ga, maar jij moet blijven. Bedenk dat je als Vorstin niet aan
je zelf, maar aan je volk toebehoort. Als je Czernovië verlaat,
geef je den Hertog de kroon, die hij door list en verraad tracht
te bemeesteren. Laat dien verrader niet slagen. Geef je vaderland
niet over aan zijn tirannie. Dat staat gelijk met de totale triomf
van Rusland."
"Die is toch niet ver meer," zei Elizabeth bitter. "Onze gezanten
te Berlijn en te Weenen meldden ons, dat Rusland door Oostenrijk en
Duitschland is gevolmachtigd naar eigen inzichten met Czernovië te
handelen. De annexatie staat voor de deur."
Opeens vormde zich een plan in Felix' hoofd. Misschien kon deze
onverwachte verbanning hem van nut zijn. De raadselachtige woorden die
Rob dezen avond gesproken had, kwamen hem te binnen, en het was hem
of het besluit, waarbij hem het verblijf in Czernovië ontzegd werd,
in verband met die woorden een bizondere beteekenis kreeg. Hij was
immers verantwoordelijk voor zijn jongen vriend: hij zou hem niet
alleen laten gaan. Ook tegen Rob's wil zou hij hem vergezellen.
"Toch zal ik gaan," sprak hij. "Er is een kans, dat Czernovië de
Russische wapenen nooit meer te vreezen zal hebben. Die kans is gering,
maar beter te wagen en te mislukken, dan nooit iets te wagen. Lukt
het plan, waarop ik doel, dan zal het Ministerie me bij terugkomst
misschien met vriendelijker oogen aanzien."
Ofschoon Felix zich niet nader over zijn plan wilde uitlaten, toonde
hij zooveel vertrouwen in de toekomst, dat Elizabeth ten slotte voor
zijn aandrang bezweek en beloofde in zijn wil te zullen berusten.
Nog langen tijd zaten ze bijeen, geen van beiden den moed voelend
tot de scheiding. Maar eindelijk scheurde Felix zich los, en met een
hoopvol: "tot weerziens" verliet hij Elizabeth, om zich in zijn kamer
in het Paleis voor zijn vertrek gereed te maken.
In de vestibule ontmoette hij Zabern, die hem vroeg:
"Dus gaat ge Czernovië verlaten?"
"Het Ministerie wenscht het."
"Maar ge moet terugkomen."
"Wanneer?"
"Op den vooravond der kroning."
"Waarom op dien dag?"
Zabern keek voorzichtig om zich heen, en fluisterde daarna Felix iets
in 't oor.
"Is dat dus het plan van den Hertog?" vroeg deze verrast.
"Dat is het. En gij alleen kunt het verijdelen. Dus ge zult er zijn?"
"U kunt op mij rekenen, Maarschalk."
"Goed. Ik verzeker u--_wij_ zullen het laatst lachen. Nog éen ding. Kom
morgenochtend, voor ge vertrekt, in mijn studeerkamer."
Felix beloofde te komen, en zocht zijn kamer op, waar hij, na zijn
koffer te hebben gepakt, vermoeid in slaap viel.
Den volgenden morgen vond Felix Zabern en Rob in het studeervertrek
van den Maarschalk.
"Vóor dat ge vertrekt, meneer de Secretaris," zei Zabern, "wilde
ik u nog een verrassing bereiden. U moet weten dat ik sedert eenige
weken in drukke correspondentie ben met het Turksch Ministerie van
Buitenlandsche Zaken, en wel over de volgende kwestie. Men heeft
bij Midia, in het begin van den Dardanellen-Oorlog, acht Engelsche
krijgsgevangenen gemaakt, die met een luchtballon aan de kust waren
neergedaald en die men voor spionnen hield."
Felix hield met moeite een uitroep van verrassing binnen, en zag Rob
aan, wiens gezicht echter onbewegelijk bleef.
