"Een droevig lot!" mompelde Zabern, wiens ietwat ruw en onaandoenlijk

gemoed toch ontroerd werd door Paul's ontijdig en tragisch einde. "En

ten deele ben ik daar de oorzaak van."

"Hoe zoo?"

"Het cijferbericht dat ik hem toevertrouwde was de oorzaak van

zijn dood."

"Ge meent, dat hij vermoord werd om te verhinderen dat hij het

ontcijferen zou?"

"Juist. De Hertog deinst voor niets terug om zijn verraad te

verbergen."

"Welk bewijs hebt u voor zijn medeplichtigheid?"

"Bewijzen--geen. Maar ernstige vermoedens genoeg. Gisteren morgen

vernam de Hertog de gevangenneming van Russakoff, en dat Van Stralen

bezig was het cijferbericht te ontraadselen. Het was niet bepaald

mijn doel, dat hij dit vernemen zou; Graaf Radzivil, die wel eens

wat gemakkelijk aan 't praten te brengen is, vertelde het hem. Nu,

't doet er betrekkelijk weinig toe; bovendien hecht ik niet veel aan

geheimzinnigheid. Mijn ondervinding heeft me geleerd, dat men zelfs

in de gewichtigste politieke kwesties de grootste openhartigheid kan

gebruiken. Geheimhouding leidt tot niets, wekt achterdocht. Niets

brengt zoo zeer op een dwaalspoor als eerlijkheid.

"Maar ter zake. Radzivil meende te merken, dat de Hertog lang niet

op z'n gemak was toen hij van de arrestatie hoorde. Eigenaardig is

't dat daarna de Hertog een inspectie-bezoek bracht aan de Citadel,

in z'n kwaliteit als Leger-Commandant natuurlijk. En nog eigenaardiger

is, dat twee uur later Russakoff's cel ledig gevonden werd. Hoe? Groot

is de macht van den roebel!"

"Als de Hertog die macht nu ook maar niet te baat neemt!"

"Ik heb zorg gedragen, dat zijn bewaking aan vertrouwde personen

is overgelaten. Maar om op den cijferbrief terug te komen. Die is

nog steeds een geheim. En Van Stralen was juist den sleutel op het

spoor! Sprak hij daar niet over onderweg? Gaf hij u geen enkele

aanwijzing?"

"Niets."

"De inhoud van dien brief," zei Zabern, "zou ons de gelegenheid geven

Rusland's geheime plannen te ontmaskeren, maar helaas! waar zullen

we den uitlegger vinden!"

De beide mannen hadden onder deze woorden het vertrek verlaten en

begaven zich in Zabern's studeerkamer. De zeer ruime en practische

inrichting van het Paleis liet namelijk toe, dat een vleugel geheel

aangewezen was voor vergaderzalen, bureau's voor elk der Ministers,

archieven, bibliotheken enz.

Op de gang kwam Rob hen tegemoet, die evenals zij en Katina alles

gedaan had om de zaak tot klaarheid te brengen. Katina was ten slotte

bij kennissen eenige rust gaan zoeken, en Rob was juist van plan

Felix voor te stellen naar het hotel te gaan, daar hij doodmoe was.

Zabern, de man van ijzer en staal, glimlachte even toen hij het

vermoeide gezicht van den jongen Hollander zag. Maar hij zei dadelijk:

"De heeren zullen naar rust verlangen. Ik heb een kamer met twee bedden

doen inrichten naast mijn studeervertrek. U zult me een genoegen doen

daarvan gebruik te maken."

Felix en Rob namen het aanbod dankbaar aan; de weg naar het hotel was

lang, en ze zouden zeker nergens zoo rustig slapen als hier. Bovendien

zag Felix in de tegemoetkomingen van Zabern een poging om hem

en Rob aan zich te verbinden, waartegen hij niets geen bezwaar

had. Integendeel, door zich den Maarschalk tot vriend te maken,

hoopte hij zijn doel des te sneller te bereiken.

"Goedennacht, heeren," zei Zabern, en voegde er glimlachend aan toe:

"droom niet van het cijferschrift!"

