meester. Niet in de eerste plaats het wegblijven van Rob, hoezeer hij
zich ook aan zijn jeugdigen Secretaris had gehecht, en hoe smartelijk
hem de gedachte was, dat de arme jongen misschien het slachtoffer van
zijn waagzucht geworden was. Neen, er was iets anders dat zwaarder
nog woog dan dit: Van Stralen zou op den Kroningsdag terugkeeren,
hij had het plechtig beloofd, en er was geen enkele reden om aan
die belofte te twijfelen. Maar waar bleef hij? Waarom had Zabern
tot nu toe niets van hem gehoord? Was hij nog in leven? En zoo ja,
waar? Al deze vragen drongen zich aan den Maarschalk op. Hij, die nog
éen lichtstraal van hoop zag, wist dat 't van Van Stralen afhing of
ook die laatste hoop vernietigd zou worden. Want Zabern's scherpe en
snelle geest had in deze laatste oogenblikken van vreezend verwachten
een combinatie van mogelijkheden gemaakt, waarvan het ontsnappen
van den Hertog en de hoop op Felix' terugkomst de hoofdbestanddelen
uitmaakten. Kwam Felix terug--dan zou de vlucht van Bora een zegen voor
Czernovië kunnen worden. Hoe? ja, dat wist op dit oogenblik Zabern
alleen. Hoewel dus om geheel andere redenen dan Elizabeth hoopte hij
even vurig als zij, dat Felix zijn woord gestand kon doen. Zonder
't te weten waren in dit uur hun gedachten met hetzelfde onderwerp
vervuld. Felix had gesproken van een stout plan, dat redding brengen
zou--waar bleef hij? waar bleef de redding? zoo vroeg Elizabeth zich,
elke minuut dat de kroning nader kwam, angstig af.
Het was voor de Prinses tijd geworden zich in haar kroningsgewaad te
kleeden. Terwijl zij haar kleedvertrek opzocht, zag zij daarbuiten,
op het ruime voorplein, den langen stoet zich vormen, die haar naar
de kerk volgen zou. In veel opzichten was het een historische stoet:
allerlei Oud-Hollandsche kleederdrachten zag men er, die misschien
veroordeeld waren morgen tot het verleden te behooren.
In den stoet bevond zich ook Katina, door een vrijwillige eerewacht
van Czernovische vrouwen gekozen het vaandel dier wacht te dragen. In
een sierlijk costuum, een degen aan den gordel, bereed ze het fraaiste
paard van al haar vrouwelijke mede-Amazonen.
Langs den stoet rijdend, hield Zabern een oogenblik bij haar stil.
"Een degen van hout en blik, nietwaar?" vroeg hij glimlachend, op
het wapen wijzend.
"Staal!" zei Katina alleen, het half uit de scheede trekkend.
"Goed! Op een dag als deze moet men gewapend zijn," zei Zabern,
terwijl hij verder reed.
Het trappelen der paarden, de voetstappen der soldaten, het schetteren
van trompetten en het rollen van wielen drong tot Elizabeth door in
haar kleedvertrek, en ze vroeg zich af, hoe dit alles eindigen moest?
Een slank, wit Arabisch paard stond gereed haar naar de kerk
te voeren. Zij had dit verkozen boven een statie-koets, hopend
de sympathie der bevolking te winnen door zich zoo openlijk te
vertoonen. Aan Radzivil en Zabern was de eer gegeven naast haar te
rijden; wat Zabern betreft, hij hechtte minder aan de eer dan aan de
gelegenheid om haar zoo noodig met zijn lichaam te beschermen.
De stoet zou zich tegen tien uur in beweging zetten. Kort voor dat uur
ontmoetten Zabern en Radzivil, op prachtige zwarte paarden gezeten,
elkaar voor de Paleispoort.
"Vreemd is het," zei Zabern onder het wachten, "dat de Secretaris er
nog niet is."
"De Secretaris?" vroeg Radzivil verbaasd. "Welke? Felix van
Heelstra?" Heeft de Prinses hem dan terug geroepen?"
