waarschuwen. Maar vreezend, dat tijdverlies den inbrekers gelegenheid
zou geven weer tot hun oorspronkelijke functie terug te keeren,
besloot hij de zaak zonder hulp af te handelen.
Hij stak een geladen revolver bij zich, en mat den afstand van
zijn raam naar de daarboven gelegen, onder langs het dak loopende
buitengalerij, die een soort van borstwering vormde. Buiten op de
vensterbank staande kon hij met de handen juist de benedenzijde
der galerij bereiken; hij vond er echter geen houvast voor
zijn handen. Rondtastend stootte hij tegen een afvoerbuis, en een
oogenblik dacht hij er aan, daarlangs omhoog te klimmen. De buis was
echter zoo glad, en lag zoo dicht tegen den muur aan, dat hij er de
handen niet omheen kon slaan. Toen deed het toeval hem een ijzeren
handvat grijpen, dat in den muur was bevestigd, en, zooals hij den
volgenden dag waarnam, een onderdeel uitmaakte van een reeks dergelijke
handvatten, welke, met het oog op brandgevaar, dienen moesten om het
dak te bereiken. Zich aan de bovenbinnenzijde van het raam vasthoudend,
zette hij een voet op zulk een haak, trok den anderen voet bij, en
greep met de hand den volgenden, hooger geplaatsten haak. Nog een stap,
en hij stond op de galerij. In een vensternis verborgen, keek hij de
galerij langs. Op eenige passen afstand, afstekend tegen de lucht,
stond de donkere, in een mantel gehulde figuur van een schildwacht,
die op zijn geweer leunde en de oogen naar het venster gericht hield,
waar Rob zooeven den inbreker had gezien.
In dezelfde richting kijkend, ontdekte Rob een flauw lichtschijnsel
achter het geheimzinnig venster. Hij maakte daaruit op, dat 't den
man gelukt was naar binnen te komen.
Zonder gedruisch voortsluipend, gaf Rob den schildwacht plotseling
een klap op den schouder, wees naar het getraliede venster en zei:
"Ben je van plan dien schurk te arresteeren?"
De schildwacht wendde zich hevig verschrikt om. Zich ontdekt ziend,
velde hij het geweer en deed met de bajonet een stoot naar Rob. Deze
was op zijn hoede, en greep, opzij springend, het geweer bij de
loop. Met een enkele krachtige beweging had hij het den soldaat
ontrukt, en in 't volgend oogenblik bracht hij hem met de kolf zulk
een slag op 't hoofd toe, dat de man neerviel, en onbewegelijk liggen
bleef, zonder een kreet geuit te hebben.
Over de borstwering kijkend om te zien of deze schermutseling de
aandacht had getrokken, zag Rob tot zijn verrassing een blauw licht
achter het venster aan de overzijde. De man zwaaide gedurende enkele
seconden, blijkbaar als sein, een lantaren heen en weer.
Dadelijk snelde Rob de galerij langs en bereikte het punt waar het
touw bevestigd was.
In een vensternis knielend en omlaag ziende, bemerkte hij dat een
dunne rookkolom uit het venster opsteeg.
Wat gebeurde daarbinnen? Stak de man het Paleis in brand?
Het lag niet in Rob's aard hier lang over na te denken. Hij besloot
dadelijk de kamer binnen te dringen om aan die kwaadwilligheid een
eind te maken. Het touw met beide handen grijpend, liet hij zich
zakken. Zoodra zijn voeten het kozijn raakten, nam hij zijn revolver
in de hand, en zonder zelf een blik naar binnen te werpen, wrong hij
zich tusschen de spijlen door en liet zich naar binnen glijden. De
kamervloer bleek vrij laag te liggen, en Rob viel languit op den
steenen grond, maar hij was onmiddellijk overeind en trachtte nu de
duisternis en den rook te doorboren, waarin de kamer gehuld was.
Nauwelijks stond hij op zijn voeten of een fluisterende, verschrikte
stem sprak:
"Ben jij dat, Peter? Wat kom je hier doen? Maak in hemelsnaam geen
leven. Gabor staat in de gang op post!"
