EERSTE HOOFDSTUK.

Waarin wij een bezoek brengen aan den edelman Quannevan.

Het was een vreemdsoortig huis, waarin de edelman Quannevan te Gorcum

woonde. Het huis stond in de Krijtstraat (later de Revetsteeg)

achter de Groote Kerk, en was, zooals de beschrijving ons meldt:

"van voren van trappen voorzien, om naar boven te gaan, en onder met

kelders [1]." Dat dit groote huis juist in de Krijtstraat gebouwd was,

verwondert mij wel een weinig, daar de aanzienlijkste huizen destijds

stonden in de Molenstraat, zuidwaarts van 't Marktplein, en ik geloof

derhalve, dat die woning tot een bijzonder doel moest dienen. Welk

doel weten wij niet; waarschijnlijk was het een stadsgebouw, dat later

tot gevangenis werd ingericht, wellicht ook behoorde het aan heer Jan

van Arkel, die heer van Gorcum was. Hoe het zij, vreemdsoortig bleef

het huis, vooral met de lange, smalle, steenen trap, die zich tot aan

de deur verhief en op die hoogte een nauw bordes vormde, door ijzers

in allerlei bochten en krommingen afgepaald. Vier kleine vensters,

van binnen en buiten van luiken voorzien, hadden het uitzicht op de

straat, maar verdienden geen lof van sierlijkheid en symmetrie, daar

het eene venster vlak bij de deur en het andere dicht bij den gevel

was, terwijl de beide andere boven elkander in een hoek geplaatst

waren. Onder de lange steenen trap zag men den ingang tot een breeden

kelder, maar het was daar zóó donker, dat men niet eens zien kon of

er wel een deur vóór dien ingang was gemaakt.

Het huis had dus twee ingangen, een naar boven langs het smalle

bordes en een naar de kelders onder de trap. Straks zullen wij wel

gelegenheid hebben, een oog in die onderaardsche ruimten te slaan;

voor 't oogenblik verzoek ik u, mij op de trap te volgen, het huis in

te gaan en de kamer binnen te treden, die zich links van den ingang

bevindt. Het was een donker vertrek, laag van verdieping, met dikke,

zware balken aan de zoldering en eikenhouten wanden. Er waren slechts

weinige meubelen aanwezig: een langwerpige klaptafel, een paar stoelen,

een groote kleederkast en onder den wijden open schoorsteenmantel

een hooge zitbank. Sieraden, kleinoodiën en dergelijken schenen hier

niet aanwezig te zijn, althans er was niets van dien aard te zien,

behalve een paar degens, een groot schild, een zwaard en een ijzeren

wapenrusting, die aan de houten wanden bevestigd waren.

Aan de klaptafel zat de edelman Quannevan, of beter gezegd hij

zat niet, maar met de beide handen op de tafel leunende, bukte

hij voorover, terwijl hij het aangezicht gekeerd hield naar den

schoorsteenhaard, waar een dienstmaagd bezig was een paar stukken hout

aan 't branden te brengen, hetgeen zij wel mocht doen, daar de laatste

Maartdagen van het jaar 1406 zeer koud waren. De edelman scheen toornig

te zijn en zijn gramschap aan de dienstmaagd uit te laten; althans

zijn gelaat gloeide, zijn lippen trilden van woede en de hevigheid van

zijn hartstocht liet hem geen tijd, om op zijn stoel te gaan zitten,

zoodat hij de half voorovergebukte houding een poos lang bleef bewaren.

"Jen--Jenne--Jennike," zeide hij eenigszins stotterende van kwaadheid,

"ga uit mijn oogen en waag het niet terug te komen, voordat ik u roep."

Jennike hoorde deze woorden zeer goed, maar daar het waarschijnlijk

de eerste maal niet was, dat zij op deze wijze toegesproken werd,

bleef zij zoo kalm mogelijk aan het werk, waaraan zij bezig was en

waarmede zij ook geen bijzonderen spoed scheen te maken, daar zij

gedurig de oogen naar de deur wendde, alsof zij verwachtte daar iemand

te zien binnenkomen. Eindelijk gelukte het haar toch, door eenigszins

te blazen, de beide stukjes hout vlam te doen vatten.