"Naar aanleiding van dat cijferschrift wilde ik u graag iets vragen,

Excellentie," zei Rob op eens.

Felix keek hem verbaasd aan.

"En dat is?" vroeg Zabern.

"Ik bedacht me zooeven, dat we misschien te weinig waarde hechtten

aan de laatste woorden van den Secretaris...."

"Wat waren die dan?"

"Denk er aan," zei hij, "het zijn de Furiën!"

"De Furiën?" vroeg Zabern verwonderd, "wat kan hij daarmee bedoeld

hebben?"

"Ik voor mij heb er niet anders in gezien dan onsamenhangende woorden,

die hij zonder bewustzijn uitsprak, misschien verward door pijn en

doodsangst," zei Felix.

"Het is mogelijk," vervolgde Rob, "maar ik heb zoo'n voorgevoel, dat

die woorden niet alleen een bepaalde bedoeling hadden, maar zelfs in

verband stonden met het cijferschrift."

Zabern en Felix zagen hem ongeloovig aan, tegelijkertijd toch in

hun wanhopen aan de oplossing Rob's vermoeden aangrijpend als den

stroohalm, waarnaar de verdrinkende grijpt.

"En wat meer is," zei Rob, "ik meen zelfs met behulp van die woorden

den sleutel op het spoor te zijn."

"Is het mogelijk!" riep Zabern verrast.

"Zoudt Uwe Excellentie mij het document, of een afschrift ervan,

gedurende enkele uren willen afstaan?"

Zabern's gelaat drukte aarzeling uit. Zou het voorzichtig zijn,

zulke belangrijke staatsgeheimen in handen te geven van iemand,

dien hij eerst sedert enkele uren kende?

Rob begreep zijn aarzelen.

"Sluit me desgewenscht onder bewaking op, Excellentie. Bovendien

wil ik u elke verklaring afleggen, die ge ten opzichte van mijn

vertrouwbaarheid verlangt."

Maar Zabern's bezwaren waren reeds verdwenen.

"Ge zult den brief hebben," zei hij. "'t Is waar, ik bezit alle

middelen om mij tegen verraad uwerzijds te waarborgen. Vergeef me dat

ik zoo spreek; het belang van den Staat gaat vóor alles, ik behoor

daaraan desnoods iedereen, zelfs u, die ik in dezen korten tijd reeds

leerde waardeeren, op te offeren. Maar weest verstandig, gaat nu beiden

eenige uren slapen, en begeef u dan met frisschen moed aan het werk."

De beide vrienden namen dezen raad. ter harte, en zochten de voor

hen bestemde kamer op.

Toch konden ze den slaap niet dadelijk vatten. Nog eenigen tijd

bespraken ze de gebeurtenissen van dien dag, herdachten weemoedig den

dood van Paul, en verwonderden zich over de merkwaardig openhartige

politiek van Zabern, die toch zoo zeker van zijn daden en woorden

scheen te zijn.

"Dat is een merkwaardig man," zei Felix. "Hij kan ons tot een machtig

vriend en helper worden, maar reken er op, dat hij ons ook zou weten

te treffen, wanneer we verraders bleken te zijn."

Hij zweeg eenige oogenblikken en vervolgde toen:

"Alles gaat goed. Beter dan je misschien denkt, Rob. Al deze verwarde

avonturen zullen ons ten slotte tot ons doel brengen; ik zie den weg

reeds duidelijk voor me afgebakend liggen."

Ze hadden zich intusschen ontkleed, en stapten in bed.

Na een oogenblik vroeg Felix:

"Waarin ligt nu de beteekenis van Paul's laatste woorden? Je hebt me

vreeselijk nieuwsgierig gemaakt."

Maar Rob antwoordde niet. Hij was, door vermoeienis overmand, in een

vasten slaap gevallen.

"Verwonderlijk," dacht Felix, terwijl hij ook langzamerhand zijn

bewustzijn voelde wegvloeien. "Wie had gedacht, dat ik nu reeds onder

éen dak met Elizabeth zou zijn! En louter door een toeval!"

Toen sliep hij in.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

FELIX EN ELIZABETH.