"Dan moet Gabor binnenkomen!" riep Rob met donderende stem. "Hallo,
Gabor! kom binnen, hier is een gevangene voor je!"
Op het geluid van de stem afgaande, sprong Rob door de duisternis op
den man toe, greep hem met de linkerhand bij de keel, en hield hem
met de rechter de revolver op het voorhoofd.
De soldaat--want Rob voelde aan de uniformknoopen dat het een soldaat
was--was bij dien onverhoedschen aanval ruggelings op den grond
getuimeld, en bleef, door schrik en angst bevangen, onbewegelijk
liggen.
"Verroer je niet, of ik schiet!" beet Rob zijn tegenstander toe,
en daarna riep hij zoo luid hij kon: "Gabor Gabor! te hulp!"
Dadelijk daarop hoorde hij stemmen en voetstappen aan de andere zijde
van de deur.
"Gauw, Lasco!" werd er geroepen. "Haal den sleutel van de
wacht. Melchior, vlieg de galerij op en zorg dat er niemand door het
raam ontsnapt. Vooruit Lasco! stommeling! wat sta je te gapen! Haal
den sleutel! Den sleutel, ezelskop!"
"_Hier_ is de sleutel," riep een zware stem, die Rob dadelijk
herkende. En in de gang weerklonk het rinkelen van Zabern's Hessische
laarzen.
Het was tijd. Want de soldaat, een stevige, groote kerel, die Rob
gemakkelijk met éen hand had kunnen neerslaan, was van den schrik
bekomen en nu nog slechts op lijfsbehoud bedacht. Hij wist met een
plotselinge beweging Rob de revolver uit de hand te slaan, en, zich
omgooiend, greep hij zijn veel kleineren aanvaller bij de keel.
Daar ratelde de sleutel in het sleutelgat, de zware deur vloog open,
en Zabern stond op den drempel. Het volle licht van de gang stroomde
nu naar binnen, en twee soldaten met geladen geweren hielden zich
gereed ieder neer te schieten die zich in den weg zou stellen.
Zoowel de Maarschalk als de beide soldaten waren ten hoogste verbaasd
toen ze zagen wie daarbinnen waren.
"Wel--dat is Michael!" riep Gabor.
"Rensma!" zei de Maarschalk alleen. Een seconde daarna
had hij Michael de zware laars op de borst gezet, en Rob kon
opstaan--ongedeerd. Ofschoon hijgend van inspanning en verward door
de ongewone gebeurtenissen, zag hij dadelijk dat Zabern zijn oplossing
van het cijferbericht in de hand had.
"Juist op tijd!" zei de Maarschalk, die het verband tusschen Orloff's
brief en de verraderlijke daad van Michael onmiddellijk begreep. "Gabor
en Lasco--ga in die kamer daar; de krijgsraad wacht je wanneer je er
uit komt. Ik zal het met dien man alleen wel klaarspelen."
De beide soldaten gingen heen.
"Goedennacht, Michael," fluisterde Gabor. "_Hem_ zullen we niet
weerzien. Ik ken den Maarschalk."
Nu Rob weer vrij was, zag hij dat hij zich in een gewelfde steenen
kamer bevond, ongeveer twintig pas in 't vierkant, en slechts spaarzaam
van meubelen voorzien. Tegen een der muren was een ijzeren kist met
krammen bevestigd; Rob begreep instinctmatig dat de inhoud daarvan
het doel van Michael's onderneming geweest was.
Zabern deed een paar snelle schreden naar de kist, en scheen verlucht
toen hij deze gesloten vond.
Daarna wendde hij zich weer tot den soldaat, die verstijfd van schrik
op den grond was blijven liggen, bovendien door Rob's revolver in
bedwang gehouden.
Zabern vouwde de armen over elkaar, en zag den man met een vreeselijken
blik aan.
"Ik zal niet vragen waarom je hier kwam. Jij en ik weten dat beiden. Je
hebt het dus niet te pakken gekregen?"
Michael antwoordde niet.
"Is het nog in de kist?"