"Ik sprak van Engelsche gevangenen," vervolgde Zabern, "maar het
schijnt dat het met de opgave der nationaliteit, welke de gevangenen
deden, niet in den haak was. Twee hunner, over wie straks nader,
herkregen hun vrijheid, maar de andere zes, wier papieren op Engelsche
afkomst wezen, hield men in bewaring. Den eersten tijd, toen de
oorlog de handen vol gaf, bekommerde men zich weinig om het zestal;
later echter, toen er tusschen de Engelsche en Turksche Gouvernementen
over uitwisseling van krijgsgevangenen werd onderhandeld, bood men de
zes genoemde personen aan in ruil voor den Turkschen generaal Ben Ali
Pacha. Toen bleek, dat de Engelsche papieren niet in orde waren en
toebehoord hadden aan reeds lang overleden Engelschen. De gevangenen
vielen door de mand, en bekenden Hollanders te zijn. Ook deze bewering
bleek bij onderzoek onjuist; daar men echter de zes mannen, met wie
men eigenlijk geen raad wist, kwijt wilde zijn, werd het onderzoek
naar hun herkomst nader voortgezet. Het lag voor de hand, dat men ook
in Czernovië informeerde, omdat dit een Hollandsch-sprekende bevolking
heeft. Door een toeval werd het schrijven van den Turkschen Minister,
bij afwezigheid van onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, aan mij
ter afdoening in handen gegeven. Ik zou misschien zooveel beteekenis
niet aan de zaak hebben gegeven, als niet het Turksche schrijven
ook sprak van de twee mannen, die in vrijheid gesteld waren omdat
hun papieren in orde waren en zij Hollanders bleken te zijn. Hun
signalement paste volkomen op u beiden. Ge begrijpt dat mijn lust
tot naspeuren en spionneeren hier een ruim veld vond."
Zabern zweeg een oogenblik, en vermeide zich in de verbazing van Felix,
die een poging deed om het geval te verklaren.
"Doe geen moeite, waarde Van Stralen," zei Zabern lachend, Felix nu
bij zijn waren naam noemend, "ik ben reeds volkomen ingelicht. Mijn
jeugdige Secretaris"--op Rob wijzend--"heeft geen geheimen voor me;
hij meende me uw geschiedenis in haar geheel te moeten vertellen,
en ik geloof dat hij daar goed aan gedaan heeft."
"Ik geloof het ook, Maarschalk," zei Felix. "U hebt ons zoo dikwijls
uw vertrouwen getoond, wij willen nu ook u de bewijzen van het
onze geven."
"U begrijpt," ging Zabern voort, "dat veel mij nu duidelijker is
geworden. Ook waarom u zulk een goed Czernoviër bent geworden. En u
zult het met me eens zijn, dat deze ontdekking van grooten invloed
op de hangende gebeurtenissen kan zijn. U hadt gelijk met tot nog toe
de geheele geschiedenis geheim te houden; in uw tegenwoordig karakter
kunt u de belangen van den Staat ongetwijfeld het beste dienen. Nu het
echter tusschen u en den Czaar een kwestie is geworden om het bezit
van de Prinses, zal het een groote factor in uw belang zijn, wanneer
het patriottisch gedeelte der bevolking op het beslissend oogenblik
in u den kleinzoon van den stichter der Republiek herkent, en den
rechtmatigen regeerings-pretendent, en als 't weet dat uw verloving
met de Prinses reeds van uw jeugd dateert. Dit alles versterkt nog mijn
hoop op de toekomst. Maar nu moet ik u nog vertellen hoe het met uw zes
vrienden is gegaan. Mijn Secretaris verzocht me hun invrijheidstelling
tot elken prijs te bewerken. Met behulp van officiëele papieren--het
papier is geduldig onder Zabern's hand!--bewees ik dat de Turksche
krijgsgevangenen Czernovische onderdanen waren, en verzocht daarom
hun uitlevering. Deze werd toegestaan."
Zabern klapte in de handen, een deur ging open, en--daar traden ze
binnen! La, Lo, Mu, Naf, Nef en Nof!
Men kan zich de vreugde van het weerzien voorstellen. Men drukte
elkaar wederzijds de hand, vertelde honderd uit, en moest ten slotte
door Zabern tot rede gebracht worden, die er op wees dat het reeds
naar den middag liep.
