vijandelijkheden van Czernovische zijde uit te lokken. Aha! daar is
er al een. Ik dacht wel dat we niet ver zouden kunnen gaan zonder er
een te ontmoeten."
Werkelijk zat op ongeveer honderd meter afstand, in de schaduw der
boomen, een Kozak te paard, de lans omhoog gericht.
Het gezicht van dezen ruiter was wel geschikt om allerlei gedachten
in Felix wakker te roepen.
Ver, ver van hier, aan de bevroren stranden van Kamchatka, hielden
andere vedetten de wacht. De afstand tusschen de beide grenzen was
meer dan zesduizend mijlen.
En dit rijk, zoo reusachtig uitgestrekt, bedreigde het kleine
Czernovië! Het was bijna niet denkbaar, dat Czernovië ooit de ijzeren
militaire vuist van dien reus ontkomen kon. De gedachte alleen was
een dwaasheid.
En toch....
Opeens kwam de kozak, de lans vooruit stekend, snel aanrijden. Bij
de drie vrienden aangekomen, hield hij zijn paard in.
"Uw paspoorten?"
"Hier," zei Paul, hem eenige roebels in de hand drukkend. "Dat paspoort
is overal geldig. We gaan niet verder dan tot hier; we komen alleen
maar even een duel uitvechten."
"Een duel! Dat is tegen de Russische wet. Het wachthuis is hier niet
ver vandaan. Als de commandant komt, worden we allemaal ingepikt."
"Wel neen," zei Paul. "Ik heb nog meer paspoorten, voor den commandant
ook. Kijk maar."
De kozak dacht na. Hij stak de roebels in zijn linkerlaars. Hij hield
wel van roebels, en zag graag vechten ook.
"We zijn de eersten," merkte Paul op. "Nog vijf minuten."
Felix gaf den kozak een sigaar, stak er zelf een op, en liep kalmpjes
heen en weer. Hij scheen lang niet zoo ongerust als Paul, ofschoon
deze niets merken liet, en zeker heel wat bedaarder dan Rob, die zich
niets op z'n gemak voelde.
"Het is eigenlijk een gek ding, dat duel," zei Paul. "Je doet er
niemand een dienst mee. Als Bora valt, kan de Czaar het Czernovische
kabinet als medeplichtig aan zijn dood beschouwen, omdat Radzivil,
van het duel wetend, dit niet voorkwam. En dan...."
"Ik heb dat alles overdacht," zei Felix. "Ik zal daarom zorg dragen
hem hoogstens zoo te verwonden, dat hij voorloopig het duelleeren
zal moeten uitstellen."
"Als je dat doen kunt, des te beter," antwoordde Paul, hoewel hij zeer
twijfelde of Felix dit voornemen tegenover een uitstekend schermer
als de Hertog zou kunnen ten uitvoer brengen.
Ruim dertig minuten na het vastgestelde uur verscheen de Hertog,
door zijn getuigen vergezeld. De aanwezigheid van een dokter had men
van weerszijden overbodig geacht.
Baron Ostrova trad onmiddellijk op Paul toe en groette beleefd.
"U bent laat, baron."
"Wil ons verontschuldigen. Ons rijtuig verloor een wiel onderweg. Laten
we ons daarom haasten. Hier zijn de sabels."
Paul vergeleek de beide wapens, koos er een voor Felix uit, en gaf
het sein tot het gevecht.
Als een leeuw vloog Bora op Felix af, als wilde hij hem bij den
eersten houw buiten gevecht stellen.
Maar nauwelijks hadden de sabels elkaar geraakt, of het bevel
weerklonk:
"In naam der wet--houdt op!"
Deze woorden werden door een vrouwenstem gesproken, een stem die
Felix van ontroering deed trillen. Een houw van den Hertog pareerend,
deed hij snel een pas achterwaarts, en terwijl hij zijn verdedigende
houding bewaarde, wierp hij een blik in de richting vanwaar het bevel
gekomen was.
