"Ik voel alles voor je boosheid, en ik zou hoogstwaarschijnlijk even

zoo doen als ik Katina was. Maar ik ben Zabern, zie je, en ik moet

het eerst denken aan de belangen van het Gouvernement. Schiet Orloff

op neutraal terrein dood--prachtig! Maar hier op Czernovischen grond

zouden we zelfs den duivel moeten respecteeren wanneer hij in de

gedaante van gezant kwam."

In de verte klonk nu een fanfare van trompetten, ten teeken dat de

ambassade den ingang van het Paleis had bereikt.

Dit geluid scheen Katina razend te maken.

"Dus hij zal hier met praal en pracht ontvangen worden, terwijl ik

niets mag doen om me te wreken! Naar de hel met de politiek!" riep

ze hartstochtelijk. "Ga opzij. Ik laat me niet tegenhouden!"

Ze snelde naar de deur, maar Zabern was op zijn hoede, en stelde zich

met uitgespreide armen in den weg.

Toen zag Katina het nuttelooze van haar pogingen in, en ze viel

moedeloos in een stoel neer.

Zwijgend ging Zabern heen, de deur zorgvuldig achter zich sluitend.

Elizabeth had last gegeven de audiëntie met groote pracht te doen

plaats hebben. De Troonzaal, een reusachtige ruimte, welker gewelfd

dak schitterde van het goud, was er voor uitgekozen. De wanden

waren beschilderd met tooneelen uit de geschiedenis van Czernovië

en Nederland; de meubels waren met het zeldzaamste en kunstigste

snijwerk versierd.

Langs de muren stonden de reusachtigste grenadiers, die de Lijfgarde

bezat; in hun onbewegelijkheid leken ze eer op beelden dan op menschen.

Aan elke zijde van den troon, waarop Elizabeth in een wit satijnen

kleed, waarover een purperen statiemantel, had plaats genomen, stonden

de Ministers en andere hoogwaardigheidsbekleeders, grootendeels mannen

die elk oogenblk gereed waren voor de Prinses te sterven.

Felix, achterwaarts van den troon aan een kleine marmeren tafel

gezeten, belast met het opteekenen van wat er dien middag gesproken

zou worden, kon niet nalaten de poëtische pracht van het geheel te

bewonderen. En toch speelden hem in dit oogenblik toekomstdroomen

door het hoofd, die zeer van deze werkelijkheid verschilden. Hij was

zeer zeker niet ongevoelig voor het indrukwekkende, dat van de zaal,

de uniformen, de ceremoniën, kortom van dit geheele schitterende

tooneel uitging; maar zijn gedachten waren naar den eenvoud van vroeger

teruggegaan, en zijn geheele levensopvatting deed hem vurig verlangen

naar een nieuw, hervormd toekomst-Czernovië, een Oranje-Republiek,

waar niet de praal, maar de wijsheid zou heerschen, waar niet de

machtigste en rijkste, maar de edelste en verstandigste mannen den

Staat zouden leiden, uit welke klasse der maatschappij ze ook mochten

zijn voortgekomen. Hij wist dat Elizabeth deze denkbeelden deelde, maar

beiden begrepen ze, dat de tijd daarvoor nog niet gekomen was, dat de

tegenwoordige omstandigheden zelfs zulke verouderde tentoonspreidingen

van macht en uiterlijke praal eischten.

De gezant van den Czaar was een man van reusachtigen lichaamsbouw,

in een schitterende uniform gestoken. Zijn gelaatsuitdrukking wees

op een ruwe en wreede natuur; hij was juist om zijn onbesuisde en

brutale manier van optreden voor deze zending uitgekozen, in de hoop

dat zijn ruwheid de Prinses tot onvoorzichtige, door toorn ingegeven

antwoorden zou verlokken, waaruit Rusland reden tot moeielijkheden

zou kunnen putten. Daarom had Elizabeth, door Zabern gewaarschuwd,

zich voorgenomen den gezant, hoe onbeschaamd hij zich mocht uitlaten,

niet in de kaart te spelen.