Felix wordt bij de Prinses ontboden.--Het

weerzien.--Wederzijdsche ontboezemingen.--Felix wordt tot

Secretaris benoemd.--

Na eenige uren rust genoten te hebben, stond Felix op, van plan

om naar het hotel terug te gaan en met Rob nader het cijferschrift

te bekijken. Juist toen hij echter Rob wekken wilde, werd er aan de

deur geklopt, en werd hem bericht, dat de Prinses, vernomen hebbende,

dat de vreemdeling die bij den dood van haar Secretaris aanwezig was,

zich in het Paleis bevond, hem in een particuliere audiëntie wenschte

te ontvangen.

Felix begreep, dat deze audiëntie geen zeer officiëel karakter zou

behouden, en hij voelde een diepe ontroering bij de gedachte dat hij

binnen enkele oogenblikken met Elizabeth alleen zou zijn. Hij hield

zich tegenover den lakei echter goed, en maakte eenige bedenkingen

wat betrof zijn toilet, vragend of er tijd was om zich in het hotel

te gaan verkleeden. De lakei deelde hem evenwel mee, dat de Prinses,

de omstandigheden begrijpend, genoegen zou nemen met de kleeding die

de bezoeker op dit oogenblik aanhad.

Felix werd nu naar een vertrek geleid, waar een kamerheer hem

opwachtte, die het noodig oordeelde hem in te lichten omtrent de

etiquette, waaraan hij zich te houden had, namelijk dat hij behoorde

te blijven staan zoo hij niet tot zitten werd uitgenoodigd; dat

hij slechts de vragen te beantwoorden had die hem gedaan werden en

overigens uit zichzelf geen opmerkingen mocht maken; dat hij eerst

kon heengaan als de Prinses het teeken daarvoor gaf, en dat hij het

vertrek achterwaarts behoorde te verlaten, met het gezicht naar de

Prinses gericht.

Felix hoorde hem geduldig aan, en moest onwillekeurig glimlachen als

hij dacht aan de wijze waarop hij deze voorschriften ten uitvoer zou

brengen. Ook trof hem het eigenaardige verschil in zijn verhouding tot

Elizabeth, als hij den tegenwoordigen toestand vergeleek bij dien van

enkele jaren geleden: toen waren ze beiden zorgelooze kinderen, die

elkaar liefhadden, en dacht hij slechts vaag aan de mogelijkheid dat

hij eenmaal zijn vader in diens hooge betrekking zou kunnen opvolgen;

nu was hij een zwervend avonturier--zij Prinses van Czernovië,

geroepen om over enkele jaren een koningstroon te bestijgen! En wie

zou zeggen, welke wonderbaarlijke veranderingen de toekomst nog voor

hen verborgen hield?

Toen Felix het Witte Salon binnentrad, zag hij Elizabeth aan een

schrijftafel zitten, met een potlood aanteekeningen makend op

een stapel voor haar liggende papieren. Ze had een ivoorkleurige

satijnen japon aan met een overkleed van witte tulle, dat schitterde

van zilveren borduursels. Klaarblijkelijk was ze in een zenuwachtigen

toestand. Het potlood beefde in haar vingers. Ze keek niet naar Felix,

maar hield de oogen op de papieren voor haar gericht.

Nauwelijks was de kamerheer verdwenen, of ze stond op en snelde

op Felix toe. Hij breidde de armen uit en sloot haar aan zijn

borst. Eindelijk hadden ze elkaar dan wedergevonden!

Toen de eerste vreugde van het wederzien voorbij was, zei Elizabeth:

"Ga daar zitten. En laten we voorzichtig zijn. In dit Paleis hebben

de muren ooren. Vertel me nu: hoe kom je hier? waar heb je dien tijd

van onze scheiding doorgebracht?"