"Neen, maar ik. En zijn wegblijven is een ernstige reden tot
ongerustheid. Zat de Hertog nog in de Citadel, dan kwam het er niet
op aan. Nu echter.... Maar daar komt de Prinses. Ge zult later wel
begrijpen wat ik bedoel."
Precies om éen minuut voor tienen verscheen Elizabeth aan den ingang
van het Paleis, en, de marmeren treden afdalend, besteeg ze met behulp
van Radzivil haar wit paard.
Tegelijkertijd wuifde Zabern met de hand, en een artillerie-salvo
van het dak van 't Paleis verkondigde de wachtende bevolking dat de
Prinses het Paleis had verlaten.
Onder het slaan der trommen, het schetteren der muziek en het
klokgelui van alle kerktorens, werden de groote bronzen poorten van
de Paleistuinen wijd opengeworpen, en het Blauwe Legioen, met in
den zonneschijn flikkerende lansen, zette zich als het hoofd van den
stoet in beweging.
De weg was aan weerzijden als met menschen geplaveid. Aan elk venster,
op elk dak, op elk balcon vertoonden zich toeschouwers. Heel Czernovië
was er; iedereen had zich voorgenomen een plaats te veroveren. Waar
maar een voet staan kon, had zich iemand opgesteld, op kroonlijsten,
voetstukken van standbeelden, in lantarens, boomen en telefoonpalen.
Zabern maakte bij zichzelf de opmerking, dat er in geval van nood
toch nog heel wat mannen te wapenen zouden zijn, en onder het rijden
zat hij zelfs al een plan in die richting uit te werken.
Zoodra Elizabeth verschenen was, had men haar met geestdriftig gejuich
begroet. De jubelkreten rolden, zich als golven voortplantend, langs
de boulevard, stegen omhoog, en waren bijna luid genoeg om in het
kamp van den Czaar gehoord te worden. Zoo groot was het enthousiasme,
dat de troepen die den weg hadden afgezet, de menigte slechts met de
grootste moeite konden weerhouden naar haar toe te snellen.
De vijanden van de Prinses, trouwens zelf onder den indruk
der liefelijke verschijning, droegen wel zorg hun gevoelens te
onderdrukken. Eenvoudig in witte zijde gekleed, maakte Elizabeth in
alle opzichten een vorstelijken indruk. Haar donker haar was onbedekt,
slechts een smalle gouden diadeem omsloot het, terwijl een doorzichtige
kanten sluier achter langs het hoofd afviel.
De rit naar de kerk was een onafgebroken triomftocht, die door geen
enkel voorval van vijandigen aard werd verstoord.
"Zullen we dus hier de ontknooping moeten afwachten?" mompelde
Zabern, toen de stoet het kerkgebouw naderde, welks muren dreunden
van orgelklank en klokgelui.
Zij, die de kerk mochten binnengaan, hetzij door hun aandeel in de
plechtigheid, hetzij door een voorrecht, verbonden aan hun betrekking,
zochten door verschillende deuren de hun aangewezen plaatsen op.
Toen Zabern op de breede, met rood fluweel belegde treden stond, en
de groote menigte daarbuiten overzag, werd zijn aandacht plotseling
getrokken door een ruiter, die aan het andere einde van de boulevard,
door niets in zijn rit belemmerd, met groote snelheid kwam aanrijden,
ondanks de kans om op het gladde asfalt te storten, zijn paard steeds
tot meer spoed aanzettend.
"Een koerier!" riep het volk, bij ingeving begrijpend dat hij
gewichtige tijding bracht. "Wat is er? Wat is er?"
Maar de ruiter antwoordde niet.
"Nikita!" mompelde de Maarschalk verwonderd.
Toen het trillende paard aan den voet der kerktrap stilstond, snelde
Zabern zijn ordonnans tegemoet.
"Het St. Nicolaas-klooster is bezet, Maarschalk!"
"Onmogelijk! Ik gaf gisteravond laat speciale orders voor de bewaking
van 't klooster!"
"Het is zoo. De monniken, zwijgen. De Russische vlag waait van
den toren."