Toen Orloff binnenkwam, wisselden Zabern en Felix een blik, waaruit

hun verachting sprak voor dezen man, den beul van Katina, den bewerker

van den aanslag op Czernovië's onafhankelijkheid.

"Zijn overgrootvader was al een misdadiger," fluisterde Zabern

Felix toe.

"Wat misdeed zijn overgrootvader?"

"Hij vermoordde een Czaar. Wist je dat niet? Hij is de afstammeling

van Gregorius Orloff."

Ofschoon het onrechtvaardig was zich te laten leiden door wat een

voorzaat van Orloff gedaan had, voelde Felix toch zijn afkeer van dien

man toenemen. Dat zoo'n man als gezant tegenover Elizabeth moest staan!

Orloff had zijn lederen handschoenen uitgetrokken, en het leek Felix

alsof zijn zware, breede handen dezelfde waren die den ongelukkigen

Czaar Peter III de keel hadden dichtgeknepen.

Met een zonderlinge mengeling van nederigheid en trots knielde

de gezant voor den troon, en, na zijn geloofsbrieven te hebben

overhandigd, richtte hij zich weer in zijn volle lengte op, en begon

met luide stem:

"Zijne Majesteit de Czaar, Keizer aller Russen"--hier volgde een

lange rij titels, waaronder ook "Suzerein van Czernovië," een titel

die velen fluisteren deed: "voor hoe lang nog?"--"verzoektte mogen

vernemen of de Prinses voornemens is zich in een huwelijk te begeven

zonder toestemming van hem, den Czaar?"

"Ofschoon ik het recht van den Czaar ontken om mij deze vraag te

stellen," antwoordde Elizabeth rustig, "behaagt het mij nochtans die

te beantwoorden. Men schrijft mij geheel ten onrechte het voornemen

toe tot een huwelijk--zoodat dus ook de mogelijkheid niet bestaat

van een huwelijk zonder toestemming van den Czaar."

"In dat geval verzoekt de Czaar te mogen weten, welke bezwaren er van

de zijde der Prinses zouden zijn tegen een huwelijk met een door hem,

den Czaar, aan te wijzen toekomstig Prins-Gemaal?"

Op deze vraag volgde het laconieke antwoord:

"Voorloopig deze drie bezwaren: ten eerste dat die toekomstige

Prins-Gemaal klaarblijkelijk nog niet aangewezen is, ten tweede dat

de zekerheid nog niet bestaat of hij die aanwijzing zou volgen; ten

derde dat--ingeval hij ze volgde--mijn antwoord op zijn aanzoek nog

twijfelachtig is."

Orloff, die gehoopt had een formeele weigering tegenover den Hertog

te zullen vernemen, was niet weinig uit 't veld geslagen door dit

diplomatieke en toch zeer duidelijke antwoord, dat een glimlach bij

de aanwezigen opwekte.

"Ik zal Uw antwoord aan den Czaar overbrengen," zeide Orloff. Daarna

ging hij tot het tweede punt over.

"De Czaar moet tot zijn leedwezen constateeren, dat een inbreuk op

de Russische rechtsmacht is gepleegd, door een zijner bloedverwanten,

den Hertog van Bora, op Russischen bodem te doen arresteeren."

"Hebt gij een bewijs voor deze voorgewende schending?"

"Voorgewende schending?" riep Orloff met geveinsde

verbazing. "Beteekent dit twijfel aan het woord van den Czaar?"

"In zooverre, Graaf Orloff, dat ik als ooggetuige kan verklaren den

Hertog op Czernovisch gebied te hebben zien arresteeren."

"Van Russische zijde verklaren twee getuigen het tegengestelde."

"Die getuigen zijn?"

"De Secretaris van den Hertog, Baron d'Ostrova, en een Kozak die aan

de grens op schildwacht stond."

Een gemompel van verontwaardiging over deze woorden ging door de zaal.

"Het woord van een Prinses weegt wel tegen die verklaringen op. En

die Prinses, Graaf Orloff, beroept zich op andere getuigen dan een

Kozak! De Hertog van Bora wordt verzocht nader te komen."

