Hongaarsche wals naar buiten ruischte, "dan mag de Prinses dansen,
als Zabern de wacht houdt. Secretaris--uw arm. Ik beloofde u een
dans, en ik zal mijn woord houden. Maar wil eerst deze papieren van
mij overnemen, Maarschalk; het zou gevaarlijk zijn als ik ze op den
dansvloer liet vallen!"
En Elizabeth, den Maarschalk de documenten overhandigend die zij
zooeven had ontvangen, ging aan Felix' arm naar de balzaal.
Dit gunstbetoon aan haar Secretaris deed Radzivil en Dorislas een blik
van verwondering wisselen, maar eer zij er verder over konden nadenken,
werd hun aandacht getrokken door een rumoer van verscheiden stemmen,
dat uit de richting kwam tegengesteld aan die welke de prinses had
ingeslagen.
De drie Ministers zagen een groep gemaskerden op zich toekomen,
dames en heeren, in fantastische costuums gekleed, en blijkbaar in
de vroolijkste stemming, daar ze luid lachten en praatten.
"Wie is dat nu?" vroeg Radzivil, naar een forschgebouwde gestalte
wijzend, die als Peter de Groote was gekleed.
"Een barbaar, die een anderen barbaar naäapt," zei Zabern, den
bedoelden persoon herkennend.
"De Hertog van Bora?"
"Juist, en omringd door zijn gunstelingen en satellieten, juichend
om het onbetwijfeld succes van Lipski's wet, waarvan ze den val
der Prinses verwachten. Laat ze lachen. Over enkele dagen zullen ze
huilen. We zullen onze maskers afdoen en ze aan het praten brengen;
ik ben benieuwd wat ze te vertellen hebben."
Toen de Hertog en zijn vrienden naderden, ontmaskerde het drietal
zich. Bora herkende hen en kwam naar hen toe, blijkbaar zich spitsend
op de verslagenheid der Ministers.
"Dat is een leelijke knauw voor de Prinses, Maarschalk," zei de Hertog
brutaal, terwijl hij een sigaret opstak. "De wet-Lipski gaat er zeker
door." I
"Door? O heden neen. Niets daarvan!" zei Zabern allervriendelijkst.
"Wat?" riep Bora, onder het gelach van zijn aanhangers. "Denkt u dat
ze allemaal zullen stemmen als u? Zelfs de heftigste patriotten zijn
er vóor!"
"Zoudt u denken?" vroeg Zabern koeltjes. "Het Huis zal voltallig zijn,
honderdtwintig leden. Nu, ik waag me aan de voorspelling, dat er een
getal van zeventig leden zal gevonden worden om de wet te verwerpen."
"Dus met twintig stemmen meerderheid voor het Ministerie?"
"Juist. Twintig stemmen."
Bora lachte luidkeels.
"Ik zou wel eens willen weten, wat u daaronder verwedden wilt!"
"Elke som die u wenscht te noemen."
"Ik zet vijfduizend roebels tegen!" zei de Hertog.
"O, Uwe Genade! Als u zoo zeker is van uw slag, geef uzelf dan een
grooter kans," zei Zabern bescheiden.
"Wel, dan verdubbel ik het bedrag. Tienduizend roebels, dat de
tegenstemmers beneden de zeventig blijven."
"Dezelfde som, als het Ministerie geen zeventig stemmen aan haar
kant heeft!"
"Aangenomen!"
"Dat zou ik wel graag op papier hebben," zei Zabern.
Terwijl ten overstaan der wederzijdsche getuigen de overeenkomst op
schrift werd gesteld, richtte Radzivil zich op verontwaardigden toon
tot den Hertog.
"En u gaat dus een weddenschap aan op een maatregel, waarvan u weet
dat hij de Prinses onaangenaam is?"
Bora haalde de schouders op.