"Maar wie heeft je dien onzin verteld?"
"Ik heb het gezien, Maarschalk. Generaal Trevisa zendt me."
"De postduif, Nikita!" zei Zabern somber. "Dat is het begin van
Russische overheersching. Maar waar zijn de monniken, waarom hebben
ze den brand niet in het kruit gestoken, als Trevisa zijn plicht niet
wist te doen?"
"Ik weet het niet, Maarschalk. Ik bracht een bericht van een der
voorposten over, toen de generaal Trevisa mij gelastte u te melden
dat het klooster door de Russen bezet is. Ik zag de Paulovski-Garde
de uitgangen bewaken. Baron Ostrova, de vroegere Secretaris van
den Hertog, gaf bevelen. Generaal Trevisa maakte zich gereed met
duizend man het klooster te hernemen; zijn artillerie rijdt op om
een bombardement te beginnen."
"Onzin," mompelde Zabern. "Salongeneraals, die Czernoviërs! We hebben
hard behoefte aan een flinken oorlog."
Toen keerde hij zich om en wenkte een der ordonnans-officieren der
Prinses.
"Wees zoo goed den luitenant-generaal Trevisa te verzoeken, het
bevel aan den generaal-majoor Elling over te dragen, en zich naar
het Paleis te begeven, waar hij wachten zal op mijn terugkomst. De
nieuwe commandant moet in stelling blijven en niets doen vóor men
hem aanvalt. Deze soldaat zal u den weg wijzen. Dank u."
Nikita en de ordonnans-officier zetten hun paarden om, en een
seconde daarna sloegen de hoeven der rennende dieren de vonken uit
het asfalt. Verbaasd keek de volksmenigte hen na.
Zabern verbeet zijn woede. Het kostte hem moeite niet onmiddellijk
naar de grens te rijden en het commando op zich te nemen. Maar zijn
tegenwoordigheid in de kerk was noodzakelijk; het werd zelfs hoog
tijd naar binnen te gaan.
Toen Zabern de kerk wilde binnengaan, ontmoette hem de
Opper-Ceremoniemeester, die met de regeling der plechtigheid belast
was geweest.
"Maarschalk, de kerk is overvloedig vol, en toch staan er honderden
te wachten aan de noorderpoort, die roepen om binnengelaten te worden
en van geldige toegangsbewijzen voorzien zijn."
"Dat hebt u dan heel slecht geregeld."
"Neen, Maarschalk. Het aantal uitgegeven kaarten komt juist overeen
met het aantal zitplaatsen."
"Zoo!" zei Zabern. "Dus u wilt zeggen, dat er eenige honderden menschen
binnen zijn, die daar geen recht op hebben?"
"Juist, Maarschalk. Een groot deel van de kerk is gevuld met menschen,
van wie ik zeker weet dat ze niet uitgenoodigd zijn, en die zich
dus van valsche toegangskaarten hebben voorzien. Het zijn voorname
inwoners van de Russische wijk."
"Wel, wel!" mompelde Zabern. "Dus nu 't ze niet gelukt is zich
met Lipski's geweren te wapenen, gaan ze 't op een andere manier
probeeren."
"Sommigen zijn in uniform, anderen in galacostuum, maar bijna allen
zijn ze gewapend. Wanneer ik tracht ze te doen verwijderen, ontstaan
er ongetwijfeld ernstige botsingen. Wat moet ik doen?"
"Voorloopig niets. We moeten wanorde trachten te voorkomen. Houden
ze zich kalm--des te beter; willen ze geweld uitoefenen, dan krijgen
ze met Zabern te doen."
"En de menschen aan de noorderpoort?"
"Zullen daar wel moeten blijven," zei Zabern, de schouders ophalend.
Hij ging de kerk binnen.
Het tooneel daarbinnen verblindde zelfs hem. De rijke toiletten der
dames en de schitterende uniformen der heeren vormden een van kleuren
gloeiend geheel; overal glansde goud en flonkerden edelgesteenten.