En tot verbazing van den Graaf, die met de aanwezigheid van den eerst

kortelings in vrijheid gestelden Hertog onbekend was, trad Bora tot

voor den troon. Hij had niet verwacht zoo opeens tot getuige geroepen

te worden, en hoezeer met tegenzin, voelde hij zich gedwongen hier,

in het bijzijn van hen die zijn arrestatie gezien hadden, de waarheid

te zeggen.

Met een gedwongen glimlach boog hij voor zijn mede-samenzweerder.

"Inderdaad moet er hier een vergissing in het spel zijn," sprak

hij. "Mijn arrestatie geschiedde aan de Czernovische zijde der grens."

Orloff kon niet zeggen dat het hem meeliep; hij liet daarom dit punt

rusten en ging voort:

"Er zijn twee strafbare feiten gepleegd, waaromtrent de Czaar

nader ingelicht verzocht te worden: ten eerste een duel op Russisch

grondgebied, ten tweede omkooping van een Russisch schildwacht ten

einde dat duel mogelijk te maken."

"Diezelfde eerlijke Kozak," vroeg Elizabeth vriendelijk, "wiens

getuigenis ge zooeven tegen mij gebruiken wilde?"

Een glimlach ging door de vergaderzaal.

Orloff fronste de wenkbrauwen, ging niet op Elizabeth's vraag in,

en vervolgde:

"Daarom wenscht de Czaar, wegens inbreuk op de Russische wet, de

uitlevering van twee personen: den Hertog van Bora, en den Hollander

Van Heelstra, thans Uwer Hoogheids Secretaris."

"Mijn Secretaris," antwoordde Elizabeth, "is zooals u hem terecht

noemt, Hollander. Het zal daarom voorzichtiger zijn te wachten,

totdat de Hollandsche gezant te St. Petersburg geraadpleegd is. En

dan blijft het nog de vraag in hoeverre de wetten uitlevering

toestaan. Om geen ongelijkheid in 't leven te roepen, moet ook de

kwestie betreffende de uitlevering van den Hertog blijven rusten tot

die vraag is beantwoord. De Hertog kan trouwens het land niet verlaten

eer de rechtbank zijn zaak geheel heeft onderzocht."

Orloff begreep, dat hij niet veel verder kwam. De Prinses beantwoordde

zijn vragen welwillend en afdoende, zoodat er geen enkele reden te

vinden was om zich over de ontvangst te Slavowitz te beklagen. Maar

Orloff had nog andere pijlen in zijn koker, en maakte zich gereed

die af te schieten.

"Uwe Hoogheid beroept zich op wetten en voorrechten, waarvan het

recht van bestaan zou kunnen betwijfeld worden. Berusten zij op het

Charter van Czaar Alexander?"

"Maarschalk, ik verzoek u een afschrift van het Charter te doen

brengen."

"Vergeef me, Hoogheid," zei Orloff snel, een blik wisselend met Bora,

die door Zabern gezien en begrepen werd, "geen afschrift! Ik zou

gaarne het oorspronkelijk document zien."

Elizabeth zag hem onderzoekend aan, zonder te vermoeden welk

verraderlijk doel zijn vraag had.

"Ge wilt het oorspronkelijk document zien? Dat is een zonderling

verlangen. Het Charter werd in duplo geteekend, het voor

Rusland bestemde exemplaar werd in de archieven van het Kremlin

gedeponeerd--waarom hebt ge _uw_ origineel niet geraadpleegd? Wat

doet u in Czernovië zoeken, hetgeen in uw eigen land te vinden is?"

"De omstandigheid, Prinses, dat wij in het Kremlin tevergeefs

zochten. Wij hebben de beweerde aanwezigheid van dat document niet

kunnen constateeren."

"De _beweerde_ aanwezigheid?" herhaalde Elizabeth verbaasd.

"Ja," antwoordde Orloff, met zulk een onbeschaamden grijnslach, dat men

hier en daar een sabel ten halve uit de schee hoorde vliegen. "Ja--want

de waarheid is dat Czernovië nooit zulk een Charter bezeten heeft. Hoe

het den eersten zoogenaamden President der Oranje-Republiek gelukt is,

met den koop der gronden van Rusland enkele vrijheden te verkrijgen,

is ons onbekend; vast staat echter dat het verhaal betreffende een

Charter, door den Czaar verleend, een samenweefsel van leugens moet

zijn, waaraan weldra een einde zal gemaakt worden. De Russische

Regeering bezit de bewijzen, dat de onafhankelijkheid van Czernovië

op een legende berust."