"Verstaat gij mij niet, Jen--Jennike?" stotterde de driftige edelman

opnieuw. "Of wilt gij, dat ikzelf het vuur harder doe branden? Wat

let me, dat ik niet de karwats neem en u links en rechts om de ooren

sla? Pas op, dat ik niet met u doe als met Aart, mijn lijfknecht,

dien ik een schop heb gegeven, dat hij met zijn neus op den vloer

rolde, omdat hij mij zoo dom stond aan te kijken als een haan, die

zijn staart heeft verloren! Wat let me!"

En daar Jennike zich niet aan zijn bedreigingen scheen te storen,

ontstak hij zoodanig in woede, dat hij de karwats drie of vier malen

boven zijn hoofd zwaaide, maar ze gelukkig niet naar de dienstmaagd

wierp, ziende, dat het vuur ten laatste aan 't branden was gegaan.

"Zoo, nu brandt het!" vervolgde hij, nog altijd in dezelfde houding,

doch een weinig minder driftig, "maar maak nu, dat er wat hout

opgestapeld wordt rondom de turven, want anders wordt het hier niet

warm. Straks komen de beide eerzame schepenen Jacob Roelofsz. en

Boudewijn De Ledige, om met mij te praten, te drinken en te spelen,

en de laatste, die zoo mager is als een talhout, kan niet tegen de

koude, vooral in zulk een kil vertrek als dit!"

Bij deze laatste woorden wilde de edelman gaan zitten, te meer daar hij

zag, dat de dienstmaagd haar best deed, de lamp te ontsteken. Juist

toen zij hiermede bezig was, ontstond er eenig gerammel aan de deur,

en toen zij het oog derwaarts richtte, zag zij de beide verwacht

wordende personen, die niet wisten, of zij binnen zouden komen dan

wel of zij wachten wilden, totdat zij geroepen werden.

"Daar zijn zij!" pruttelde Jennike voor zich heen. "Ik wenschte wel

om een zak appelen, dat zij niet zoo dikwijls bij mijn heer kwamen,

want hun gezelschap deugt voor hem niets. Vooreerst sporen zij hem aan

tot veel wijn drinken, wat voor zijn gestel niets deugt, daar hij met

den dag driftiger en onstuimiger wordt, en ten anderen hitsen zij hem,

onder allerlei bedekte vormen, tegen heer Jan Van Arkel op. En het

zou toch schandelijk en ondankbaar zijn, als hij naar hun ingeving

luisterde, daar hij toch het brood van Jan Van Arkel eet. Maar ik

zal op de loer blijven, en zoodra ik merk, dat zij iets tegen onzen

wettigen heer samenspannen, zal ik wel weten wat ik te doen heb."

Onderwijl Jennike al pruttelende met haar werk voortging en eenige

blokken hout rondom het turfvuur opstapelde, was de edelman naar de

deur gesneld, om zijn bezoekers te verwelkomen, die dan ook weldra,

na de gewone groeten, aan de klaptafel plaats namen, terwijl Quannevan

zich beijverde, om drie bekers met wijn te vullen, voor zichzelf en

zijn gasten.

De toorn van den edelman was thans geheel bedaard, vooral toen hij

zag, dat het vuur hoog opflikkerde en de beide schepenen zich den

wijn goed lieten smaken. Inderdaad was ook Quannevan een uitmuntend

gastheer en had zeer vele goede eigenschappen. Schoon driftig van aard,

werd hij altijd spoedig weder kalm. Daarenboven zat het hart bij hem

op de rechte plaats, en zoo hij al geen vroom Christen mocht heeten

(vooral in die tijden van Roomsch bijgeloof en onkunde), had hij

echter een oprecht en eerlijk gemoed en wantrouwde hij niemand. Het

kwam hem zelfs nooit in de gedachte, dat de vrienden, die hem van tijd

tot tijd bezochten, door eigenbelang gedreven werden, veel minder nog,

dat zij zijn huis als een verzamelplaats van lieden hadden uitgekozen,

die daar wilden bijeenkomen met het plan, om tegen heer Jan Van Arkel

kwaad te brouwen--tegen heer Jan Van Arkel, den man, wiens brood hij

at, wiens huis hij bewoonde.