Toen Zabern langzaam zijn plaats opzocht, ontgingen hem enkele
spottende blikken van de zijde der Russograders niet. Klaarblijkelijk
hadden ze kwaad in den zin; maar hun aantal was geringer dan dat der
aanwezige patriotten, en een enkel woord was voldoende om duizend
geweerloopen op de kerk te richten. Zabern beangstte zich dus niet
over hun aanwezigheid.
Op een tafel onder den preekstoel lag het Charter, dat slechts bij
gelegenheden als deze in het openbaar werd tentoongesteld; aan iedere
zijde van de tafel had een zwaar gewapend hellebaardier post gevat.
Een weinig achter die tafel stond een groote eiken stoel, waarin de
Prinses zou plaats nemen; links en rechts daarvan, maar iets meer
achterwaarts, waren de zetels der Ministers opgesteld.
Terwijl Zabern scherp de onrechtmatig binnengedrongen bezoekers zat
op te nemen, de gedachte maar niet van zich af kunnende zetten dat de
Czaar zich onder hen bevond, maakte zich een groote onrust van hem
meester. Liep alles zooals hij verwachtte, had hij de plannen van
den Czaar goed doorzien--dan viel er nog iets--veel misschien!--te
redden. Maar dan was de aanwezigheid van Felix noodzakelijk. En Felix
bleef weg! Niets wees op zijn tegenwoordigheid of zijn nadering!
Een zijdeur ging open, en Elizabeth trad binnen. Haar blik ontmoette
dien van Zabern--ze raadden elkanders gedachten. Ook de Prinses noemde
in dit bange uur den naam van Felix,--van hem dien ze misschien nooit
zou weerzien!
Elizabeth's bleek, doch vastberaden gezicht verried door geen enkele
beweging haar innerlijke ontroering. Blootshoofds, gehuld in een
purper fluweelen kleed, met hermelijn omzoomd en glinsterend van
parels, doorschreed ze met langzamen, doch vasten tred de kerk,
gevolgd door vier kamervrouwen die haar sleep droegen.
De Prinses had haar plaats ingenomen.
De met het godsdienstig gedeelte der plechtigheid belaste predikant
herdacht in een korte rede de aanleiding tot en de beteekenis van
de kroning; daarna maakte de Kanselarij-Raad, waarin Orloff, die
niets meer van zich had laten hooren, door Radzivil vervangen was,
zich gereed de Prinses den eed te doen afleggen. De predikant zou
daarna in een tweede toespraak de Prinses en het volk gelukwenschen,
en daarmee zou de op verlangen van Elizabeth van alle verder vertoon
ontdane, zeer eenvoudige plechtigheid geëindigd zijn.
Elizabeth was opgestaan.
Zij trok den rechterhandschoen uit, en, de linkerhand op het Charter
leggend, hief zij de twee voorste vingers der andere hand op, gereed
om de woorden van den eed uit te spreken, dien Radzivil haar zou
voorzeggen.
Op dat oogenblik gebeurde er iets ontzettends.
Radzivil opende den mond tot spreken--daar klonk een stem, als
bazuingeluid de kerk doorschallend.... de stem van Orloff:
"Burgers van Czernovië, _het Charter is valsch!!_"
En nauwelijks waren die woorden gesproken, of de Hertog van Bora,
als uit den grond opgerezen, stond tegenover de Prinses.
Enkele seconden was het doodstil, als waren alle aanwezigen met
verschrikking geslagen. Toen barstte een geweldig tumult los.
De Czernoviërs waren opgesprongen, hun zwaarden vlogen uit de scheeden,
en als een oorlogskreet klonk hun:
"Leve de Prinses!"
Maar ook de Moscoviten grepen naar hun wapens, en beantwoordden de
uitdaging met een:
"Leve de Hertog van Bora!"
Reeds weerklonk het gekletter der zwaarden, de beide partijen drongen
op elkaar in; Zabern gaf een teeken om de Lijfwacht te ontbieden,
vast besloten de kerk des noods met geweld te ontruimen.
Maar Elizabeth had haar tegenwoordigheid van geest niet verloren; snel
als de gedachte wierp ze zich tusschen de beide elkaar bedreigende
partijen, en hief de hand op ten teeken dat ze spreken wilde.