Elizabeth lichtte de hand op om aan het toornig gemompel der

vergadering een einde te maken.

"En uit het niet-bestaan van het Charter zou volgen--?"

"Dat Czernovië, evenals de andere provinciën, onder het rechtstreeksch

bestuur van Rusland behoort te staan."

Elizabeth zag den gezant verachtelijk aan.

"Gedurende een eeuw hebben zich dus, volgens u, de slimme Russische

staatslieden, uit wier midden gij gekozen zijt, om den tuin laten

leiden! En erger nog: het Congres van St. Petersburg heeft twee

grootmachten in Rusland's onvergeeflijke domheid doen deelen. Vestig

de aandacht van den Czaar eens op het decreet van dat Congres, Graaf

Orloff: dáárvan zal het origineel wel niet verdwenen zijn! Het behelst

onder anderen deze zinsnede: "De Staat van Czernovië zal volgens het

door den Czaar verleende Charter bestuurd worden, behoudens de bij

dit Congres nader aangeduide omschrijvingen. Rusland, Oostenrijk en

Duitschland worden gevolmachtigd de uitvoering van dit besluit te

bewaken." Zie, Graaf Orloff, zoo sprak het Congres. Het nam dus het

bestaan van het Charter aan. En nu zou de Czaar het ontkennen?"

"Inderdaad, Hoogheid. Alleen wanneer het Charter mij getoond werd,

zou de Czaar van zijn twijfel terugkomen. En ik geloof dat het U een

kleine moeite zou kosten mij op dit punt tevreden te stellen."

"Maarschalk Zabern is de Bewaarder van het Charter. Hij zou u zeer

zeker het in den oostelijken vleugel van het paleis bewaarde Charter

kunnen laten zien. Ik meen echter..."

"Vergun mij op te merken," viel Zabern de Prinses in de rede, "dat het

Charter sinds eenige maanden niet meer in het Paleis berust. Vrees

voor brandgevaar deed mij besluiten het in de Czernovische Bank te

deponeeren, waar het absoluut veilig is. Het exemplaar, waarvan Uwe

Hoogheid spreekt, is een afschrift, te Uwer eventueele raadpleging

gereedliggend."

De natuurlijke wijze waarop Zabern sprak deed Felix zelf bijna de

dupe dezer woorden worden. Te meer maakten ze indruk op Orloff,

wiens gezicht ontsteltenis uitdrukte. Het Charter in den oostelijken

vleugel een afschrift! Dus het complot had slechts de vernietiging

van een waardeloos stuk papier ten gevolge gehad--Czernovië stond

vast als te voren!

Orloff's schrik en verslagenheid werden door Bora's gelaat

weerspiegeld. Felix zag het, en hij was benieuwd hoe de man zich

hieruit redden zou.

"Ik moet dus aannemen," sprak hij, "dat men den gezant van den Czaar

weigert, het Charter te onderzoeken?"

"Volstrekt niet, Graaf Orloff," antwoordde Elizabeth op haar

beminnelijksten toon. "Ik betwijfel echter of Rusland de

voorzichtigheid niet te buiten gaat, door dit onderzoek zonder

Oostenrijk en Duitschland te willen verrichten, die toch bij het

Petersburger Congres dezelfde rechten van toezicht ontvingen. _Zij_

hebben geen twijfel aan 't bestaan van het Charter geopperd. Een

gezantschap der _drie_ Mogendheden zal ik zeer gaarne in de gelegenheid

stellen het gevraagde onderzoek te verrichten."

