...."Het is echter zeer de vraag," vulde Zabern aan, "of daaruit

ook volgt dat men u tegen uw wil tot een bepaald huwelijk dwingen

kan. Dit is de oude kwestie, die tusschen u, Prinses, Graaf Radzivil

en mij meermalen een punt van bespreking heeft uitgemaakt. In

deze dagen is ze meer dan ooit van gewicht. Men zal in Europa,

waar de verontwaardiging over het in Zuid-Afrika gepleegde onrecht

zeer groot is, niet ten tweede male werkeloos den ondergang van een

Oud-Hollandsche republiek willen aanzien. Wij kunnen een beroep doen

op de beslissing der Mogendheden, die trouwens belang er bij hebben

uitbreiding van Russisch grondgebied tegen te gaan. Het is de vraag

of een rechtskundige uit de bestaande regelingen ten opzichte van

Czernovië, niet weet te bewijzen dat de Prinses volstrekt niet tot

een huwelijk gedwongen kan worden."

Radzivil, de voorzichtige, schudde bedenkelijk het hoofd. Hij zag

vol zorg nieuwe verwikkelingen tegemoet.

Na een korte tusschenpoos van stilte, zei de Prinses, de wenkbrauwen

fronsend:

"Wij hebben onze plannen omtrent een stelselmatig verzet tegen dat

huwelijk steeds stipt geheim gehouden. Noch van u, Maarschalk, noch van

u, Graaf, kan ik onvoorzichtigheid in dit opzicht veronderstellen. Hoe

kan het mogelijk zijn, dat hieromtrent den Czaar iets ter oore is

gekomen?"

De twee Ministers zag elkaar veelbeteekend aan.

Radzivil antwoordde:

"Onze vermoedens daaromtrent zijn van zoo onaangenamen aard, dat wij

ze tot nog toe Uwe Hoogheid niet hebben meegedeeld, hopend dat ze

gelogenstraft zouden worden. Maar tevergeefs. We kunnen niet langer

blind zijn voor het feit, dat er een verrader in onze omgeving,

in het Kabinet zelf misschien is."

"Een verrader!" riep Elizabeth uit.

"Met tegenzin zijn wij tot deze conclusie gekomen. Geheimen die in den

Ministerraad werden behandeld, zijn aan de raadslieden van den Czaar

overgebracht. De brieven van onzen gezant laten daaromtrent niet

den minsten twijfel. Wel is waar kunnen wij van een gedeeltelijk

door Rusland beïnvloed Ministerie geen anti-Russische politiek

verwachten, maar wel mogen we van alle leden der Czernovische Regeering

eerbiediging eischen van staatsgeheimen, hoe ook hun persoonlijke

gevoelens zijn mogen."

Daarna las de Minister verscheiden uittreksels voor om zijn bewering

te staven.

"Een van mijn Ministers voert dus een geheime briefwisseling met den

Czaar," riep Elizabeth verachtelijk. "Wie is de verrader?"

En daarna de beide Ministers beurtelings scherp aanziend, vervolgde

zij:

"Wien verdenkt ge, heeren?"

De Premier antwoordde:

"Ik weet volstrekt niet op wien ik de verdenking zou moeten doen

vallen."

Maar Zabern glimlachte onmerkbaar, alsof hij met Radzivil's

onnoozelheid spotte.

Elizabeth zag hem aan, en vroeg:

"Verdenkt _u_ iemand, Maarschalk?"

"Ja, Hoogheid," antwoordde Zabern kort en beslist.

"Zijn naam?" vroeg de Prinses snel.

Maar Zabern antwoordde niet dadelijk.

"Ik zou er de voorkeur aan geven mijn vermoedens tot volkomen zekerheid

te brengen eer ik ze uitspreek, Hoogheid."

"Dat eerbiedig ik volkomen," sprak de Prinses, "en toch..."

"Uw geduld zal niet op al te zware proef worden gesteld, Hoogheid,"

vervolgde Zabern. "Mijn spionnen volgen de bewegingen van den verrader

reeds. Meer zelfs: zijn handlanger heb ik in de Citadel achter slot

en grendel."

