"Geen gekheid. Wat gebeurde er daarna?"
"Wel, men begon over de motie te stemmen. En ze werd aangenomen."
"Aangenomen? Terwijl de vreemdelingen in de minderheid zijn?"
"Vergeet niet, dat Mengelberg hier gisteravond was."
"Mengelberg?" vroeg Zabern. "Wie is dat? Wat had die in de Kamer
te maken?"
"In de Kamer?" lachte Dorislas. "Daar was hij niet. In de concertzaal
van de Opera. Maar u weet toch wel wie Mengelberg is! Heel de wereld
kent hem."
"De duivel mag hem halen. Verder."
"Wel, bijna alle leden van onze partij woonden het concert bij. Men
speelde de Piet-Hein-Rapsodie van Van Anrooy. Prachtig. Subliem. Jammer
dat u er niet was. Ze waren er bijna allemaal, onze partijmannen."
"Een zekere ezel, Dorislas genaamd, niet uitgezonderd. Maar wat
drommel, liet Radzivil jullie dan niet door soldaten naar de Kamer
sleepen?"
"Radzivil zond Opalinski naar de Opera. Opalinski kwam binnen. Juist
had Mengelberg den dirigeerstok opgeheven. Opalinski's schoenen
kraakten. Mengelberg keek hem zoo doordringend aan, dat hij geen voet
meer dorst verzetten. De muziek begon, en toen het stuk uit was,
was de motie aangenomen. Toen we de Kamer binnenkwamen, werden we
door het hoongelach der Linkerzijde begroet."
"Nu--laat ze plezier hebben van hun motie. Ik zal Radzivil wel
dicteeren wat hij er op antwoorden moet."
Het viertal had nu de schermzaal bereikt. Boven den ingang wapperde de
Czernovische vlag--rood-wit-blauw, met een gouden ster in het midden.
Zabern wees naar de vlag. "De ster is er nog," zei hij. "De leid-ster
van Czernovië. En zoo lang ik er ben, zal ze niet uitdooven."
Men ging naar binnen. Daar dit gebouw gedurende Felix' afwezigheid was
gesticht, behoefde hij geen verwondering te veinzen over de grootsche
inrichting er van. Trouwens, er was onder Elizabeth's bestuur zooveel
ontstaan en gewijzigd, dat het Felix doorgaans gemakkelijk viel
niet te verraden dat hij een geboren Czernoviër was. Zijn hem zelden
verlatende kalmte, en de gewoonte om weinig te spreken, kwamen hem
daarbij te hulp.
Door een ruime en koele voorhal bereikte men een enorme zaal, versierd
met wapenrustingen, zwaarden, musketten, pistolen, schilderijen van
veldslagen en wapenfeesten, en portretten van beroemde schermers.
"Als het aan mij lag," zei Zabern, "zou ik ieder, die in een
verantwoordelijke betrekking voor bevordering werd voorgedragen,
hier willen brengen. Een partij sabel van tien minuten zou me beter
inlichten omtrent z'n karakter dan een onderzoek of een examen van
een maand."
Felix maakte deze woorden, in verband met zijn benoeming tot
Secretaris, onwillekeurig op zichzelf toepasselijk, en hij begreep
wederom dat Zabern ook nu van zins was hem--in wien hij een aanhanger
van zijn plannen vermoedde--nader op de proef te stellen en te
leeren kennen.
Onder de hooggeplaatste personen en officieren, die zich in de zaal
bevonden, merkte Felix ook Graaf Radzivil op, en het trof hem dezen
zeventigjarigen man te zien aanvallen en pareeren met al de lenigheid
van een jongen van zestien. Maar meer nog verraste hem een aantal
dames, die aan het andere einde der zaal aan het schermen waren; Zabern
vertelde hem dat de doctoren deze oefeningen zeer hadden aanbevolen,
en dat de Czernovische dames er blijkbaar behagen in hadden. Ook
maakte hij hem opmerkzaam op een afgescheiden deel der zaal, dat
op bepaald verlangen der Prinses voor iedereen toegankelijk was;
op dit oogenblik waren er twee meisjes aan het schermen, in een van
wie Felix dadelijk Katina herkende, terwijl Zabern hem vertelde dat
de andere haar zuster Juliska was.