Felix deed nu het geheele verhaal. Hoe hij met De Vogel had

rondgezworven, de inrichting van het luchtschip in dien tijd steeds

verbeterend, en het juiste tijdstip afwachtend om in Czernovië zijn

slag te slaan; hoe hij Rob had leeren kennen, en hoe deze zich aan hem

had gehecht; hoe De Vogel was verongelukt en hij een oogenblik gevreesd

had alle hoop te moeten opgeven; hoe het geluk hem echter gediend

had en hij den weg meende gevonden te hebben die naar het doel kon

leiden. Kortom, Felix bracht Elizabeth geheel op de hoogte, verhaalde

ook dat zijn overige lotgenooten in Turksche gevangenschap verkeerden,

maar dat het voor 't oogenblik verstandig leek geen pogingen tot hun

bevrijding in 't werk te stellen, hoe hard hun lot ook was. Voorloopig

was het beter dat men hen allen, vurige vaderlanders, voor dood

bleef houden; nu zij hun sterkste wapen, De Vogel, verloren hadden,

was hun kracht meer in een voorzichtig en bedekt optreden te vinden.

Elizabeth bracht hem, voor zooveel noodig, op de hoogte van den

politieken toestand. Die was ongetwijfeld zeer moeielijk. Het aantal

vreemdelingen in Czernovië vormde verreweg de minderheid en voor

ernstige binnenlandsche onlusten behoefde geen vrees te bestaan. De

betrekkingen tot het buitenland, vooral die tot Rusland, waren echter

zeer gespannen. De Czaar wenschte beslist, dat Elizabeth den Hertog

van Bora zou huwen; hij had geduld, hij kon wachten, wilde zelfs niets

liever dan den schijn bewaren dat Elizabeth uit zichzelf tot dit

huwelijk had besloten--maar zoo Elizabeth den toestand al slepende

trachtte te houden, rekenend op Rusland's geduld, begreep ze toch

dat dit spel hoogstens een jaar te spelen zou zijn. Dan zou de Czaar

niet aarzelen door dwang te verkrijgen, wat men hem goedschiks niet

geven wilde. En in deze moeielijke omstandigheden had ze een Kabinet

naast zich, dat uit zeer verschillende bestanddeelen was samengesteld,

waarvan ze slechts enkele leden geheel durfde vertrouwen. Op Zabern was

al haar hoop gebouwd. Wel werd deze door andere beweegredenen geleid

dan zij, maar zijn aanhankelijkheid was onverdacht. En eigenlijk was

met Zabern de eenige Minister genoemd, op wiens politiek, zoowel

tegenover binnen- als buitenland, zij geheel vertrouwen durfde;

Radzivil, de Premier, hoewel ongetwijfeld de Prinses zeer toegedaan,

was geen krachtige figuur, meer hoveling dan staatsman; Ravenski, te

laf om verraad in het groot te plegen, werd zoozeer door zijn eigen

belangen en begeerten gedreven, dat hij nooit iets voor anderen

zou kunnen beteekenen; de Hertog--nu, diens Russische gezindheid

was onverdacht; en wat de overigen aangaat--meerendeels twijfelaars,

mannen wier Ministerschap hun ijdelheid bevredigde, en die niet graag

openlijk partij kozen in een zaak die hun gevaarlijk kon worden. Ten

slotte vertelde Elizabeth nog van de onvoorzichtigheid die ze eens

begaan had, aan Paul te vertellen hoe ze altijd hoopte een middel

te vinden om haar huwelijk met Bora te verijdelen, en op welke wijze

Ravenski van die bekentenis misbruik had weten te maken. Hij was dus

de eenige die haar geheim kende, want--al steunden ook Radzivil en

Zabern haar plannen, geheel uitgesproken had ze die tegenover hen

nooit. In zoover kwamen nu echter Felix, Zabern en zij zelf overeen,

dat de Hertog op de een of andere, mits wettige, wijze op zij geruimd

moest worden; daarin lag althans een middel om de onderhandelingen

met Rusland langer slepende te houden. En de omstandigheden hadden een

begin van uitvoering aan dit plan gegeven, al waren op het oogenblik

de gevolgen die er uit zouden voortkomen, nog niet geheel te overzien.

"Voor jou te kunnen leven en voor mijn volk!" zei Elizabeth, "ziedaar

de illusie die ik verwezenlijkt hoop te zien!"

Toen kwam het gesprek op Paul en zijn treurigen dood.