"Drinkt toch, heeren!" zeide Quannevan, de bekers opnieuw vullende,

"of smaakt u de wijn niet? Dat zou mij spijten, want hij is een

landsman van mij. Gij weet, ik stam uit Bourgondië, en heer Jan,

wetende hoezeer ik de vrucht mijns lands bemin, heeft mij een okshoofd

van daar doen komen!"

"Een edele wijnsoort, voorwaar!" sprak schepen Roelofsz. "Zeker

heel duur?"

"Ja--zeker heel duur?" herhaalde schepen De Ledige, die de schaduw

van Roelofsz. genoemd werd, daar hij dezen gewoonlijk nasprak.

"Duur--duur! Dat weet ik niet," antwoordde Quannevan, het glas tegen

het licht houdende, "daarnaar vraag ik ook nooit. Ik weet, dat het

een kostelijke wijnsoort is en dat mijn edelmoedige beschermer,

heer Jan, mij die geschonken heeft. Mijn vrienden, ik weet niet,

of uw hart met zooveel warmte als het mijne slaat voor heer Jan,

maar toch geloof ik wel, dat gij het mij niet euvel zult duiden, als

ik dezen beker ledig op de gezondheid van heer Jan Van Arkel. Moge de

heilige Maagd en alle heilige engelen hem en zijn zoon jonker Willem

nog een menigte van jaren in bescherming nemen!"

Quannevan, oprecht als hij was, dronk den beker tot op den bodem

ledig en ten bewijze, dat hij zijn heilwensch gemeend had, zette

hij het glas omgekeerd op de tafel. Er kwam ook geen druppel meer

uit. De beide schepenen schenen een weinig verrast te zijn door deze

uitnoodiging, althans zij zagen elkander veelbeteekenend aan en wisten

niet, hoe zij doen zouden, drinken of niet drinken, want zij stemden

in het geheel niet met Quannevan's heildronk in. Daar zij echter toch

iets doen moesten, begon Roelofsz. te hoesten en te proesten alsof

er plotseling iets in zijn keel gekomen was en Boudewijn De Ledige

meende niet beter te kunnen handelen, dan den schepen na te hoesten,

en wel zóó sterk--altijd een gevolg van het namaaksel--dat de klaptafel

er van dreunde en de schaakstukken op- en nederdansten. Quannevan,

die geen opzet vermoedde, schreef dit aan zware verkoudheid toe,

hetgeen in zijn oog zeer mogelijk kon zijn, daar de laatste dagen

van Maart 1406 tamelijk ruw en guur waren.

Maar zoo dacht Jennike niet. De dienstmaagd lag nog steeds op haar

hurken bij het vuur en scheen nog in lang niet daarmede klaar te

kunnen komen. Ik zeg scheen, want eigenlijk gezegd had het vuur reeds

veel hooger kunnen flikkeren, maar met opzet verhinderde zij dit,

om slechts aanleiding te hebben nog eenigen tijd langer in de kamer

te blijven. Zij vertrouwde die beide schepenen geen zier, althans

Jacob Roelofsz. niet, en spitste de ooren telkens, als deze iets

zeide. Toen zij nu Quannevan's heildronk hoorde en den verlegen

blik zag van de beide schepenen, benevens hun voorgewend hoesten,

begreep zij, dat haar goede heer in geen goed gezelschap was en dat

de schepenen den heer Van Arkel geen goed hart toedroegen.

"Die schelmen!" pruttelde zij. "Zij drinken den wijn van heer Jan en

in hun hart bedenken zij kwaad tegen hem. Maar wacht, gij booswichten,

ik ken u vanouds. Gij zijt nooit Arkelsgezind geweest. Ik zal wel

zorgen, dat gij hier in huis geen kwaad brouwen kunt!"