Toen Zabern binnenkwam, hadden de meesten hun partijen gestaakt, en
men zag met eenige nieuwsgierigheid naar den vreemdeling dien hij
meebracht. Zabern stelde Felix aan het gezelschap voor, en weldra
begreep ieder dat dit de merkwaardige Hollander moest zijn die
het gisteren tegen den Hertog had durven opnemen. Er ontstond een
gefluister, er werden blikken gewisseld, en ten slotte zei Zabern
lachend tot Felix:
"Deze dames en heeren zijn benieuwd, eenige staaltjes van uw
schermkunst te zien, opdat men er zich een denkbeeld van kan vormen
hoe het duel van gisteren ongeveer afgeloopen zou zijn."
Felix verklaarde zich bereid een of meer partijen te trekken, hopend
dat zich iemand als zijn tegenstander zou willen beschikbaar stellen.
"We hebben hier," zei Zabern, "de zes beste schermers in Czernovië
na den Hertog. Wanneer ge een van hen kunt verslaan, zullen we ons
eenig denkbeeld kunnen vormen van hoe het hem onder uw handen vergaan
zou zijn."
De zes kampioenen waren, in volgorde van hun verdienste: Zabern,
Miroslav, Dorislas, Radzivil, Brunowski, de President der Kamer,
en Nikita, de ordonnans van Zabern.
"Wanneer we een zevende moesten kiezen," fluisterde Zabern tot Felix,
"ik verzeker u, dan zou die geen man zijn, maar niemand anders dan
Katina."
Felix voorzag zich van een scherm-sabel en zeide, gereed te zijn
een der genoemde heeren, of zoo men wilde, allen achtereenvolgens,
te ontmoeten. Daar hij niet geneigd was zelf een tegenstander aan
te wijzen, ontstond er een vriendschappelijke woordenwisseling over
de vraag wie zich het eerst zou aanbieden. Na eenige aarzeling trad
Graaf Radzivil naar voren.
Allen kwamen naderbij om het gevecht goed te kunnen zien. Er werden
stoelen voor de dames in een kring gezet, en de heeren stelden zich
daarachter op.
Felix begreep wel, dat volstrekt niet alle aanwezigen hem gunstig
gestemd waren. Men kende hem nauwelijks bij naam, en bovendien zou
menigeen weinig gesticht zijn over zijn benoeming tot Particulieren
Secretaris, een betrekking die menigeen in stilte begeerde, en die
nu toegewezen was aan een onbekende, al was hij dan ook door zijn
nationaliteit aan Czernovië verwant. Deze omstandigheid prikkelde
Felix te meer om zich tot het uiterste in te spannen.
Toen hij tegenover Radzivil stond, was het hem eerst een vreemde
gewaarwording een zoo veel ouderen tegenstander te moeten bestrijden;
weldra bleek hem echter dat Radzivil's arm niets van zijn jeugdige
kracht of lenigheid had verloren. Felix was niettemin beslist de
meerdere; binnen vijf minuten slaagde hij er in den Graaf verscheiden
houwen toe te brengen en hem ten slotte te ontwapenen. De sabel vloog
door de lucht en zou Katina getroffen hebben, wanneer deze niet met
haar schermdegen behendig een afwerende beweging had gemaakt.
Zabern, die met een onbewegelijk gezicht had staan kijken, scheen
ingenomen met den uitslag.
"Dat kan den beste gebeuren!" zei Dorislas, overtuigd dat de Premier
toch de sterkste van beiden was. Hij zelf volgde op Radzivil, en weer
stond Zabern elke beweging van Felix met aandacht te beschouwen.
