Zoo waren dan deze twee onwrikbare, onoverwinnelijke menschen in

enkele oogenblikken weerloos gemaakt en tot slaven van een macht,

die sterker is dan alle Zaberns en Katina's ter wereld: de Liefde!

Nog geruimen tijd zaten ze te samen, en de Maarschalk ging zoo

geheel in deze voor hem nieuwe gewaarwordingen op, dat, toen op

zeker oogenblik een Secretaris aan de deur klopte, meldend dat hij

regeeringsbrieven te overhandigen had, Zabern alle politiek vergat

en den Secretaris toeriep, de papieren aan den duivel te brengen.

"Dat blijft in de familie," mompelde de verschrikte Secretaris,

terwijl hij, verwonderd over dezen uitval, heenging.

"Ik geloof toch wel," zei Katina, "dat dit prettiger is dan opgehangen

te worden voor het dooden van Orloff!"

"Dat is het zeker," antwoordde Zabern. "En het doodschieten van Orloff

zou bovendien een veel te lichte straf voor hem geweest zijn. Ik weet

iets anders voor hem. En daarbij heb ik jou hulp noodig."

"Als ik er toe in staat ben, beschik dan over me."

"Je hebt slechts je pen te gebruiken om me te helpen. Luister hoe. Maar

bedenk, dat ik je een staatsgeheim toevertrouw, dat zelfs de Prinses

en het Kabinet onbekend is."

Zabern zette haar nu zijn plan uiteen, eindigend met de woorden:

"Nu begrijp je dus hoe je me helpen kunt?"

"O Ladislas!" zeide ze, ernstig het hoofd schuddend, "ik geloof dat

je me toch aan de galg wilt brengen!"

"Dat zal je meevallen!" lachte Zabern. "Dit plan is het eenig

mogelijke om Czernovië te bevrijden. Slechts jij en ik mogen het

weten, en niemand zal het zoo goed als jij kunnen uitvoeren. Je zult

het dus doen?"

"Ik zal alles doen wat je me vraagt," antwoordde Katina eenvoudig.

Dadelijk na haar vertrek schreef Zabern een brief van den volgenden

inhoud:

"Waarde Ludovski,

"Mijn onderzoekingen in Warschau hebben, na zeer veel

mislukkingen, zooveel succes gehad, dat ik de zekerheid

heb binnen enkele maanden u de familiepapieren te

kunnen verschaffen, die Orloff bij uw verbanning had

achtergehouden. Dan zal het zeer eenvoudig zijn u uw

rechtmatigen titel van Graaf Boris Ludovski te doen hergeven,

en keert ge tot uw vroegere waardigheden terug. Nog slechts

kort zult ge de drievoudige ellende behoeven te dragen arm,

verloochend en bewoner van een armzalige herberg te zijn;

een woning, u en de uwen waardig, wacht u in Slavowitz. Uw

benoeming tot een eervolle staatsbetrekking, waaraan een

zeer ruime bezoldiging verbonden is, ligt gereed en is geheel

overeenkomstig uw talenten en aspiratiën.

"Bedank mij niet. Ik heb mijzelf de onevenredig groote

belooning voor dezen geringen dienst reeds verzekerd; uw

dochter Katina zal u hedenavond bij haar thuiskomst wel

mededeelen waarin deze bestaat.

"Geloof mij nu en steeds de trouwe vriend uit uw jeugd

Ladislas Zabern."

Snel sloot Zabern dit schrijven in een envelop, belde, en zei tot

den binnentredenden ordonnans:

"Te paard, Nikita, en in galop naar de herberg van Ludovski. Breng

hem dezen brief."

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN GEMASKERD BAL.

Het wetsontwerp-Lipski.--Prinses Elizabeth teekent een

contract.--De schatten van het St. Nicolaas-Klooster.--Iedereen

verliest den moed, behalve Zabern.

Het was zeven uur in den avond. Het bal masqué waarvan Felix met Zabern

sprak, zou te tien uur beginnen. Weinig vermoedden Felix en Katina,

toen zij gedeeltelijk in Zabern's plannen werden ingewijd, dat er

een zeer nauw verband bestond tusschen dit bal en de Kamerzitting,

die van half acht tot half tien gehouden zou worden.