La was de eerste, die aangaf wat er nu te doen stond. Hij wist
dat Felix weer voor eenigen tijd afscheid moest nemen, en was van
oordeel dat deze zelf het best kon beoordeelen hoe en waar hij
dien tijd wilde doorbrengen, zoodat hij geheel vrij moest blijven
in zijn handelingen. Wat hemzelf en zijn vijf lotgenooten betrof,
hun bestemming was als vanzelf aangewezen. Ze zouden zoo spoedig
mogelijk en met de snelste vervoermiddelen hun schuilplaats in de
Himalaya opzoeken. Daar zou hun eenige en onverpoosde arbeid zijn:
het vervaardigen van een nieuwen, maar nog machtiger en vernuftiger
ingerichten "Vogel"!
Opnieuw bewonderde Rob de energie en het idealisme van La, die na al
zijn teleurstellingen opnieuw zichzelf, zijn kennis en zijn fortuin
in dienst van de wetenschap en het vaderland stelde. Ja, met zulke
mannen kon een land tot bloei gebracht worden; hij voelde het: de
terugkeer van La en zijn metgezellen beteekende de terugkeer van
Czernovië's bloei en grootheid, met hen zou de victorie beginnen!
"Heeft men hier niets van jullie terugkomst gemerkt?" vroeg Felix.
"Niets. We zijn gisteren middag ongemerkt binnen het paleis gebracht,
niet waar Maarschalk?"
"Als galeiboeven!" lachte Zabern. "In een gesloten dievenwagen! Maar
ik meende er u een dienst mee te bewijzen."
Daarmee was men 't eens. Voorloopig bleef geheimhouding gewenscht,
en daarom besloten de zes mannen dan ook spoedig en onbemerkt te
vertrekken. Zij namen afscheid, en enkele uren daarna vernam het
Ministerie dat de Secretaris der Prinses Czernovië had verlaten, zonder
dat iemand, ook Elizabeth niet, wist waarheen hij vertrokken was.
Even nadat Felix van den Maarschalk afscheid genomen had, liet deze
vergeefs een paar malen zijn Secretaris, die zijn vriend uitgeleide
gedaan had, verzoeken bij hem te komen.
Men zocht in Rob's kamer, in de Paleistuinen--maar Rob was niet
te vinden.
Ofschoon dit den Maarschalk verwonderde, daar Rob wist dat zijn
diensten dien dag nog verlangd konden worden, en de jeugdige Secretaris
overigens het voorbeeld zelve van stiptheid was, dacht hij er verder
niet over na, vertrouwende dat het geval zich zoo aanstonds wel
ophelderen zou.
Terwijl hij echter op zijn schrijftafel eenige brieven rangschikte,
viel zijn oog op een couvert, waarop in Rob's handschrift zijn adres
was gesteld.
Den brief openend, las hij tot zijn verbazing het volgende:
"Excellentie,
"Ik heb een plan gevormd in het belang van Czernovië. Vergeef
me dat ik u den inhoud niet meedeelde en zonder uw toestemming
vertrek. Ik heb daar ernstige redenen voor, die ik u--zoo ik
in leven blijf--later zal mededeelen. Hoe ook de uitslag zij,
deze zal bewijzen dat ik de Prinses, het vaderland en u,
Maarschalk, getrouw ben geweest.
"Ten einde geheel vrij in mijn handelingen te zijn, geef
ik u in overweging mijn afwezigheid te verklaren door een
diplomatieke zending uwerzijds.
Robert Rensma."
Zabern's verbazing duurde nooit lang, en ook ditmaal nam hij de
omstandigheden weldra voor wat ze waren.
"Mijn menschenkennis moet me al zeer bedriegen," sprak hij tot
zichzelf, "als die jonge Hollander niet drommels goed weet wat hij
doet. Ik zal hem z'n gang laten gaan. Wie zal zeggen wat hij nog
voor wonderen weet te bewerken? Want 'n wonder hebben we noodig om
Czernovië te redden. Het beste is, hier maar niet al te zeer op te
rekenen--dan kan 't niet anders dan meevallen!"