Michael bleef zwijgen. Hij scheen van ontzetting de spraak verloren
te hebben.
"Waarom zeg je niets?"
"Toen ik binnenkwam," zei Rob, "hing hier een rooklucht."
Zabern was meer dan eens een man genoemd, die nooit vrees had
gekend. Ditmaal echter faalde die uitspraak. Zijn geheele wezen drukte
de grootste vrees uit, toen hij zich de woorden herinnerde uit het
papier dat hij in de hand hield:
"_Overbrenging van het document te gevaarlijk. Daarom dadelijk te
verbranden._"
"Als je het gedaan hebt, kerel, vermoord ik je! Had je een
sleutel? Geef op!"
Steeds antwoordde Michael niet.
De richting van zijn oogen volgend, zag Zabern een sleutel op den
grond liggen. Hij opende er de kist mede, en vond dat deze niets dan
eenig verkoold papier bevatte. Zijn gelaat nam zulk een afschuwelijk
verwrongen uitdrukking aan, dat Rob onwillekeurig terugdeinsde. Een
kreet om genade klonk door het vertrek, toen Zabern de revolver uit
Rob's handen rukte en op Michaël aanvloog. Een knal, een doffe slag--en
daarna was alles stil. Het was zoo snel in zijn werk gegaan, dat Rob,
met afgrijzen vervuld, geen tijd had gevonden tusschen beiden te komen.
"Zonder krijgsraad!" zei hij streng. "Dat gebeurt in Holland niet!"
"Er zijn oogenblikken, waarop men niet met de voorschriften van een
wet rekening kan houden," antwoordde Zabern somber. "Die man wist een
geheim, dat zelfs de meest vertrouwde leden van een krijgsraad niet
behoorden te weten. Ik heb hem gevonnisd in het belang van den Staat."
"En hoe zult ge die daad verantwoorden?"
Zabern haalde schouders op.
"Zelfverdediging. Een soldaat brak in in het Paleis. Ik betrapte
hem--toen hij zich verzette, schoot ik hem neer. En denk er aan,"
sprak hij zoo dreigend, dat Rob naar de deur keek, als wilde hij
ontvluchten, "wanneer ik niet wist dat ik op uw stilzwijgen vertrouwen
kon, dan--schoot ik ook u hier op de plaats neer! In het belang van
den Staat is _alles_ geoorloofd."
Rob zweeg. Een zonderlinge vermenging van afkeer en bewondering voor
dezen verschrikkelijken man vervulde hem. Eensdeels betreurde hij het,
dat een beschaafd, verlicht land zulke geweldige naturen als Zabern
noodig had, om zich tegenover dreigend buitenlandsch gevaar staande
te houden; aan den anderen kant begreep hij, dat ook het humaanste,
zedelijk hoogst-staande volk het onderspit moest delven in een strijd
tegen brutale overmacht, zoo het niet werd aangevoerd door mannen als
Zabern, mannen met ontembaren wil en ijzeren vuisten. Maar dit hoopte
hij van ganscher harte: dat eenmaal de tijd zou aanbreken, waarin
geweld en onrecht zouden wijken voor menschelijkheid en verstand,
waarin Czernovië een vrij, gelukkig land zou zijn in een vrij,
gelukkig Europa. En dat dan de Zaberns gemist konden worden!
Terwijl Rob dit overdacht, had er eenige oogenblikken een pijnlijke
stilte geheerscht. Rob verbrak die met de vraag:
"Wat was de misdaad van dien man?"
"De afschuwelijkste misdaad die hij tegenover de Prinses plegen kon,
en waardoor de vrijheid van geheel een volk werd vernietigd. Uw
ontcijfering van het document is te laat gekomen, slechts enkele
minuten te laat om ons van nut te zijn," antwoordde Zabern bitter.
"Ik begrijp u niet, Maarschalk."
