aan. Hoe het mogelijk was dat het duplicaat van het Charter, tot dusver
veilig in de archieven van het Kremlin bewaard, hier plotseling op
die tafel voor hem was neergelegd--hij vermocht dat raadsel niet op
te lossen. Hij beproefde het ook niet, de vruchteloosheid van zulk een
poging begrijpend. Maar zijn hoop was op den Hertog van Bora gevestigd,
en, dezen een beteekenisvollen blik toewerpend, sprak hij luid:
"Volk van Czernovië! Het Charter is inderdaad in zijn oorspronkelijken
en ongeschonden staat hier aanwezig. Als handhaver van recht en
waarheid behoor ik elke onjuistheid, ook al ben ik, de Czaar, zelf de
oorzaak daarvan, openlijk te bekennen en te herstellen. Mijn twijfel
aan het bestaan van het Charter is dus opgeheven.
"Ik ben hier echter ook gekomen om te wijzen op een onrechtmatige
afwijking van de door mij voorgeschreven kroningsceremoniën, welke
de Prinses zich vermeten heeft. Het was mijn uitdrukkelijke wensch,
dat men zich bij de kroning houden zou aan de door mij gegeven
voorschriften. Dit is niet geschied. De Russische wet wil, dat bij
plechtigheden als deze de gekroonde, in persoon of door middel van een
kampioen, zijn rechten met het zwaard verdedigt. Verzet zich niemand
tegen die rechten, dan worden ze als erkend beschouwd, en zal nooit
eenige twijfel daaraan geduld worden. Komt echter iemand in verzet,
dan is de gekroonde of zijn kampioen verplicht den strijd aan te
nemen en het zwaard te doen beslissen. Valt de kampioen, dan is de
kroning nietig."
Toen de Czaar deze woorden gesproken had, ging er een gejuich op onder
zijn aanhangers. De bedoeling van het gesprokene was hun duidelijk. En
bij de andere partij zag men het nuttelooze in van elk verzet tegen
deze totaal verouderde, barbaarsche instelling. Voor men trouwens kon
overwegen op welke wijze men daartegen zou protesteeren, had de Hertog
van Bora de Prinses zijn lederen handschoen voor de voeten geworpen.
"Ik verzet mij tegen de rechten der Prinses!" riep hij. "Wie wil haar
kampioen zijn, en het tegen mij opnemen?"
Het was volkomen stil na deze woorden. Waar was de kampioen, die het
zwaard van den Hertog zou durven trotseeren? Zelfs Zabern durfde dien
handschoen niet opnemen. Gaarne zou hij zijn leven voor haar hebben
geofferd, maar zijn dood zou in dit geval haar ondergang beteekenen.
"Ik geef de Prinses tien minuten om een kampioen te benoemen--zoo
wil het de wet!" riep de Czaar.
Tien minuten! Tien minuten die over het lot van Czernovië zouden
beslissen, alles vernietigend wat Zabern met zooveel krachtsinspanning
had opgebouwd!
"Alles is tegen ons!" mompelde de Maarschalk, de vuist krampachtig
ballend. "Ik hoopte in dit geval voorzien te hebben, wetend dat
deze uitdaging geschieden zou. En nu moeten we het gevecht afwijzen,
want onze kampioen is er niet!"
De wanhopigste plannen kwamen bij Zabern op. Hij wilde de Lijfwacht
ontbieden, den Czaar gevangen nemen; hij dacht er zelfs over den Czaar
een doodelijken sabelhouw toe te brengen, kortom, de krankzinnigste
daad leek hem nog beter dan deze verschrikkelijke machteloosheid. Maar
hij dwong zich zijn koelbloedigheid te bewaren. Eén onberaden
handeling, en het Russische leger zou Czernovië binnentrekken.
Vijf, zes, zeven, acht lange minuten van angst en spanning waren
voorbijgegaan.
Het bestaan van Czernovië was nog slechts bij seconden te tellen.