Toch was dit zoo; niemand was daarvan beter op de hoogte dan Zabern,

die uit de geheime depêche van Orloff meer gelezen had dan Rob en

Felix er uit begrepen hadden. In deze zitting toch zou de afgevaardigde

Lipski een wetsontwerp indienen, om, in overweging nemende de daling

der rijksinkomsten en de zware lasten die voor versterking van levende

en doode weermiddelen geëischt werden, voortaan de kloosters, die tot

nog toe door den fiscus ongemoeid werden gelaten, te verplichten tot

een bijdrage aan 's lands schatkist.

Dit wetsvoorstel zag er eenvoudig en vrij onschuldig uit; in den mond

van een Russischgezind afgevaardigde klonk het zelfs zeer belangeloos,

wanneer men in aanmerking nam dat het tegemoet wenschte te komen aan

militaire uitgaven, die toch allereerst versterking van de Russische

grens ten doel hadden. Bovendien zouden ook de meeste Czernovische

afgevaardigden het voorstel, oppervlakkig beschouwd, zeer billijk

achten. Het budget van Dorislas was dit jaar onmatig hoog, er moest

op alle geoorloofde manieren geld verschaft worden. Al meermalen was

daartoe het voorstel geopperd, de kloosters te belasten, en nu Lipski

de eerste was die den moed had een daartoe strekkend ontwerp in te

dienen, zou men hem zeer zeker toejuichen. Het oude gebruik, geen

belasting te heffen van de vrij talrijke kloosters--die meerendeels

bewoond werden door uit omringende staten onverdraagzaam verdreven

monniken, aan wie Czernovië, waar de godsdienst geheel vrij was,

toevlucht had verleend--dat oude gebruik was niet rechtvaardig. Enkele

kloosters waren zeer rijk; waarom zouden zij niet naar mate van

krachten bijdragen in de lasten van een land, dat hun gastvrijheid

verleende?

Zabern, en enkele ingewijden met hem, wisten echter welke list achter

Lipski's optreden verscholen was; door den cijferbrief gewaarschuwd,

zou hij Lipski het genoegen ontnemen hem onverwacht met zijn voorstel

op het lijf te vallen--waarvan de afgevaardigde zich natuurlijk

te voren een feest had gemaakt--en bovendien had hij daardoor de

gelegenheid gehad zich tegen de in te dienen wet te wapenen.

Hoe een en ander in zijn werk ging, en welk listig doel Lipski met

zijn voorstel beoogde, zullen we uit het volgende vernemen.

Te halfacht opende Brunowski de Kamerzitting. Met de behandeling van

allerlei onderwerpen was het negen uur geworden. Daar Lipski zich onder

de laatste sprekers had doen inschrijven, vermoedde Zabern dat hij

opzettelijk eerst tegen het einde der vergadering aan het woord wilde

komen, om een uitgebreid debat over zijn voorstel tegen te gaan, dit

onmiddellijk verwezen te zien naar een commissie van onderzoek, en dan

de beraadslaging in een eerstvolgende zitting te doen plaats hebben.

Toen nu de President eenige adressen en andere stukken van

ondergeschikt belang aan de orde wilde stellen, nam Zabern het woord

en vroeg, tot verbazing der vergadering, of het niet gewenscht was,

wegens de belangrijkheid van het onderwerp, eerst het voorstel van

den afgevaardigde Lipski ter tafel te brengen, strekkende tot heffing

eener belasting op de eigendommen der Czernovische kloosters.

Lipski, klaarblijkelijk verrast: "Zou ik mogen weten, hoe de Minister

van Justitie zoo juist is ingelicht omtrent den inhoud van mijn

voorstel?"

Zabern, droogjes: "Heb ik mijn mond voorbijgepraat? Was uw onderwerp

een geheim?"

Lipski: "Het lag in mijn bedoeling de Kamer aangenaam te verrassen."

