"Neen--naar die van Lipski. Ge schrikt--en ge hebt er reden

toe. Zooeven, Hertog, heeft de Regeering Lipski's woning doen

overvallen. Dat wist ge niet! Zijn kelders bleken duizenden wapens

te bevatten, in zijn kamers vergaderden Russische agenten, waaronder

de spion Russakoff. Lipski heeft alles bekend."

"Wat bekend?" vroeg Bora, als door een bliksemstraal getroffen bij

het vernemen van dit onverwachte nieuws.

"Bij voorbeeld dit:

"Ongeveer een jaar geleden stichtte hij een nieuw blad, de Kolokol. Het

kweet zich zoo goed van zijn anti-regeeringsgezinde taak, dat in

korten tijd tweedracht werd gezaaid waar vroeger rust en eenheid

was. De Russen en andere vreemdelingen, vroeger even aanhankelijk

als de Czernoviërs, zijn onder den invloed van dat opruiende blad

vijanden van het Gouvernement geworden. En wie was de eigenaar van dat

blad? Wie betaalde het? Wie gaf de strekking aan? Gij--Alexander Bora!"

"Dat heeft Lipski gelogen!"

"We zullen zien. U zult de gelegenheid hebben hem dat persoonlijk

te zeggen. Is het ook een leugen, dat de Kloosterwet uw medewerking

had? Dat ge de afgevaardigden trachtte om te koopen met het goud

van Orloff?"

"Leugens!" mompelde de Hertog, meer en meer verslagen.

"En het complot om het Charter te vernietigen? Op uw verzoek vroeg

Orloff goedkeuring op dat plan van de Russische Regeering. Gelukkig

mislukte het door de waakzaamheid van Zabern," zei Elizabeth, niet

wetend dat de Maarschalk haar van dit voorval nooit de juiste toedracht

had verteld.

De Hertog zag angstig om zich heen. Hij zou in staat geweest zijn

Elizabeth te dooden, als hij daardoor had kunnen ontsnappen, want

hij wist dat zijn verraad nu bekend was, en dat de gevangenis hem

wachtte. Maar Elizabeth zag hem zoo doordringend aan, dat hij geen

beweging maken durfde.

"Er is nog meer!" ging ze voort. "Mijn Secretaris, mijn trouwste

en aanhankelijkste onderdaan en vriend--hij werd op uw aanstoken

vermoord. Russakoff werd er voor betaald door Lipski--vierhonderd

roebels ontving hij. Ontken het niet--onlangs heeft Katina Ludovska

aan Lipski's stem den man herkend die Russakoff in haar vaders herberg

tot de misdaad omkocht. Met _uw_ medeweten! Het cijferschrift mocht

niet opgelost worden! En nu--volg me. Hier zijn uw medeplichtigen."

Elizabeth had een zijdeur geopend, en daar zag hij Lipski en Russakoff,

door een afdeeling soldaten bewaakt. De Hertog trachtte niet langer

te ontkennen; zwijgend en gebroken hoorde hij de Prinses aan.

"Dat was dus uw plan--Russograd te wapenen, barricaden op te werpen,

en wanneer het Gouvernement zou trachten den opstand te dempen, den

Czaar te verzoeken hulp aan de onderdrukte Moscoviten te verleenen! En

de Czaar zou zijn hulp niet weigeren: Bora op den troon, en de Prinses

tusschen twee mogelijkheden geplaatst: hem te trouwen, of--haar verdere

levensjaren te slijten op het fort Schlüsselburg, in de grijze wateren

van het Ladoga-meer. De uitvoering van uw programma is verijdeld. En

ge zult niet opnieuw beginnen."

Elizabeth drukte op den knop van een electrische schel, en Zabern

kwam binnen, gevolgd door een afdeeling grenadiers. Vijf minuten

daarna werden de drie verraders met geboeide handen in een gesloten

wagen naar de citadel gevoerd.

Eerst daarna, maar zooals we zien zullen, nog niet te laat, vond

ze gelegenheid Zabern met de bedreigingen van Ravenski in kennis

te stellen.

ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

ZABERN EN RAVENSKI.

Melchior, de verrader.--Zabern verschijnt.--De

postduif.--Ravenski ontvangt een sabelhouw.--Het kanon van

de Citadel.

Op dienzelfden dag vóor de Kroning, den 14en September 1902, had er

in het studeervertrek van Ravenski, die even als de andere Ministers

over drie appartementen van het Paleis voor eigen gebruik beschikte,

een bijeenkomst plaats tusschen dezen titularis en den portier van

het St. Nicolaas-klooster, Melchior Obrowitch.

Terwijl het verwerpen van de wet-Lipski de aandacht van de kloosters

had afgeleid, was Ravenski in stilte voortgegaan het geheim uit te

vorschen, dat naar zijn vermoeden achter het zoo in de gunst der

Prinses staande St. Nicolaas-klooster lag verborgen. Door middel van

geld en beloften had hij den bovengenoemden Melchior, een uitgeweken

Rus, die jaren geleden door Ravenski's invloed tot portier was

benoemd, voor zich weten te winnen, en deze had hem sinds lang op

de hoogte gehouden van allerlei gebeurtenissen in het klooster,

welke het vermoeden wekten, dat daar politieke samenkomsten plaats

hadden. Ja, meer dan dat: het aantal kisten, zoogenaamd levensmiddelen,

meubelen, kleederen of iets dergelijks bevattend, dat den laatsten

tijd het klooster was binnen gebracht, had den portier verwonderd,

en de omstandigheid dat men hem al eenige maanden geleden den sleutel

der kelders had ontnomen, en die aan de bewaring van een der monniken

toevertrouwd, deed hem gelooven dat in die kelders nog andere dingen

verborgen lagen dan vaten wijn en brandstoffen.

Ravenski was met al deze inlichtingen zeer ingenomen, maar vooral

deed het hem genoegen dezen avond van Melchior te vernemen, dat hun

vermoeden, als zou het Charter van Czernovië wel degelijk verdwenen

zijn, zekerheid geworden was. Ravenski had dus de Prinses niet op

ijdele gronden met de openbaarmaking van dat geheim bedreigd. Ravenski

had zich namelijk, den dag na dien, waarop Orloff als gezant ten

Paleize was geweest, met dezen in verbinding gesteld, getrouw aan zijn

aard alle middelen aangrijpend die hem voordeel konden bezorgen. En

zijn vermoeden, dat er met het Charter iets niet in den haak was, vond

weldra bevestiging. Zoodra hij zijn diensten Orloff aangeboden had,

ontstond het begin van een levendige briefwisseling tusschen die beide

mannen, en Ravenski kwam te weten, dat er volgens Orloff's inlichtingen

wel degelijk een papier was verbrand dat den inhoud vormde van den

ijzeren koffer die het Charter moest bevatten. Een afgesproken signaal

met een blauwe lantaren had hem immers die zekerheid gegeven. Na de

verklaring van Zabern omtrent de overbrenging van het Charter naar

de Czernovische Bank, was Orloff echter verlangend te weten te komen

of dus inderdaad slechts een copie was vernietigd, dan wel of Zabern

een handig verzinsel voor waarheid had doen gelden.

Onvermoeid had Ravenski dit nagespeurd, en hedenavond bracht Melchior,

zijn handlanger, hem de zekerheid dat het Charter niet meer bestond!

"Ik ben daarvan om twee redenen overtuigd," zei Melchior. "De eerste

is deze. Een paar dagen geleden bracht een meisje uit den omtrek,

Katina Ludovska, een bezoek aan het klooster-museum. Dit is op

zichzelf niets bizonders; vele vreemdelingen, en ook landgenooten,

vooral studenten en andere mannen der wetenschap, bezoeken dit museum,

dat zeer merkwaardige boeken en perkamentrollen bezit, van belang voor

de geschiedenis van kerken en kloosters. Terwijl ik Katina rondleidde,

trof het mij, dat ze herhaaldelijk stilstond voor een document,

dat de eigenhandige naamteekening van Czaar Alexander I draagt;

telkens bekeek ze het met een aandacht die me vreemd voorkwam. Maar

het merkwaardigst was, dat, op haar verzoek om dit stuk in bruikleen

te mogen ontvangen als hulpmiddel bij een wetenschappelijke studie,

de beheerder van het museum, broeder Angelico, dadelijk bereid was het

af te staan, ofschoon anders slechts copieën, nooit oorspronkelijke

stukken als dit, mogen worden meegenomen.