"Meent ge Russakoff?" vroeg Radzivil.

"Ja. Ik ben overtuigd, dat hij de tusschenpersoon is in deze

verraderlijke briefwisseling. Zijn eenzame opsluiting op water en

brood zal zijn tong wel los maken."

"Ik maak u opmerkzaam, Excellentie," zei de Prinses, "dat ik niet den

minsten schijn van dwangmiddelen duld. Ik verzoek u, bevelen te geven,

dat die man op denzelfden voet als andere gevangenen behandeld wordt."

Zabern boog zwijgend het hoofd, doch veroorloofde zich daarna met

een lichten glimlach op te merken:

"De gevangene is een Rus, Hoogheid... Hij zal zich zelfs nog

verwonderen over de zachte behandeling die hij ondervindt."

"U hebt mijn verlangen begrepen, niet waar?" vroeg Elizabeth, het

hoofd fier opgericht en met dien gebiedenden blik, aan welks invloed

zelfs een man als Zabern niet ontkwam. Daarna voegde ze er zachter

en met een glimlach aan toe:

"Nu en dan spreekt het Poolsche bloed, Maarschalk! Ik zal _u_ toch

niet van Russische sympathieën moeten verdenken?"

"Wanneer het zoover is, Hoogheid," antwoordde Zabern, eveneens lachend,

"dan zal ik, als Minister van Justitie, de eerste zijn die den verrader

Zabern in de Citadel doet opsluiten!"

"Zoover zal het wel nooit komen," schertste de Prinses. Maar daarna

plooide haar gelaat zich weer tot ernst, en ze vervolgde:

"Wat denkt ge dus met dien man te doen?"

"Hij was in het bezit van een cijferbericht, Hoogheid. Voorloopig

zullen we afwachten of het uw Secretaris gelukt den sleutel te vinden."

Men sprak nog eenige oogenblikken over onverschillige zaken; daarna

gaf de Prinses te kennen, dat zij de audiëntie wenschte op te heffen.

"Maarschalk," zeide Radzivil bij 't verlaten van het paleis, "wat hebt

ge toch voor reden om dat duel te doen doorgaan? Wilt ge dan met alle

geweld mijn plan betreffende het huwelijk der Prinses tegengaan?"

"Juist. Dat is mijn doel. De Prinses zal zeer zeker verontwaardigd

zijn, te zien dat haar toekomstige Gemaal zich boven de wet

stelt. Zij zal daar stof tot verwikkelingen uit kunnen putten, die

mijn plannen begunstigen. De Hertog is in mijn net geloopen, zooals

ik wel verwachtte."

"Welk net?"

"De Wet tegen het Duel. Waarom deed ik zoo mijn best die aangenomen

te krijgen?"

"Om de Prinses een genoegen te doen."

"Gedeeltelijk; maar meer nog omdat ik er een middel in zag om den

Hertog te vangen. Ik wist wel, dat hij geen maand zonder een duel

kan blijven, en dat hij zichzelf boven de wet verheven acht. En mijn

plan is geslaagd. Vandaag zal de Hertog op de sabel duelleeren. Het

is mogelijk dat ze elkaar dooden; zoo niet, dan zijn er twee dingen

mogelijk: de Hollander doodt den Hertog, wat voor Czernovië een zegen

zou zijn, of--"

"Of, wat meer waarschijnlijk is, de Hertog doodt den Hollander."

"Dat zou jammer zijn, omdat de Hollander, zooals ge me verteld hebt,

een flinke kerel schijnt te zijn. Maar--in dat geval zal de Hertog,

overeenkomstig de wet, terecht moeten staan wegens moord."

Radzivil stond verbluft. Zóo ver had hij zich nog niet eens in de

zaak ingedacht.