Zabern: "En nu heb ik u de vreugde van die verrassing ontnomen! Dat

spijt me."

Lipski: "Het spijt _mij_, dat men me klaarblijkelijk bespionneert;

de geheimen van mijn studeerkamer schijnen zelfs niet meer voor het

schrikbewind van den Minister van Justitie veilig te zijn."

Zabern: "U vleit me. Ik heb inderdaad een uitstekend corps

spionnen. Gaarne geef ik u echter de verzekering, dat uw schrijftafel

de eenige plaats is, waar zij nog niet zijn doorgedrongen. Maar

misschien zal ik ook daarin spoedig slagen." (Gelach).

Lipski, woedend: "Ik vraag, hoe u er achter bent gekomen!"

Zabern, verlegenheid veinzend: "Ik weet 't waarlijk niet meer.... Laat

ik me eens bedenken--heb ik 't niet in de Kolokol gelezen?" (Gelach).

De Voorzitter: "Heeren, we kunnen deze kwestie laten rusten. De

afgevaardigde Lipski zal zijn voorstel in 't openbaar behandelen; wat

zoo straks door ons allen vernomen wordt, en nog heden avond door alle

nieuwsbladen verspreid, kan men bezwaarlijk een geheim noemen. Hoe

de Minister van Justitie den inhoud van het ontwerp te weten is

gekomen, is van geheel ondergeschikt belang, daar hij, geen geheim

geschonden hebbende, eenvoudig den loop der beraadslagingen eenigszins

vooruitgeloopen is. Verlangt iemand hieromtrent nog het woord?"

Lipski, driftig: "Ik verlang een nadere verklaring van den Minister!"

Zabern: "De beste verklaring lijkt me deze: ik ontvang dagelijks

zooveel inlichtingen, dat ik niet op elk oogenblik precies kan

opgeven hoe ik aan mijn gegevens kom. Het is best mogelijk, dat ik

niet langs rechtstreekschen weg den inhoud van het ontwerp ben te

weten gekomen--ik herinner me dat waarlijk niet meer. Maar als ik

den geachten afgevaardigde van Russograd daarmee kan gerust stellen,

verklaar ik gaarne, dat ik aan de omtrent hem ontvangen inlichtingen

hoegenaamd geen waarde heb gehecht. (Gelach). Zeker niet genoeg waarde,

om een langdurige discussie als deze te rechtvaardigen." (Daverend

gelach).

De Voorzitter: "De afgevaardigde Lipski heeft het woord voor de door

hem aangekondigde rede."

Lipski, die al de helft van zijn succes verloren zag, zette nu kort

de bedoeling van zijn ontwerp uiteen. Zooals Zabern wel verwacht had,

werd het met instemming door het meerendeel der leden ontvangen. Er

werd een commissie benoemd, de beraadslaging werd voor de volgende

samenkomst bestemd, en daarna haastten zij, die het bal zouden

bijwonen, zich hun costuum te gaan aantrekken.

Om tien uur waren de zalen en tuinen van het Paleis reeds vol vroolijke

gasten. Het middelpunt der feestelijkheid was de ruime balzaal, waar

het schitterende licht der gouden candelabres de talrijke veelkleurige

costuums bescheen.

Onder de menigte bevond zich Felix, overal zoekend naar de gemaskerde

Elizabeth, die hem niet had willen zeggen welk costuum zij aantrok,

en schertsend had opgemerkt dat hij, zoo hij haar werkelijk liefhad,

haar ook in elke vermomming zou terugvinden.

Terwijl hij zich door de zaal bewoog, trok hij menigen nieuwsgierigen

blik tot zich, want zoowel zijn forsche figuur als zijn prachtig

costuum vestigden onwillekeurig de aandacht op hem. Hij had zich een

Oud-Hollandsche kleedij gekozen; een breedgerande hoed met wapperende

veeren dekte zijn blonden krulpruik; een sierlijke fluweelen mantel

hing in gracieuse plooien van zijn schouders, die door een kraag

van echte Vlaamsche kant waren omsloten; de beenen staken in hooge

bruin-lederen laarzen, en zijn hand leunde op het met diamanten

bezette gevest van den degen. Ongetwijfeld was hij onder de vele

kranige figuren de kranigste, en telkens werd er fluisterend gevraagd

wie hij wel zijn kon.