"Dienzelfden dag ging ik Katina na; niet alleen overtuigde ik mij,

dat ze in allerlei winkels van Slavowitz naar monsters van perkament

vroeg, maar ook weet ik dat ze herhaaldelijk door Zabern ontvangen is,

en langdurige bezoeken aan zijn studeervertrek bracht. Ziedaar mijn

tweede reden.

"Er is dunkt me geen twijfel aan: Zabern liet haar op een copie van

het Charter de handteekening van Czaar Alexander namaken, en het stuk,

dat gister in de ijzeren koffer naar de kerk werd overgebracht, is

een valsch stuk, dat dienen moet om morgen de Prinses den kroningseed

daarop te doen afleggen."

"Uitstekend!" riep Ravenski. "Dat zijn inlichtingen die goud waard

zijn, en zoo dadelijk gaat een brief, die deze tijding bevat,

naar den Czaar. Nu heb ik bewijzen genoeg om de Prinses ten val te

brengen. Morgen is Czernovië Russisch grondgebied!"

De portier boog, en op een wenk van Ravenski liet hij dezen alleen.

Onmiddellijk daarna stelde de Minister het gehoorde op schrift,

adresseerde zijn brief aan den Czaar, en stak een copie daarvan

in zijn binnenzak. Dit gedaan hebbende, leunde hij een oogenblik

met gesloten oogen achterover in zijn armstoel, genietend van zijn

aanstaanden triomf. Door het geopende venster drongen de vroolijke

geluiden der feestvierende Czernoviërs naar binnen, die zich reeds

verheugden op den dag van morgen.

Ravenski hoorde het, en met spottenden glimlach zei hij luid:

"Morgen zal uw blijdschap in rouw veranderen!"

"_Wees daar niet te zeker van!_" zei een ironische stem.

De eenige man in Czernovië, dien Ravenski op dit oogenblik het minst

verlangde te zien, was Zabern--en toch was het Zabern die gesproken

had!

Hevig verschrikt opende Ravenski de oogen, en zag den Maarschalk

met over elkaar geslagen armen aan de andere zijde van de tafel

staan. Achter hem stond zijn ordonnans, Nikita. Een vrouw, Katina,

was bezig de deur van het vertrek zorgvuldig te sluiten. In het

besef van het gevaar strekte Ravenski de hand uit naar een bel,

die op tafel stond. Maar Zabern was hem voor.

"Geen geluid! of ik schiet je neer!"

"Wat wilt ge van me?!"

"Je leven!"

Ravenski begreep dat Zabern tot geen ander doel gekomen kon zijn;

toch gingen deze beide woorden hem als met een schok door het lichaam.

"Ge wilt me dus vermoorden!" hijgde hij.

"Noem het vermoorden. Het is me om 't even. Ik noem 't terechtstellen."

"En mijn misdaad...?"

"Ligt daar!" zei Zabern, snel den brief grijpend, waarop zijn scherp

oog het adres gelezen had, en dien ook Ravenski in datzelfde oogenblik

trachtte te verbergen.

Zabern scheurde het couvert open.

"Het bewijs van uw verraad. Er behoeft hierover geen woord meer

gesproken te worden. Hier is een revolver. Ik geef u de gelegenheid

zelfmoord te plegen. Dan zal men ten minste nog denken, dat ge

éens in uw leven gevoeld hebt een geweten te bezitten, éens in uw

leven wroeging hebt gekend. Het is de eervolste dood dien ik u kan

aanbieden."

Ravenski werd lijkbleek.