Dorislas was een beter schermer dan Radzivil, maar ditmaal had zijn
driftig verlangen om de eer van Czernovië te wreken hem te pakken;
hij maakte te weinig werk van zijn verdediging, viel te onstuimig en
roekeloos aan, en in korter tijd dan de eerste maal was het Felix
gelukt hem herhaaldelijk eenige houwen toe te brengen, zonder zelf
een enkele maal getroffen te worden.
"Mooi zoo!" zei Zabern, klaarblijkelijk zeer in z'n schik. "Dat kan
den beste gebeuren, Dorislas!"
Dorislas zag zoo beteuterd rond bij dit zoo weinig verwachte resultaat,
dat de toeschouwers onwillekeurig in lachen uitbarstten.
"Zeg maar niets, Dorislas!" werd er geroepen, "je bent immers
morsdood!"
Felix begon in hun achting te stijgen.
Daarna waagde Miroslav een partij, en opnieuw keek Zabern zoo gespannen
toe, dat het wel leek of zijn eigen leven van den afloop afhing.
Gebruik makend van de les die Dorislas ontvangen had, begon de
Commandant zeer voorzichtig en kalm, hoofdzakelijk de slagen
afwerend. Toen hij echter eenige malen, door de afwering heen,
getroffen werd, verdween zijn bedaardheid gauw. Hij gaf Felix meer
moeite dan zijn voorgangers, maar ten slotte werd ook hem de sabel
uit de hand gewrongen.
Zabern verkneukelde zich.
"Dat is boffen, en geen schermkunst!" riep Miroslav opgewonden. "Ik
moet nog een partij met u doen, meneer Van Heelstra; dat loopje zal
u geen tweede keer lukken."
Felix was hier dadelijk toe bereid, maar verscheidene heeren
protesteerden. De Hollander had volgens hen niets ongeoorloofds gedaan,
en er was geen enkele reden waarom Miroslav een kans meer zou krijgen
dan de anderen.
"Miroslav schijnt in een slecht humeur vandaag," fluisterde een dame
tot den achter haar staanden heer.
"Hij heeft er ook reden toe," antwoordde deze. "De Prinses schijnt
hem zeer hard te hebben gevallen over de ontsnapping van Russakoff."
"De heer Van Heelstra moest nu zijn arm eens wat rust geven," merkte
een der aanwezigen op.
Maar Felix, die van de gunstige stemming wenschte te profiteeren,
verklaarde volstrekt geen vermoeidheid te gevoelen.
"Nu ben ik aan de beurt," zei Zabern, een sabel in zijn linker en
eenige hand nemend. "Ik raad u aan voorzichtig te zijn."
De waarschuwing was niet overbodig. Zabern werd algemeen beschouwd
als de beste schermer na den Hertog, en Felix had weldra gemerkt,
dat hij ditmaal een tegenstander gevonden had, die hem minstens
in behendigheid gelijk stond. De Maarschalk had een arm van staal;
en een man, die op menig slagveld in de loop van een geladen geweer
had gezien, zou niet gauw zijn koelbloedigheid verliezen bij een
schermpartij. Kalm en bedachtzaam deed hij enkele schijn-uitvallen
om den ander op de proef te stellen; daarna nam hij een verdedigende
houding aan, wachtend op het gunstige oogenblik. Felix zag geen kans
door het defensief van Zabern heen te breken, en deze vierde partij
nam daardoor een slepend karakter aan, dat scherp afstak tegen de
schitterende en onstuimige partijen die voorafgingen. Reeds begon
men te vreezen, dat er vooreerst geen eind kwam aan dit gevecht,
toen Zabern opeens in de houding terugkwam, met zijn wapen salueerde,
en zei:
"Ik heb voldoende gezien, dat ik uw mindere ben, meneer Van
Heelstra. Gaarne verklaar ik me overwonnen."
En, merkwaardig genoeg, Zabern scheen zelf met deze bekentenis van
zijn nederlaag zeer ingenomen te zijn.
"Ik ben het niet met u eens, Maarschalk," antwoordde Felix. "Niemand
kan zeggen hoe de partij zou afgeloopen zijn. Tegen uw rechterhand
zou ik het in geen geval uitgehouden hebben."