Of Jennike's gepruttel een weinig te luidruchtig was geworden, dan

of toch de schepenen haar reeds lang in het oog hadden gehouden,

weet ik niet--maar het scheen hun volstrekt niet naar den zin te

zijn, dat zij daar zoo dicht bij hen was. Zij konden geen luisteraars

verdragen. Ook hadden zij liever niet, dat de dienstmaagd hedenavond

in huis was, en zouden gaarne gezien hebben, dat zij gedurende een

paar uren verwijderd werd. Waarom--zullen wij straks hooren, evenzoo

dat zij hun best deden, dit doel te bereiken.

Quannevan was opgestaan en noodigde hen uit, een Fransch schild

te bezichtigen, dat hem heer Jan van Egmond, de schoonzoon van Jan

Van Arkel, uit Frankrijk had medegebracht. Het was een van die fijn

beschilderde verdedigingswapenen, in dien tijd pavois genoemd en die

inzonderheid door de krijgers te voet werden gebruikt. Heer Quannevan,

een oud soldaat en vol geestdrift voor alles, wat krijgskunde

betrof, gaf nu een breede beschrijving van dit schild en weidde uit

in deszelfs lof. Schepen Roelofsz., die liever de pen dan zwaard en

schild hanteerde en ook van de laatsten geen verstand had, wist niets

anders te doen dan gedurig met het hoofd te knikken als een soort van

bijvalsbetuiging, een beweging, waarin Boudewijn De Ledige hem volgde.

"En nu zal ik u eens mijn eigen helm laten zien, dien ik in den strijd

tegen de Normandiërs droeg," vervolgde Quannevan, "maar gij moet mij

veroorloven, dat ik de lamp krijg, om u beter te lichten."

Dit zeggende ging de edelman heen, om de lamp te halen, die, gelijk

wij weten, aan den muur hing, maar of hij een weinig onhandig te werk

ging, dan of Jennike ze niet goed opgehangen had--zoodra hij ze slechts

even aanraakte, viel zij van den spijker en doofde in haar val uit,

zoodat de kamer duister werd en er geen ander licht was dan de zacht

opstijgende vlam in den haard.

"Jennike! Jennike!" riep de oude edelman, een paar stappen achteruit

springende, om niet door de olie bespat te worden. "Dat is uw

schuld! Gij zijt altijd zoo slof en onhandig. Ware het slechts

Pinksteren, dan zond ik u weg en nam een betere dan gij zijt. Kom,

raap de lamp haastig op en steek ze weer aan. Wat? Pruttelt gij nog

tegen? Tegen? Waar is mijn karwats? Dan zal ik u leeren pruttelen!"

't Is waar, Jennike had zich eenige woorden, bijna binnensmonds,

laten ontvallen, maar deze betroffen geenszins haar heer, maar wel

de beide schepenen, die, zoodra zij in den donker stonden, de hoofden

bij elkaar gestoken hadden en met elkaar fluisterden.

"Konden wij die meid maar van onzen hals afschuiven!" zeide

Roelofsz. zoo zacht mogelijk.

"Ja--die meid afschuiven!" herhaalde zijn schaduw.

"Zouden onze vrienden niet tegen zeven uren hier onder in den kelder

bijeenkomen? Mij dunkt, het zal niet ver van zevenen zijn. Maar hoe

raken wij die meid kwijt?"

"Ja, hoe raken wij ze kwijt?" sprak de echo.

"Wacht, ik weet wat. Zooals gij ziet, heeft heer Quannevan het

schaakspel gereedgezet, denkende, dat wij ons den ganschen avond

daarmede wenschen bezig te houden. Maar hebben wij nu onze gedachten

daartoe bijeen? Bovendien, wij kunnen immers niet met ons drieën

schaken. Dat gaat niet."

"Dat gaat niet!" herhaalde De Ledige.

"Daarvoor weet ik echter raad. Gij kent Willem Pekeric, die den

steenoven heeft buiten de poort? Deze is ook een van de onzen, en als

wij hem hier laten ontbieden, kwansuis om den teerling te werpen, dan

zal hij ons wel begrijpen en komen. Is het niet uitmuntend bedacht?"