Dienzelfden avond was er opnieuw een vergadering van den Ministerraad,
door Elizabeth gepresideerd. Het gold de bespreking van een schrijven,
door de Russische Regeering gezonden, en waarin de ceremoniën
omschreven werden die men bij de kroningsplechtigheid wilde zien in
acht nemen.
Het schrijven behelsde tot in details alle bizonderheden, waaronder er
waren van zulken zonderlingen, verouderden aard, dat Elizabeth er eerst
om geglimlacht had en er daarna eenigszins mee verlegen was geweest. Ze
had zich een eenvoudige kerkelijke kroning voorgesteld, waarbij de
eed op het Charter al de voornaamste plechtigheid zou uitmaken, en nu
verraste het Russisch schrijven haar met een menigte voorschriften,
waarvan de meesten op oude overleveringen en bijgeloovige gebruiken
berustten.
Zabern had de schouders opgehaald, toen Elizabeth hem vroeg wat hij
er van dacht.
"Ik ken die kronings-formulieren," zei hij, "Rusland schrijft ze
altijd voor bij dergelijke gelegenheden; soms, als de betrokken
persoon voor die middeleeuwsche gebruiken voelt, volgt men ze op,
maar doorgaans wordt er de hand mee gelicht. We zullen zien wat de
Ministerraad er van zegt."
Het stuk werd in den Raad voorgelezen; er werd bepaald welke personen
met de leiding van het geheel en die der onderdeelen zouden worden
belast, en daarna kwamen de voorgeschreven gebruiken ter sprake.
Onder meer was bepaald, dat er een zoogenaamde kampioen moest worden
aangewezen, die, vóor de Prinses de kroon ontving, zich voor den troon
moest opstellen, een handschoen neerwerpen, en ieder die de Prinses
het recht op de kroon zou willen betwisten, tot een gevecht uitdagen.
"Natuurlijk," zei Radzivil, nadat hij dit had voorgelezen, "is dit
niets dan een vorm, wordt er slechts een symbolische handeling
mee bedoeld. Daar de Czaar zelf uw kroning wenscht, zal geen
Russisch-gezinde er zich tegen verzetten, en de Czernoviërs zullen
het natuurlijk nog minder doen."
"Maar als het slechts een vorm is," zei Elizabeth met een medelijdenden
glimlach, "zouden we dan zulk een kinderachtig oud gebruik niet
achterwege laten?"
Dit voorstel vond eenige tegenkanting bij Ravenski en de andere
verdachte leden van het Kabinet, die van oordeel waren dat de wil
van den Czaar tot in kleinigheden moest worden uitgevoerd.
"Maar wat zouden daar dan de gevolgen van zijn?" riep Elizabeth. "Stel,
dat iemand zoo dwaas is den handschoen op te rapen en de uitdaging aan
te nemen, dan moet volgens de letter der voorschriften het gevecht
plaats hebben. Maar als nu de kampioen valt, zou dan de Prinses van
haar waardigheid afstand moeten doen? Dat is toch al te dwaas!"
Men scheen dit in te zien, ofschoon Zabern tot Elizabeth's verbazing
zich met geen enkel woord in de discussie mengde, en ten slotte kwam
men overeen onder meer ook dit gedeelte van de kroningsplechtigheid
te doen vervallen.
Nadat nog verscheiden andere zaken waren geregeld, die de kroning
betroffen, ging de vergadering uiteen.
Eenige tijd ging nu zonder bizondere voorvallen voorbij.
Twee dagen voor de kroning echter ontving Elizabeth een bezoek van
Ravenski. Deze verrader had haar geruimen tijd met rust gelaten,
maar alleen om daarna met te meer zekerheid zijn slag te slaan.
Met een brutaliteit, sommige laffe menschen eigen, kwam hij op
zijn vroegere voorstellen terug. Hij wees er op, dat men in Rusland
Elizabeth's weigering om den Hertog van Bora te huwen, schijnbaar
zonder protest had aangenomen, maar hij waarschuwde haar dat de Czaar
zich voorbereidde haar voor die daad te doen boeten.