"Och, over deze wet kunnen de beste vrienden van meening
verschillen. Denk er aan," zoo wendde hij zich opeens tot Zabern,
"dat er niet ondershands gewerkt moet worden om de wet te doen vallen,
of mijn weddenschap wordt krachteloos verklaard. Geen omkooperij van
de zijde van het Ministerie."
"Omkooperij laten we aan Lipski over, en aan zijn lastgever Orloff,"
zei Zabern. "Of moet ik 't in het meervoud zeggen: zijn lastgevers?"
Bora maakte even een verschrikte beweging.
"Ge ziet, waarde Hertog," zei Zabern luchtig, "dat we op de hoogte zijn
van wat er achter de schermen omgaat. Orloff trekt aan de touwtjes
in zijn paleis te Warsim, en de poppen in de Kamer van Slavowitz
dansen. De volgende week zult ge _mij_ aan de touwtjes zien trekken!"
De Hertog werd eenigszins ongerust door de zekerheid waarmee Zabern
sprak, en de juistheid waarmee hij scheen ingelicht. Zou die man
opnieuw over hem triomfeeren?
"Ge durft heel wat zeggen, Maarschalk," sprak hij dreigend, "maar ik
denk dat ik mijn roebels zal winnen!"
Met deze woorden ging hij heen, door zijn gezelschap gevolgd.
Toen hij weg was, keerde Radzivil zich tot Zabern, en zei verschrikt:
"Het lijkt wel of die Hertog uw beste vriend is! u verraadt hem
alles. Hoe durft u zoo openlijk met hem spreken!"
"Omdat ik zoo zeker van mijn zaak ben," zei Zabern kalm. "En ge
weet, ik houd niet van geheimzinnigheid in de politiek. Ja, ik ben
zoo zeker van mijn zaak, dat ik de Prinses hedenavond een besluit
heb doen teekenen, waarbij de gevangenisstraf, die den Hertog morgen
door de rechtbank voor die duelkwestie wordt opgelegd, bij wijze van
gratie wordt veranderd in vervallenverklaring van zijn waardigheden
als Minister en als Legercommandant. We kunnen nu openlijk optreden. We
zijn niet bang meer voor Rusland, en we behoeven den Hertog niet meer
te sparen. Ook heeft de Prinses hem heden middag ronduit medegedeeld,
dat zij onherroepelijk van een huwelijk met hem afziet. Dat verbaast
u, heeren? U zult u nog veel meer verbazen. De 15de September zal de
val van Bora zijn."
"De 15de September?" zei Dorislas. "Dat is immers de kroningsdag van
de Prinses?"
"Juist," antwoordde Zabern, "de kroningsdag van de Prinses, de sterfdag
van den Hertog, de bevrijdingsdag van Czernovië."
Radzivil en Dorislas zwegen verbaasd, zóoveel orakeltaal ging hun
verstand te boven.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
EEN MOORDAANSLAG OP DE PRINSES.
Rob wordt met een benoeming verrast.--De wapenschouwing.--Twee
schoten op de Prinses.--De daders ontsnappen.--De wet-Lipski
komt in stemming.--De verrassing van Zabern.--De moordenaar
wordt gevat.--De kelder van Lipski.--Zabern schrijft een
brief.--
De dag, waarop in de avondzitting der Kamer over het lot der wet-Lipski
zou beslist worden, en mogelijk dus ook over het lot van Czernovië,
viel toevallig samen met de jaarlijksche wapenschouwing over het
Czernovische leger.
Deze revue had plaats op een groote vlakte, eenige mijlen buiten
Slavowitz, en werd door de Prinses zelf gehouden.
Reeds in den vroegen morgen was men algemeen bezig zich voor te
bereiden voor dit feest. Het was gewoonte dat bijna de geheele
bevolking de revue kwam bijwonen, terwijl zij die 't zich veroorloven
konden in rijtuigen, en voorzien van eet- en drinkwaren, naar het
veld reden. Men mocht dus terecht van een feest spreken.