En daar, bleek en schoon, en zoo dicht bij hem dat hij haar in de
oogen kon zien, stond Elizabeth, ademloos van overhaasting. Niemand
der aanwezigen begreep waar zij opeens vandaan gekomen was; geheel in
beslag genomen door het duel had men trouwens haar zachten voetstap
niet vernomen.
Felix vergat zijn verdedigende houding. Hij vergat alles. Zijn sabel
gleed hem uit de handen en viel op den grond.
Een doodsche stilte ontstond, toen men daar de Prinses zag staan,
een jonge, weerlooze vrouw wel is waar, maar die op dat oogenblik de
macht van den Staat vertegenwoordigde, en wier gevoelens ten opzichte
van het duel men kende.
Een oogenblik zweeg Elizabeth. Ze zag den vreemdeling aan--hij was
het niet! Dat was Felix niet, die zwartharige, gebronsde man!
Maar toen ze hem haar vraag:
"Wie lokte dit duel uit?"
beantwoorden hoorde met vaste heldere stem:
"Dat deed ik!"
toen waren die drie woorden genoeg om haar te overtuigen dat de
lang verlorene hier voor haar stond. Ze begreep dat de verandering,
die met hem had plaats gegrepen, slechts schijnbaar was, dat hij
een uiterlijke vermomming had aangenomen, en niemand zou haar nu de
overtuiging kunnen ontnemen dat Felix zich op slechts enkele passen
van haar bevond. Die stem, den blik van die oogen, ze zou die na jaren
en uit duizenden herkend hebben. Opnieuw maakte een diepe ontroering
zich van haar meester en ze voelde haar hart hevig kloppen. Maar ze
wist zich te beheerschen, en sprak:
"Het past een van _mijn_ ministers niet zich boven de wet te stellen."
Daarna, zich omwendend, riep ze:
"Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel."
Verrast volgden alle aanwezigen de richting van haar blik, en nu zag
men aan den zoom van het bosch, aan de Czernovische zijde van de
grens, den Maarschalk Zabern staan, met gevouwen armen, uiterlijk
even weinig te doorgronden als een sfinx, innerlijk verheugd over
den loop van zaken.
Een weinig meer achterwaarts stond een peloton lansiers van het Blauwe
Legioen, en in hun midden een licht voertuigje, een elegante droschky,
geschikt voor snelle ritten.
"Maarschalk, geleid uw gevangene naar de citadel."
De Hertog lachte spottend bij deze woorden:
"Bedenk, dat ik op Russisch grondgebied sta! Ik stel mij onder
bescherming van dezen kozak."
De kozak, die tot nog toe zwijgend had toegezien, maakte bij deze
woorden een angstige beweging. Hij vond het niets prettig op deze
manier in de kwestie gemengd te worden, want hij vreesde al elk
oogenblik den commandant van de wacht te zien komen, en dan zou hij
ongetwijfeld duchtig worden gestraft, omdat hij deze schending van
Russisch grondgebied had toegelaten. Geheel niet wetend met welke
personen hij hier te doen had, zei hij nu in zijn benauwdheid iets,
waarmee hij onwillekeurig de Prinses te hulp kwam, namelijk:
"Ik kan u niet beschermen, want u mag op Russisch grondgebied ook niet
duelleeren, en als ik mijn plicht deed zou ik u moeten gevangen nemen."
Toen begreep de Hertog het nuttelooze van verder tegenstreven; hij
stapte op Czernovisch grondgebied over, en gaf zich gewonnen.
"Uw sabel," sprak Zabern.
En met een bitteren glimlach gaf Bora den maarschalk zijn zwaard over.
"Daar is uw escorte naar Slavowitz," zei de Prinses, op de afdeeling
ulanen wijzend.
Een der manschappen kwam met een handpaard naar voren, en de Hertog
steeg op, gereed zich in gevangenschap te begeven.
"De getuigen van den Hertog bevinden zich op Russisch grondgebied,"
vervolgde de Prinses, "ik kan hen dus niet gelasten zich eveneens
over te geven. Het is aan hun keuze overgelaten zich aan de
Russische of de Czernovische wet te onderwerpen. Wat den Secretaris
betreft"--er klonk oprechte spijt uit haar stem--"hij is van zijn ambt
vervallen. Ik mag niet dulden dat een mijner onderdanen, wie hij zij,
de wet overtreedt. Tegenover de beide andere heeren ben ik, daar zij
vreemdelingen zijn, machteloos. Ik zou het echter op prijs stellen,
in 't belang van het justitiëele onderzoek, hen ten spoedigste in
mijn Paleis te ontmoeten."