"Reken er op Prinses, dat uw kroningsfeest een doodsfeest zal worden,
zoo ge uw weigering niet intrekt. Door openlijk te erkennen, wat tot
nog toe door middel van mijn fonograaf alleen mij bekend was, hebt ge
mijn plan met de drie gezegelde pakketten van nul en geener waarde
gemaakt. Ik heb mij daardoor echter niet laten overbluffen. Alle
maatregelen tot uw ondergang zijn getroffen. Daarom vraag ik u voor
de laatste maal: doe afstand van de regeering, volg mij als mijn
vrouw--het is het eenige middel om uw leven te redden."
Opnieuw wees Elizabeth zijn beleedigend voorstel van de hand, en
beval den Minister zelf onmiddellijk te vertrekken, wilde hij niet
door haar lijfwacht gearresteerd worden.
Maar Ravenski beantwoordde haar bedreiging met een smalenden glimlach.
"Arresteer mij, Prinses," zei hij, "maar weet dat, zoodra mijn
gevangenneming bekend wordt, een mijner handlangers den Czaar het
bewijs levert, dat het Charter, waarop ge uw kroningseed zult zweren,
valsch is. Daarmee zal de annexatie een voldongen feit zijn."
"Het Charter valsch! Ge weet niet wat ge zegt. Goed, lever dat bewijs
als ge kunt! Het zal u niet gelukken. Ik spot met uw bedreigingen,
die slechts dienen om mij een ongegronde vrees aan te jagen, En
nu nogmaals: ga heen, of de grenadiers van mijn lijfwacht zullen u
gehoorzaamheid leeren!"
Met den smalenden glimlach nog op de lippen ging Ravenski zwijgend
heen.
Toen hij vertrokken was, voelde Elizabeth zich onwillekeurig onder
den indruk van zijn woorden. Aan den eenen kant wist ze, dat hij
haar slechts angst wilde aanjagen, want er was immers geen sprake
van: het Charter, echt en onvervalscht, berustte veilig en wel in
de Bank. Aan den anderen kant echter miste ze den moed Ravenski voor
zijn beleedigend gedrag te doen straffen; hij had zoo dreigend en met
zulk een zekerheid gesproken, dat ze niet nalaten kon een verborgen
beteekenis aan zijn woorden te hechten. Zou er misschien inderdaad met
het Charter iets niet in orde zijn? Waarom, zoo herinnerde zij zich
nu, had Zabern er zoo op aangedrongen, dat ze Orloff dit document in
geen geval toonen zou?
Ze besloot den Maarschalk in dezen twijfel om raad te vragen.
Een onverwachte gebeurtenis kwam echter dit voornemen op den
achtergrond dringen.
In den vroegen morgen van den dag die aan de kroning voorafging,
lieten Radzivil en Zabern zich bij de Prinses aandienen.
"Hoogheid," zeide de Premier, "een Russisch leger van honderdduizend
man trekt samen bij Zamoska."
Zamoska, geen zes mijlen van de Czernovische grens!
"Een Russisch leger bij Zamoska?" herhaalde Elizabeth.
"En aangevoerd door den Czaar in persoon."
"Wat heeft de Czaar voor met een revue over zijn troepen zoo dicht
bij onze grenzen?"
"Toen het nieuws ons gisteravond bereikte," vervolgde Radzivil,
"wilden we U niet in Uw slaap storen. Ik veroorloofde me daarom uit
Uw naam den Czaar opheldering te doen vragen omtrent dit verzamelen
van troepen bij onze grens."
"Daar deed ge goed mee. Is de boodschapper terug?"
"Zoo juist. Hij ontving als verklaring het bericht dat enkele Russische
afdeelingen zich bij Zamoska vereenigden voor de herfstmanoeuvres."
"U gelooft dat toch niet?" vroeg Elizabeth aan Zabern.
"Zeker niet, Prinses. Ge zult U op het ergste moeten voorbereiden. Naar
mijn overtuiging maakt de Czaar zich gereed U na Uw kroning met geweld
van wapenen den volgenden eisch te stellen: den Hertog van Bora te
huwen. Ge weet wat dit beteekent en waarvan dat huwelijk het voorspel
zou zijn."