"En als de Prinses zich aan de letter van de wet houdt," vervolgde

Zabern met onwrikbare koelbloedigheid, "dan zal ze--vol eerbied voor

de wetten, zooals ge weet--haar toekomstig Gemaal tot gevangenschap

en verbanning buiten het grondgebied van den Staat veroordeelen."

"Goede hemel!" riep de Premier.

"Mijn stelsel werkt mooi, niet? Dat was ook mijn bedoeling."

"Maar dat zal niet gebeuren! De Prinses moet tusschenbeiden komen en

dat duel verbieden. Ik ga dadelijk terug en zal haar inlichten."

"Halt!" zei Zabern ernstig. "Laat de Hertog zijn dwaasheden bot

vieren. Wat denkt ge--zouden gij en ik onze portefeuilles lang behouden

als Bora den troon kwam deelen?"

Ze waren nu buiten het park gekomen, dat het Paleis omringde. Een

ordonnans stond aan het hek, en meldde den Maarschalk dat hij een

bericht had over te brengen.

"En wat is dat, Nikita?

"Maarschalk, de spion Russakoff is uit de Citadel ontsnapt."

"Vervloekt! Daar zal de wacht voor boeten!"

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

IVAN RAVENSKI.

Een gesprek met den Minister van Binnenlandsche Zaken.--De

drie verzegelde pakketten.--Elizabeth hoort van het duel.--De

brief van Felix.--Zou hij het zijn?--Naar het Roode Woud!

Na het vertrek van haar beide Ministers ging de Prinses door de

openslaande deuren van de audiëntiezaal in den, door helderen

zonneschijn verlichten tuin. De schildwachten op het terras

presenteerden de geweren toen zij voorbijkwam.

In nadenken verzonken over het klaarblijkelijk gepleegd verraad volgde

zij met naar den grond gerichte oogen de breede, met lindeboomen

beplante laan, toen een schaduw op haar pad viel, die haar deed opzien.

Voor haar stond Ivan Ravenski, de Czernovische Minister van

Buitenlandsche Zaken. Hij was een man van ongeveer vijf-en-veertig

jaar, maar zag er veel jonger uit; zijn gelaat was streng en ernstig,

maar niet onaangenaam om te zien. Den hoed afnemend, boog Ravenski

diep; Elizabeth groette hem met een lichte beweging van het hoofd,

doch haar gezicht nam een koele uitdrukking aan. Ze mocht den Minister,

een onvervalschten Rus van afstamming en politieke gevoelens, niet

lijden, en hoewel ze hem nooit tot haar vertrouweling had gemaakt,

integendeel, in afwachting van beter tijden, hem steeds in den waan

had trachten te brengen, dat zij in een huwelijk met Bora het heil

van den Staat zag, voelde zij toch bij instinct dat deze man haar

innerlijke gedachten doorgrondde.

Met een waardigheid als nam hij de plaats in die hem toekwam, begaf

hij zich ter linkerzijde der Prinses en begon naast haar in de schaduw

der linden de laan op en neer te loopen.

"Als ik mij niet zeer bedrieg, Prinses," begon Ravenski, "hebt u

zooeven van de beide Ministers, die ik het paleis zag verlaten,

bericht ontvangen omtrent een gebeurtenis aan het Russische Hof,

die u persoonlijk betreft."

Elizabeth zag geen enkele reden om de waarheid hiervan te ontkennen,

en antwoordde daarom:

"Dat is zoo. Mag ik echter vragen hoe u tot die wetenschap kwam?"

"Het is slechts een gissing, Hoogheid," antwoordde Ravenski, "maar een

gissing die zeer voor de hand ligt. Als Minister van Buitenlandsche

Zaken ben ik immers evenzeer als de Premier door den gezant te

St. Petersburg ingelicht omtrent hetgeen de Czaar op het hofbal sprak."

"En al is dit zoo," zei Elizabeth koel, "wat is daarin dan voor u de

aanleiding mij dat nogmaals mede te deelen?"

"Dat zal u aanstonds duidelijk worden, Prinses. Vergun me eerst deze

vraag: U ziet immers de noodzakelijkheid in--meermalen vernam ik dit

uit uw eigen mond--van een huwelijk met den Hertog van Bora?"