"Geef me tien minuten slechts," hijgde hij, "tien minuten in de

kamer hiernaast."

"Met welk doel?"

"Om--om te bidden."

"Ik zie het nut daarvan niet in," zei Zabern droog. "Nooit kan een

leven van gebed uw zonde uitwisschen."

"Vijf minuten maar, opdat ik mijn geweten tot rust kan brengen in

deze laatste oogenblikken van mijn leven! Ik smeek er u om."

"Goed. Vijf minuten. Maar in deze kamer."

"Het vertrek hiernaast is een bidvertrek," pleitte Ravenski.

"Willig zijn wensch in, Maarschalk," zei Katina, die het geheele

tooneel afschuwelijk vond, en reeds te voren vergeefs gepoogd had

Zabern van deze ontzettende terechtstelling terug te brengen.

"Maar dan ontsnapt hij ons!" riep Nikita.

"Ik kan niet ontsnappen. Het bidvertrek heeft geen enkelen uitgang. Het

venster is vijftig voet boven den grond."

Zabern, vermoedend dat Ravenski een list voor had, doorzocht het

vertrek, doch vond er niets dat kwade vermoedens kon opwekken. Er

stond een bidstoel, er hing een enkele lamp; overigens was er niets

wat een ontsnapping kon begunstigen.

"Neem uw vijf minuten," zei Zabern. "Maar denk er aan, ik houd u in

het oog. Tracht niet te ontsnappen."

Ravenski ging met bevende schreden in het bidvertrek, en knielde neder.

Zabern volgde elke beweging.

"Maarschalk," vroeg Katina, een laatste poging aanwendend om de

menschelijkheid te doen zegevieren, "is de gevangenis niet een

voldoende straf voor zijn misdaad?"

Zabern schudde alleen zwijgend het hoofd.

"Wie zal trachten den Maarschalk te weerstaan?" zei Nikita, bijgeloovig

en onderworpen als hij was.

"_Dat zal ìk!_" zei een stem.

Bij deze woorden zag het drietal elkaar verbaasd aan, want de stem

kwam uit het bidvertrek en kon van niemand anders zijn dan van

Ravenski. Van de oogenblikkelijke verrassing bekomen, wierp Zabern,

een list vreezend, de deur wijd open.

"Maarschalk Zabern," zei Ravenski, "wanneer gij den troon der Prinses

wenscht te beschermen, kom dan geen stap nader. Zie goed wat ik hier

in mijn hand heb."

Het raam van het bidvertrek, dat te voren gesloten was geweest, stond

nu open, en het maanlicht viel op het bleeke gelaat van Ravenski, die

voor het venster stond. In zijn rechterhand hield hij een duif, aan

wier hals een brief was gebonden. Op dit gezicht bleven de drie mannen

onbewegelijk staan, want zij begrepen dat deze vogel een postduif was.

Ravenski's list had dien van Zabern overtroffen, en de Maarschalk

vervloekte het oogenblik van toegevendheid, dat hem deze nieuwe

moeielijkheden berokkend had.

"Zie je wel," mompelde hij tot Katina. "In de politiek is

menschelijkheid een onvergeeflijke fout!"

"Luister!" riep Ravenski, de hand waarschuwend opheffend. "Als ge

een voet verzet, laat ik de duif los. Deze brief bevat een copie van

dien, welken de Maarschalk zich zooeven toeëigende. De Czaar zal

er uit lezen, dat het Charter door Katina Ludovska is vervalscht,

en dat het St. Nicolaas-klooster de bewijzen eener Czernovische

samenzwering bevat."

"Praat niet te lang," zei Zabern met geveinsde onverschilligheid,

"de vijf minuten zijn om."

"Deze duif heeft reeds meermalen in het donker het kamp van den Czaar

bereikt," vervolgde Ravenski. "Wanneer ge me nadert, zal ze den weg

weten te vinden, en Czernovië is verloren. Beloof me mijn leven te

sparen, en ik zweer dat ik van mijn plannen afzie."

Zabern begreep dat er gehandeld moest worden.