"Een verschrikkelijke gebeurtenis is dat," zei Elizabeth bewogen. "Je

was getuige van den moord, vertel me alles er van!"

Felix deed het geheele verhaal, dat, op zichzelf reeds droevig, nog

pijnlijker voor Elizabeth werd door de gedachte, dat het ongeval zoo

spoedig nadat zij hem als secretaris ontsloeg, plaats gegrepen had. De

ontroerde uitdrukking van zijn gelaat, waarmee hij haar beslissing had

vernomen, zou nooit uit haar herinnering gaan. Ze gevoelde het verlies

diep, te meer daar hij niet alleen haar trouwe helper, maar ook haar

trouwe vriend was geweest; en langen tijd zat ze met Felix over hem

te spreken, over zijn aanhankelijkheid en zijn uitstekende diensten.

"Ik zal een nieuwen Secretaris moeten benoemen," zei ze. "Felix--jij

moet zijn plaats innemen. Wil je dat?"

Geen betrekking kon hem meer aanlokken dan die; hij zou er door in

dagelijksch gezelschap van Elizabeth zijn. Maar hij voelde toch ook

de bezwaren ervan.

"Zal die benoeming geen aanstoot geven?"

"Waarschijnlijk wel; aan sommigen ten minste. Maar ik kan daarmee geen

rekening houden. Het Czernovische deel der bevolking keurt al wat ik

doe onvoorwaardelijk goed; de Russischgezinden zullen natuurlijk de

noodige tegenwerpingen maken. Maar wat hindert dat!"

"Men zal 't verdacht vinden, dat je mij kiest, een vreemdeling,

dien je gisteren voor het eerst zag."

"Het ambt van Particulier Secretaris is geen officieele betrekking;

de keuze van den persoon is geheel aan mij. Het kan heeten dat ik,

juist om beide partijen tevreden te stellen, een vreemdeling kies,

en dat jij daartoe in aanmerking kwam omdat je getoond hebt, mijn

belangen te behartigen."

Felix voelde zich nog niet geheel gerustgesteld, maar hij zag toch

te veel voordeel in het plan om er niet op in te gaan.

"Welnu, Hoogheid," zei hij schertsend, "ik neem de benoeming aan!"

"Dat is goed! Je zult zien, dat het minder verbazing zal wekken dan je

denkt. Men is hier aan vreemde dingen gewoon, en men weet bovendien dat

ik doorgaans doe wat ik zelf wil. En nu moeten we onze maskers weer

opzetten en onze rol behoorlijk spelen, want ik zal den Maarschalk

Zabern doen roepen, opdat hij mijn besluit verneemt."

Elizabeth gaf orders den Maarschalk te doen ontbieden, en deze liet

zich spoedig daarna aandienen.

Toen hij binnentrad, zag hij Felix scherp aan, als verwachtte hij

op diens gelaat iets te zullen lezen omtrent den aard van zijn

langdurig onderhoud met de Prinses. Maar Felix was, als hij wilde,

even ondoordringbaar als Zabern zelf, en zijn gezicht verraadde niets.

"Welk nieuws is er omtrent Russakoff?" vroeg de Prinses.

"Het spijt mij, Hoogheid, te moeten melden dat de spion nog niet

teruggevonden is."

"Het zal hem blijken, dat hij niet veel gewonnen heeft door een man,

die mij trouw was, te dooden om zijn Hollandsche afkomst. Want ik heb

hem vervangen door een anderen Hollander, die nu reeds getoond heeft

mij even trouw te zullen zijn. Maarschalk--mijn nieuwe Secretaris."

Zabern boog.

"Het kabinet zal zeker met die benoeming ingenomen zijn," antwoordde

hij.

"Het is een aangelegenheid, Maarschalk," antwoordde Elizabeth hoog,

"die buiten de waardeering van het Kabinet valt."

Zabern ging op een ander onderwerp over.

"Hoogheid, de Hertog van Bora verzoekt U een vraag te mogen stellen."

"En die is?"

"Zijne Genade zou gaarne weten hoe lang zijn gevangenschap duren zal."