Alleen Felix had de ontroering bemerkt, die bij deze laatste woorden
in haar stem trilde. Hij begreep dat zij hem herkend had en boog
zwijgend het hoofd.
Door Zabern geholpen, steeg de Prinses weer in haar droschky. De
stoet zette zich in beweging, en verdween even snel en geheimzinnig
als hij gekomen was.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
WAT KATINA VAN RUSSAKOFF VERTELDE.
De drie vrienden ontmoeten Zabern.--Katina, de patriot.--Zabern
komt Russakoff op het spoor.--Met spoed naar Slavowitz terug!
Het was voor Paul geen opwekkend denkbeeld, dat hij, en dat door
eigen schuld, bij de Prinses in ongenade was gevallen. Maar hij
was, evenals zijn broer, een man die nooit den moed liet zinken,
en altijd op zijn goed gesternte rekende dat hem er wel weer zou
uitredden. Bovendien begreep hij heel goed, dat de Prinses ten
aanhoore der vele toeschouwers moeilijk anders had kunnen handelen,
en dat zij hem zoowel als Felix te zeer noodig had om niet op haar
besluit terug te komen.
Terwijl de drie vrienden, den straatweg weer opzoekend, over deze
dingen liepen te praten, naderde hen op eens een in een mantel gehulde
gedaante en hoorden zij een sabel tegen gespoorde laarzen kletteren.
"Maarschalk Zabern!" riep de Secretaris. "Wat! Gaat u niet met de
prinses mee naar Slavowitz?"
"Ik wil een bezoek brengen aan de herberg "Oranje," waar ik iemand
spreken moet. Hare Hoogheid heeft mij daarom toegestaan haar te
verlaten."
"Dan gaan we denzelfden weg, want wij lieten onze troïka in die
herberg. Deze beide heeren, mijn vrienden, zijn Hollanders, die ik
heden morgen leerde kennen."
Paul stelde hen aan elkaar voor, en weldra was men in een druk gesprek,
dat in hoofdzaak over de geschiedenis der Republiek liep, daar Zabern
begreep dat deze den Hollanders intresseeren moest.
Hij toonde ook van hun vaderlandsche historie goed op de hoogte te
zijn, en maakte eenige vleiende opmerkingen over het roemrijk verleden
van hun land. Ook over zijn eigen geschiedenis kwam hij te spreken;
hij vertelde hoe hij wel oorspronkelijk van Russische afkomst was,
maar toch Poolsch, en van moederszijde Czernovisch bloed in de aderen
had, zoodat zijn sympathie voor een Staat als Czernovië, die zich
aan de Russische overmacht trachtte te ontworstelen, wel begrijpelijk
was. Vóor hij zich als Czernoviër had laten naturaliseeren, had hij
in meer dan éen gevecht meegeholpen de Russen afbreuk te doen, en
het was dus wel begrijpelijk dat omgekeerd de Russen hem met leede
oogen zulk een belangrijke rol zagen spelen in het Czernovisch kabinet.
"Bovendien heb ik nog iets anders te wreken," zei de Maarschalk,
den wijden rechtermouw van zijn mantel opslaand, "dit!"
En tot hun ontzetting zagen Felix en Rob, die van deze bizonderheid
natuurlijk niet op de hoogte waren, dat Zabern de rechterhand miste.
"Een kozak sloeg mij die af. Terwijl ik een sabelhouw afweerde, die men
mij op het hoofd wilde toebrengen, voelde ik opeens een eigenaardige
gewaarwording aan de rechterpols, en daar, voor me op de sneeuw,
lag mijn eigen hand, de sabel nog omklemmend. Ze was juist bij het
gewricht afgesneden, zooals ge ziet."
"Verschrikkelijk!" riep Rob ontsteld.