Hij wendde zich nu naar de beide overblijvende tegenstanders, Brunowski
en Nikita.
"Zouden we 't hierbij maar niet laten?" vroeg de President. "Voor
Nikita en mij zijn de kansen nu toch verkeken."
"Misschien wil de heer Van Heelstra u beiden tegelijk te woord staan,"
zei Zabern lachend.
Brunowski vond in 't eerst iets vernederends in dit voorstel, maar
daar hij toch zelf begonnen was met zijn minderheid te erkennen,
stemde hij ten slotte er in toe.
De dames stonden nu op, de stoelen werden verplaatst, en men vormde een
wijderen kring, daar de drie mannen veel ruimte noodig zouden hebben.
"Duizend roebels tegen honderd dat de Hollander wint," zei Zabern tegen
Dorislas, die echter, als verstandig financier, de weddenschap afsloeg.
De vijfde partij vormde een schitterend slot.
Brunowski en Nikita, aangetast in hun eergevoel, maakten 't den
vreemdeling uiterst moeielijk. Hoewel niet zulke kranige schermers
als Zabern, waren hun krachten toch lang niet gering te achten, en
Felix was weldra een heel eind door hen teruggedrongen. De vorige
partijen schenen bij deze vergeleken kinderspel. Aanval en afwering
volgden elkaar zoo snel op, dat de toeschouwers de verblindend vlugge
bewegingen der wapens bijna niet konden volgen. Nikita's sabel was
overal tegelijk, Brunowski's kling suisde in fluitende cirkels door
de lucht.
Maar het gelukte hun geen van beiden den tegenstander te treffen. Felix
liet zich tot tegen den muur terug dringen, steeds afwerend; toen sloeg
hij met een geweldigen houw Nikita's sabel aan splinters, en bracht
tegelijkertijd Brunowski een slag op den borstbeschermer toe, die den
President den adem benam en hem een oogenblik deed terugdeinzen. Van
die seconde maakte Felix gebruik--rinkelend vloog Brunowski's sabel
door een glasruit.
De omstanders zagen elkaar in ademlooze verwondering aan. Daarna
weerklonk een levendig gejuich; alle haatdragende gevoelens waren
verdwenen en in oprechte bewondering overgegaan.
"Zoo iets hebben we nog nooit in Czernovië gezien," zei een stem.
"Tienduizend duivels," bromde Zabern bij zichzelf, "waarom heeft de
Prinses gisteren dat duel niet laten doorgaan?"
En luider voegde hij er aan toe:
"Dames en heeren, we zullen toestemmen, dat de Hertog alle reden
heeft tot dankbaarheid."
Niemand sprak hem tegen en Zabern's oogen glinsterden van genoegen.
Op dit oogenblik kwam Katina langs; ze had uit de verte alles gade
geslagen, en was nu op 't punt met Juliska naar huis te gaan. Bij
den Maarschalk bleef ze even staan, als wilde ze een verzoek tot
hem richten.
"Maarschalk," fluisterde ze, "u hebt een proef genomen! Is het niet
zoo? Zeg me eens waar u over denkt op het oogenblik?"
"Dat het een vroolijk feest zal worden, het huwelijk van de
Prinses!" antwoordde Zabern in orakeltaal. Dadelijk daarop vroeg hij
haar luid:
"Laat ons eens zien, Katina, dat de Czernoviërs schieten kunnen,
al kunnen ze niet schermen!"
Katina liet nu een witgeschilderd houten bord aan den muur hangen,
ging op tien passen afstand staan en legde een aantal geladen revolvers
naast zich. Vervolgens schoot ze de eene revolver na de andere zoo
snel af, dat er nauwelijks een oogenblik stilte tusschen twee schoten
was te vernemen. Als resultaat daarvan vertoonde zich een groot ovaal
op het bord. Toen de revolvers opnieuw geladen waren, zette Katina
haar kunststuk voort en binnen het ovaal verschenen lijnen en punten,
die uit het geheel het portret van een man deden ontstaan, waarvan
het origineel dadelijk door sommigen der aanwezigen werd herkend.