Ook Rob, die verlangend was dit militair schouwspel van naderbij te
bezien, stak zich al tijdig in de kleeren, bij zichzelf berekenend
hoe hij het meest van den dag zou kunnen profiteeren. Juist wilde hij
op weg gaan, toen een bediende--Rob logeerde nog steeds in het Hotel
Czernovië--hem berichtte, dat een lakei hem, namens den Maarschalk
Zabern, verzocht in het Paleis te willen komen. Benieuwd wat de
Maarschalk verlangde, haastte hij zich naar het Paleis en verzocht
den commandant der wacht, hem bij den Minister van Justitie te doen
aandienen.
Enkele oogenblikken daarna stond hij in het studeervertrek van den
Maarschalk. Deze was bij zijn binnenkomst opgestaan, en kwam hem nu
tegemoet, hem vriendelijk de hand reikend. Nadat hij hem verzocht
had plaats te nemen, zei Zabern:
"Meneer Rensma, ik voel behoefte u nogmaals mijn dank te betuigen voor
de diensten, die u het land bewezen hebt door uw krachten met zulk
succes aan de oplossing van het cijferschrift te beproeven. Zooals
u weldra ervaren zult, hebt u daarmee een nog verdienstelijker werk
verricht dan u zelf wellicht vermoedt. Het zal u later duidelijk worden
waarom ik juist vandaag behoefte gevoel u dien dank te brengen. Er is
bovendien meer wat ik in u meen te moeten prijzen. Ik heb herhaaldelijk
uw handelingen gadegeslagen, en daarbij met vreugde waargenomen,
dat ge alles in het werk stelt om Czernovië te leeren kennen en een
goed Czernoviër te worden."
Hier merkte Rob bescheiden op, dat hij dit zeker niet had kunnen doen
zonder de hulp van den Maarschalk, die hem in staat had gesteld zich
nader te bekwamen als schutter en schermer, die de manége en het
stalpersoneel van het Paleis voor hem beschikbaar had gesteld om
zich in het paardrijden te oefenen, die hem toegang had verschaft
tot alle museums en andere inrichtingen van wetenschap en kunst in
Slavowitz--kortom, zonder wien hij nooit had kunnen doen waarvoor
hij nu lof oogstte.
De Maarschalk vervolgde:
"Ik heb naar een middel gezocht om uw ijver en uw toewijding
te beloonen, en ik meen dat middel gevonden te hebben in het
volgende. Mijn werkzaamheden nemen met den dag toe; ik heb steeds
hardnekkig geweigerd daarbij hulp aan te nemen, ten deele ook omdat
ik in de meesten mijner politieke aangelegenheden geen vreemde oogen
wensch toe te laten. Het werk overstelpt me echter; daarom--wetende
dat ik op uw stilzwijgendheid kan rekenen--noodig ik u uit de benoeming
tot mijn Particulier Secretaris te aanvaarden."
Rob kon zijn ooren nauw gelooven. In den mond van een man als Zabern
namen zulke woorden een zeer belangrijke beteekenis aan, en hij wist
niet wat hij tegenover zulk een groote onderscheiding doen moest. Hij
stamelde zijn dank en drukte de hoop uit, dat hij aan het gestelde
vertrouwen zou kunnen voldoen.
"Aan dat laatste twijfel ik niet!" zei Zabern lachend. "Wanneer
ik je niet vertrouwen kon, waarde Secretaris, had ik dat al lang
gemerkt. Mijn spionnen hebben je nader op de hielen gezeten dan je
zelf ooit wist."
