zijn onderhoorigen tot

den strijd aan te voeren, als men hem ook slechts met een blik of

een woord beleedigde.

Behalve vele eereposten, onder andere het stadhouderschap over Holland,

Zeeland en Friesland [6], bekleedde hij ook het rentmeesterschap van

Holland, welke betrekking hem door Hertog Albrecht was opgedragen

en die bij hem in goede handen was, daar deze graaf van Holland

dikwijls uit geldgebrek genoodzaakt was, zijn toevlucht tot dien

rijken rentmeester te nemen en zich van hem aanzienlijke sommen

liet voorschieten. Met weet niet met juistheid, of de aanleiding tot

den oorlog tusschen den Hollandschen graaf en Jan Van Arkel hierin

moet gezocht worden, hetgeen overigens geen wonder zou zijn, daar

geld zoowel vrienden als vijanden maakt. Eerst was men van meening,

dat de twist ontstond, doordat Jan Van Arkel geweigerd zou hebben,

rekening en verantwoording van zijn rentmeesterschap te doen--doch

algemeen zijn de geschiedschrijvers hiervan teruggekomen, omdat

het gebleken is, dat Jan Van Arkel slechts een jaar rentmeester is

geweest en in het begin van 1394 rekening en verantwoording heeft

gedaan, waarbij uitkwam, dat hertog Albrecht hem nog een aanzienlijke

som schuldig bleef [7]. De waarheid zal hier in het midden liggen:

Jan Van Arkel, die den hertog deze gelden niet wilde kwijtschelden,

bleef op de betaling daarvan aandringen, en de hertog, die de eer

aan zich wilde behouden, weigerde de rekening en verantwoording te

erkennen. Daarbij kwam nog iets, dat van zeer veel belang is. Hertog

Albrecht, benevens zijn zoon, de graaf van Oostervant (later Willem

VI), behoorden uit den aard der zaak tot de Hoeksche (de conservatieve

partij), terwijl de trotsche Jan Van Arkel, misschien alleen uit

overmoed geneigd het regeerend Huis te dwarsboomen, de partij der

Kabeljauwschen (liberalen) had verkozen. Nu spreekt het vanzelf,

dat er niets bij de regeeringspartij kon gebeuren, of Jan Van Arkel

wist iets ter berisping te berde te brengen, en inderdaad gebeurde er,

helaas, dikwijls iets in Den Haag, dat sterke afkeuring verdiende. Zoo

bijvoorbeeld liet zich Hertog Albrecht zeer beheerschen door een

aanzienlijke jonkvrouw, Aleid Van Poelgeest genaamd, en deze dame

werd op zekeren avond met haar hofmeester, Willem Kuser, in Den

Haag vermoord (21 Sept. 1393). Dadelijk na dien moord verzuimde Jan

Van Arkel niets, om Albrechts zoon, die de vlucht had genomen en

zeker niet geheel onschuldig was, bij den vader in het hatelijkste

daglicht te stellen, en Hertog Albrecht had dan ook in den beginne de

medeplichtigen aan den moord met gestrengheid vervolgd,--maar later

had hij de vervolging gestaakt en zich weder met zijn zoon verzoend

(1395). De graaf van Oostervant (Albrechts zoon), die aan Jan Van Arkel

de schuld gaf van de plaats gehad hebbende oneenigheid, hitste nu zijn

vader en al de Hoeksche edelen tegen Jan Van Arkel op en ging zelfs

zóó ver, dat hij van Albrecht verkreeg, dat deze de heerlijkheden

van Arkel in Holland verbeurdverklaarde en hem ten eeuwigen dage

uit Holland verbande. Thans greep Jan Van Arkel naar het zwaard,

en een aanzienlijke krijgsmacht op de been brengende, viel hij in

Holland en verwoestte verscheidene plaatsen. Graaf Willem verzamelde

de Haarlemmers, de Kennemers, de Leidenaars en Amsterdammers, die

hij, onder bevel van Hendrik Van Wassenaar, burggraaf van Leiden,

naar het Arkelsche gebied zond, waar zij niet minder verwoesting

teweegbrachten, maar door de Arkelschen met donderbussen begroet en

tot de vlucht genoodzaakt werden. Nu nam Hertog Albrecht scherpere

maatregelen. Gesterkt door hulpbenden uit Engeland, Kleef en Utrecht,

sloeg Albrecht het beleg voor Gorcum (29 Juni 1402) en niettegenstaande

de dappere verdediging zag Jan Van Arkel zich genoodzaakt, het verdrag

aan te nemen, dat Jan Van Beieren, bisschop van Luik, had bewerkt. Bij

dit verdrag was bepaald, dat Jan Van Arkel Hertog Albrecht en diens

zoon binnen Gorcum op de knieën vergiffenis moest vragen en dat het

vaandel des Hertogs één dag op den Arkelschen burcht zou wapperen.

Welk een vernedering voor den trotschen edelman! Welk

een ongerechtigheid van de zijde van Hertog Albrecht en diens

zoon! Hoeveel onschuldig bloed werd er om hunner zonden wil, om hun

eer- en heerschzucht gestort. Maar meen niet, dat het de schuld

was van die duistere tijden, toen het Christendom hoofdzakelijk

bestond in kerkelijke plechtigheden, die niemand begreep en weinig

nut aanbrachten, in het prevelen van Latijnsche gebeden, door het

volk niet verstaan, in een dwazen Maria-dienst en de aanbidding

der heiligen. Later toen de Hervorming doorbrak, en men zou denken,

dat de zielen der menschen met vrede vervuld werden, bleek juist het

tegendeel, en niet geheel ten onrechte zegt zeker schrijver, dat,

naarmate het Evangelie verspreid wordt, ook de oorlogen meer en de

menschenslachtingen grooter worden.

Het verdrag tusschen Hertog Albrecht en Jan Van Arkel bleef niet

lang van kracht. 't Schijnt, dat de graaf van Oostervant, de gezworen

vijand van Heer Jan, hem en zijn onderzaten met allerlei kwellingen

lastig viel, doch tot een hervatten der vijandelijkheden kwam het

eerst na den dood van Hertog Albrecht (14 Dec. 1404). Beide partijen

droegen hieraan schuld, daar zij elke gelegenheid te baat namen, om

elkander te sarren. Zoo bijvoorbeeld gaf Willem VI, kort nadat hij

den grafelijken troon bestegen had, in Den Haag een groot tornooi

of ridderspel, waaraan vele aanzienlijke edelen deelnamen. Jan Van

Arkel, die, waar hij kon, gaarne met zijn rijkdom schitterde en dus

ook het tornooi wilde bijwonen, had in een schip al zijn kostbare

wapenen, harnassen, lansen, gouden en zilveren versierselen naar

Den Haag gezonden, doch toen het schip te Rotterdam kwam, werd het

verbeurdverklaard. Waarschijnlijk geschiedde dit op bevel van den

Hollandschen graaf, die naijverig was op de pracht van Jan Van Arkel

en dezen wilde beletten, boven hem in glans uit te munten. Jan Van

Arkel, dit hoorende, zond zijn boden naar Den Haag en eischte zijn

goederen terug, maar hij klopte aan eens dooven mans deur, totdat

het den meergemelden Jan Van Beieren gelukte, den graaf te bewegen,

na het tornooi de goederen los te laten en Jan Van Arkel te bevredigen.