Dit maakte indruk.
Allen waren nieuwsgierig naar hetgeen de Prinses in dit beslissende
oogenblik zeggen wilde, en de stilte keerde terug.
"Maarschalk Zabern!" riep zij met een stem, die als muziek klonk na
het wilde rumoer van enkele oogenblikken te voren, "hier staat een
ontvluchte gevangene--voer hem terug naar de Citadel!"
"Ge bedreigt _mij_ met gevangenschap?" zeide de Hertog met een
smalenden glimlach, "Het is aan mij te bedreigen, en aan u te
gehoorzamen. Ik kom hier als afgezant van den Czaar!"
Dit woord deed een nieuw tumult ontstaan. Men zag inderdaad,
dat de Hertog, gekleed in het groot uniform van Maarschalk
der Semenovski-Garde, met aan een blauw lint het kruis der
Sint-Andreasorde, hier in het openlijk karakter van Russisch afgezant
verscheen.
"Stilte!" gebood de Hertog. "Luistert, wat ik u namens den Keizer
aller Russen te boodschappen heb. De Czaar verlangt het bewijs,
dat dit Charter echt is. Antwoord mij, Prinses: is dat zoo, of stond
ge op het punt als een meineedige trouw te zweren op een document,
waarvan ge weet dat het door den Maarschalk Zabern is vervalscht?"
"Dood aan den Maarschalk!" klonk het van Russische zijde, "sleept
hem de kerk uit! Leve de Hertog! Weg met de Prinses!"
Maar donderend overstemden de Czernoviërs deze bedreigingen met een
duizendvoudig:
"Leve Elizabeth! Dood aan den Hertog!"
Met over elkaar geslagen armen hoorde Zabern dit alles aan, koel,
onbewogen. Een verachtelijke glimlach speelde om zijn lippen. Hij
begreep dat de toestand uiterst kritiek was; wel kon een enkel woord
uit zijn mond de Lijfwacht te hulp roepen, maar hij aarzelde nog,
vreezend dat in het bloedig gevecht dat dan ontstaan zou, de Prinses
leed zou geschieden. Hij aarzelde, maar zijn uiterlijk verried daarvan
niets; vertrouwend op zijn goed gesternte, voelde hij instinctmatig
dat hij ook ditmaal een uitweg vinden zou.
De Prinses had opnieuw stilte weten te verkrijgen.
"Maarschalk!" riep ze, plotseling een vreeselijk vermoeden in zich
voelende oprijzen, "zeg mij de volle waarheid: is dat stuk het
oorspronkelijke Charter van Alexander I?"
Er ontstond een ademlooze stilte.
Aller blikken richtten zich op Zabern. Wat zou hij antwoorden?
Zabern, de man van het oogenblik, begreep dat verdere ontkenning
nutteloos zou zijn; de tegenpartij had immers de volledige bewijzen
der valschheid.
En, bezwijkend voor haar smeekenden blik die zoo duidelijk zei:
"zeg me de waarheid!", antwoordde hij:
"Het is een getrouw afschrift."
Elizabeth begreep het veelbeteekenend antwoord. Zabern had haar doen
gelooven, dat het complot van Orloff mislukt en het Charter ongedeerd
was. Ongetwijfeld had hij dit met een goede bedoeling gedaan, wetend
dat Elizabeth's geweten zich er tegen verzetten zou, zich een kroon
te verwerven door middel van oneerlijk verkregen rechten.
Uiterlijk bleef ze onbewogen. Maar deze slag, zoo onverwacht gevallen,
had haar des te zwaarder getroffen. Ze wist, dat haar land, dat
zijzelf verloren was.
"Ge hoort het, volk van Czernovië," vervolgde de Hertog triomfantelijk,
"het Charter is valsch! Maarschalk Zabern, ik, uw vorst, gebied u deze
indringster te arresteeren, die zich van mijn troon heeft trachten
meester te maken!"
Tot eenig antwoord trok de Maarschalk zijn zwaard.