Meer dan duizend menschen hielden onafgewend den blik op het uurwerk
gericht, dat boven den ingang hing, en welks wijzer langzaam maar
zeker het oogenblik ging verkondigen, waarop de Czaar zijn ijzeren
hand vernietigend op heel een volk zou leggen.
Negen minuten....
Op een teeken van den Czaar deed de Hertog een stap voorwaarts.
"Nog éen minuut, Prinses!" zoo klonk zijn waarschuwende stem. "Waar
is uw kampioen?"
"_Hier is hij!_" sprak een vaste, heldere stem.
Het eene wonder verdrong dezen dag het andere!
Iedereen wendde de oogen naar den spreker, die juist de kerk door de
oostelijke poort was binnengekomen--een jonge man met een door de zon
gebronsd gezicht, maar wiens blond haar, wiens athletische gestalte
en edele gelaatsbouw duidelijk zijn Oud-Czernovische afkomst verrieden.
Wie was deze man?
Er werden namen genoemd, men fluisterde, bezon zich, er werden
veronderstellingen geuit en weer tegengesproken--totdat Zabern opeens
den naam uitsprak, die reeds velen op de lippen zweefde:
"Van Stralen!"
Ja--hij was het: Felix van Stralen, in wien enkelen nu hardnekkig
eenige gelijkenis wilden zien met den verbannen Secretaris der
Prinses, maar die anderen aanleiding gaf op de beide praalgraven
van den vader en den grootvader te wijzen--zie, was het niet geheel
hetzelfde gezicht, dat daar in een steenen medaillon was uitgehouwen?
En een storm van geestdrift voer door de zaal! Het oude geslacht
der Van Stralens, het geslacht dat de Oranje-Republiek gesticht
en grootgemaakt had, keerde terug! Door een wonder, dat niemand
wist te doorvorschen, maar dat hier voor hun oogen geschied was,
had de dood dezen man aan Czernovië teruggegeven, op het oogenblik
dat alleen zijn naam voldoende zou geweest zijn grootsche daden in
de herinnering te roepen en tot nog grootschere aan te sporen! Ja,
de dood had hem teruggegeven, want stond niet daarginds, bij het graf
zijner vaderen, de gedenkplaat waarop het droevig omkomen van zeven
der meest geziene Czernoviërs werd herdacht?
Dit was een wonder! een wonder! Een vingerwijzing naar den weg, dien
het Czernovische volk voortaan te gaan had! Ja, nu voelde men zich
sterk om elk juk, hoe zwaar ook, af te schudden, nu kwamen de oude
tijden terug!
Te midden van een geweldige geestdrift, waartegenover de Czaar en
zijn aanhangers machteloos stonden, trad Felix op den Hertog toe.
Elizabeth, wier hart, deels van bewondering, deels van angst wild
klopte, staarde hem aan. Ze wist voor welk doel hij gekomen was.
Felix had den handschoen opgeraapt, die daar tien minuten lang
onaangeroerd had gelegen, en terwijl hij hem met een achteloos gebaar
den Hertog voor de voeten wierp, sprak hij:
"Hertog, ik neem uw uitdaging aan. Op leven en dood!"
Opnieuw golfden de losbarstingen van gejubel door de kerk. Slechts
met moeite wist de Czaar zich verstaanbaar te maken, toen hij vroeg:
"Prinses, wenscht gij dezen man als kampioen?"
Een minuut te voren had zij vurig naar een triomf over den Czaar
verlangd--nu ging de Prinses in de Vrouw verloren. Een geweldige
strijd had in haar binnenste plaats. Wat moest ze doen? Was het niet
beter land, volk, troon, alles op te offeren, maar hem te behouden,
met hem en hun geluk te vluchten naar een eenzaam hoekje, waar het
rumoer van vreeselijke tooneelen als dit niet doordrong? Mocht ze,
moest ze Felix opofferen?
"De Prinses moet een kampioen aanwijzen, of zich gereed maken afstand
te doen van den troon," sprak de Czaar.