"Zeker. Het was alles behalve aangenaam, vooral omdat het de rechter
was, en ik me nooit geoefend had in het gebruik van de linker. Maar--ik
heb me er spoedig aan gewend, en deze linker doet nu even goed dienst
als de verlorene."
Zabern vertelde nu ook nog, dat hij in denzelfden veldslag, die
hem een hand kostte, door de Russen gevangen genomen en naar Siberië
getransporteerd werd. Na vijf jaar wist hij te ontsnappen, en vond een
wijkplaats in Czernovië. Rusland had, bedenkend misschien dat vroegere
dieven soms goede politiedienaars worden, dezen onverzoenlijke aan
zich trachten te binden door hem een ministersportefeuille te bieden.
Felix bewonderde in stilte dezen forschen, koelbloedigen man, het type
van den vechtsoldaat, maar hij kon toch een gevoel van teleurstelling
niet onderdrukken, dat Elizabeth zulk een ruw en ontembaar element in
haar Ministerie had opgenomen, iemand, die zeer zeker haar belangen
zou dienen, maar ongetwijfeld dikwijls op minder zachtaardige en
menschelijke manier dan de Prinses dit zelf wel gewoon was.
"Apropos," zei de Maarschalk, zich tot Paul wendend, "de ongenade
van de Prinses moet geen reden worden om je belangstelling in den
cijferbrief te doen verminderen, dien we op den spion Russakoff
vonden. Los me dat raadsel op, en ik zal trachten je bij de Prinses
in eere te herstellen."
"Ik vrees dat er op die voorwaarde niet veel van mijn eerherstel
zal komen," zei Paul somber. "Het cijferschrift is me totaal
onbegrijpelijk. Ik zou een aanwijzing hebben wanneer ge den schrijver
wist te noemen."
"Hoe zoo?"
"De eerste stap in een vraagstuk van deze soort is, te weten in welke
taal het document geschreven is; en dat kan ik niet ontdekken. Hoe kan
ik dan voortgaan? De grondbeginselen, die een deskundige op de eene
taal toepast, falen bij een andere. Maar als ik weet wie de schrijver
is, en dat hij bijvoorbeeld alleen maar Russisch kent, dan schiet ik
een heel eind op. Ook wanneer ik weet, dat ik tusschen een bepaald
aantal talen te kiezen heb, is dat een heele steun, ofschoon het
't werk tijdroovender maakt. Hebt u geen enkele aanwijzing omtrent
den schrijver?"
Zabern zweeg, en zag van terzijde naar de beide vreemdelingen.
"U kunt die heeren vertrouwen als mijzelf, Maarschalk," zei Paul.
"Ik geloof u gaarne. Overigens heb ik er toch geen bezwaar tegen dat
zij dit gesprek hooren: ten eerste omdat het mij slechts éen woord
zou kosten ze onschadelijk te maken, wanneer ik hen niet vertrouwde;
ten tweede omdat zij mijn vermoeden eer met genoegen dan met tegenzin
zullen vernemen. Ik geloof namelijk vast en zeker dat de schrijver
of de geadresseerde van dezen brief is--de Hertog!"
"De Hertog!" riep Paul verbaasd. "U beschuldigt den Hertog van een
verraderlijke briefwisseling met Rusland! Onmogelijk."
"Waarom onmogelijk?"
"Is het aan te nemen, dat hij iets in 't schild zou voeren tegenover
een Prinses met wie hij eenmaal trouwen zal?"
Zabern glimlachte spottend.
"De Hertog geeft niet zoo heel veel om dien halven troon, die hem
wacht, met op den koop toe een vrouw die zich niet door hem zal
laten gezeggen. Zijn geheim doel is los te komen van de Prinses,
en te regeeren onder Russische suzereiniteit. Let er eens op, hoe
hij allerlei hervormingen invoert die hem van nut kunnen zijn. Alle
officieren van Hollandsche afkomst weert hij uit het leger. Bovendien
hebben we het bewijs, dat er een verrader in het Kabinet is. Wien
zoudt ge anders kunnen verdenken dan hem?"