"In elk geval totdat deze striem van het gelaat van mijn Secretaris

verdwenen is. Overigens verzoek ik u de zaak voor het Hooggerechtshof

aanhangig te maken, geheel volgens de daarvoor gestelde regelen. Wil

ook dit den Hertog mededeelen."

"Het zal mij een genoegen zijn, Hoogheid," antwoordde Zabern ironisch,

"den Hertog Uw beslissing over te brengen."

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

EEN STAALTJE VAN SCHERMKUNST.

De Minister van Financiën en de Commandant der Citadel.--Een

opstootje in de Kamer.--Wat het orkest van Mengelberg op z'n

geweten heeft.--Felix verslaat zes tegenstanders.--De Furiën!--

Toen Zabern en Felix, die gezamenlijk het Paleis hadden verlaten,

het park doorstaken, kwamen hen twee heeren, waarvan een in uniform,

tegemoet, aan wie Felix door Zabern werd voorgesteld.

De jongere van de twee, die blond haar had, blauwe oogen, en een

gezicht dat op een doorloopend goed humeur scheen te wijzen, was

Dorislas, de Minister van Financiën. De ander, die er 'n beetje knorrig

uitzag, was Miroslav, de Commandant van de Citadel, en, zooals Zabern

er bijvoegde, "op het oogenblik de bewaker van den Hertog."

"Ja--de Hertog!" zei Dorislas tot den Commandant. "Ik verwonder me

erover, dat ge de citadel nog niet tegen geweld te verdedigen gehad

hebt. Zullen onze vrienden in Russograd niet in verzet komen?"

"De citadel heeft dikke muren," antwoordde de Commandant alleen.

"En ik heb last gegeven," voegde Zabern er bij, "den Hertog te

doen fusileeren, wanneer de bevolking hem met geweld zou trachten

te bevrijden."

"Geen halve maatregel!" lachte Dorislas. "En vindt de Prinses dat

goed?"

"Waarschijnlijk niet," antwoordde Zabern droog. "Maar ook in het meest

verlichte land moet men onder dringende omstandigheden z'n toevlucht

tot geweld nemen. Bovendien ben ik tot Minister van Oorlog ad interim

aangewezen. Desverkiezend kan ik in geval van dreigend gevaar van de

zijde der vreemdelingen, tot buitengewone maatregelen overgaan."

"Je spreekt erover, collega," schertste Dorislas, "alsof je er naar

verlangt, dat ze herrie zullen gaan maken!"

Dorislas en Miroslav waren, zooals bleek, op weg naar de schermzaal,

die midden in den Hoftuin stond. Het was hun gewoonte daar elken dag

bijeen te komen om zich in de behandeling der wapenen te oefenen,

een gewoonte, die in Czernovië, waar lichaamsoefeningen hoog staan

aangeschreven, niets buitengewoons heeft. Het Gouvernement moedigt

er het verstandig ontwikkelen van lichamelijke kracht zeer aan;

op alle lagere scholen behooren gymnastiek, zwemmen en schermen tot

de verplichte leervakken, aan de inrichtingen van hooger onderwijs

zijn daaraan ook oefeningen in het paardrijden, roeien en schieten

toegevoegd.

Zabern noodigde Felix uit mede een kijkje te gaan nemen in de

schermzaal.

"En het cijferschrift, maarschalk?" zeide de nieuwe Secretaris.

"Ik sprak uw jongen vriend zooeven," antwoordde Zabern. "Hij wilde me

nog niets zeggen, maar ik zag aan zijn gezicht dat hij goed op weg

was. Mij dunkt, het werk is aan hem toevertrouwd. Laten we hem niet

storen. En wat ons beiden betreft, we hebben afleiding verdiend. Een

partij sabel zal ons naar geest en lichaam verfrisschen."

Felix had geen verdere bezwaren, en terwijl hij zich bij den Commandant

voegde, volgde Zabern met Dorislas op eenigen afstand.