Toen drukte Zabern's vuist haar arm zoo vast en ruw, dat de pijn haar
tot bezinning bracht.
"Prinses," fluisterde de Maarschalk, "het _moet_. En ik weet, _ik
weet_" voegde hij er met nadruk bij, "dat Felix overwinnen zal."
Toen raapte Elizabeth al haar krachten bijeen.
_Het moest._
"Ik wijs dezen man aan tot mijn kampioen," sprak ze helder en vast.
Nu daverde het gejubel der Czernoviërs door de kerk, dat muren en
vensters trilden. Allen, de patriotten, de Moscoviten, de Czaar
zelf--ze gevoelden het: de oude Oranje-Republiek herrees, een nieuw,
sterk volk ontstond, dat door geen leger ter wereld ten onder gebracht
zou kunnen worden!
Toen het gejuich was weggestorven, zag men dat de Prinses, bewusteloos,
door haar kamervrouwen werd weggedragen.
ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HET KRONINGSDUEL.
De ontmoeting tusschen Elizabeth en Felix.--Het duel
begint.--Edelmoedigheid van Felix.--De Hertog wordt doodelijk
gewond.
Zij, die de kerk waren binnengekomen in de verwachting een intressante
plechtigheid te zien, bemerkten dat de werkelijkheid hun verwachting
verre had overtroffen.
Inderdaad had een reeks dramatische tooneelen elkaar opgevolgd,
en nog was het hoogtepunt niet bereikt. De troon van Czernovië was
afhankelijk geworden van den uitslag van een duel.
Op aanwijzing van den Czaar werd alles voor dat duel in gereedheid
gebracht. Men had er een grasveld voor gekozen, dat achter de kerk was
gelegen, ingesloten door den grooten, aan de kerk behoorenden tuin,
welks zware begroeide hekken den toegang en het inzicht van buiten
af beletten.
Het gebouw stroomde weldra leeg; ieder trachtte zich een zoo
goed mogelijke plaats te bezorgen. Enkele zetels en banken werden
aangesleept; op het grasveld werd met behulp van tusschen palen
gespannen touwen een groot vierkant afgezet. Al deze maatregelen
namen eenigen tijd in beslag, van welken de ministers gebruik maakten
om Felix de hand te drukken en hun spijt te betuigen dat ze hem
uit Czernovië verdreven hadden. Ook Rob was het voorwerp van een
ovatie; van alle kanten bestormde men de beide helden met vragen,
maar het oogenblik was te vol van ernstiger dingen, dan dat zij nu
in verklaringen konden vervallen, die even goed tot een volgenden
dag konden wachten.
Bovendien werd Felix weldra weggeroepen. Een page meldde hem, dat de
Prinses hem wenschte te spreken.
De Hertog, die het bericht hoorde overbrengen, lachte spottend,
maar de kalme, ongedwongen manier waarop Felix den page aanhoorde en
daarna beloofde te zullen komen, gaf den Hertog en zijn keizerlijken
beschermer toch een onwillekeurig gevoel van ongerustheid.
Felix ging naar de woning van den kerkbewaarder, waar hij Elizabeth
aantrof, ontdaan van haar zwaren kroningsmantel; het zuivere wit van
haar zijden kleed was niet witter dan haar gelaat in dit oogenblik.
Op een teeken van de Prinses gingen de kamervrouwen heen.
"Hoe vreeselijk," mompelde een van haar onder het weggaan, "dat zulk
een edel man sterven moet!"
Elizabeth stond op, maar haar ontroering was zoo groot, dat ze
gevallen zou zijn als Felix haar niet in zijn armen had opgevangen,
waar zij nu bleef en zich aan hem vastklemde.
"O, Felix, Felix!" mompelde ze, en gedurende enkele minuten kon ze
niet anders doen dan dien naam herhalen.