"Waarop is de vrijheid van Czernovië gegrond? Op het Charter, dat
Keizer Nicolaas ons gaf, toen de Republiek op van Rusland gekochten
grond gesticht werd. Dat Charter is nu tot asch verbrand. Ziedaar
het eerste bedrijf van het drama. Het volgende zal zijn, zooals uit
het cijferbericht blijkt, dat de Czaar een deputatie zendt, die de
gronden verzoekt te vernemen, waarop Czernovië zich onafhankelijk
meent te mogen verklaren. Welk antwoord kunnen we geven? Welke
bewijzen voorbrengen? Zonder ons Charter zijn we aan de genade van
Rusland overgeleverd. Zijn Ministers--Nicolaas Bardogolski, de in
het document genoemde Minister van Buitenlandsche zaken in de voorste
rij!--zullen volhouden dat zulk een Charter nooit werd verleend, dat
onze vrijheid op een leugen berust, dat alle bestaande afschriften van
dat stuk op een legende steunen, welke wij langzamerhand tot historie
vervormd hebben. "Laat ons het origineel zien!" zullen ze zeggen,
"Toon ons de autenthieke handteekening van den Czaar!" Begrijpt ge
nu wat die man deed?"
De duivelsche toeleg van het complot deed Rob huiveren van afkeer. En
zijn gedachten gingen uit naar de Prinses, die op dat oogenblik rustig
sliep in haar op ruimen afstand van hier gelegen kwartier van het
reusachtig Paleis, nog onwetend van dit nieuwe gevaar dat haar troon
bedreigde. Hij voelde nu minder medelijden met den ongelukkige die
daar aan zijn voeten lag.
"Waarom verzond hij het document niet naar Rusland?"
"De reden hebt ge in het cijferbericht gelezen. Het was minder
gevaarlijk het dadelijk te vernietigen. En zooals ge gezien hebt, had
Orloff, de handlanger der Russische Regeering, dat goed begrepen. Had
deze man het Charter immers bij zich gestoken, dan was het nu weder
in ons bezit. O, ik kan mezelf vervloeken dat ik dit niet voorkomen
heb! "Bewaarder van het Charter," luidt een mijner titels. Een goed
bewaarder inderdaad! Gelukkig weten u en ik alleen, dat het complot
gelukt is, want die beide soldaten daar begrijpen er niets van. Ze
weten niet eens wat een Charter is, nog minder dat het hier bewaard
werd."
"Ik vrees, Maarschalk, dat er anderen zijn die het weten," zei Rob,
een lantaarn met blauw glas oprapend. "Ik zag een teeken geven met
deze lantaarn--wat werd daarmee anders bedoeld dan een ergens opgesteld
handlanger te berichten dat het Charter verbrand was?"
De Maarschalk stiet een vloek uit.
"Dan kunnen we het gezantschap van den Czaar spoedig verwachten,"
zei hij.
Naar het venster gaande, onderzocht hij de tralies.
"Het doorvijlen van die zware staven moet meer dan éen nacht hebben
gekost. Hoe is het mogelijk dat de post op de borstwering dit niet
belette?"
"Hij maakte zelf deel uit van die post," zei Rob. "Dat herinnert me
er aan, dat er nog een man daarginds ligt; ik sloeg hem neer met zijn
eigen wapen."
"Nog een? Bij alle duivels! Dat je dien vergeten kon! Wanneer hij
eens ontsnapt was met het bericht van wat hier was gebeurd!"
Zabern snelde de kamer uit, en klom een wenteltrap op die naar het dak
leidde. Rob volgde hem op den voet. De schildwacht lag nog op de plaats
waar Rob hem gelaten had. Zabern onderzocht hem slechts een oogenblik.
"Hij zal nooit weer den verrader spelen. Ge hebt hem den schedel
verbrijzeld. En óok zonder een krijgsraad!" voegde hij er droog bij.
Na Gabor en Lasco geroepen te hebben, gaf Zabern hun aanwijzingen
om de twee lijken weg te brengen; tevens beval hij de strengste
geheimhouding over het gebeurde.
Daarna liep hij, met Rob naast zich, eenigen tijd somber en zwijgend
langs de galerij.