En op een vragenden blik van Rob vervolgde Zabern:
"Ik ga nooit over éen nacht ijs. Zoolang jij en je vriend hier
zijn en ik de overtuiging had dat jullie me van nut konden worden,
heb ik je beiden duchtig laten bewaken. Voor je deur heeft dag en
nacht een van mijn agenten gestaan. Toen ik je het cijferschrift in
handen had gegeven, zou elke verdachte beweging je den hals hebben
gekost! Ja--de oude Zabern is nu eenmaal 'n gevaarlijk heer om mee
om te gaan. Maar als je 't tot z'n Secretaris hebt gebracht--och,
dan zal z'n gevaarlijkheid je nog wel meevallen. Maar we verpraten
onzen tijd. Er is een plaats voor je in een rijtuig, dat met den
stoet van de Prinses meegaat. Hier is het bewijs, dat je aan den
ceremoniemeester moet laten zien, dan is alles in orde. En hier--je
benoeming tot Secretaris, steek die in je zak. Ik had er maar op
gerekend dat je het zou aannemen. Een uniform krijg je ook nog, alleen
'n beetje minder mooi dan die van Van Heelstra. Ja, ja--'t is goed,
hoor; bedank me maar niet. 't Is hoog tijd om te vertrekken."
Tien minuten daarna had Rob het rijtuig gevonden en zette de stoet
zich in beweging naar het paradeveld.
De revue was een schitterend schouwpel, en Felix gaf, tot ingenomenheid
der Prinses, telkens zijn bewondering te kennen.
Een eigenaardig en beteekenisvol onderdeel van dit schouwspel
vormde het St.-Nicolaasklooster, welks achterzijde op de vlakte
uitzag. Elizabeth's landauer stond bijna in de schaduw van zijn grijze
Gothische torens.
Het gezang der monniken, sinds jaren onafgebroken, was duidelijk te
hooren, al mengde het zich met de krijgshaftige geluiden daarbuiten. Om
het klooster liepen langzaam de schildwachten heen en weer, de Prinses
toonend dat er op dit oogenblik een macht bestond, waarvoor haar
wil moest buigen. Deze gedachte stemde haar somber, niettegenstaande
Zabern's verzekeringen dat alles goed zou afloopen; hoe ze ook zon,
ze begreep niet welke maatregelen hij genomen kon hebben om de wet
te doen vallen. Naar haar overtuiging bestond er maar éen middel:
de patriottische afgevaardigden in het geheim te nemen, en hen de
reden mee te deelen waarom de Prinses de wet wilde zien vallen,
hoezeer deze oogenschijnlijk in het belang van Czernovië was. Maar
zou een geheim, aan zeventig personen bekend, nog een geheim zijn? En
bovendien: mocht de gezindheid dier zeventig mannen van elk hunner
als onverdacht beschouwd worden?
Niets had gedurende deze week de meening gewijzigd, dat de Kamer
omtrent de wet van gedachten zou veranderen; integendeel bewees de
toon der debatten dat er slechts een zeer klein aantal tegenstemmers
zou zijn.
Geen wonder, dat Elizabeth, ofschoon zij elk regiment dat voorbij
marcheerde met een glimlach begroette die aller harten won, een
vreesaanjagende moedeloosheid voelde bij de gedachte aan den komenden
avond.
Toen de revue geëindigd was, nam de Prinses met haar gevolg den
terugweg aan. Felix en Radzivil zaten naast elkaar in denzelfden
landauer als Elizabeth, terwijl Zabern daarachter reed aan het hoofd
van een afdeeling huzaren.
Ongeveer een mijl van de paradeplaats af, was de weg over een
grooten afstand met dicht kreupelhout omzoomd. Terwijl het rijtuig
voortreed, zagen de voorrijders twee mannen aan den kant van den weg
op een omgevallen boomstam zitten. Ze zagen er ruw en armoedig uit,
waarschijnlijk kolenbranders of houthakkers; de eene, met een zwarten
baard, hield een krant in de handen en las er blijkbaar uit voor,
terwijl zijn kameraad, een man met een rooden baard, te luisteren
scheen.
Toen de landauer tot op enkele passen van de mannen was genaderd,
sprongen zij met verbluffende snelheid op, en men zag dat de roodbaard
een revolver in de hand hield. Zijn wapen opheffend, richtte hij het
op de Prinses en schoot het zoo snel af, dat de voorrijders zelfs
den tijd misten om een kreet te uiten.