Zou dit een scheiding voor eeuwig zijn? Haar troon, haar macht,
haar weelde, haar diplomatieke overwinningen--het was alles niets
in vergelijking met haar liefde voor Felix. Hij was haar kostbaarst
bezit, en toch--en toch--kon deze omarming de laatste zijn! Binnen
een uur kon zijn lijk de kerk uitgedragen worden, en de Czaar zou haar
vervallen-verklaring proclameeren, en de troonsbestijging van Bora.
En wat zou het leven zijn zonder Felix!
"Ween niet, Elizabeth," zei hij zacht. "Deze dag zal de schoonste
van ons leven worden."
Maar Elizabeth dorst het niet gelooven.
"O Felix!" riep ze, "het is zelfzuchtig, het is slecht van me om jouw
leven te wagen voor dat barbaarsche duel!"
"Het is nu te laat voor zelfverwijten," antwoordde hij ernstig. "Ik
heb in het openbaar mijzelf als kampioen aangeboden, en zelfs de
Prinses zal me daarvan niet terugbrengen."
"Maar ben je dan zoo zeker van de overwinning?"
"Even zeker als jij 't over een uur zijn zult."
"Een uur!" kreet Elizabeth. "Nooit zal ik de kracht hebben zoo lang te
wachten. Felix, ik doe afstand--we zullen samen naar een ander land
gaan, waar we het geluk zullen vinden. Zeg dat je dit ook wilt! Neem
dat duel niet aan! Wanneer je komt te vallen...."
"Dat zal ik niet. Zou ik zoo roekeloos je troon in de waagschaal
stellen?"
"Mijn troon!" herhaalde Elizabeth bitter. "Is die het waard, jouw
leven er voor te wagen?"
"Ja," antwoordde Felix beslist. "Zouden we in een zwak oogenblik ons
levensdoel opgeven? vluchten als lafaards? een naam achterlaten,
beladen met het verraad aan heel een volk gepleegd, dat op ons
vertrouwde? Nooit!"
Hij kuste haar, en zacht haar armen van zijn schouders losmakend,
verliet hij de kamer.
De Hertog van Bora fronste de wenkbrauwen toen Felix terugkwam. Niemand
twijfelde aan den aard van het onderhoud dat tusschen hem en Elizabeth
had plaats gegrepen; allen wisten dat hij naar het gevecht ging met
de kussen van Elizabeth nog gloeiend op de lippen.
"Als die man er nooit geweest was," mompelde Bora, "was ik nu
Prins-Gemaal."
"Wees een man, Bora," sprak de Czaar, "wat niet is, kan komen. Versla
dien kampioen, en geheel Europa zal u uw nieuwen titel onbetwist
laten."
Men was gereed.
De voorschriften, volgens welke het duel moest plaats hebben, werden
voorgelezen. Bovendien werd den beiden strijders een eed afgevergd
waarbij ze verklaarden een rechtvaardige zaak te verdedigen, en hun
tegenstander met eerlijke middelen te zullen bevechten.
Er heerschte een gespannen stilte.
Men wist, dat dit gevecht niet eindigen zou zoolang een der strijders
nog leefde, en hierin vooral lag de afgrijselijke aantrekkingskracht
er van. Een rilling van angstige verwachting ging door de talrijke
vrouwen die langs het grasveld stonden opeengedrongen; de mannen,
meer koel en kritisch, trachtten den afloop af te leiden uit bouw en
uiterlijk voorkomen der tegenstanders.
Op die wijze beschouwd, scheen het voordeel aan de zijde van den
Hertog, die een forsche en gespierde lichaamsbouw bezat; Felix was
kleiner en tengerder gebouwd, maar daardoor ook leniger en vlugger
in zijn bewegingen.
De omstandigheden, waaronder dit duel zou plaats hebben, maakten het
eenig in de geschiedenis van Czernovië.
De eene kampioen, Bora, aangevuurd door de tegenwoordigheid van zijn
keizerlijken gebieder, den Czaar, vocht om een kroon te veroveren, de
andere, Felix, om de hand eener Prinses. Er lag een romantische tint
over deze gebeurtenis, die sterk aan lang vervlogen dagen deed denken.