"Die twee worden morgen naar een garnizoen in 't Westen verplaatst,"
zei hij, op de beide soldaten doelend, die nu met hun last de trap
afgingen. "Vertrouwbaar zijn ze, geloof ik, wel,--maar wie _is_ er
welbeschouwd te vertrouwen, niet waar? Mijn spreuk is: "wees tegenover
iedereen op je hoede--vooral tegenover je zelf." Ik had gedacht mijn
omgeving nu langzamerhand van verraders gezuiverd te hebben, maar,
zooals ge ziet, ze huizen overal."
Er was nog een punt in de kwestie, dat Rob niet duidelijk was. Daarom
vroeg hij:
"Hoe is het eigenlijk mogelijk, dat het complot uitgevoerd werd,
terwijl toch de brief in onze handen viel, in plaats van aan zijn
adres terecht te komen?"
"Mogelijk werden er twee boodschappers uitgezonden, of werd Orloff
ongerust toen Russakoff niet binnen een vastgestelden tijd terugkwam,
en stuurde hij een anderen brief--die helaas het verlangde resultaat
ten gevolge had."
"Gelooft u, dat de Russische Regeering dit plan op touw heeft gezet?"
"Dat zou ik niet direct willen verzekeren. Wel ben ik ervan overtuigd,
dat, zoo ze niet de oorspronkelijke opsteller van het plan is, haar
toch elk wapen welkom was dat men tegen Czernovië wist te smeden. En
wie aan deze zijde van de grens de Russen in de kaart speelt, dat
behoef ik u niet te zeggen."
"De Hertog van Bora?"
"Wie anders? En toch ontbreekt me het tastbare bewijs van zijn
verraad. Misschien had ik beter gedaan dien Michael te laten leven. Hij
zou heel wat hebben kunnen vertellen..."
"Maar bewijst het niets tegen den Hertog, dat hij in 't bezit
was van een exemplaar van de Eumeniden, waarin cijfers waren
opgeteekend--terwijl nu gebleken is, dat de sleutel uit dat boek te
vinden was? Juist de omstandigheid dat ik hem in het Hotel Czernovië
dat boek in de hand zag hebben, terwijl ook de laatste woorden van
den Secretaris er op doelden, bracht mij op het spoor."
"Zeker bewijst dat iets--in onze oogen althans. En meer nog:
in de gevangenis scheurde de Hertog dat boek aan stukken. Maar
wat zullen zijn verdedigers zeggen? "Een toevallige samenloop van
omstandigheden!" Bovendien durf ik den Hertog op dat vermoeden niet
voor een rechtbank brengen; de rechters zouden het verschrikkelijke
feit vernemen dat Czernovië zonder Charter is, een geheim dat voor
iedereen, ook voor de Prinses verborgen moet blijven. Laat Hare
Hoogheid dit nooit hooren; zij heeft reeds genoeg te dragen."
"Vertrouw op mijn stilzwijgen, Maarschalk," antwoordde Rob.
De ochtend begon aan te breken.
"Nu moeten we gaan slapen," zei eindelijk de Maarschalk. "Czernovië
gaat moeielijke tijden tegemoet. Maar ik zal op mijn post zijn. Peter
de Groote zei: "er zijn drie Joden noodig om slimmer te zijn dan een
Rus." Welnu: er zullen heel wat Russen noodig zijn om slimmer te zijn
dan Zabern."
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
HET GEZANTSCHAP VAN DEN CZAAR.
Felix aanvaart zijn nieuwe betrekking.--Graaf Feodor Orloff,
Gezant van den Czaar, doet eenige brutale vragen.--Elizabeth
antwoordt hem zeer beleefd.--Katina wordt eerst tegen haar zin,
daarna vrijwillig gevangen.--Zabern schrijft een brief.--
Den volgenden morgen werd Felix in de Witte Zaal ontboden, waar hij,
onder de aangename leiding der Prinses zelve, in de geheimen van zijn
nieuwe betrekking werd ingewijd. Tot dusver liepen de gebeurtenissen
hem mee; ongetwijfeld had hij geen beteren weg kunnen vinden om
leidende macht te verkrijgen in de staatsaangelegenheden van Czernovië.