Elizabeth had niets van het dreigend gevaar bemerkt, daar ze met den
Premier in een levendig gesprek was gewikkeld.
Een schot schoot een struisveer van haar hoed in stukken, een tweede
kogel vloog zoo dicht langs haar slaap, dat de wenkbrauw licht
geschroeid werd.
Daarna, als ontsteld over de stoutheid van hun daad, en vreezend
door de huzaren achtervolgd en gegrepen te worden, keerden de twee
mannen zich om, zonder de uitwerking van de schoten waar te nemen,
en stortten zich in het kreupelhout, juist toen Zabern's stem een
donderend: "Vuur!" commandeerde.
Een twaalftal karabijnen brandde los--maar een seconde te laat.
Felix en Radzivil, die met den rug naar de paarden hadden gezeten,
begrepen eerst nu wat er voorgevallen was.
"Prinses, is u gewond?" riep de Premier, die veel verschrikter was
dan Elizabeth zelf.
"Neen," antwoordde ze met een zwakke stem, maar glimlachend, "ze
hebben me gemist."
"Graaf Radzivil," riep Felix, "blijf bij de Prinses, terwijl ik de
schurken nazit!"
De verschrikte jockey's hadden het rijtuig tot staan gebracht; Felix
sprong er uit, juist toen Zabern met de huzaren kwam aangaloppeeren,
getuigen van een daad die zij niet hadden kunnen verhoeden.
Bemerkend dat de boomen te dicht opeen stonden om de paarden door te
laten, sprongen zij uit den zadel, en snelden Felix achterna, die nu
in het kreupelhout was verdwenen. Onder de voorsten behoorden Zabern
en Nikita.
Op vrij grooten afstand voor zich kreeg Felix de beide schurken in het
oog; ze liepen achter elkaar, en telkens zag Felix ze als kangaroes in
de hoogte springen--een omstandigheid waarvan hij spoedig de oorzaak
begreep. Want toen hij zijn revolver al loopende op den achtersten
man afvuurde, struikelde hij over een verborgen hindernis, en het
schot ging de lucht in. Ofschoon duizelend van den val, sprong hij
weer op, en zag de beide mannen achter de kromming van een nauw pad,
dat ze nu volgden, verdwijnen. Nauwelijks had hij tien passen gedaan,
of opnieuw stootte hij op een hindernis en sloeg hij tegen den grond.
De vluchtelingen hadden maatregelen genomen om hun terugtocht te
verzekeren. Sterke ijzerdraden, op onregelmatige afstanden en te
halver kniehoogte geplaatst, liepen van boom tot boom, en waren
door het dichte struikgewas verborgen. Toen Felix dit begreep en ook
kangaroe-sprongen begon te maken om over het ijzerdraad heen te komen,
hadden de vluchtelingen al een ruimen voorsprong beet.
Even voorbij den laatsten draad splitste het pad zich in drieën,
en de hier bijeen gekomen vervolgers stonden een oogenblik stil, om
uit te maken welke richting zij kiezen zouden. Het scherpe oog van
Zabern ontdekte een lichtkleurig voorwerp, dat eenige passen verder
op het linkerpad lag. Het bleek een roode muts te zijn, die de man
met den zwarten baard had gedragen, en die met een blikken plaatje,
waarop 't portret van den Czaar, versierd was.
"Dan dezen weg in!" riep Zabern.
Men zette de vervolging weer voort; het pad was zoo smal, dat men
slechts achter elkaar loopen kon. De grond begon hoe langer hoe weeker
en moerassiger te worden. Dat bracht Zabern tot staan.
"Er zijn hier geen voetsporen. We zijn op een verkeerden weg. Terug. De
schurken hebben die muts opzettelijk hier neergegooid om ons te
misleiden."
Woedend over dit tijdverlies snelden zij terug naar het knooppunt,
en terwijl Zabern met Felix en Nikita het rechter pad volgden, namen
eenige huzaren, die door hun zware laarzen slechts langzaam vooruit
gekomen waren, het middelste.