Paul antwoordde niet. Hij scheen in diep nadenken verzonken. Op eens
schitterden zijn oogen alsof een nieuw verrassend idee in hem opkwam.
"Maarschalk," zei hij met nadruk, "u zult morgenochtend de verklaring
van dien brief hebben."
Er was heel wat noodig om den Maarschalk verbaasd te doen staan;
toch was hij een oogenblik zeer verrast.
"Wat!" riep hij uit. "Je gelooft den sleutel gevonden te hebben,
terwijl je een minuut geleden zelfs de taal niet kende waarin de
brief geschreven is?"
"De taal is Grieksch," zei Paul, nu bijna even verbaasd over zijn
ontdekking als zijn metgezellen. "Ja, ja, nu begrijp ik alles. Een
buitengewoon vernuftig ingericht cijferschrift. Alleen een toeval kon
tot de ontdekking leiden. U hebt gelijk, Maarschalk, wat den Hertog
betreft. Hij _is_ een verrader, en die brief zal het bewijzen. Van
nacht zal ik er aan werken, en morgenochtend zult u den uitslag weten."
"Goed," zei de Maarschalk, nog steeds verwonderd over de snelheid
waarmee Paul een raadsel had opgelost, dat gedurende de afgeloopen
maand zijn vernuft weerstaan had.
De schemering viel, toen het viertal de herberg "Oranje" bereikte. Het
was een ruime en schilderachtige woning, deels van hout en deels van
steen gebouwd, en beschaduwd door overhangende beukeboomen.
Buiten het gebouw, twee paarden vasthoudend, stond Zabern's ordonnans
Nikita, die daarheen was gezonden om zijn meester op te wachten.
Zabern trad binnen, en geleidde zijn gezelschap naar een afzonderlijke,
met eikenhout beschoten kamer.
"Ik heb overal mijn spionnen," zei hij, "ook hier. Er komen in deze
herberg, die op de grenzen en aan den hoofdweg ligt, veel verdachte
personen, en uit hun gesprekken valt soms veel af te leiden. De dochter
van Boris Ludovski, de herbergier, houdt er een oog in 't zeil voor
me, en door haar toedoen is de politie van Slavowitz dikwijls van
waardevolle inlichtingen voorzien. Daarom kom ik ook nu hier; het is
mogelijk dat ze me iets weet te vertellen over Russakoff, die heden
morgen uit de Citadel ontsnapte. Ah! daar is Katina juist!"
Het meisje, dat binnenkwam, was geheel volgens Russische gewoonte
gekleed, maar de vorm van haar gezicht, haar blonde haren en haar
donkerblauwe oogen wezen duidelijk op haar Czernovische afkomst
van moederszijde. Zij werd door Zabern aan de overigen voorgesteld,
en toen zij vernam, dat er een breuk had plaats gehad tusschen den
Hertog en de Prinses, waarvan zelfs de arrestatie van eerstgenoemde
het gevolg was geweest, danste zij van vreugde.
"Hoe is dat gebeurd?" vroeg ze.
Zabern legde het uit, en toen ze hoorde dat Felix de indirecte
aanleiding was geweest van de geschiedenis, vloog ze hem bijna om
den hals.
"U hebt een goed werk voor Czernovië gedaan!" riep ze onstuimig. En
Felix vermaakte zich met de bijna kinderlijke geestdrift van het
meisje.
"Maar wat is dat nu!" riep Zabern opeens, "wat hangt daar?"
En hij wees naar een vuil, berookt olieverfportret, dat aan een der
muren hing.
Katina schudde de vuist tegen het portret.
"Dat verwondert u, nietwaar?" zei ze. "Het portret van den Czaar in
deze kamer! Toch heeft 't zijn nut, om Russische klanten te trekken,
die het plezierig vinden dat hun vadertje op hen neer ziet terwijl
ze drinken. Waarom zou ik van den vijand geen schatting eischen? Hun
kopeken zijn allen ten bate van de goede zaak."
"Maar wat zeggen de Czernoviërs ervan?"