Zij, die aan de geruchten hadden geloofd, die van een uit vroeger
tijden dateerende relatie tusschen de Prinses en Felix gewaagden,
konden uit de verhouding dier beide personen tot hun verwondering
niets opmaken, dat die geruchten ook maar eenigermate bevestigde. Zoo
ongedwongen als natuurlijk hun omgang was wanneer zij samen waren, zoo
voorzichtig gedroegen zij zich in het openbaar. Geen blik, geen woord
verried hun geheim; Felix behield steeds de bescheiden houding van den
ondergeschikte, Elizabeth de autoritaire waardigheid van een Vorstin.
Aan Zabern's scherp oog was het mysterie niet ontsnapt, dat deze twee
menschen klaarblijkelijk aan elkaar verbond; wat hij echter ook van de
keuze der Prinses dacht, de voorzichtige Maarschalk liet daarvan niets
raden. Hij zag in de toekomst dingen, die voor anderen nog verborgen
waren, en, vast overtuigd, dat Felix verborgen redenen had om de
onafhankelijkheid van Czernovië te bevorderen, begreep hij te goed
dat deze vreemdeling hem in zijn overeenkomstige plannen van groot
nut kon zijn, dan dat hij zich verzetten zou tegen een toenadering,
die hij eer aanmoedigde dan vreesde.
Een van de eerste dingen, die Elizabeth met haar Secretaris besprak,
was het tooneel, dat tusschen Ravenski en haar had plaats gehad. Zij
had aan de bedreigingen van dien man in het begin niet te veel waarde
gehecht, wetend dat hij even laf als egoïst was, en geen persoon om
zich in ernstige politieke verwikkelingen te wagen. Het artikel in
de Kolokol had haar echter doen opschrikken, en ze vertelde nu aan
Felix het gebeurde, hopend dat hij raad zou weten te verschaffen.
"Voorloopig kunnen we niet anders doen dan dien man in 't oog houden,"
zei Felix. "En ten slotte is het misschien het beste om de geruchten,
die hij heeft opgewekt, niet tegen te spreken. Zeker, hij heeft het
bewijs, ten minste een moreel bewijs, dat je niet van plan bent in
een huwelijk met Bora toe te stemmen, maar wat doet dit er eigenlijk
toe? Dat je met iemand anders hoopt te trouwen, iemand, die door
Rusland nooit zal erkend worden--dat weet hij niet, en daarin ligt toch
eigenlijk de hoofdzaak. Bovendien, het Congres heeft alleen bepaald,
dat je geen huwelijk mag sluiten zonder toestemming van Rusland,
maar er is nooit gezegd, dat je niemand anders kiezen mag dan den
Hertog van Bora!"
Intusschen had de Hertog verscheiden dagen in de citadel
doorgebracht. Zijn arrestatie was aanleiding geweest tot een vraag van
Lipski, den afgevaardigde van Russograd, die in de kamer de Regeering
daaromtrent had geïnterpelleerd, klaarblijkelijk met het doel die
arrestatie onwettig te doen verklaren. Zabern had kort geantwoord,
dat dit een zaak was die den geachten afgevaardigde niet aanging;
waarop de geachte afgevaardigde een rede van twee uren hield om
te betoogen dat, de Hertog Lid der Kamer zijnde, zijn arrestatie
de geheele Kamer, en dus ook hem, Lipski, aanging. Hetgeen Zabern
beantwoordde door te zeggen, dat de rechter wel zou uitmaken wie
gelijk had. De Hertog had zich bovendien vrijwillig overgegeven, en
toonde zich niet tegen zijn gevangenneming te willen verzetten. De
Minister zou echter de Prinses in overweging geven den Hertog in
afwachting van het vonnis op vrije voeten te stellen.
Deze laatste mededeeling was het gevolg van een gesprek tusschen
Felix en de Prinses, waarin deze laatste gezegd had:
"De striem is nu van je wang verdwenen, Felix; als je er geen bezwaar
tegen hebt, zouden we den Hertog voorloopig wel zijn vrijheid kunnen
teruggeven."