Eindelijk kreeg Felix een slanke vrouwengestalte in het oog, omhuld

door het zilvergrijze nonnenkleed, die eenzaam in een deuropening

stond, welke naar de balzaal leidde. Hij kwam naderbij, en toen de

non opeens het hoofd naar hem toewendde, hem door de kijkgaten van

haar masker een blik toewerpend, twijfelde hij er geen oogwenk aan

wie zij was.

"Waarom zulk een somber costuum?" vroeg hij.

"Is dit costuum niet het teeken der onschuld?"

"Zeker--maar ook beteekent het: afstand doen van de liefde!"

"En waarom zou ik daarvan geen afstand doen?"

"Omdat je mij trouw gezworen hebt!"

"Ah, Felix--dus je hebt me herkend," fluisterde Elizabeth, glimlachend

onder haar masker. "En nu vraag ik op mijn beurt: waartoe dit

Oud-Hollandsch costuum?"

"Omdat ik meende jou daarmee het meest genoegen te doen."

"En je hebt het goed geraden! Juist vanavond krijgt het een

eigenaardige beteekenis--spoedig zal je begrijpen waarom. Ga mee naar

het terras."

Felix legde haar arm in de zijne, en leidde haar uit de woelige

balzaal naar het rustige marmeren terras, waar hij in een afgelegen

hoekje naast haar ging zitten.

Het was een heerlijke zomernacht. De lucht was zuiver en zoel;

het klateren van talrijke fonteinen klonk als muziek. De zilveren

maansikkel, scherp tegen een donkerblauwen hemel afstekend, en de

gekleurde lampjes die overal tusschen het groen gloeiden, verspreidden

een poëtisch, tooverachtig licht.

Ze hadden eenigen tijd zoo gezeten, zelfs achter hun vermomming de

grootste voorzichtigheid betrachtend, omdat Zabern verzekerd had dat

er Russische spionnen in de zaal waren, toen Elizabeth opeens uitriep:

"Ah--wie komt daar?"

Felix voelde haar arm in den zijne trillen, toen langs het door de

maan verlichte terras een hooge, statige figuur, in een monnikspij

gekleed, langzaam het tweetal naderde. Zijn pij was in kleur geheel

gelijk aan die van Elizabeth, en evenals de hare op elken schouder

van een rood kruis voorzien.

Toen de monnik voor hen stond, zag hij Elizabeth eenige oogenblikken

aandachtig aan, en vroeg toen:

"Mag een broeder eenige woorden richten tot een zuster van dezelfde

orde?"

"Zijn wij van dezelfde orde?"

"Kunnen de bewoners van het St. Nicolaas-klooster zich in elkaar

vergissen?"

"Felix," fluisterde zij, "ik moet dien man enkele oogenblikken alleen

spreken. Wacht hier."

De Prinses stond op, en liep met den monnik al pratend het terras op

en neer, terwijl ze telkens Felix voorbij gingen.

Ofschoon dit gedrag van Elizabeth vreemd leek, giste Felix toch de

reden. Hij wist dat het St. Nicolaasklooster het groote gebouw met de

zingende monniken was, dat Katina hem op hun rit in de troïka gewezen

had. Ook kende hij de bewoners van dat klooster als onverzoenlijken,

die reikhalzend uitzagen naar het oogenblik waarop ze van de Russische

overheersching zouden worden bevrijd. Felix vermoedde dus, dat deze

gemaskerde een monnik was, uit dat geheimzinnig klooster met de een

of andere gewichtige mededeeling gezonden.

Het gesprek, waarvan hij geen woord kon afluisteren, duurde ongeveer

een kwartier, en eindigde daarmee, dat de monnik de Prinses eenige

papieren overhandigde, die zij zoo snel in haar pij verborg, dat

Felix eigenlijk niet wist of hij goed gezien had of niet.