Elk der partijen vertrouwde in het succes van zijn kampioen. De
Moscovieten bluften op de dertig duels van den Hertog, uit welke
hij steeds zonder een enkele wond te voorschijn was getreden. De
Czernoviërs konden zich niet op zulke daden beroemen; de wapenfeiten in
de schermzaal waren eertijds niet van algemeene bekendheid geworden,
en de zekerheid, dat de vreemdeling van toen dezelfde persoon was
als de gestorven gewaande zoon van den laatsten President, die nu
voor hen stond, was nog slechts tot enkelen doorgedrongen. Rob had
namelijk ten slotte geen weerstand kunnen bieden aan de vele vragen,
waarmee men hem bestormde, en in 't kort iets van Felix' en zijn
eigen wedervaren verteld. Hoe het zij, de Czernoviërs hadden toch
vertrouwen in hun kampioen, want de rustige, vastberaden wijze, waarop
hij den handschoen had opgeraapt, had hen ontzag ingeboezemd. En
meer dan woorden 't konden doen, had de wilde vreugde, die op het
gelaat van Zabern verschenen was bij die handeling, hun vertrouwen
versterkt. Felix' koele, fonkelende blik, zijn dichtgeknepen lippen
en zijn onverschrokken uiterlijk bewezen dat hij een gevaarlijk
tegenstander zou zijn.
De beide mannen ontdeden zich van hun jas, en ontvingen ieder een
sabel, nadat men zich overtuigd had dat de beide wapens in niets van
elkaar verschilden.
Intusschen was het nieuws ook tot de menigte daarbuiten doorgedrongen,
en de opgewonden kreten der zich bij de kerk verzamelende bevolking
vormden een zonderling contrast met de doodsche stilte, die in de
onmiddellijke omgeving der strijders heerschte.
Op het platte dak der kerk kon men twee mannen zien staan; zij hadden
twee vlaggen, een witte en een zwarte, aan den voet van den vlaggestok
gelegd. De oogen van heel het volk waren op dien stok gevestigd,
want het was bekend geworden dat het hijschen van de witte vlag de
overwinning van den kampioen der Prinses zou aankondigen, terwijl de
zwarte zijn nederlaag zou melden.
Het oogenblik was gekomen.
Op een teeken van den Czaar salueerden de duellanten eerst elkaar en
daarna de aanwezigen. Toen kletterden de sabels tegen elkander.
De voorbereiding had zoolang de toeschouwers in spanning gehouden,
dat het begin van den strijd inderdaad voor allen een verlichting was.
Een huivering voer door de menigte. Vijfduizend paar oogen waren
op die twee mannen gericht. Een bliksemstraal had de heldere lucht
kunnen doorklieven, een aardbeving de kerk doen instorten--niets zou
de aandacht van hen hebben kunnen afleiden.
Zabern, die graag een goede partij zag schermen, keek met onverholen
blijdschap toe, zeker als hij was van den uitslag.
De Czaar was eveneens in zijn element, en zat voorovergebogen toe
te kijken, met de handen op het gevest van zijn zwaard geleund, even
vol vertrouwen in de overwinning van Bora als Zabern het was in die
van Felix.
De Hertog, brandend van verlangen om zich in de oogen van den Czaar
te onderscheiden, en blijkbaar het gevecht in den kortst mogelijken
tijd willende beslissen, viel zoo onstuimig op Felix aan, dat deze
niets anders kon doen dan zich verdedigen. Zoo machtig viel Bora's
kling neer, dat Felix' arm bij iederen slag trilde, zoo snel was zijn
houw, dat Felix dien dikwijls slechts op enkele millimeters afstand
van zijn schedel kon afweren. Het oog kon nauwelijks de beweging der
sabels volgen, zulke bliksemsnelle kringen beschreven ze in de lucht.
De Hertog drong zijn tegenstander steeds meer achteruit, zoodat deze
bijna de omheining van het afgezette terrein had bereikt.
De Czernovische toeschouwers zagen angstig toe; dit wijken was een
slecht teeken.