Dit had intusschen weer kwaad bloed gezet. De burgers van Hagestein,

wellicht aangespoord door Jan Van Arkel, vielen in het Nederstichtsche,

waarop de Hollanders uittrokken, dezen te keer gingen en verscheidene

gevangenen maakten. Graaf Willem besloot, deze gestreng te straffen,

en liet ze naar Woudrichem tegenover Gorcum vervoeren, om ze daar,

als in het gezicht van laatstgenoemde stad, op het rad ter dood te doen

brengen. Toen dit Heer Willem Van Yssendoorn, een voornaam bevelhebber

der heeren Van Arkel, vernam, haastte hij zich, deze gevangenen te

verlossen. Met eenige krijgslieden, als kooplieden vermomd, gaat hij

scheep, en te Woudrichem komende tracht hij, onder voorwendsel van

tol te betalen, eenigen zijner mannen binnen de stad te brengen, om

de poort te openen. Dit gelukt, en nu springen de overige krijgslieden

het schip uit, verlossen de gevangenen, steken verscheidene huizen in

brand, rooven en plunderen, en nemen ruim een dertigtal aanzienlijke

burgers als gijzelaars mede naar Gorcum.

Stel u thans de woede van Graaf Willem voor! Het kostte wat het

wilde,--dezen hoon mocht hij niet ongewroken laten. Al de grafelijke

rentmeesters ontvingen last, om zooveel geld als mogelijk was bijeen

te brengen, ten einde de onkosten des oorlogs te kunnen bestrijden, en

de graaf zelf riep al zijn edelen van Holland en Zeeland ter heirvaart

tegen Jan Van Arkel op. Ook met Utrecht en den bisschop sloot Graaf

Willem een verbond. Het duurde echter tot het midden van Juli 1405,

vóór de oorlog met kracht aangevangen werd en wel met de belegering

der reeds meergemelde sterkten en vestingen Everstein, Gasparne en

Hagestein. Niettegenstaande de dapperste verdediging gelukte het

toch aan de grafelijke bevelhebbers, zich van deze sterkten meester

te maken, en wel door uithongeren. Zij hadden rondom elke sterkte

diepe grachten gegraven, voorzien van een borstwering van palen, en

sneden dusdoende allen toevoer aan de belegerden af. Jonker Willem

Van Arkel sloot nu (19 Dec. 1405) een wapenstilstand tot den zomer

van het volgende jaar.

Misschien verwondert het u, dat Jonker Willem Van Arkel dezen

wapenstilstand sloot, daar immers de graaf van Holland niet direct

tegen den zoon, maar wel tegen den vader krijg voerde. En te meer

baart dit verwondering, als wij in de historie lezen, dat de vader

in geenen deele met dezen wapenstilstand tevreden was en den oorlog

met kracht wilde voortzetten. De vraag is dus niet ongepast: in welke

verhouding stond de zoon in dezen krijg tegenover zijn vader? Deze

vraag, hoe gemakkelijk ook gesteld, is evenwel niet zoo licht te

beantwoorden, omdat de gegevens weinige zijn. Nochtans hoe karig de

geschiedenis hieromtrent ook zij, toch weten wij genoeg, om vast te

stellen, dat Jonker Willem in geenen deele het fiere, halsstarrige en

onbuigbare karakter had van zijn vader en dat hij volstrekt niet vrij

was van een zekere zwakheid en wispelturigheid, die overigens aan de

Van Arkels vreemd was. Wel is waar kan men tot zijn verschooning veel

bijbrengen. Jonker Willem toch was de eenige spruit uit het doorluchte

stamhuis der Arkels en hem wachtte nog een rijkere bezitting, als zijn

oom Reinout, Hertog van Gelre of Gelderland, die geen kinderen had,

kwam te overlijden. Jonker Willem begreep dus te recht, dat zijns

vaders halsstarrigheid in het voortzetten van den oorlog wel eens

ten gevolge kon hebben, dat hij niet slechts Arkel, maar zelfs de

Geldersche erfenis verloor. Om die reden,--en misschien om die reden

alleen--vinden wij dan ook zooveel wankelmoedigs, veranderlijks in het

karakter van Jonker Willem, die nu eens, aangevuurd door de fierheid

zijns vaders, met leeuwenmoed tegen den Hollandschen graaf streed en

straks zijn eigen wapenen tegen zijn vader keerde, om weinig tijds

daarna weder vol berouw aan diens voeten te vallen en zich opnieuw

tot den strijd tegen Willem VI aan te gorden. In den loop van ons

verhaal zullen wij gelegenheid hebben, hierop nader terug te komen.