"Misschien hebben ze geen van deze paden gevolgd," zei Felix onder
't loopen, "en liggen ze ergens in 't bosch verborgen."
"Dat kan; maar laten we eerst de wegen afzoeken; daarna kunnen we
nog altijd een cordon om het bosch trekken."
"Maarschalk, zag u het gezicht van den man die vuurde?" vroeg Nikita.
"Niet duidelijk."
"Russakoff, de spion--of ik heet geen Nikita."
"Dat dacht ik eerst ook, maar Russakoff is veel grooter," zei
Felix. "Deze twee troffen me juist door hun korte gestalte."
"Toch ben ik er zeker van!"
"Nu, wanneer we ze eenmaal hebben, dan zullen we wel zien wie gelijk
heeft."
Na enkele minuten kwamen ze uit op den grooten weg aan de andere
zijde van het bosch. Een snelle blik naar rechts bracht Zabern in de
hevigste woede.
Ver op den witten, stoffigen weg, die zich tot aan den horizon in
een rechte lijn uitstrekte, waren drie zwarte voorwerpen zichtbaar,
die elk oogenblik kleiner werden.
"Ontsnapt!" riep Zabern. "Kijk--daar zijn hoefslagen in de klei. Er
was dus een handlanger die hen opwachtte. Binnen tien minuten zijn ze
over de grens, en ik twijfel er niet aan of ze hebben goede Russische
paspoorten."
Hiermee was elke gedachte aan een verdere vervolging een dwaasheid
geworden.
De nacht was gevallen.
Zoowel binnen als buiten de Kamer heerschte groote opgewondenheid. De
wet-Lipski was langzamerhand een volkszaak geworden, zonder dat men
recht wist waarom. De een koos partij er tegen, omdat hij de kloosters
haatte, de ander er vóór omdat hij hetzelfde geloof beleed als de
monniken. Deze was de wet gunstig gezind omdat ze geld inbracht, gene
hoopte op haar val, omdat de Prinses er niet mee ingenomen was. En
allen voelden instinctmatig, dat er iets achter deze wet schuilde.
Allerlei menschen stonden voor het kamergebouw opeen gepakt: Polen,
Russen, Joden, Tartaren, Kozakken, Hongaren, Rumenen, Serviërs--maar
uit een politiek oogpunt beschouwd waren er slechts twee partijen:
Czernovisch- en anti-Czernovischgezinden. Neutralen waren er niet.
De opgewondenheid was zoo groot, dat Zabern's rijtuig door kwaadwillige
Russen werd bemoeilijkt, en door soldaten ontzet moest worden; hetgeen
eenige verontwaardigde Polen aanleiding gaf, Lipski niet binnen
te laten eer hij een flink pak slaag in ontvangst genomen had. Dit
eenmaal begonnen spelletje werd algemeen voortgezet, zoodat een sterke
militaire en politiemacht ontboden moest worden om de afgevaardigden
gelegenheid te geven de Kamer te bereiken. Het voorplein werd door
een cordon huzaren afgezet.
Het rumoer drong ook in de Vergaderzaal door, waar dien avond over de
wet beslist zou worden. De vergadering was, wat niet dikwijls gebeurde,
voltallig; rechts van de voorzitterstafel zaten de Ministeriëelen,
links de Oppositie. Brunowski's bel was voortdurend in beweging,
want het debat had een zeer scherpen toon aangenomen.
Lipski beschuldigde het Ministerie boeven te hebben omgekocht om de
leden van de Oppositie te beletten de Kamer te bereiken.
Zabern wees op zijn gehavende kleeren, en bracht spottend hulde
aan het gepeupel, dat zijn gunsten onpartijdig over de beide zijden
verdeeld had.
De Hertog van Bora, hoewel geen lid van de Regeering meer, was als
afgevaardigde aanwezig, en had duidelijk zijn partijkeuze kenbaar
gemaakt door een plaats naast Lipski in te nemen.