"Maar met welk recht wil de Czaar dien eisch stellen!" riep Elizabeth
met fonkelende oogen. "Met welk recht?"
"Met het recht, dat de heele wereld erkent: het recht van den
sterkste. De diplomatie heeft gefaald--nu zal het kanon spreken. En
Prinses, wanneer de Russen onzen grond betreden--?"
"Dan zullen we ze met de wapenen ontvangen!"
"Maar, Hoogheid," zei Radzivil bedrukt, "welke kans hebben wij om ze
te verslaan?"
"Een zeer kleine," antwoordde Elizabeth, "maar wat zoudt ge dan
willen? Dat ik me op de knieën voor den veroveraar wierp, den slag
afwachtend? Nooit! Zoo lang me een man en een geweer overblijft,
zoo lang zal ik tegenstand bieden!"
"Wil Uwe Hoogheid het Kabinet en de Kamer niet bijeen roepen?" vroeg
de Premier.
"Om naar lafhartige of verraderlijke raadgevingen te
luisteren? Neen. Maarschalk, geef onmiddellijk bevel, dat onze troepen
de grens bezetten. Neem alle maatregelen die ge voor de verdediging
van het land noodig oordeelt."
"Wenscht Uwe Hoogheid de kroning uit te stellen?" vroeg Radzivil.
"Alsof we bang waren? Neen. Geen uitstel. Na de plechtigheid zal ik
het leger gereed vinden en mij aan het hoofd er van stellen. En nu--te
wapen! Een Oud-Hollandsche Republiek valt niet zonder slag of stoot!"
"Het is de geest van Uw voorouders die spreekt," zei Zabern. "Prinses,
waarom zijt ge niet als man geboren!"
"Een vrouw die _wil_, Maarschalk, staat in niets achter bij den man!"
VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
DE VOORAVOND VAN DE KRONING.
Het Russische leger komt nader.--Ravenski hernieuwt zijn
bedreigingen.--Elizabeth ontvangt een bezoek van den Hertog
van Bora.--De drie verraders geknipt.
De toebereidselen tot de kroning waren gereed; de laatste vlaggestok,
de laatste eereboog was opgericht; de stad was vroolijk versierd met
bloemen en kleurige lampions.
Vreemdelingen en landvolk uit de omgeving liepen bewonderend door de
stad, en telkens werd Elizabeth door hun geestdriftige kreten op het
balkon geroepen.
De vroolijk-versierde stad vormde een vreemde tegenstelling met de
komende onheilen. Elizabeth voelde dat:
"Zoo heeft menige stad er uitgezien aan den vooravond van haar val,"
sprak ze bij zichzelf, zich steeds ongeruster makend over de inkomende
berichten, en verwonderd, neen beangst door het uitblijven van elke
tijding betreffende Felix. Wanneer hij een plan had tot redding van
Czernovië, dan was 't nu tijd dat uit te voeren!
Elk uur brachten koeriers haar tijding aangaande de bewegingen bij
de grens. Vroeg in den morgen was het Russische leger opgebroken,
het lag nu ongeveer een mijl van de grens. Telkens reden Kozakken,
op hun vurige kleine paarden, in galop uit de linie, de Czernovische
schildwachten door hun kreten als het ware tot vuren uitlokkend. Op
heuveltoppen zag men Russische officieren staan, die door hun kijkers
het omliggende terrein waarnamen.
Twee boden, door Elizabeth afgezonden om in het Russisch kamp de
reden van dit alles te vragen, waren niet teruggekomen.
Men was in Czernovië gereed. Twaalfduizend man hadden de grensforten
en hun tusschenliniën bezet, elk kanon stond gereed de toegangswegen
tot Czernovië te bestrijken. De overige achtduizend man moesten in
Slavowitz blijven, daar Zabern elk oogenblik gereed wilde zijn het
te verwachten oproer te onderdrukken.
Het was een spannende tijd. Vijanden binnen en buiten; een leger,
dat in aantal verreweg het eigen overtrof, lag zoo dicht bij de
grens, dat elk bij toeval of door kwaadwilligheid afgegaan schot de
vijandelijkheden kon openen.