"Uitmuntend bedacht?" fluisterde de nagalm.

"Dan raken wij die meid kwijt en in dien tijd kunnen de vrienden

hieronder ongemerkt bijeenkomen.... Wil ik u helpen, heer

Quannevan?" vroeg hij, zich tot den edelman wendende, die nog gedurig

vóór de meid stond te zwaaien en te schimpen, daar deze naar zijn

gevoelen te veel talmde.

"Dank u, dank u!" riep Quannevan. "Die draalster is eindelijk

klaargekomen. Hier, mijn heeren," vervolgde hij, naar een kast gaande,

waarop de bewuste helm stond. "Hier ziet gij nu een meesterstuk van

Fransche smeden! Ja, zoo iets kan slechts een nakomeling van den echten

Galliër maken. Ziet gij wel, deze helm draagt op zijn geplatten bol

versieringen, die hier in dit land, waar men pluim en veder gewoon is,

zonderling schijnen, namelijk een hand, een rad en een uitgespreiden

vogelklauw. De breede oogopeningen zijn van binnen met leder en wol

gevoerd, en zoo ik u een genoegen kan doen, wil ik den helm eens

opzetten--en dan.... ja, dat spreekt vanzelf, dan gord ik ook mijn

oud zwaard weder aan, hang het schild aan den linkerarm en...."

"Doe toch die moeite niet!" zeide Roelofsz.

"Doe toch die moeite niet!" sprak zijn echo.

"'t Is in 't geheel geen moeite, heeren," ging Quannevan voort,

die reeds den helm in de hoogte hief, om dien op het hoofd te zetten.

"Waarlijk, 't is te veel moeite," zeide Roelofsz. "Buitendien, wij

kunnen ons bij lamplicht moeilijk van de schoonheid uwer wapenrusting

overtuigen en geenszins alle fijne bijzonderheden onderscheiden. Wat

dunkt u, zoo wij eens bij dag kwamen?"

"Ja, zoo wij eens bij dag kwamen," herhaalde Boudewijn De Ledige.

"Dan konden wij u beter in uw vroegeren luister beschouwen," vervolgde

Roelofsz.

"Die evenwel nog niet is ondergegaan," voegde Quannevan er met zekere

fierheid bij, "want, al zijn mijn haren verbleekt en mijn wangen

gerimpeld, mijn hart is nog even frisch en slaat nog even krachtig

als toen ik in 1365 onder de vanen van den hertog van Brabant het

slot Enghien hielp veroveren. Bij die gelegenheid maakte ik voor de

eerste maal kennis met den vader van onzen graaf hertog Willem VI,

die, zooals gij weet, Albrecht heette. Hij was.... maar laat mij u dit

straks vertellen. Komt, heeren, drinken wij weder een beker wijn! Dat

zal ons het ongeval van daar straks doen vergeten, en laat ons daarna

eens zien, wie onzer de beste kampioen is in het edele schaakspel."

"Ik zou u wel een voorslag wenschen te doen, edele heer," zeide

Roelofsz., zoo kalm en bedachtzaam mogelijk.

Bij deze woorden wendde Jennike het hoofd naar de zijde van den

spreker. Zij knielde op den grond neder en was bezig de olievlekken

van den vloer te reinigen.

"Een voorslag? Laat hooren!" sprak Quannevan haastig.

"Ja, daar straks viel mij in, mij en mijn medeschepen--niet waar?"

Boudewijn De Ledige knikte toestemmend.

".... Viel mij in, dat het gezelliger en aangenamer zou zijn, als

wij hier met ons vieren waren; wat dunkt u?"

"Ja, wat dunkt u?" galmde De Ledige, als om meer klem aan het voorstel

te verleenen, maar eigenlijk, om zijn nietsbeduidendheid te verraden.

"Hoe meer zielen hoe meer vreugd!" zeide de edelman op vroolijken

toon. "Maar hoe krijgen wij een vierden man en wie zal dat zijn?"