Deze beweging was het sein tot een rumoer, dat alle beschrijving te
boven gaat.
"Mannen van Czernovië!" riep een vrouwenstem, "zult ge toelaten dat
uw Prinses aldus beleedigd wordt door huurlingen van den Czaar? Waar
is de Oud-Hollandsche geest gebleven?"
Aller oogen wendden zich naar de spreekster, die niemand anders was
dan Katina Ludovska. De Czernoviërs voelden de beteekenis van haar
woorden. Wat hun voorvaderen gedaan hadden, konden ook zij doen. Haar
uitroep was het teeken om op te staan, de Moscoviten aan te vallen
en uit de kerk te jagen. En toen ze met luide stem het Czernovische
volkslied aanhief, voer een golf van ontroering door haar verzamelde
landgenooten. De herinnering aan hun verleden bracht het bloed van
alle patriotten aan 't gloeien. Door een gelijktijdigen drang bewogen
sprongen ze op, trokken hun zwaarden en zongen het refrein mee.
Het glinsteren van duizend klingen in het veelkleurig licht dat door de
gebrande kerkramen viel, het schitteren der feestelijke gewaden en der
ontelbare edelgesteenten, het machtige galmen der orgelklanken--want
de organist, door geestdrift meegesleept, bespeelde zijn instrument
zooals hij nooit in zijn leven meer doen zou--dat alles gaf een
tooneel, waarvan de wederga in de gansche geschiedenis niet te vinden
is. Vrouwen vielen flauw van aandoening, forsche mannen zongen met
tranen in de oogen.
Maar de Moscoviten op hun beurt stemden het Russische volkslied
in, en nu barstte van weerszijden een stroom van verwenschingen en
uitdagingen los.
"Weg met de Russen!"
"Leve de Hertog!"
"Dood aan de Prinses!"
"Czernovië voor eeuwig!"
Katina, met getrokken degen, stond vooraan in de rij.
"Verdedig je, vrouwenbeul!" riep ze, haar ouden vijand, Graaf Orloff,
een slag met het plat van haar wapen toebrengend.
Haar voorbeeld vond talrijke navolgers, en weldra weerklonk overal
zwaardgekletter.
Een zestal Russen, met sabels in de hand, hadden een beschermenden
kring om den Hertog gevormd, die onbewegelijk het rumoer stond te
aanschouwen. Zabern, beangst voor Katina's leven, drong zich door de
menigte heen, trachtend haar te bereiken.
Elizabeth, vergeefs op een middel zinnend om de vechtenden te scheiden,
smeekte Radzivil de Lijfwacht te ontbieden.
Toen klonk opeens een stem, die als een donderslag het tumult
overstemde:
"_De wapens neer!_"
En, met de eene hand op de balustrade van het koor geleund, de andere
gebiedend omhoog geheven, was daarboven een man verschenen, een statige
figuur, in een schitterend en indrukwekkend uniform gekleed. Een
oogenblik meende men een bovenaardsche verschijning te zien.
"De duivel zelf!" mompelde Zabern.
De gedaante van den vreemdeling richtte zich nog hooger op, en,
met een stem van iemand die geboren is tot bevelen, riep hij nogmaals:
"De wapens neer!"
Zijn persoon en zijn woorden hadden een merkwaardige uitwerking.
"De Czaar! De Czaar!"
Het gevecht hield op. Aan elke zijde weken de strijdenden terug. Het
geraas stierf weg in een doodsche stilte. De gewonden hielden hun
jammerkreten in, want er waren gewonden, zoo kort de schermutseling
geduurd had; en een doode zelfs was er gevallen: Orloff, door Nikita's
hand verslagen.
De Czaar wendde de blikken naar alle richtingen. Onwillekeurig staken
de meesten hun zwaarden op.
Elizabeth was de eerste die begreep, dat het nu een strijd zou worden
tusschen twee souvereinen, en dat zij alles moest doen om te voorkomen
dat de Czaar de vruchten van zijn indrukwekkend optreden plukte.