"Inderdaad. Ik geloof, dat de belangen van den Staat dit eischen. Het

Russischgezinde deel der bevolking zal dat huwelijk gaarne zien;

daarenboven," voegde zij er met een zucht bij, "is het een politieke

noodzaak. Leen ik er mij niet toe, dan zal de Czaar mij wel weten

te dwingen."

"De toon, waarop u mij dit antwoord geeft, Prinses, versterkt mij in

de meening, die ik sinds lang koesterde, dat uw persoonlijke verlangens

zich niet in de richting van dit huwelijk bewegen!"

Elizabeth verwaardigde zich niet deze uitspraak te bevestigen. Door

dit zwijgen stoutmoediger geworden, vervolgde Ravenski:

"Zoudt ge geen middel weten, Prinses, aan de noodzakelijkheid van

dat huwelijk te ontkomen?"

"Die vraag stelt _u_ me, Excellentie?" vroeg Elizabeth, verbaasd, "_u_,

die toch als geboren Rus niets anders moest wenschen dan dat huwelijk?"

"Ik begrijp, dat deze vraag u verbaast, maar ik herhaal ze: zoudt u

geen middel weten?"

"U tracht me in een val te lokken," zei Elizabeth streng, "en ik

ben niet van plan uw vraag te beantwoorden. U en ik behooren in het

belang van den politieken toestand te berusten in mijn huwelijk met

den Hertog. Ik begrijp niet...."

"Er zijn overwegingen, Hoogheid, die sterker zijn dan de eischen

der politiek. U kunt den Staat dienen en toch de inspraak van uw

hart volgen."

"Ik begrijp u niet. Verklaar u, wees duidelijk, verzoek ik u."

"Welnu--ik zal zonder omwegen op mijn doel afgaan. Rusland wenscht den

Hertog van Bora als Prins-Gemaal te zien, opdat diens afstammelingen,

en dus afstammelingen van een Rus, Czernovië regeeren. Of de Hertog

daartoe u tot gemalin kiest, is een bijzaak. Ook voor den Hertog is

die omstandigheid bijzaak. Hij verlangt meer naar het bezit van een

kroon dan naar het bezit van Prinses Elizabeth. En dus...."

"En dus wilt u...."

"Ik wil niets. Ik doe u een denkbeeld aan de hand. U zoudt--en ziedaar

de kern van dat denkbeeld--vrijwillig afstand kunnen doen van den

troon, ten behoeve van den Hertog."

Elizabeth voelde duidelijk, dat er een diepere, baatzuchtige bedoeling

schuilde achter dit schijnbaar belangeloos voorstel. Met een spottenden

glimlach antwoordde ze:

"U is wel vriendelijk, Excellentie, u zoo met mijn persoonlijke

belangen in te laten, en daarvoor zelfs uw Russische sympathieën

geweld aan te doen. Ik deed dus volgens u het beste lafhartig de

zorgen der regeering van mij af te schuiven, en ergens als ambteloos,

vergeten burgeres te gaan leven?"

"_Met_ den man, die u liefheeft, Prinses!" fluisterde Ravenski.

"Met den man, die.... Excellentie, wat bedoelt ge? Wie is die man,

wie zou...."

"_Ik_, Hoogheid," sprak Ravenski hartstochtelijk, "_ik_ wil die man

zijn! Nu weet ge mijn geheim: ik heb u lief!"

"Ik wilde dat Zabern u hooren kon!" sprak Elizabeth, zich vol afschuw

omwendend. "Laat ons dit gesprek afbreken. Het is verraad."

"Neen, Prinses. Luister. Ik heb u liefgehad sedert ik door mijn

plaats in de Regeering met u in aanraking kwam. Ik heb voor een

groot deel medegewerkt om u de macht en den titel te doen verkrijgen,

die ge heden bezit, ten einde te toonen wat ik voor u over had. Ik

offer mijn politieke plichten aan u op--Prinses, bewijst u dat niet

voldoende de oprechtheid mijner liefde?"