"Katina," fluisterde hij, "schiet! Niet Ravenski, maar de duif."

Onmiddellijk weerklonk een schot, gevolgd door een snelle beweging

van Zabern om de duif te grijpen. Maar de kogel had den pols van

Ravenski geraakt, zijn hand liet het dier los, en dit vloog door het

open venster naar buiten. Katina, hoe goed een schutter overigens,

had het doel gemist.

"In hemelsnaam, Katina," riep Zabern, als gek geworden naar het venster

stormend, terwijl hij naar de duif wees, wier witte gedaante duidelijk

tegen de donkere lucht afstak. "In hemelsnaam, schiet!"

De duif, onzeker nog welken weg te kiezen, bewoog langzaam voort in

groote kringen, elk oogenblik stijgend. Katina legde aan, volgde den

vogel in zijn vlucht, en toen zij zeker scheen van haar schot, haalde

zij den trekker over. Een tweede schot weerklonk. Angstig staarde

Zabern naar de duif, hopend haar te zien vallen. Katina hield zich

reeds gereed naar den Hoftuin te snellen en het dier op te rapen. Maar

er fladderden slechts enkele veertjes door de lucht. Katina had opnieuw

gemist en in een rechte lijn vloog de duif voort, een oogenblik later

achter de boomtoppen verdwijnend.

Met een verwensching liet Katina het wapen vallen.

Maar er was geen tijd tot aarzelen. Van de verwarring gebruik

makend, was Ravenski het bidvertrek uitgesneld, naar de deur van zijn

zitkamer. Daar trad Nikita hem met uitgespreide armen in den weg, om

hem den doortocht te versperren. Maar Ravenski, slechts op lijfsbehoud

bedacht, greep met beide handen den zwaren eikenhouten leunstoel,

om er Nikita het hoofd mee in te slaan. Hij hief den stoel op--maar

Zabern was achter hem. Schuimbekkend van woede, geen oogenblik meer

bedenkend dat hij tegenover de buitenwereld den schijn van zelfmoord

had willen bewaren, bracht hij den ongelukkige een sabelhouw toe,

die hem den schedel letterlijk in tweeën spleet.

"Naar de hel, en zeg dat Zabern je gezonden heeft!"

De kerkklokken lieten de vroolijke melodie hooren, die het slaan der

uren voorafgaat. Na een tusschenpoos van plechtige stilte klonk de

eerste slag van middernacht.

"De Kroningsdag!" mompelde Zabern.

"Hoor eens hoe ze juichen," zei Nikita.

Uit elk deel der stad, van wijde pleinen en nauwe straten, klonk het

steeds aanzwellend gejubel der bevolking. De feestdag was aangebroken!

Met een bitteren glimlach blikte Zabern naar het oosten. De hemel

was in die richting roodgekleurd door de talrijke wachtvuren van het

Russische kamp--het kamp waarheen de vlugge duif nu haar weg zocht

met de voor Czernovië zoo noodlottige tijdingen. Hoe lang nog zou

het duren, eer--

Zabern schrikte op.

Boven het juichen der bevolking klonk een onheilspellend, dreunend

geluid door de nachtlucht. De losbranding van een enkel, niet ver

verwijderd kanon.

Zabern begreep bij ingeving de beteekenis.

"Het kanon van de Citadel!" riep hij, de kamer uitsnellend. "Bij alle

duivels--_de Hertog is ontsnapt!_"

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

DE KRONING.

Hoe het kwam dat de Hertog ontvluchtte.--De stoet zet zich

in beweging.--Waar blijft Felix?--Waar blijft Rob?--Het

St. Nicolaas-klooster door de Russen bezet.--De stem van

Orloff.--De Hertog verschijnt.--De Czaar!--Rob brengt het

Charter.--Elizabeth kiest Felix tot kampioen.

De morgen van Elizabeth's kroning brak zoo zonnig en zoel aan, dat

het bijna onmogelijk was op zulk een mooien dag aan de komst van

noodlottige gebeurtenissen te gelooven.

Enkele uren vóor het begin der plechtigheid ontving de prinses haar

Ministers, om nog eenige dingen te bespreken.