"Wel--de laatste bezoekers waren Russen, vandaar dat de Czaar er nog
hangt. Wanneer er Czernoviërs komen, doe ik eenvoudig zóo--kijk!"
Ze draaide het schilderij om, en zie! aan de andere zijde vertoonde
zich een welgelijkend portret van Elizabeth.
"Prachtig!" lachte Zabern. "'t Is jammer dat je geen man bent,
Katina. Je zou een rol in de politiek hebben kunnen spelen. Patriotten
als jij hebben we noodig. U weet, heeren, welke oude rekening Katina
met Rusland te vereffenen heeft? Laat eens zien, Katina!"
Het meisje stroopte een der mouwen een weinig op, en nu zagen de
toeschouwers met ontzetting dat haar arm met diepe en breede litteekens
bezaaid was, alsof men er de stukken vleesch uitgesneden had.
"Zoo ziet mijn geheele bovenlichaam er uit," zei Katina bitter. "De
lange riem van de knoet slingert zich geheel om het slachtoffer heen."
"De knoet!" riep Rob, vol afschuw bij de gedachte dat men zulk een
verschrikkelijk strafmiddel op een jong meisje had toegepast.
"De meest welsprekende rede kan u niet meer anti-Russischgezind maken
dan het gezicht van dien arm, niet waar?" vroeg Zabern, die dadelijk
begrepen had, dat de beide vreemdelingen hem van nut konden zijn,
en ze nu voor zich trachtte te winnen door een openhartigheid,
waarbij hij zich niet meer bloot gaf dan hij zelf wilde.
Felix van zijn kant doorzag de bedoeling van den Maarschalk zeer goed,
doch vermeed er te spoedig op in te gaan, daar het hem voorloopig niet
geraden voorkwam zijn geheim te verraden. In stilte moest hij lachen
bij de gedachte, dat men _hem_ beproefde te winnen voor Elizabeth
en Czernovië.
Terwijl Katina heengegaan was om een laten bezoeker te bedienen,
dien men van uit de gelagkamer om wodka hoorde roepen, vroeg Felix:
"Wat heeft ze gedaan om zoo afschuwelijk behandeld te worden?"
"Ik zal u haar geschiedenis vertellen," zei Zabern. "Katina's
ouders--de vader een Pool, de moeder een onvervalscht
Czernovische--woonden in Warschau. Omdat ze een schuilplaats hadden
verleend aan een uitgeweken politieken misdadiger, een Pool, en
dien dus aan de justitie onttrokken hadden, werd de geheele familie
Ludovski naar een der mijnen in den Oeral verbannen. Daar trok Katina's
schoonheid de aandacht van den gouverneur Feodor Orloff; hij beloofde
haar, dat hij de familie Ludovski de vrijheid zou hergeven, zoo ze
zijn vrouw wilde worden. Dat voorstel bracht Katina, die alle Russen
verfoeide, in zulk een verontwaardiging, dat ze Orloff met de vlakke
hand in 't gezicht sloeg.
"Den volgenden dag was de Czaar jarig; Orloff deed de Poolsche
gevangenen voor zich brengen en deelde hen mee, dat ze dien dag
niet zouden behoeven te werken; daartegenover eischte hij, dat ze
"Leve de Czaar" zouden roepen. Sommigen weigerden, en daaronder de
koppige Katina. Nu had Orloff een kans. Wegens ontrouw aan den Czaar
werd Katina tot vijftien knoetslagen veroordeeld.
"Hebt ge ooit iemand zien knoeten? Neen? Wel, ik hoop dat 't u nooit
gebeuren zal, want 't is geen prettig gezicht, zelfs voor wie zenuwen
van ijzer heeft. Ik ben gedwongen geweest in Siberië meer dan een
zoo'n geeseling bij te wonen, en ik kan u zeggen dat er geen helscher
straf kan uitgedacht worden.
"Het slachtoffer wordt, met ijzeren ringen om polsen en enkels,
aan een in den grond gestoken latwerk bevestigd, zóo, dat hij niet
de minste beweging kan maken.