Bevend van verontwaardiging, wendde Elizabeth onwillekeurig den blik

naar de beide schildwachten, die met langzamen pas het terras op en

neer gingen.

Ravenski zag die beweging, en vervolgde:

"Eén oogenblik, Prinses, eer ge last geeft mij te arresteeren. Ik

heb deze bekentenis niet gedaan zonder mijzelf een waarborg te

verzekeren. Luister! Er woont op dit oogenblik aan de andere zijde

der grens--het doet er niet toe waar--een persoon die mijn belangen

is toegewijd. Hem heb ik de zorg voor drie verzegelde pakketten

toevertrouwd. Zoodra hij mijn arrestatie verneemt, handelt hij als

volgt. Een der pakketten zal hij aan den Russischen Minister van

Buitenlandsche Zaken verzenden, het tweede aan den Hertog van Bora,

het derde aan de redactie van de Czernovische Nieuwsbode, welks

Russisch-gezinde uitgever Lipski maar al te graag den inhoud zal

publiceeren, en waardoor een beweging in Czernovië zal ontstaan. Daar

zijn uw schildwachten. Roep ze. Arresteer me. Maar wees er van

verzekerd: binnen acht dagen daarna zijt ge onttroond."

Elizabeth zweeg, maakte geen beweging.

"Vergeef me, Prinses, dat ik u met bedreigingen toespreek, ik ging

er niet dan met tegenzin toe over. Maar--gij erkent mijn macht,

en ge weet dat ik u liefheb. Wat is uw antwoord?"

Elizabeth maakte een beweging van ongeduld.

"Ik hecht niet veel aan uw bedreigingen. Wat zouden die pakketten

kunnen bevatten?"

"Ik zal 't u zeggen. Het eerste een wasrol van een fonograaf, die

ik, achter een meubel verborgen, een door u gevoerd gesprek met uw

Secretaris deed opnemen, en die met uw eigen, zeer goed te herkennen

stem het overtuigend bewijs levert, dat gij, hoewel uiterlijk berustend

in het door Rusland gewenschte huwelijk met den Hertog, elk gunstig

oogenblik afwacht om Rusland's plannen te verijdelen. Welke middelen

gij daartoe wilt aanwenden, is mij nog onbekend, doch vast staat dat

ge op niets minder dan een staatsgreep zint."

"Verrader! Lafaard!" riep de Prinses, met een van verontwaardiging

trillende stem. "Ik wist, dat geen middel tot bereiking van uw doel

u te laag was, maar dat ge dit zoudt durven....!"

"Verrader?" sprak Ravenski spottend. "Noem liever uw vrienden Zabern

en Radzivil zoo, die ik sterk verdenk--zoo ze al niet in uw plannen

zijn ingewijd--de uitvoering daarvan gaarne te zullen begunstigen."

De Prinses was met uiterste inspanning haar ontroering meester

geworden. Uiterlijk kalm vroeg ze:

"En het tweede pakket?"

"Is gelijk aan het eerste, Hoogheid."

"Het derde?"

"Bevat een eenigszins fantastisch verhaal van den door u beraamden

staatsgreep, dat de bladen gretig zullen overnemen."

Eenige oogenblikken beschouwde Ravenski de uitwerking zijner woorden,

toen vervolgde hij:

"Overdenk dit alles goed. Ik zal er u ruim den tijd toe geven. Ik

heb geduld. Bedenk, dat wanneer de sombere muren van een Russische

vesting u omringen, wanneer ruwe soldaten uw cipiers zijn, wanneer

geen uwer angstkreten tot de buitenwereld doordringt--dat dan zelfs

de liefde van Ravenski begeerenswaard zou zijn."

Elizabeth kon het gevoel van afschuw niet onderdrukken, dat door deze

woorden werd opgewekt.