"Onze kampioen is lang niet meer zoo sterk als toen we hem in de
schermzaal zagen," zei Radzivil verschrikt.
"Bah! mijn beste Radzivil," zei Zabern vol vertrouwen, "zie je
niet dat hij den Hertog uitput? Bora is dom met zoo z'n kracht te
verspillen. Dit is te hevig dan dat 't lang kan duren. Ah! wat zei
ik je? Het eerste bloed is voor ons!"
De Hertog was een oogenblik te roekeloos geweest, en had van Felix
een steek in de zijde ontvangen die enkele millimeters diep was. Dit
was zoo vlug geschied, dat bijna niemand 't had gezien, ofschoon
allen toekeken.
"De Hertog is gewond!"
"Hij is niet gewond!"
De twijfel verdween, toen zich op Bora's wit hemd een kleine roode
vlek vertoonde, die zich langzaam uitbreidde.
Zabern glimlachte boosaardig bij het zien van den woedenden Hertog,
die wel een stier in een Spaansche arena leek, wiens huid door de
eerste banderillo wordt doorboord. Hij keek tegelijk verwonderd en
ongeloovig, niet begrijpend hoe zoo iets hem gebeuren kon.
Dit was de eerste wond die hij als duellist ooit bekomen had, en zijn
gevoel van overmacht was door die omstandigheid meer geknakt dan de
pijn het doen kon. Maar weldra herstelde hij zich, en het gebeurde
deed hem dubbel op zijn hoede zijn.
Het behendig gebruik dat Felix van een onachtzaamheid van zijn
tegenstander had gemaakt, wekte het vertrouwen der patriotten in
verhoogde mate op, tegelijkertijd een gevoel van verslagenheid bij
de Moscoviten teweeg brengend.
De Hertog ging nu omzichtiger te werk, en zoo ontstond een waarlijk
schitterende tentoonspreiding van schermkunst, die ieders bewondering
wekte.
Elke beweging der klingen werd met vreezen en beven waargenomen,
vooral door de Czernoviërs, die wisten dat dit gevecht tusschen
vrijheid en despotisme zou beslissen.
Vele der aanwezige dames, die het gevecht nauwelijks durfden
aanzien, verborgen haar gelaat in de handen, om het dan weer, door
een verschrikkelijke nieuwsgierigheid gedreven, naar het tooneel van
den strijd te keeren. Sommigen zagen toe met den zakdoek voor den mond
gedrukt, om de angstkreten te smoren die de duellanten gehinderd zouden
hebben. De vreeselijke ontroering deed er verscheidenen flauwvallen.
Er scheen een wending ten gunste van Felix te ontstaan. Hij begon
den Hertog, wiens kracht slonk, achterwaarts te dringen. Opeens,
toen de Hertog zich sterk op zij boog, om een slag te ontgaan dien
hij niet had kunnen afweren, verloor deze het evenwicht en viel,
terwijl Felix hem op hetzelfde oogenblik het zwaard uit de hand sloeg.
En daar lag hij, op een knie geleund, weerloos, overgeleverd aan de
genade van zijn tegenstander.
Felix' gevoel van ridderlijkheid weerhield hem den noodlottigen slag
toe te brengen.
"Ik vermoord geen ongewapende," zei hij.
"Wat een dwaasheid is dit!" riep Zabern, toornig opspringend. "Spaarde
hij uw broer? Zou hij u sparen als gij daar in zijn plaats lag? Het
is nu geen tijd om edelmoedig te zijn. Sla toe!"
Bora bewoog zich niet; sprakeloos van schrik wachtte hij zijn einde af.
Maar Felix bleef weigeren.
"Doodt hem, doodt hem! Sla toe!" riepen de Czernoviërs.
De tuin weerklonk van woedende kreten. Zelfs zachtmoedige vrouwen,
door de opwinding van het oogenblik meegesleept, deelden in de
dreigende kreten der mannen. Om zich heen ziende, ontwaarde Felix
niets dan een zee van wuivende handen en hoorde hij slechts stemmen
die hem aanmoedigden tot den laatsten slag.