Daarom, nog vóor hij opnieuw had kunnen spreken, vroeg Elizabeth,
en haar kalme, heldere stem werd in de verste hoeken van het gebouw
gehoord:
"Ik verzoek den Czaar mij te zeggen, met welk recht hij een verrader
in vrijheid stelde, die op mijn bevel gevangen was genomen?"
Met deze woorden strekte ze de hand uit naar den Hertog van Bora.
Haar stoutmoedigheid deed een rilling door de zaal gaan. Waar, in de
geheele geschiedenis der menschheid, was het voorbeeld van iemand,
die zóo een Russisch Keizer had durven toespreken?
Voor den autocraat, van wien men gewoon was te zeggen: "er is slechts
éen wil in Rusland--die van den Czaar," was zulk een taal even nieuw
als verrassend.
Hij zag met verbazing, maar niet zonder bewondering, naar de jonge
vrouw die het waagde op zulk een toon het woord tot hem te richten.
"Wat geeft u het recht tot zulke taal in tegenwoordigheid van den
Czaar?"
"De overtuiging, dat niemand dan _ik_ in Czernovië te gebieden heeft!"
"En die overtuiging durft ge putten uit een Charter, dat nooit bestaan
heeft, uit het bedriegelijk en valsch document dat daar ginds is
neergelegd?"
Elizabeth voelde zich den moed ontzinken. Ze zocht vergeefs naar
een antwoord.
Reeds klonken uit de rijen der Russischgezinden opnieuw dreigende
kreten, toen opeens een beweging ontstond bij den hoofdingang van het
gebouw. Aller oogen richtten zich daarheen, met vuisten en elbogen
drong zich iemand naar voren, baande zich een weg tot voor de tafel,
waarop het nagemaakte Charter lag, en riep:
"_Hier is het Charter van Czernovië!_"
Het was Rob, die zoo sprak.
Met hijgende borst en fonkelende oogen stond hij daar, de triomf over
zijn welvolbrachte daad in de oogen, en met uitgestrekten arm bood
hij de Prinses een perkament aan, waaraan de zware roode zegels van
Alexander I hingen.
Een oogenblik maakte de Hertog van Bora een beweging om naar voren
te dringen, maar Rob zag hem zoo dreigend aan, er was iets in zijn
blik, dat zoo overtuigend als van een heilige zending sprak--dat de
Hertog terugdeinsde. En opnieuw stonden allen ontzet en onbewegelijk;
slechts enkelen zagen het Charter van nabij, maar men wist het:
_die man sprak de waarheid_. De vaste klank van zijn stem, de
diepe overtuiging waarmee hij sprak, de edele uitdrukking van zijn
gelaat--alles wees er op dat hij een heilige plicht, een niet te
verloochenen roeping vervulde.
De Czaar was met snelle schreden de plaats genaderd waar Rob stond;
hij bezag het Charter--er was geen ontkennen aan: het droeg niet
alleen de authentieke handteekening van den schenker, maar was ook
door de namen der opvolgende Czaren, ook door den zijne, gewaarmerkt.
Met onuitsprekelijke verbazing staarde hij op het document; toen
vroeg hij met weifelende stem:
"Waar hebt ge dit Charter gevonden?"
Rob hief het hoofd op, zag den Czaar recht in de oogen, en zei fier:
"_In het Kremlin_, Sire!"
Zabern was de eenige, die begreep. Toen Elizabeth, als altijd in
raadselachtige gevallen, de oogen vragend op hem richtte, als wilde
ze uit zijn mond de verklaring van Rob's woorden vernemen, ontving
ze voor het eerst geen antwoord. Zabern staarde recht voor zich uit,
onbewegelijk. En uit de oogen van dien ijzeren, onverzettelijken,
door niets te ontroeren man stroomden tranen! Tranen, die hij niet
trachtte te verbergen! In dit oogenblik aanschouwde zijn vooruitziende
geest een visioen, dat werkelijkheid zou worden: Czernovië behouden,
de Oranje-Republiek hersteld, bestuurd door een wijs, vastberaden
heerscher, die slechts het goede wilde!
Maar de beproevingen waren nog niet ten einde.