Orloff voelde de nieuwe moeielijkheid die hier in 't leven werd

geroepen. Het was ontwijfelbaar, dat Rusland ten opzichte van

Czernovië geen ingrijpende maatregelen kon nemen zonder de beide

andere mogendheden daar in te kennen, die op hun beurt niet zeer

geneigd zouden zijn mede te werken in een onderneming, waarbij alleen

Rusland winnen kon. Nog éen kans zag Orloff open, zij 't dan ook dat

hij daarvan geen dadelijk gebruik kon maken.

"De Czaar is voornemens Uwe Hoogheid niet slechts den personeelen

titel van Prinses te blijven toekennen, die Zijne Majesteit U eertijds

als blijk zijner gunst en vriendschap verleende, doch op een nader te

bepalen tijdstip U als Prinses van Czernovië te doen kronen, waartoe

de instemming van Oostenrijk en Duitschland reeds is verkregen. Ik zou

het mij tot een voorrecht rekenen, Zijne Majesteit Uw ingenomenheid

met dit plan te mogen overbrengen."

Elizabeth had dit allerminst verwacht; zij begreep dat het een begin

was om de nog slechts in naam bestaande Republiek tot een monarchie,

een vazalstaat, daarna een bezitting van Rusland te vervormen. In

haar onzekerheid omtrent het te geven antwoord, zag zij Zabern van ter

zijde aan; deze vertrok geen spier, doch knikte alleen nauw merkbaar

toestemmend met het hoofd.

De Prinses begreep dit teeken, en antwoordde:

"Voorloopig voel ik geen bezwaar deze vriendschapsbetuiging van den

Czaar, waarin ik overigens slechts een formaliteit zie, te aanvaarden."

Orloff, ofschoon hiermee slechts ten halve tevredengesteld, was

zoo verheugd eenig terrein gewonnen te hebben, dat hij gretig de nu

volgende vraag stelde:

"Wanneer de plechtigheid der kroning plaats heeft, zal het noodzakelijk

zijn, eenige wijzigingen aan te brengen in het Charter--in zooverre

immers het bestaan daarvan door U wordt volgehouden. Ingrijpende

veranderingen zullen dat niet zijn; louter onbeteekenende, doch naar

den vorm noodzakelijke wijzigingen, waartegen Uwe Hoogheid in geen

geval bezwaren zult hebben. Ik mag er ongetwijfeld op rekenen, dat bij

die plechtige gelegenheid het Charter, waarop Uwe Hoogheid den eed van

trouw ook in Uw nieuwe waardigheid zult hebben te hernieuwen, aan het

volk en aan de vertegenwoordigers van den Czaar zal vertoond worden?"

"Ik noodig u, Graaf Orloff, in 't bizonder uit, met Maarschalk Zabern

zitting te nemen in den Kanselarij-Raad, in welker handen ik dien

eed zal afleggen."

"Onder nadere goedkeuring van mijn Keizerlijken meester reken ik het

mij tot een voorrecht die onderscheiding aan te nemen," zei Orloff,

door den rustigen en vasten toon, waarop de Prinses die woorden sprak,

nog sterker geschokt in zijn geloof aan het verbranden van het echte

Charter.

Wat Zabern betreft, hij voelde dat de Prinses, ofschoon niet anders

kunnende handelen, een gevaarlijke belofte gedaan had. Wat zou het

gevolg zijn, wanneer op den Kroningsdag inderdaad het Charter bleek te

ontbreken? Er welde een vraag naar zijn lippen, die in het volgende

oogenblik door de Prinses werd uitgesproken, zij het ook door een

geheel andere overweging daartoe geleid. Er kwam een lichte trek van

spot op haar gelaat, toen ze vroeg:

"Uw gebieder is zoo welwillend, Graaf Orloff, klaarblijkelijk tot

den dag der Kroning het bestaan van ons Charter nog als bewezen aan

te nemen. Wanneer nu echter op dien dag zijn vermoedens omtrent het

niet-bestaan van dat document inderdaad gegrond blijken te zijn?"

"Zijne Majesteit heeft mij niet gemachtigd die vraag te beantwoorden,

Prinses," sprak Orloff. "Ik meen echter mijn bevoegdheid niet te buiten

te gaan, door U nu reeds te verzekeren, dat daarvan ongetwijfeld zeer

ingrijpende veranderingen voor Czernovië het gevolg zouden zijn."