Daarna sloop de monnik weg, en de Prinses keerde bij Felix terug.

Eer hij den tijd had Elizabeth te vragen wat dit voorval beteekende,

zag hij tot zijn verbazing een tweeden gemaskerden broeder naderen. Hij

was geheel gekleed als de vorige, zoodat Felix eerst meende dat het

dezelfde was, maar weldra zag hij dat deze nieuwe bezoeker kleiner

was en steviger gebouwd. Zonder twijfel wilde ook hij de Prinses om

een onderhoud verzoeken. Hoe lang zou dit zoo voortgaan?

Elizabeth raadde zijn gedachte, en glimlachte onder de zijden franje

van haar masker.

"Geduld," fluisterde ze. "Dit is de tweede en laatste. Daar komt

Maarschalk Zabern aan, hij zal je alles uitleggen."

Bij de nadering van den monnik werden dezelfde woorden van zooeven

gewisseld, blijkbaar een afgesproken herkenningsteeken, en daarna

stond Elizabeth wederom op om naast den monnik op het terras heen en

weer te loopen.

Een oogenblik later verscheen wederom iemand op het tooneel, in wien

Felix, trots domino en masker, den Maarschalk herkende.

Zabern ging naast hem zitten, en richtte de blikken op de Prinses,

die op eenigen afstand over de balustrade van het terras leunde,

klaarblijkelijk bezig iets te schrijven.

"Wat denkt ge dat de prinses op 't oogenblik doet?" vroeg Zabern.

"Het lijkt wel of ze haar naam in het balboekje van een danser

schrijft--maar dat zal zeker 't geval niet zijn?"

"Meneer de Secretaris," zei de Maarschalk nadrukkelijk, "ge zijt

getuige van een gebeurtenis, die voorbestemd is de kaart van Europa te

wijzigen. De Prinses teekent een geheim verdrag met Leopold Kossuth,

den kleinzoon van Lodewijk Kossuth, den ongekroonden Koning van

Hongarije."

De verbazing van Felix laat zich niet beschrijven, en hij drong bij

den Maarschalk op naderen uitleg aan.

"Sedert eenige maanden," vervolgde Zabern, "heb ik een onderneming

op touw gezet, die een gezamenlijken opstand van Polen, Hongarije

en Czernovië ten doel heeft. Het oogenblik van uitvoering is zeer

nabij. Alles is gereed. De Prinses, die aan het hoofd der beweging

staat, heeft reeds een verdrag met den leider der Poolsche bondgenooten

geteekend. Die twee monniken zijn onze geheime agenten. De eerste

is een Pool, die documenten uit het hoofdkwartier der patriotten te

Warschau overbracht. De tweede is een Hongaar uit Buda, die belast

is met de onderhandelingen met Kossuth. De maskerade van dezen avond

werd gehouden om het naderen der Prinses mogelijk te maken, daar geen

andere manier de vermoedens der ons omringende spionnen zoo afleidt. De

verrader Bora, die op het oogenblik in de balzaal alle dames het hof

maakt, vermoedt weinig wat op zoo korten afstand van hem gebeurt."

"Maar denkt ge dat die drie landen het tegenover de macht van

Oostenrijk en Rusland zullen winnen?"

"Ongetwijfeld. Hongarije houdt Oostenrijk in bedwang; Polen en

Czernovië bedreigen Rusland, en het lijdt geen twijfel of meerdere

Balkanstaten zullen ons te hulp snellen. Bovendien vinden wij een zeer

sterken bondgenoot in de omstandigheid, dat Engeland op het punt is

Rusland den oorlog te verklaren in Mandschoerije, waardoor talrijke

troepen naar de Aziatische grenzen geschoven moeten worden."

"En het geld?"

"Stroomt ons bij millioenen toe, vooral uit Polen, waar de minste

boer zijn laatste kopeke gegeven heeft. Ook de financiëele steun

van Finland is niet gering te achten. Ja, het is zelfs vrij zeker,

dat ook de Finnen naar de wapens zullen grijpen. Behalve over een

sterk leger, beschikken we dus ook over een enorme oorlogskas, wat

welbeschouwd de hoofdzaak is."