Jan Van Arkel keurde den wapenstilstand, dien zijn zoon met den

graaf van Holland gesloten had, in geenen deele goed. Hij wilde van

geen vrede weten, ten minste niet, nu hem deze drie sterkten ontnomen

waren, en hij rekende zich nog machtig genoeg, om Willem VI het hoofd

te kunnen bieden. Zijn Zwager, hertog Reinout van Gelre, beproefde

tevergeefs dat stugge, trotsche gemoed te buigen; hij vermocht niets

anders van Jan Van Arkel te verkrijgen, dan dat deze Walraven Van

Brederode in vrijheid stelde. Van dezen Walraven heb ik u reeds iets

verteld in de noot op bladz. 13 en 14; tot nadere opheldering wil ik

er bijvoegen, dat deze Walraven een trouw aanhanger was van Willem

VI en niets onbeproefd liet, om van zijn gevangenschap ten gunste

van den graaf partij te trekken. Gij kunt wel begrijpen, dat er in

Gorcum verscheidene personen waren, die het in het geheim met den

Hollandschen graaf hielden en die de gedurige oorlogen moede waren,

welke zij alleen aan de halsstarrigheid en trotschheid van Jan Van

Arkel toeschreven, zoodat zij blijde zouden zijn, als zij van dezen

laatste ontslagen en onder het bestuur van den graaf gebracht waren. En

niet ten onrechte klaagden velen. Want oorlog brengt verwoesting,

ziekte en hongersnood mede; de inwoners der steden en dorpen werden

verjaagd, hun velden vernield, hun zonen gedood,--kortom allen,

althans de meest aanzienlijke inwoners van Gorcum, verlangden naar

vrede, en, zoo deze niet anders te verkrijgen was, den ondergang van

Jan Van Arkel. Walraven Van Brederode had deze gemoedsstemming der

Gorcummers gedurig aangewakkerd, en toen hij nu door bemiddeling van

Hertog Reinout van Gelre vrijheid kreeg, om van tijd tot tijd naar

zijn familie te vertrekken, sprak het wel vanzelf, dat hij ook niet

vergat, Graaf Willem VI in Den Haag op te zoeken, ten einde met hem

te overleggen, op welke wijze Gorcum en het slot der heeren van Arkel

het gemakkelijkst in handen te krijgen. Ik behoef u niet te zeggen,

dat Graaf Willem dit zeer begeerde, en schoon hij niet rijk was, wist

hij toch nog altijd goud genoeg voor Walraven bijeen te krijgen, die

hiermede moest werken, daar geld sedert eeuwenoude tijden het meest

beproefde middel is geweest, om vrienden tot verraders te maken. En

eigenlijk gezegd deed dit ook Walraven,--schoon met de beste bedoeling,

namelijk om zijn wettigen heer te bevoordeelen en hem Gorcum als

een schoone parel aan de grafelijke kroon te vlechten. Maar laag

is het altijd, den verrader te spelen en anderen tot verraders en

afvalligen om te koopen. Gorcum behoorde aan Jan Van Arkel, en zoo

deze de stad door een oorlog verloor, kon hij slechts jammeren over

de ongelukkige kansen van den krijg--maar zoo hem de stad ontweldigd

werd door het verraad van hen, op wie hij zijn vertrouwen stelde en

aan wie hij dikwijls gunsten en voorrechten had verleend, dan had

hij reden, om met alle weldenkenden laag neder te zien op menschen,

die van zulke verachtelijke middelen gebruik maakten.

Zoo stonden nu de zaken, en daar ik geloof, dat gij nu op de hoogte

van de geschiedenis zijt, vat ik den draad van mijn verhaal weder op

en breng u in de gewelven onder het huis van den edelman Quannevan.

Jonker Willem van Arkel · 第 7 / 14 题