"Orloff, de gouverneur van Warsim!" riepen verscheiden stemmen.
"Begrijpt ge, waarom ik dit geleerd heb?" vroeg Katina fluisterend
aan Zabern. Deze knikte zwijgend, en zei, rondziende naar Felix:
"Kan iemand dit nadoen?"
Er werd ook voor Katina in de handen geklapt, maar niemand waagde
het zich met haar te meten en ook Felix glimlachte ontkennend.
Langzamerhand verliet het gezelschap de schermzaal; tegenover zulke
meesters als er heden middag aan 't woord waren geweest, schrok men
terug voor het ten toon spreiden van zooveel zwakkere krachten.
"En hoe maakt onze gevangene het?" vroeg Radzivil onder het weggaan
den Commandant der citadel.
"'n Beetje uit z'n humeur," antwoordde Miroslav. "Hij brengt zijn
tijd hoofdzakelijk door met het drinken van ouden Rijnwijn, en
in zichzelf te zitten mopperen. Tusschen twee haakjes, hij scheen
vooral zeer verontwaardigd dat we hem fouilleerden, want hij scheurde
enkele dingen, die we hem wilden ontnemen, van woede in stukken. Nu,
't was dan ook niet plezierig voor hem, maar 't is nu eenmaal regel
in de citadel."
"Wat verscheurde de Hertog?" vroeg Zabern, die de laatste woorden
gehoord had, achterdochtig.
"Niets bizonders, een boek," antwoordde Miroslav. "Ik liet de snippers
door een soldaat opvegen, en zag toen toevallig den titel op een stuk
van den omslag staan."
"Hoe heette het?"
"Tooneelspelen van Aeschylus. 't Was zonde van 't mooie boekje."
"Het is jammer, dat ge dat boek niet hebt kunnen redden. Zijn de
overblijfselen misschien nog te vinden?"
"Al het afval in de citadel wordt tweemaal daags verbrand; u weet,
zoo wil de Inspecteur van den Militairen Gezondheidsdienst het."
"Dat is heel jammer," zei Zabern nadenkend. "Als goed soldaat had ge
moeten bedenken, Commandant, dat _elke_ aanwijzing, ook de kleinste,
van waarde is. Ik ben ervan overtuigd, dat de Hertog een grondige reden
had om dat boek te verscheuren. Aeschylus, Aeschylus--" herhaalde hij,
"wat schreef die ook weer? Mijn Grieksch heeft me wel wat in den
steek gelaten."
Op eens maakte Felix een driftige beweging.
"Mijn God, Maarschalk! Ik weet het: Aeschylus schreef onder anderen
"_De Eumeniden, of De Furiën_!"
Zabern greep Felix bij den arm, en nam hem ter zijde.
"De sleutel van het cijferschrift," fluisterde hij. "Dat waren de
laatste woorden van Van Stralen:--_de Furiën_!"
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
ROB BETRAPT EEN INBREKER.
Rob gaat aan het cijferen.--Gevonden!--De inbraak in het
Paleis.--Zabern redt Rob nog juist op tijd.--Het verbrande
Charter.--Wat zal er van Czernovië worden?
De opsteller der aanteekeningen, waaruit dit boek geput werd,
liet zijn eigen persoon zoo bescheiden op den achtergrond, dat de
beschrijver van zijn avonturen de lezers en zichzelf gelukwenschen
moet met elke gelegenheid, die eens wat naders doet vernemen omtrent
zijn persoonlijk aandeel aan de hier vermelde gebeurtenissen.
Die gelegenheid is er thans.
Gedurende de afwezigheid toch van Felix en Zabern, had Rob zich met
alle aandacht aan het werk gezet om het cijferschrift nader tot zijn
oplossing te brengen.
Door den Paleis-bibliothecaris had hij zich een Grieksche uitgave van
de Eumeniden doen geven, en, dankbaar voor La's lessen die hem in staat
hadden gesteld althans van enkele Grieksche woorden de beteekenis te
kunnen vatten, zette hij zich aan den arbeid, ten overvloede met een
Grieksch-Czernovisch woordenboek gewapend.