Tot nog toe hadden er geen vijandelijkheden plaats gehad. Alle koeriers

kwamen met de tijding terug, dat het Russisch leger de grens niet

dichter genaderd was dan te voren. Niets wees op vijandige bedoelingen,

zoodat sommige Ministers zich zelfs wat gerustgestelder gingen voelen.

Zabern alleen wist maar al te goed, dat er geen enkele reden tot

geruststelling was; niemand beter dan hij kende het gevaar dat

Czernovië bedreigde. Hij had, wat natuurlijk onvermijdelijk was,

de Prinses met den dood van Ravenski in kennis gesteld, maar er van

gesproken als van een moordaanslag, welks daders hij op 't spoor

was. Het leek hem overbodig de Prinses de overige bizonderheden te

vertellen, en ook wilde hij liever het gebeurde met de duif voor haar

verborgen houden. Wanneer de loop der gebeurtenissen haar van alles

op de hoogte bracht, was het nog tijd genoeg; waartoe haar zorg en

haar vrees nog te vermeerderen?

"Bovendien," dacht Zabern, "wat heeft het voor nut, de Prinses al

deze ellende te doen meeleven? Het eind is gekomen, al mijn werken is

vergeefsch geweest, we moeten ons gewonnen geven. Alleen een wonder

kan Czernovië nog redden--laten we in berusting dat wonder afwachten."

Inderdaad, ondanks alles, had Zabern nog hoop. En dat gaf hem de

kracht, ofschoon hij zich somber gestemd voelde, uiterlijk zijn gewone

kalmte en vastberadenheid te bewaren.

Het gesprek der Ministers kwam ook op den moord van Ravenski.

"Een verschrikkelijke en geheimzinnige historie," zei Radzivil. "De

dokters zeggen, dat de houw met een sabel moet toegebracht zijn,

en door een vaste hand, die gewoon is het wapen te hanteeren."

"Dan zal de Hertog van Bora 't wel gedaan hebben," zei Zabern droog.

Radzivil vond de aardigheid ongepast, en vroeg:

"U hebt toch zeker wel een belooning uitgeloofd voor wie de daders

aanwijst?"

"Geen roebel," zei Zabern kort.

"Dat is tegen uw gewoonte!"

"Waarom zou ik een premie uitloven als ik den dader ken? Hij heeft

twee medeplichtigen."

"U kent den dader? En waarom is hij dan nog niet gegrepen?"

"Omdat ik gewichtige redenen heb hem nog ongemoeid te laten."

"Maar als hij ontsnapt?"

"Hij kan me niet ontsnappen. Bij elken pas, dien hij doet, heb ik

hem in het oog. Ik kan elk oogenblik even gemakkelijk de hand op

hem leggen als ik nu bijvoorbeeld de hand op mijn eigen arm leg,"

zei Zabern glimlachend.

Radzivil wilde op een nadere verklaring aandringen, maar Elizabeth,

die het onderwerp onaangenaam vond, verzocht hem over iets anders te

spreken. Nog den vorigen dag had ze met zooveel haat aan Ravenski

gedacht, dat het haar nu toescheen alsof ze daardoor alleen mede

schuld droeg aan zijn dood.

Zabern voelde zulke zelfverwijten niet; het speet hem alleen, dat hij

den Hertog ook niet op die manier van de baan geschoven had. Dan zou

het viertal compleet geweest zijn, want dien morgen had hij gezorgd

weldra bekend te kunnen maken, dat Lipski en Russakoff zich door

ophanging in hun cel van 't leven hadden beroofd.

"U hebt geen berichten omtrent Bora?" vroeg Elizabeth den Maarschalk.

"Nog niet, Hoogheid," antwoordde deze, "maar daar komt iemand, die

u wellicht het geheim kan oplossen.

Aller oogen wendden zich naar een deur, waardoor een onderofficier

met twee soldaten binnenkwam, in wier midden Miroslav, de Commandant

der Citadel, zich bevond.