"En waar worden die schatten bewaard?"

"In het St. Nicolaas-klooster."

"Als dan de wet van Lipski er door komt, waarvan ik vanavond hoorde

vertellen, zou men zich wel eens kunnen verwonderen over den grooten

rijkdom van dat klooster," merkte Felix op.

"Daar roert ge, zonder 't te weten, een zeer belangrijke kwestie

aan. Oogenschijnlijk richt die wet zich alleen tegen de kloosters in

't algemeen, maar inderdaad is ze op het St. Nicolaas-klooster in

't bizonder gericht. De Russisch-gezinden schijnen te vermoeden, dat

de monniken van die inrichting nog andere dingen doen dan zingen. Dat

ze dit vermoeden hadden opgevat, bleek me uit het tweede deel van den

cijferbrief, die nu ook u duidelijker zal worden. Als de beambten,

met de taxatie belast, dat klooster binnengaan, zullen ze niet

alleen onzen voorraad goud ontdekken, maar bovendien documenten

die onze samenzwering aan 't licht zouden brengen, en meer dan

dat: plannen en modellen van Russische vestingen, wapens voor niet

minder dan honderdduizend man, springmiddelen en projectielen van

de nieuwste vinding, die sinds maanden op allerlei manieren zijn

binnengesmokkeld. Vindt men dat alles, dan is natuurlijk bewezen dat

Czernovië tegen Rusland complotteert, en het doel van de wet-Lipski

is bereikt. Alles moet dus in het werk gesteld worden om de aanneming

te verijdelen."

Op dit oogenblik voegde Elizabeth zich bij hen, en dadelijk daarna

naderden twee zwarte domino's, in wie Zabern den Premier en Dorislas

herkende. Men begroette elkaar, en Zabern maakte de Prinses en Felix

aan de beide Ministers bekend.

Radzivil zette zich naast de Prinses, Dorislas leunde met over

elkaar geslagen armen tegen de balustrade. Naar het scheen waren

beide mannen onder den indruk van het in de Kamerzitting verhandelde,

en verkeerden ze in een sombere stemming.

"Heeft Uwe Hoogheid het verdrag met Kossuth geteekend?" begon Radzivil.

"Een uur geleden. De Hongaarsche agent is er mee vertrokken."

"Ik vrees, Prinses, dat op het laatste oogenblik moeielijkheden

rijzen. Ge weet wat er in de Kamer is voorgevallen--wanneer we onzen

schat verliezen, zijn we zelf verloren."

"De wet is nog niet aangenomen, Graaf. De Czernovische patriotten

hebben de meerderheid in de kamer."

"Maar zij beseffen de geheime bedoeling niet van de wet! Zij zullen

te goeder trouw vóórstemmen! En het zou te gevaarlijk zijn ons geheim

aan tachtig personen mede te deelen, hoe goed ze ons ook gezind mogen

zijn. Lipski legde heden avond nog eenige statistieken ter inzage, de

waarde der schatten in de verschillende kloosters aangevend. Natuurlijk

zijn die denkbeeldig--..."

"Omdat," viel Dorislas in, "Lipski er geen begrip van heeft hoeveel

millioenen in het St.-Nicolaasklooster liggen opgehoopt."

"Juist," vervolgde Radzivil. "Uit die statistieken volgt, dat

de opbrengst der kloosterbelasting gedurende een geheel jaar alle

bestaande rijksbelastingen zou kunnen vervangen. Daar is men natuurlijk

begeerig op aangevallen. Ook aan onze zijde zal men vrij algemeen

vóór de wet stemmen."

Men zat eenige minuten in zwijgen verzonken, onder den indruk

van Radzivil's woorden. Zou die sluwe Lipski nu opeens aan de zoo

schoone verwachtingen der patriotten den bodem inslaan? Zou alles

vergeefs geweest zijn? Een sombere, neergeslagen stemming maakte

zich van die kleine groep onverzoenlijken meester. Alleen Zabern

scheen allen moed niet te hebben verloren; een onmerkbare glimlach

speelde om zijn lippen, als zag hij een uitkomst, waar de anderen

aan redding wanhoopten. Maar hij verried door geen enkel woord zijn

geheime gedachten.