"Als gij genoegen neemt in mijn voorslag, dan weet ik wel raad,"

antwoordde Roelofsz. "Onze vriend Willem Pekeric, de steenbakker,

is een vriend van den teerling te werpen...."

"Ja, meer dan van schaken," viel hem Quannevan in de rede.

"Juist edele heer," vervolgde Roelofsz., terwijl Boudewijn De Ledige

zijn best deed, om door een beweging van zijn hoofd deze woorden te

bevestigen, "wij zijn thans met ons drieën en zoodoende zou er één

ledig moeten zitten, maar wanneer wij met ons vieren zijn, kunnen wij

ons beter met den teerling (dobbelsteen) vermaken. Ik ben verzekerd,

dat, als gij uw dienstmaagd uit uwen en onzen naam tot Willem Pekeric

zendt, hij oogenblikkelijk zal komen."

"Mooi uitgedacht," fluisterde Jennike bij zichzelf. "Hij zou nummer

3 zijn in het bondgenootschap van hen, die in 't geheim tegen heer

Quannevan en Jan Van Arkel zijn. Ik wenschte, dat Aart maar te huis

was. Waar deze nu weer zit? Misschien...."

Zij had geen gelegenheid verder te denken, daar Quannevan haar gebood,

terstond buiten de poort te gaan en den burger Willem Pekeric herwaarts

te noodigen. Jennike, wie het te doen was, om tijd te winnen,

verontschuldigde zich met te zeggen, dat de vetvlekken nog niet

verdwenen waren, en begon hierop weder hard te boenen en te schuren,

totdat zij eindelijk, ziende, dat het geduld des edelmans op het punt

stond in drift over te gaan, van den grond oprees en de kamer verliet.

De drie mannen namen plaats aan de tafel en Quannevan schonk de

bekers weder vol in afwachting van den vierden man; tevens nam hij

eenige schaakstukken ter hand--hij was een aartsliefhebber van dat

ridderlijke spel--als om een zijner gasten tot een partij uit te

noodigen, maar geen hunner liet zich hiertoe vinden. Dat spel was hun,

althans nu, te stil, en zij gaven de voorkeur aan eenig gesprek,

waardoor Quannevan's aandacht wellicht afgetrokken zou worden van

hetgeen onder hen zou gebeuren.

"Heeft heer Walraven Van Brederode [2] u niet dezer dagen een bezoek

gebracht? Ik heb gehoord, dat hij weder van Den Haag was teruggekeerd,

werwaarts graaf Willem hem ontboden had."

Gedurende deze vraag vestigde Roelofsz. onafgewend den blik op zijn

gastheer, nieuwsgierig zijnde, welke uitwerking deze woorden op hem

zouden teweegbrengen, daar hij wel wist, dat Walraven Van Brederode

geen bijzondere vriend van Jan Van Arkel en dus ook niet van den

edelman was, schoon deze hem nu en dan uit beleefdheid ontving.

"Neen," antwoordde Quannevan, die geen list vermoedde, "ik heb heer

Walraven niet bij mij gezien, en het is mij lief ook--want--vergeef mij

mijn openhartigheid--ik heb het niet erg op hem begrepen, en mij dunkt

ook, hij kan mijn edelen vriend Jan Van Arkel geen goed hart toedragen,

sinds deze hem zoo lang van zijn vrijheid beroofd hield. Intusschen

wil ik hopen, dat hij niets doe, om de verbittering tusschen graaf

Willem en de heeren Van Arkel op te wekken. Gij weet, heer Jan Van

Arkel is woedend over het verlies van de sloten en vesten Everstein,

Gasparne en Hagestein [3], en daar hij te fier is--en met recht--om

zich voor den Hollandschen graaf te buigen, vrees ik, dat zijn oude

leeuwenmoed, gesard als hij wordt, weer zal ontwaken. De heilige Maagd

zij geloofd, dat Gorcum hem getrouw blijft, althans Jonker Willem Van

Arkel--God spare den edelen jongeling nog lang!--verzekerde mij, dat

stad en burg steeds bewijzen gaven van getrouwheid aan hun wettigen

heer Jan Van Arkel."