"Ik heb uw opdracht uitgevoerd, Excellentie," zoo richtte de

onderofficier zich tot Zabern. "De Commandant werd gegrepen, juist

toen hij de stad wilde verlaten."

"Goed," antwoordde Zabern. "Prinses, de Commandant Miroslav is tot

Uw beschikking."

"Verdedig u!" zei de Prinses streng. "U ontving orders den Hertog

zeer nauwgezet te doen bewaken. Toch gelukte het hem te ontsnappen!"

"Met mijn medeweten, Prinses!"

"Hoe?" riep Elizabeth verbaasd, "met uw medeweten?"

"Ja, Prinses. Ik zal u dat nader verklaren. Gisteravond werd mij gemeld

dat er iemand aan de poort stond en mij spreken wilde. Ik liet vragen

wie hij was. Daarop gaf hij mijn boodschapper een briefje in gesloten

couvert mee. Hier is het."

Elizabeth nam het aan. Zij las de enkele woorden die er op stonden,

en gaf het toen met een ontsteld gelaat aan Radzivil. Onder een

doodsche stilte lazen ook de overigen het briefje, dat van den

volgenden inhoud was:

"Ik gelast u den Hertog van Bora in vrijheid te

stellen. Weigering kost u het leven.

Alexander."

"Toen ik de onderteekening zag," vervolgde Miroslav, "gelastte ik den

bezoeker onmiddellijk binnen te laten. Toen hij zijn mantel opensloeg,

herkende ik dadelijk den Czaar.

"Is het bevel tot invrijheidstelling al gegeven?" waren zijn eerste

woorden. Tevergeefs verklaarde ik daartoe alleen door de Prinses

gevolmachtigd te kunnen worden. De Czaar gelastte mij, als Suzerein

van Czernovië, aan zijn bevel te voldoen."

"En u erkende die Suzereiniteit?" vroeg Elizabeth verachtelijk.

"Hoogheid, ik was zoo onder den indruk der Keizerlijke tegenwoordigheid

en van zijn autoritair optreden; de gedachte aan zijn macht en de

angst voor mijn leven hadden zulk een overwicht op me, dat ik niet

anders dan gehoorzamen kon. De Maarschalk zelf zou in mijn geval niet

anders gedaan hebben."

Zabern lachte minachtend.

"Ik bracht den Hertog binnen, en de Czaar verliet met hem de citadel,

ik weet niet waarheen. Uwer Hoogheids toorn vreezend, besloot ik uit

het land te vluchten. Ik geef me aan Uw genade over."

"Het was uw plicht," sprak Elizabeth, "uw gevangenen te behouden,

zelfs waar het uw leven gold. Door bevelen van een ander dan van mij

aan te nemen, hebt ge verraad gepleegd."

En zich tot den onderofficier wendend, vervolgde ze:

"De Commandant blijft in het Paleis, totdat de kroning afgeloopen

is. Daarna zullen we verder zien. De Minister van Justitie wordt

verzocht de zaak aanhangig te maken."

"De ezel!" mompelde Zabern. "Waarom liet hij den Czaar niet

onmiddellijk opsluiten! Niemand schijnt tegenwoordig meer te durven!"

De soldaten verlieten met hun gevangene het vertrek.

"De Czaar in 't geheim binnen onze stad!" mompelde Radzivil. "Wat

zou zijn doel zijn?"

"Niet veel goeds, Graaf!" zei Elizabeth.

Het geheime bezoek van den Czaar aan Slavowitz, en zijn gelukte poging

om den Hertog in vrijheid te stellen, maakten een ontmoedigenden indruk

op de Ministers. Zouden ze een kroning of een onttroning bijwonen? Zou

de plechtigheid eindigen met een triomf voor de Russische partij? Met

een gevoel van medelijden zagen ze naar hun jonge heerscheres, die

echter niets verried van hetgeen in haar omging. Zij begrepen dat,

zoo de Prinses vallen zou, haar val een waardige zou zijn, die zelfs

haar tegenstanders met eerbied zou vervullen.

Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië · 第 23 / 27 段