"Ongeveer twintig pas van hem af staat de beul, die de knoet met beide
handen vasthoudt. Het is een reep dik leder, driehoekig gesneden, een
duim breed, negen tot twaalf voet lang, en uitloopend in een punt; dit
uiteinde is aan een ongeveer twee voet lange houten schacht verbonden.
"De beul gaat voorwaarts, met gebogen lichaam, en den langen riem
tusschen de voeten voortsleepend. Als hij drie of vier passen van
zijn slachtoffer is, heft hij opeens de knoet boven zijn hoofd: de
riem vliegt door de lucht, daalt fluitend, en sluit het bovenlichaam
van den vastgebondene als in een ijzeren ring. Niettegenstaande hij
is vastgebonden, schokt het slachtoffer onder den slag als door een
galvanische ontlading getroffen, en uit een kreet, dien men, eens
gehoord, nooit meer vergeten kan.
"Bij het terugtrekken van den riem, scheurt deze de wond nog wijder
en dieper open.
"De beul gaat terug, en herhaalt dezelfde beweging. Vleesch en
spieren worden ten slotte als met een scheermes in driehoekige
stukken gehakt. Het slachtoffer, rood van bloed, wringt zich in
verschrikkelijke stuiptrekkingen.
"Zóo hebben de Russen Katina behandeld."
Allen waren een oogenblik stil, toen ze dit afgrijselijk verhaal,
dat maar al te zeer de werkelijkheid weergeeft, vernamen. Rob kon
zijn verontwaardiging niet in toom houden; hij riep tot Katina,
die bij de laatste woorden van Zabern weer binnengekomen was:
"Als die Orloff nog leeft, zeg me dan waar ik hem vinden kan, en ik
zal je wreken!"
"Neen, dappere vreemdeling, neen. Die wraak behoort mij. Niemand mag
me die ontnemen. En de dag komt! Het noodlot voert Graaf Orloff in
de nabijheid van Czernovië!"
"Juist," voegde Zabern er aan toe. "Hij is tot gouverneur van de
Russische provincie Warsim benoemd, die aan Czernovië grenst."
"En zijn handlangers gaan hem vooraf! Maarschalk, ge zult het niet
kunnen gelooven, maar de man die mij op Orloff's bevel de knoetslagen
toebracht--ik heb hem dezen zelfden dag gezien!"
"Onmogelijk, Katina!"
"Neen, Maarschalk, neen! Ik zag hem vandaag, dezen middag, in de
kamer waar wij nu zijn. Ik kon me in dat gezicht niet vergissen, te
meer niet daar ik er een herkenningsteeken op terugvond, een bruine
vlek bij de slaap, die ik er ook vroeger gezien had."
"Goede hemel, Katina, wat zeg je!" viel Zabern haar in de rede, met
meer heftigheid dan men van hem gewoon was. "Die man, met die bruine
vlek op z'n gezicht, is vanmiddag hier geweest? Had hij een blauwen
kaftan, een rooden baard, een..."
"Precies, Maarschalk."
"Russakoff--zoo waar ik leef! Jouw beul en mijn spion zijn dezelfde
persoon! Zou het mogelijk zijn? En hoe laat was hij hier?"
"Ongeveer vier uur."
"Dat is dus vijf uur geleden," zei Zabern, zijn horloge
raadplegend. "Hij moet dadelijk na zijn ontsnapping hierheen gegaan
zijn, ongetwijfeld met het doel de grens te bereiken. Had ik dat maar
eerder geweten! Vertel verder, Katina!"
"Vanmiddag," vervolgde Katina, "kwam ik van mijn wandeling terug,
toen ik mijn zuster met een kan en twee glazen deze kamer zag
binnengaan. "Katina," zei ze, "er zijn twee bezoekers, die er heel
verdacht uitzien. Ze hebben om een afzonderlijke kamer gevraagd en
wodka besteld. Ga jij het brengen, en zie eens wat je van ze denkt." Ik
nam de wodka over en ging naar binnen.
"Daar zaten twee mannen. De een had den rug naar me toegekeerd;
tegenover hem zat de ander, dien ik onmiddellijk herkende als de man
die mij de knoetslagen toediende in Orenburg."
"Herkende de booswicht jou niet?"