Het papier dat de Maarschalk hem had gegeven was met rijen cijfers
bedekt, die door punten van elkaar gescheiden waren.
De eerste acht getallen luidden aldus:
6 . 42 . 50 . 37 . 97 . 39 . 65 . 21
Wat stelden deze getallen voor? Zekere woorden uit het
tooneelstuk? Wanneer het zesde woord uit de Eumeniden, het
twee-en-veertigste, het vijftigste, en zoo voort, opgezocht en naast
elkaar werden geplaatst, zouden ze dan een verstaanbaren zin opleveren?
Hij paste deze methode toe, maar het resultaat moedigde hem niet
aan de proef voort te zetten. Er kwam een totaal onbegrijpelijke
opeenvolging van woorden te voorschijn.
Bij nader inzien werd het hem duidelijk, dat de getallen niet in de
plaats van woorden konden staan, daar immers de vocabulaire van een
klassieken Griekschen dichter moeielijk toereikend kon zijn om te
voorzien in alle termen, die bij de moderne schrijvers in gebruik zijn.
Een andere waarneming bevestigde deze onmogelijkheid. Aan het eind
van den brief kwam namelijk het getal 8537 voor, terwijl het aantal
woorden uit de Eumeniden een aanmerkelijk lager cijfer bereikt. Werden
daarentegen de letters in volgorde genummerd, dan bleek het totale
aantal al gauw de 8537 te overtreffen.
Rob besloot deze theorie te beproeven, namelijk dat 6 de zesde,
42 de twee-en-veertigste letter, enzoovoorts, beteekende.
Groot was zijn vreugde toen hij het volgend resultaat
verkreeg:
------
TABLE
6 . 42 . 50 . 37 . 97 . 39 . 65 . 21
N i c o l a a s
------
Nicolaas! Dat beteekende ten minste iets.
Op de zelfde wijze voortgaand, vond hij voor de acht volgende cijfers
de woorden "stemt toe."
"Waarin stemt Nicolaas toe?" mompelde Rob. "Laat ik daar eens gauw
probeeren achter te komen. Het is duidelijk dat ik nu den sleutel in
handen heb."
Hij begreep nu, dat het 't beste zou zijn de Eumeniden eerst
geheel door te loopen, en bij voorbeeld elke tiende letter met zijn
overeenkomstig volgnummer te merken. Als dat gedaan was, zou het
ontcijferen verder slechts enkele minuten kosten.
Rob begon dit eentonig werk, dat hem meer dan vier uren in beslag
nam, ook omdat hij nu en dan zijn vorige telling moest verifieeren,
daar elke fout zich natuurlijk tot het einde zou voortplanten, en
verwarring brengen in de uitkomst.
Toen zijn exemplaar van de Eumeniden eindelijk geheel becijferd gereed
lag, bedacht hij zich nog met schrik dat misschien wel beschouwd
zijn heele werk vergeefs was. De mogelijkheid bestond immers dat de
schrijver een andere uitgave had gebruikt dan hij, en er waren meer
lezingen dan éen van de klassieken!
Maar gelukkig werd zijn geduld beloond.
Juist toen de Maarschalk en Felix de kamer binnenkwamen, nieuwsgierig
naar Rob's onderzoekingen, en hopend dat zij hem met hun laatste
ontdekking van dienst konden zijn, stond Rob op en ging hen
triomfantelijk tegemoet, het cijferschrift boven het hoofd zwaaiend.
"Ik heb het! Ik heb het!"
"Wel?" vroeg Zabern. Waren het de Furiën?"
"Ze waren het! En ze hebben me op de hielen gezeten bij het werk. Daar
ligt het, kant en klaar."
Het was duidelijk, dat de ontcijfering juist was, want het resultaat
bestond uit een reeks op zichzelf samenhangende en begrijpelijke
zinnen. De beteekenis van het geheel was hun echter geen van drieën
recht helder, ten minste niet op het eerste gezicht.