"Genade mag niet verleend worden!" riep een stem.
"Het duel is op leven en dood!" riep een ander.
Maar Felix bleef onbewegelijk. Vechten wilde hij--moorden niet.
De Czaar maakte van deze gelegenheid gebruik om de autoriteit van
zijn woord in de schaal te werpen, en op zijn voorstel herkreeg de
Hertog zijn sabel, en begon het duel opnieuw.
De Russischgezinden herademden. Hun kans was weer vergroot.
"Het is een schande," mompelde Zabern. "Nu heeft hij nieuwe kracht
opgedaan."
Gedurende dit intermezzo had Bora meer dan eens den Czaar aangekeken,
als smeekend om diens tusschenkomst. Maar de Keizer zat onbewegelijk
als een beeld, en deed of hij de zwijgende vraag niet verstond. Hij
wilde dit zoo zorgvuldig ineengezet plan, om de Prinses uit den weg
te ruimen, niet zoo gemakkelijk laten varen. Ook al zou de Hertog
er het slachtoffer van worden. Wee den man, die den Czaar in zijn
val meesleept! Bora's hart kromp ineen bij het zien van 's Keizers
onbewegelijk gelaat.
De strijd ging nu zijn laatste beslissende periode in.
Er was geen twijfel meer; alle aanwezigen wisten dat het nog slechts
een kwestie van tijd was die hier uitgevochten werd.
En de Hertog wist dit het best van allen. Zijn zelfvertrouwen begaf
hem. Hij streed niet meer voor een kroon--hij streed voor zijn leven.
Hij deed geen poging om Felix aan te vallen. Waarom zou hij ook? Hij
kon niet meer doen dan hij gedaan had. Telkens en telkens had hij zijn
tegenstander trachten te bereiken, en met een enkel sierlijk gebaar
had deze elken houw afgeweerd. Er was geen mogelijkheid meer om den
dood te ontsnappen, tenzij Felix een onvoorzichtigheid beging, die
van zijn vaste hand en zijn scherp oog moeielijk te verwachten viel.
Meer en meer werd Bora achteruit gedrongen, totdat zijn rug ten
laatste het koord raakte waarmee het veld was afgesloten; toch zou
hij nog verder moeten wijken wilde hij de sabelpunt ontgaan, die,
snel en doodelijk als de tong van een slang, onophoudelijk op enkele
centimeters van zijn gezicht en zijn borst glinsterde.
Zijn krachten vloeiden snel heen; zijn arm was uitgeput door het
voortdurende afweren; hij snakte er naar het zwaard weg te werpen en
om genade te smeeken. Het was een verschrikkelijk schouwspel.
Terwijl de zweetdruppels hem het gezicht benamen, worstelde hij steeds
voort, totdat ten slotte het eind kwam.
Met een laatste wanhopige poging hief hij den arm hoog op om Felix
een slag op het hoofd toe te brengen, waarvoor hij al de hem gebleven
spierkracht verzamelde. Maar snel als de gedachte maakte Felix gebruik
van het doel, dat Bora's breede, onbeschermde borst nu aanbood;
den sabel horizontaal vooruitbrengend, bracht hij den Hertog een
steek toe die de borst doorboorde en, onder den linkerschouder door,
in den rug uitkwam.
Bora's armen sloegen met een wilden zwaai omhoog, zonder den slag te
hebben toegebracht; zijn sabel viel rinkelend op den grond; hij uitte
slechts een zucht, en toen gleed zijn lichaam als een vormlooze massa
op den grond.
"Nu, er is mooi gevochten!" zei Zabern.
Een daverende triomfkreet steeg uit de rijen der Czernoviërs op,
eenige seconden later door een geweldig juichen van de buitenstaande
bevolking gevolgd, toen de witte vlag langs den stok omhoog gleed,
de overwinning van Elizabeth's kampioen verkondigend.
NEGEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EIND GOED, AL GOED.