De Prinses vroeg niet verder.

Orloff boog, zeggend:

"Mijn zending is geëindigd."

"Graaf Radzivil," zoo wendde Elizabeth zich tot den Premier, "ik

verzoek u onzen gast in alle mogelijke opzichten van dienst te zijn

voor den tijd dien hij nog binnen de grenzen van dezen Staat wenscht

door te brengen."

Maar Orloff, weinig ingenomen met den uitslag van zijn zending, en

wetend dat hij in Czernovië niet veel vriendelijke gezichten zou zien,

wees dit aanbod van de hand, door te verklaren dat hij onmiddellijk

naar St. Petersburg wenschte terug te keeren.

"Tegenover den Czaar ben ik verplicht niet te dralen met het

overbrengen Uwer antwoorden."

"De Czaar is om zulk een bescheiden dienaar te benijden. Mijne Heeren,

ik verklaar de audiëntie voor geëndigd."

Zabern was de eerste, die naar oud Poolsch gebruik zijn zwaard trok

en dit als beschermend boven Elizabeth's hoofd uitstrekte; ofschoon

dit geen Czernovische gewoonte was, voelden de overige aanwezigen

zich onwillekeurig meegesleept door deze uiting van ridderlijk

eerbetoon. Een dubbele rij vormend, volgde men zijn voorbeeld, en de

schoone heerscheres verliet, met een glimlach en een blos, onder dit

veilig gewelf van blinkende klingen de zaal, nagejuicht door kreten

van: "Leve de Prinses!"

Zij had een diplomatische overwinning op Rusland behaald, maar niemand

wist beter dan zij dat deze slechts tijdelijk was, en dat Rusland

elke gelegenheid zou aangrijpen om een nieuwen aanval te wagen.

Het gezelschap verspreidde zich. Orloff vertrok onmiddellijk naar

St. Petersburg. De Hertog, met wrok in het hart, volgde de Prinses

naar haar studeervertrek, ten einde eens voor al uit haar eigen mond

te vernemen, of zij inderdaad voornemens was van een huwelijk met

hem af te zien. De Ministers zochten den Hoftuin op, waar zij het

gebeurde bespraken.

"De Czaar zal zich daar niet bij neerleggen," zei Radzivil, "en toch

kon de Prinses moeielijk anders spreken, wilde zij haar waardigheid

ophouden."

"Hebt ge op de twee verraders gelet?" zei Zabern tegen Felix, die

met hem in de Troonzaal was achtergebleven. "Ze zullen nu wel aan

het succes van hun complot gaan twijfelen. En Orloff is zoo goed als

overtuigd, dat het Charter nog ongedeerd is."

"Toch heeft hij vermoedens, vrees ik," zei Felix. "U hebt de

moeielijkheid verschoven, doch tijdelijk. Wat zal er gebeuren, als

het Charter op den kroningsdag ontbreekt? En is eigenlijk die kroning

op zichzelf niet een gevaarlijk ding?"

"Ach," antwoordde Zabern luchtig. "Komt tijd, komt raad. Ik zal er

wel wat op vinden. En wat die kroning betreft--zoo iets bedreigde

ons elken dag. Het bericht kwam alleen wat vroeger en onverwachter

dan ik gedacht had. De kroning is natuurlijk het voorspel van het

huwelijk--of van een annexatie. Maar zoover zijn we nog niet!"

"Veroorloof me nog een vraag. Gelooft u, dat de Hertog de eenige

verrader is in het Kabinet?"

"Geen oogenblik," lachte Zabern. "Er is nog een tweede vogel

dien ik knippen wil. En de Prinses weet even goed als gij wien ik

bedoel--Ravenski!"

"U weet alles, Maarschalk!"

"Heel veel ten minste. Ik wist alleen tot nu toe niet, wat de

Prinses mij eerst gisteren meedeelde, en wat zij ook u had verteld:

het tooneel dat tusschen haar en Ravenski plaats greep. Wel, Ravenski

beteekent als tegenstander niet veel. Bovendien staat zijn verraad op

zichzelf. Hij tracht alleen zijn eigen persoon te bevoordeelen. Laat

hem maar aan mij over."