Rob las de oplossing voor, die als volgt luidde:
_"Nicolaas stemt toe. Maak dus spoed. Overbrenging van het
document te gevaarlijk. Daarom dadelijk te verbranden. Bericht
daarna. Gezantschap volgt dan._
_"Lipski's wetsontwerp kloosterbelasting goed. Geld langs
gewonen weg beschikbaar. Ontdekking voorraden rechtvaardigt
annexatie._
_Orloff_."
Bij het zien van de onderteekening had Zabern een onderdrukt gegrom
doen hooren, als van een wild dier dat gereed staat zijn prooi te
bespringen.
"Orloff! Ik wist het wel!"
Daar het intusschen nacht was geworden, raadde Zabern de beide vrienden
aan, rust te gaan nemen. Hijzelf, de man van ijzer, wilde nog eenigen
tijd besteden aan de bestudeering van het document; hij nam daarom
alle papieren mee, Rob uitbundig lof brengend voor zijn vernuftige
oplossing. Felix werd door een lakei naar een drietal ineenloopende,
weelderig ingerichte vertrekken geleid, dat op speciaal bevel der
Prinses in orde was gebracht; Rob behield de kamer die hij tot nog
toe met zijn reisgenoot had gedeeld.
Felix, moe van het schermen, viel onmiddellijk in slaap; Rob kon
echter, na zooveel uren ingespannen cijferen, niet dadelijk tot rust
komen. Hij had al dien tijd in een gesloten kamer zitten werken,
en verlangde naar lucht. Daarom opende hij een venster en leunde
naar buiten.
Het was donker, en de lucht was zwaar bewolkt; een windstoot joeg
hem eenige regendroppels in het gezicht.
Het venster gaf uitzicht op een binnenhof, waaromheen het paleis
hoefijzervormig gebouwd lag. Toen Rob toevallig den blik op den
tegenoverliggenden vleugel vestigde, scheen het hem toe, dat zich daar
iets of iemand ongeveer halverwege het dak en den grond bewoog. Zijn
oogen tot het uiterste inspannend, zag hij dat de donkere vlek, die
zich tegen den grijzen muur afteekende, de gedaante van een man was
die in de lucht hing: want daar er van een ladder niets te zien was,
kwam hij tot de conclusie dat de man aan een touw vastgebonden was.
De gedaante bleef op dezelfde hoogte, en Rob meende hem voortdurend
den arm in horizontale richting te zien heen en weer bewegen. Een
zacht schurend geluid versterkte hem in de meening, dat de man bezig
was de tralies door te vijlen die een der vensters aan de overzijde
van buiten beveiligden.
Daar hij zelf niet gezien kon worden, omdat hij het licht in zijn kamer
uitgedraaid had, bleef hij de verdachte bewegingen nog eenigen tijd
waarnemen. Het leek hem een gevaarlijke onderneming, die daar op touw
werd gezet. Klaarblijkelijk leed het geen twijfel of iemand trachtte
zich door een der vensters toegang te verschaffen tot het Paleis;
de man werd wel is waar door de duisternis en door het geruisch van
wind en regen begunstigd, maar hij kon elk oogenblik verrast worden
door de nachtelijke ronden, die hun weg zoowel over den hof beneden,
als boven over de platte daken namen.
Vroeger op den avond had Rob de voetstappen en het aanroepen gehoord
van twee schildwachten, die op de buitengalerij liepen, vanwaar
uit de binnenplaats overzien kon worden. Sliepen die nu? Zoo niet,
dan hielden ze wel heel slecht wacht, dat deze man zulk brutaal werk
onder hun oogen kon verrichten.
Opeens begreep Rob de waarheid. Die inbreker was zelf een soldaat,
een van de twee, die speciaal waren aangewezen om dit deel van het
Paleis te bewaken. De ander was zijn medeplichtige. Beiden waren bezig
't een of ander boos opzet te volvoeren. Verraad bedreigde het Paleis!