"Kunt Uwe Hoogheid niet weigeren de wet te teekenen?" vroeg Felix.

"Het Charter verplicht mij elke wet te teekenen, die door de Kamer

is aangenomen. Wel kan ik in enkele gevallen weigeren, doch dan heeft

de Kamer het recht van beroep op de drie toeziende Staten."

"Kunt ge de Kamer niet ontbinden, en een nieuwe verkiezing

uitschrijven?" vervolgde Felix.

"We zouden er niets bij winnen," zei Radzivil, "hoe de meerderheid

ook is, Russisch of Czernovisch--de wet behoudt haar zelfde

aantrekkelijkheid."

Dorislas, die graag Zabern's middeleeuwsche maatregelen nadeed,

stelde voor:

"Laten we doen als Cromwell: op den dag der stemmen worden soldaten

achter de zetels der kamerleden geplaatst. Wie niet tegenstemt voelt

een bajonet in zijn hals. Ook zouden we enkele leden in de doos kunnen

stoppen, totdat de stemming afgeloopen is."

Elizabeth glimlachte.

"Dat zou de rechte manier zijn om de tusschenkomst der drie Mogendheden

te bewerken!"

"Is het niet mogelijk," opperde Felix, "alle papieren, schatten en

wapens in't geheim weg te voeren?"

"Onmogelijk," zei Dorislas. "Alle kloosters worden door militairen

bewaakt. Dat is een zeer begrijpelijke maatregel, dien ik in Lipski's

geval ook geëischt zou hebben. Hadden de monniken de gelegenheid

hun bezittingen in veiligheid te brengen, dan zou de heele wet een

dwaasheid zijn."

Niemand durfde meer een oplossing aan de hand doen, die er trouwens

niet scheen te zijn.

"Als de wet wordt aangenomen," zei Dorislas, "zie ik maar éen weg

uit de moeielijkheid. De monniken moeten trachten den een of anderen

donkeren nacht het klooster in stilte te verlaten, een langzaam

brandenden lont achterlatend, waardoor het kruitmagazijn in de lucht

vliegt."

"En daarmee zou al onze hoop vervlogen zijn!" zuchtte de Prinses.

"Dat zou 't. Maar bedenk, Hoogheid, wat er gebeuren zou, ook al

werden de papieren tijdig verbrand: Rusland zou in het klooster,

dat eigenlijk meer een fort en een arsenaal is, een enormen voorraad

goud en oorlogsmateriaal vinden. Dat staat evenzeer gelijk met onzen

ondergang."

"Het verwondert me, dat de Maarschalk nog niets gezegd heeft,"

glimlachte Elizabeth. "Dat is het zekere bewijs dat hij over een of

ander plan denkt. Zeg ons eens, Maarschalk, denkt ge wezenlijk dat

er nog iets te redden valt?"

"Ik ben er vast van overtuigd, Hoogheid," zei Zabern bedaard, en tot

groote verrassing der overigen.

"De wet-Lipski zal met groote meerderheid worden verworpen."

"Wat!" riep Radzivil, ongeloovig, en benieuwd naar het door Zabern

aan te geven middel, "en hoe wilt ge dat resultaat bereiken?"

"Wanneer ik dat vertel, is alles al van te voren mislukt. Mijn plan

eischt absolute geheimhouding."

"Zelfs voor de Prinses?" vroeg Elizabeth.

"In de eerste plaats voor de Prinses," antwoordde Zabern met een

eigenaardigen glimlach.

Elizabeth was natuurlijk zeer verwonderd over dit antwoord.

"Ik zal me daarbij neerleggen, Maarschalk, ofschoon u mijn

nieuwsgierigheid op een harde proef stelt. Maar u hebt mijn vertrouwen

nooit beschaamd--"

"En ik zal 't ook nu niet doen, Hoogheid."

Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië · 第 19 / 27 段