Felix had hiertegen natuurlijk geen bezwaren, protesteerde zelfs
dat Elizabeth de beslissing van hem deed afhangen; en zoo ging er
een order naar de citadel, waarbij de gevangene ontslagen werd. Nu
bereidde Elizabeth zich op nieuwe moeilijkheden voor. Want als Bora
vernemen zou, dat Elizabeth klaarblijkelijk alles in het werk stelde
om een huwelijk met hem te verijdelen, zou hij niet nalaten zich
openlijk haar vijand te toonen.
Dien zelfden avond werd Felix bij Zabern geroepen, die hem in een
sombere stemming ontving.
"Het vermoeden van uw vriend was juist," zei hij tot Felix,
die omtrent het avontuur van Rob was ingelicht, "dat signaal met
het blauwe licht was ongetwijfeld een afgesproken teeken met een
handlanger. Het verbranden van het Charter is aan derden bekend
geworden. Het complot breidt zich uit. Wie denkt ge dat over enkele
dagen hier zal zijn? Feodor Orloff!"
"Orloff!?"
"Niemand anders dan hij. Als afgezant van den Czaar komt hij een
audiëntie vragen bij de Prinses. Ge begrijpt het doel van zijn komst?"
"Hij wil zeker het Charter zien!"
"Natuurlijk!"
"Maar wordt het dan geen tijd dat we de Prinses alles vertellen? Wat
moeten we doen wanneer ze hem op zijn vraag antwoordt, dat hij het
Charter zal mogen zien?"
"Dat zal ze niet doen. Ik heb haar overtuigd dat dit verkeerd zou
zijn, dat we door zulk een toegevendheid een gevaarlijk voorbeeld
zouden stellen. Het gaat niet aan, ons maar door elke deputatie
die er lust toe heeft, naar onze huishoudelijke aangelegenheden te
laten vragen. Geloof me, de Prinses zal hem weten te antwoorden. Een
diplomatiek gesprek is haar toevertrouwd."
Acht dagen later maakte Prinses Elizabeth zich gereed audiëntie te
verleenen aan Graaf Feodor Orloff, Gouverneur van Warsim, buitengewoon
gezant van Zijne Keizerlijke Majesteit den Czaar.
Eenige minuten vóor dit onderhoud plaats had, gebeurde er een
zonderling tooneel in het studeervertrek van Zabern. Juist toen de
Maarschalk zich gereed maakte dit heiligdom te verlaten, werd de deur
geopend, en Katina Ludovska door een viertal soldaten, die daarna
weer vertrokken, binnengebracht.
"Mijn spionnen hebben je dus gevonden," zei hij met een glimlach van
voldoening. "Waar heb je je de laatste dagen opgehouden?"
"Dus is het waar, dat ik op uw bevel gevangen genomen ben!" riep
Katina met fonkelende oogen.
"Volkomen waar. Deze kamer zal voorloopig je verblijf zijn. Kijk eens,
hoe gemakkelijk, ja weelderig, ik ze voor je heb ingericht. De vensters
zijn getralied, maar om zoo'n kleinigheid zal je wel niet geven."
"Waarom ben ik hier?"
"Om je leven te sparen. Weet je wel, Katina, dat, wanneer je Orloff
doodschoot, ik, als Minister van Justitie, zou moeten zorgen dat je
ter dood veroordeeld werd?"
"Dus u hebt mijn plan geraden," zei ze bitter.
"En ik moet het verijdelen. Kom, Katina, wees verstandig. Waarom zou je
je in gevaar brengen. Door den gezant van den Czaar te vermoorden zou
je bovendien een reden doen ontstaan om Czernovië te annexeeren--een
land waar onschendbare personen niet veilig zijn!"
"En ge zoudt me dus mijn wraak ontnemen?" zei Katina met een gebaar
van wanhoop. "Welke andere gelegenheid zal ik er nu ooit voor
hebben? Wanneer men me in Rusland niet te goed kende, was ik al lang
de grens overgegaan om hem neer te schieten. Maar zoodra ik een voet in
Rusland zette, zou ik gegrepen en weer naar Orenburg gezonden worden."