De beide schepenen zaten eenigszins op heete kolen. Zij althans

waren geen vrienden van den Kabeljauwschgezinden Jan Van Arkel,

maar mochten hiervan vooralsnog geen blijken geven [4]. Om het

gesprek een andere wending te geven, vertelde Roelofsz. iets van

de processie, die onlangs in de Haarstraat had plaats gevonden,

bij gelegenheid dat de pastoor van de Martinus- en Vincentius-kerk

(de Groote Kerk) den arm van den Heiligen Apolinarus, bisschop van

Ravenna, omdroeg. Twee kapelaans, die het beeld droegen van Onze

Lieve Vrouw, dat een kostelijk "Tapijtekleed zeer kunstig geborduurd"

aanhad, struikelden en vielen voorover op den grond, maar ten bewijze

van de wonderbare kracht van Onze Lieve Vrouwe was het beeld niet

alleen onbeschadigd en ongevlekt gebleven, maar zelfs was het niet

eens gevallen en bleef zoo lang in de hoogte zweven, totdat de

kapelaans weder opgestaan waren en het dragen konden. Quannevan,

die vele vreemde landen gezien had en, overeenkomstig de duisternis

van het Christendom dier dagen, veel geloof sloeg aan mirakelen,

verhaalde nu op zijn beurt wat hij in Italië aan wonderen gezien

had, en geraakte daarbij zóó in vuur, dat hij niet eens bemerkte,

hoe de deur was opengegaan en de verwachte gast was binnengekomen,

totdat deze, buigend en groetend, vóór de tafel stond.

"Ik moet zeggen, dat mijn dienstmaagd vlugge voeten heeft," zeide

Quannevan, die den binnenkomende had opgemerkt en diens groet

beantwoordde. "Ik dacht, dat zij ternauwernood aan uw huis kon zijn."

"Dat dacht ik ook," riep Roelofsz. uit.

"Dat dacht ik ook," galmde zijn echo.

"Uw dienstmaagd? Uw dienstmaagd--edele heer? Ik heb haar niet

gezien!" zeide Willem Pekeric.

"Maar wie heeft u dan mijn verzoek overgebracht, om ons met uw

tegenwoordigheid te vereeren?" vroeg Quannevan. "Gij zijt toch niet

uit de lucht komen vallen! Dat zou het zevende mirakel van dezen

avond zijn."

"Ik ben niet uit de lucht komen vallen, heer Quannevan, en van een

zevende mirakel weet ik niets," zeide Pekeric, "maar daar straks

kwam uw lijfbediende Aart en noodigde mij uit uw naam en dien der

beide eerzame schepenen hier te komen, een verzoek, waaraan ik mij

beijverd heb te voldoen."

"Gij zijt zeer vriendelijk," zeide Quannevan zich buigend, "maar

hoe ter wereld komt Aart bij u? Hij was bij den wapensmid in de

Burgstraat, waar hij een boodschap had. Dat zal zeker weer een streek

van Jennike zijn geweest! O, die dienstmaagd! Er zit een stijf kopje op

haar nek. Zij zal geen zin in die boodschap gehad en middel gevonden

hebben, om Aart die commissie op te dragen. Doch, heeren, ons is het

immers hetzelfde."

"Ja, het is ons hetzelfde!" herhaalden Roelofsz. en De Ledige, de

een na den ander.

"Welnu, dan maar den teerling geraadpleegd. Doch eerst zal ik uw

beker eens vullen," vervolgde Quannevan, den laatstgekomene aanziende.

Deze liet zich dit gaarne welgevallen, en eer een kwartier uurs

verloopen was, dobbelden de vier vrienden om het hardst en met zulk een

ijver, dat zij onmogelijk de voetstappen konden hooren der personen,

die onder het huis den kelder binnenslopen. Als ik echter zeg, dat

geen hunner dit hoorde, dan vergis ik mij, want Roelofsz. had dit

geluid reeds waargenomen en aan Boudewijn De Ledige een wenk gegeven,

dien deze goed begrepen had.

Jonker Willem van Arkel · 第 6 / 14 题