Daarna, als waren al deze dreigende gevaren van weinig gewicht,

ging de Maarschalk luchtig op een ander onderwerp over:

"Zie ik u vanavond op het bal masqué?"

"Zonder twijfel," antwoordde Felix. Had de Prinses, die in haar costuum

en achter haar masker onherkenbaar zou zijn, niet beloofd met hem te

dansen? "Maar zult u er zijn, Maarschalk?" ging hij voort. "Ik dacht

niet dat u een man voor muziek en dans was!"

"Dat ben ik ook niet. Maar de maskerade, die vanavond op bevel der

Prinses gegeven wordt, is iets meer dan louter een feest. Ook op een

bal sluit men de politiek niet buiten. Maar ge zult het wel zien. Let

op mijn woorden: op het bal van dezen avond zal de geschiedenis van

Czernovië geschreven worden. Tot ziens!"

Met deze woorden ging Zabern heen, en zocht de kamer op waar hij

Katina had achtergelaten.

Hij vond haar in nadenken verzonken bij het venster zitten; een

revolver lag naast haar. Hij had verwacht met onstuimige verwijten

ontvangen te zullen worden; in plaats daarvan zag ze hem met een

blijden glans in de oogen aan. Zabern verwonderde zich over die

merkwaardige verandering.

"Je gevangenschap is geëindigd, Katina," zei hij vriendelijk. "Orloff

is vertrokken."

"Ik weet het," antwoordde ze, "want ik heb hem zien gaan. Hij nam

zijn weg door den tuin, en van uit dit venster kon ik hem duidelijk

waarnemen. O, Maarschalk Zabern"--Katina tikte met den vinger op de

revolver--"dat was niet handig van u, mij mijn wapen niet te ontnemen!"

"En waarom maakte je er geen gebruik van?" vroeg Zabern, die voelde

den steek te verdienen. "Deed de gedachte aan Czernovië..."

Katina verborg haar gelaat in de handen.

"Het was zelfzuchtig van me--maar, neen, niet het heil van Czernovië

weerhield mijn hand. Iets... iemand anders."

"Iemand? Iemand, die zooveel invloed op je heeft, dat..."

Katina knikte zwijgend. Daarna zag ze Zabern in de oogen, en vulde

zijn woorden aan:

"Iemand, dien ik zoo liefheb, dat ik om zijnentwil zelfs mijn wraak

ondergeschikt maakte aan zijn verlangen."

"Dus jij, Katina--de wraakzuchtige, onbesuisde Katina--je bent

ontvankelijk voor die zachtere gevoelens?"

"Hebt ge daaraan ooit getwijfeld?"

"Ik had me er aan gewend, te denken dat je hierin evenzoo zou zijn als

ik--ongevoelig voor alles, behalve voor onze liefde tot het vaderland!"

"En is dat waarlijk zoo, Maarschalk? Is er in uw hart werkelijk voor

zachtere gevoelens geen plaats? Zou zij, die u liefheeft, nooit op

wederliefde mogen hopen?"

Er was een oogenblik stilte.

Toen scheen het, alsof Zabern, de stoere, ruwe Zabern, die nooit vrees

had gekend, die gespot had met dood en gevaar--alsof die sterke man

zwak was geworden als een kind.

"Katina!" was 't eenige wat hij stamelen kon. En op de knieën

neervallend verborg hij het hoofd in haar schoot.

"Dus mij heb je lief. Mij, den leelijken ouden kerel met éen hand,

en een verweerd gezicht vol sabelhouwen! En dat terwijl duizend jonge

Czernoviërs op leven en dood zouden willen vechten om jou als bruid

te verwerven!"

"Maar geen van hen is immers als Zabern!" zei Katina, in haar

verwarring blozend en bevend tegenover een aandoening, sterker dan

ze ooit in haar leven gevoeld had.

Zabern drukte haar in zijn armen.

"Katina," sprak hij, en nooit had ze geweten dat zijn stem zoo zacht

en welluidend kon klinken, "Katina, kus me!"

Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië · 第 18 / 27 段