"Maarschalk, wat beteekent dezen geheimzinnige geschiedenis?" vroeg

de Minister van Financiën met een zijdelingschen blik op Felix. "Er

loopt een vreemd gerucht, dat hij en de Prinses elkaar vroeger gekend

hebben, en dat dit bleek uit een gesprek tusschen hem en den Hertog

op de veranda van het Hotel Czernovië--van welk gesprek een kelner

iets schijnt te hebben opgevangen. Op dat gesprek volgt een duel

met den Hertog; de Prinses, daarvan onderricht, snelt den Hollander

te hulp, verwijst haar aanstaanden Gemaal naar de citadel, maar laat

den anderen duellant ongemoeid. En nu brengt u het verrassende nieuws

dat de Prinses dezen Van Heelstra haar Secretaris heeft gemaakt. Wat

beteekent dit alles?"

"Vraag dat Hare Hoogheid," zei Zabern droog, en van onderwerp

veranderend, voegde hij er bij: "gebeurde er iets bizonders in de

kamerzitting gisteravond?"

"Wat, Maarschalk! hebt ge daarvan niet gehoord?" riep Dorislas,

terwijl zijn gezicht de uiterste verbazing te kennen gaf.

"Gehoord? Ik heb niets gehoord. Ik ben tot zeven uur in den morgen

bezig geweest met het spoor van dien Russakoff te zoeken, en daarna

heb ik geslapen. Wat voor nieuwe dwaasheid hebt gij en de rest van

het Ministerie dan weer in mijn afwezigheid uitgehaald?"

"Wel, er werd ter sprake gebracht, dat de Czaar zich zeer duidelijk

had uitgelaten over het huwelijk van de Prinses met den Hertog van

Bora; de Russisch-gezinde afgevaardigde Lojgoroucki vroeg daaromtrent

nadere inlichtingen aan de Regeering, en sprak de wenschelijkheid uit,

dat men omtrent de gevoelens der Prinses aangaande deze omstandigheid

nauwkeurig werd ingelicht."

"Dat is nog al brutaal. En--werd hij op z'n nummer gezet?"

"Radzivil antwoordde voor zijn doen zeer voorzichtig, wees er op dat

de persoonlijke gevoelens van de Prinses geen regeeringszaak waren."

"En zoo liep alles zeker met een sisser af?"

"Het zou zeker zoo gegaan zijn, als de uitgever Lipski, de

afgevaardigde der Slavowitzsche Russen, den boel niet bedorven

had. Hij haalde een nummer van zijn avondeditie uit den zak, en

las een stuk voor, waarin leelijke noten gekraakt worden over de

gezindheid der Prinses tegenover Rusland, ja, waarin zelfs gewezen

wordt op de mogelijkheid van een staatsgreep, door de partij der

Prinses te ondernemen. Lipski verklaarde, de verantwoordelijkheid voor

het artikel in de Kolokol niet op zich te willen nemen, maar daar

hij verzekeren kon, dat het afkomstig was van een hooggeplaatst,

invloedrijk en welingelicht persoon, meende hij toch dat het de

aandacht der Volksvertegenwoording ten zeerste waard was."

"De vent liegt natuurlijk alles," viel Zabern hem in de rede. "Dat

artikel zal hij zelf wel geschreven hebben."

"Juist toen hij uitgesproken had," vervolgde Dorislas, "drong

het bericht van de arrestatie van den Hertog in de vergaderzaal

door. Een onbeschrijfelijk tumult greep plaats. Allen schreeuwden

door elkaar. "Dat is de staatsgreep!" riepen de Russen. "Gooit

de vreemdelingen er uit!" riepen de Czernoviërs. Het lukte den

voorzitter niet de orde te herstellen, en de vergadering werd een

half uur geschorst."

"Hij had dien Lipski door de boden er uit moeten laten zetten,"

bromde Zabern. "En toen?"

"Een half uur daarna zette men de vergadering voort. Lipski diende een

motie in, luidend, dat de Kamer de zienswijze der Regeering wenschte

te vernemen omtrent haar gedragslijn tegenover de Russische eischen

nopens het huwelijk der Prinses."

"De vlegel! Natuurlijk juichten de Russen. Was Ravenski er?"

"Neen. Hij waagt zich niet graag in 't gewoel, en verkoos de Opera

boven de Kamer."

"De lafaard! Ik wou dat ik er geweest was!"

Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië · 第 15 / 27 段