Lesko Lipski, afgevaardigde van Russograd, uitgever van het
anti-ministeriëele nieuwsblad De Kolokol, leider van de oppositie, en
ontwerper van de Klooster-Wet, wiens costuum volgens de laatste mode
een beetje door de Polen gehavend was, keek rond met dien brutalen,
uitdagenden glimlach, waarvan hij de uitsluitende bezitter was.
Er was in de Kamer die zenuwachtige spanning, welke voorafgaat aan alle
beslissende oogenblikken, waarin een knagende onzekerheid opgeheven
zal worden, en die te opmerkelijker was, daar toch eigenlijk iedereen,
behalve Zabern, zich overtuigd hield dat de wet er door komen zou.
De moordaanslag, welke dien ochtend op de Prinses was gepleegd,
had niet weinig bijgedragen tot de zenuwachtige spanning waarin men
verkeerde. Haar populariteit, de sympathie, die de patriotten haar
toedroegen, was er zeer door versterkt, en de oppositie had er een
onrustig vermoeden uit geput, dat deze omstandigheid van invloed zou
zijn op de stemmen der patriotten, die allicht, onder den indruk van
het gebeurde, en wetend dat de Prinses om de een of andere onbekende
reden de wet niet genegen was, zich zouden laten beïnvloeden om tegen
hun eigen overtuiging in te stemmen. In elk geval was men algemeen
van oordeel, dat de Regeeringspartij sedert dien morgen zeer in kracht
was toegenomen.
Een half uur vóor middernacht stond Zabern op om het debat ten gunste
van het Kabinet te keeren.
Zijn opstaan was het sein tot een vijandige beweging van Russische
zijde. Men was--al wilde men 't niet bekennen--aan die zijde bang voor
't geen hij zeggen ging. Niet dat de Maarschalk zulk een welsprekend
redenaar was; integendeel. Hij had alle verachting van den soldaat
voor veel praten en voor de "mannen van het woord," zooals hij de
afgevaardigden noemde; hij voelde meer voor een militair dictatoriaat
dan voor een parlementaire wetgeving. Daarom werd zijn stem zelden
in de Kamer gehoord; maar _als_ hij sprak, was het kort, gebiedend
en raak; en meermalen besliste hij over de twijfelaars te zijnen
gunste. En het aantal twijfelaars was dezen avond groot.
In het eerst kon zelfs de donderende stem van Zabern zich niet
verstaanbaar maken. Telkens als hij beproefde te spreken, gingen
zijn woorden in het rumoer verloren, dat de oppositie in de plaats
stelde van haar welsprekendheid, en dat voornamelijk in het stampen
met voeten en het klapperen met lessenaars bestond.
Voor volle twee minuten bewoog Brunowski de bel, maar zonder eenig
effect. Blijkbaar wilde de oppositie Zabern beletten aan het woord
te komen.
Ten slotte gaf Brunowski een wenk aan een der boden, en bijna
onmiddellijk daarop trad een afdeeling gewapende grenadiers binnen,
waarvan er zich een achter den stoel van elken afgevaardigde
opstelde. Een plotselinge stilte volgde. De President verklaarde nu,
elkeen die de orde wilde verstoren onmiddellijk uit de zaal te zullen
doen verwijderen. Dat hielp, want de oppositie begreep geen enkele
stem te kunnen missen.
De Maarschalk begon nu met te zeggen, dat hij zich verplicht gevoelde
eenigen uitleg te geven omtrent den aanslag, die heden morgen op de
Prinses was gepleegd.
Nauwelijks had hij dit gezegd, of Lipski stond op.
"Meneer de voorzitter, ik protesteer. De Maarschalk is buiten de
orde. Hij vermijdt het eigenlijke onderwerp van het debat."
"De Maarschalk zal ongetwijfeld het verband duidelijk weten te maken,"
antwoordde Brunowski.