Elizabeth overdacht dit alles in een sombere stemming, toen zij bericht
ontving dat de Hertog van Bora in het Paleis was en haar verzocht
te spreken. Ze was op zijn komst niet onvoorbereid, en haar gelaat
stond vastbesloten toen zij de trap afging naar het Witte Salon,
waar de Hertog wachtte.
Onderweg kwam zij Zabern tegen.
"De Hertog is er!" fluisterde zij.
"Alles is gereed," antwoordde de Maarschalk.
Toen Elizabeth de Witte Zaal binnenkwam, boog de Hertog met een
glimlach van kwalijk verborgen triomf. Hij voelde zich volkomen
veilig bij de gedachte, dat de Russen in de nabijheid waren, en hij
kwam nu als een soort veroveraar zijn voorwaarden stellen, meenend de
Prinses onderworpen en geheel onder den indruk der gebeurtenissen te
vinden. Maar het spel dat hij speelde, bewees wel dat zijn diplomatieke
gaven niet zeer groot waren.
"Ik ben gekomen," begon hij, zonder zich door haar koel optreden te
doen afschrikken, "om u aan een belofte te herinneren die ge mij zoo
dikwijls deed--de belofte om mijn vrouw te worden."
Elizabeth antwoordde niet, zag hem alleen met een verachtelijken
blik aan.
"Het is waar," vervolgde Bora luchtig, "dat ge mij op dat punt uw
zoogenaamde eindbeslissing eenigen tijd geleden al meedeelde. Maar de
loop der gebeurtenissen doet een mensch zoo vaak zijn aanvankelijke
besluiten herroepen."
"En waarom meent ge, dat de gebeurtenissen dit thans zouden doen?"
Bora glimlachte geheimzinnig:
"Ik wil alleen zeggen, dat ge u een weigering van mijn aanzoek zeer
zult berouwen."
"Ge ontwijkt mijn vraag. Dan zal ik ze beantwoorden. Gesteund door
den Czaar, hoopt ge over Czernovië te regeeren. Niet mij--mijn
positie alleen wenscht ge te bezitten. Ge streeft naar den troon
van Czernovië, wel wetend dat ge die het zekerst en het rustigst
zult bezitten door mij tot uw vrouw te maken. Heb ik uw lafhartige
drijfveeren goed doorzien?"
De Hertog zag nu zijn dwaling in; hij had verwacht de Prinses angstig
en onderworpen te vinden; in plaats daarvan maakte haar streng optreden
hem eenigszins ongerust. Hij deed echter een laatste poging om haar
vrees aan te jagen, en zei trotsch:
"U wijst mijn aanzoek af? Goed! Dan is dit onderhoud geëindigd."
En na een vluchtigen groet ging de Hertog naar de deur. Elizabeth
bewoog zich niet, liet hem rustig gaan. Hij rukte driftig de deur
open, maar deinsde op het zelfde oogenblik terug: de mondingen van
drie revolvers hadden hem aangegrijnsd.
Snel sloot hij den toegang tot de Witte Zaal weer.
"Dat is verraad, Prinses!" riep hij woedend. "Dat is sluipmoord! Laat
me door!"
En, om zich heenziend, snelde hij naar de breede glazen tuindeuren,
waardoor men het terras bereikte. Hij had den deurknop nog niet
gegrepen of vier grenadiers kruisten de bajonetten en versperden hem
bij voorbaat den doortocht.
"Ga zitten, Hertog, doe toch geen vergeefsche moeite," zei Elizabeth
kalm. "Er zal u geen kwaad geschieden; ik wensch slechts dat ge
wachten zult tot ik uitgesproken heb."
Onwillig nam de Hertog weer plaats.
"Waarom," vroeg Elizabeth, "hebt ge me sedert een jaar met betuigingen
van liefde, met huwelijksaanzoeken beleedigd?"
"Beleedigd? Waartoe dat woord?"
"Omdat ge intusschen in 't geheim met mijn vijanden samenspande."
"Ge hebt naar de woorden van Zabern geluisterd!"