"Stort dus niet uzelf, noch uw vrienden, in 't verderf, Zabern,

Radzivil, Dorislas, al de ministers wier politiek Rusland een doorn

in 't oog is, en die door den Hertog aan den Czaar zouden worden

overgeleverd. Czernovië zou door kozakken worden bezet en onder de

krijgswet geplaatst, de mannelijke bewoners bij het Russische leger

ingelijfd, de Universiteit gesloten, de wetten geschorst, kortom,

uw land ten onder gaan."

"Maar wanneer ik afstand doe," riep Elizabeth wanhopig, "wanneer Bora

de regeering aanvaardt, zal het land dan niet eveneens ten onder gaan?"

"Zeer zeker. Maar niet door geweld. En bovendien niet door uw direct

toedoen. Daar ligt het zwaartepunt der kwestie. Nogmaals: gij hebt

te kiezen. Ik zal wachten."

"En ge zult lang moeten wachten, Excellentie," antwoordde Elizabeth

trotsch. Ze waren op dit oogenblik den uitgang van het park genaderd;

met een handbeweging noodigde ze den Minister uit te vertrekken.

Ravenski bleef echter staan, en sprak:

"Nog een enkel woord, Prinses. Hedenmiddag is mij een bericht ter

oore gekomen, dat U zal intresseeren. In het Hotel Czernovië, waar

vele vreemdelingen afstappen, en waar ik natuurlijk, belang stellend

in buitenlandsche zaken, spionnendienst doe uitoefenen, heeft heden

enkele uren geleden een twist plaats gehad tusschen den Hertog

van Bora en een kortelings hier aangekomen Hollander. Merkwaardig

genoeg schijnt een Latijnsche spreuk--esse quam vederi, wanneer mijn

berichtgever goed verstaan heeft--de onmiddellijke aanleiding tot

den twist te zijn geweest. Ik moet bekennen, dat dit gedeelte der

zaak mij niet recht duidelijk is. Hoe het zij, het gevolg zal een

duel zijn tusschen den Hollander en den Hertog, hedenavond te zeven

uur. Hoogstwaarschijnlijk zal de Hertog, die dertig duels achter den

rug heeft, en nooit gewond werd, den Hollander dooden. De kans bestaat

echter, en we moeten daarmee rekening houden, dat de Hertog verwond

wordt. Eenigen tijd geleden zou daarin geen bezwaar gelegen hebben;

sedert de tot-stand-koming der duelwet zou de Hertog zich echter aan

een strafvervolging blootstellen. U moet dat voorkomen."

Elizabeth was plotseling verbleekt, als had een hevige schrik,

die op dat oogenblik alleen _zij_ zou kunnen verklaren, haar

bevangen. Ravenski, evenmin als de lezer, die echter zoo straks

ingelicht zal worden, begrijpend wat er in haar binnenste omging,

gaf een uitleg aan haar ontroering, die--naar we aanstonds zien

zullen--onjuist was.

"Ge verbleekt, Prinses. Ik begrijp dat. De mogelijkheid, dat de Hertog

u op deze manier een wapen tegen zichzelf in handen geeft, komt als een

onverwacht redmiddel tot u, dat u aanlokt, en waarvan ge toch aarzelt

gebruik te maken. Vandaar uw ontroering. Ik zeg u echter: stijg te

paard, rijd zoo snel ge kunt met een escorte naar het Roode Woud, waar

het duel zal plaats hebben--en voorkom het. Het leven van den Hertog

_moet_ gespaard blijven,--dat is immers in _mijn_ belang. Werkt ge dat

belang tegen, staat ge mij niet voor de veiligheid van den Hertog in,

dan beschuldig ik u openlijk, een officiëel te uwer kennis gebracht

misdrijf, door de landswetten verboden, niet te hebben voorkomen."

Elizabeth hield zich aan het hek van de parkpoort vast om niet te

vallen, ze wankelde, en sprak alleen nauw verstaanbaar:

"Ik zal gaan.... dadelijk...."

Een triomfantelijke glimlach speelde om Ravenski's lippen. Hij

geloofde den weerstand der Prinses gebroken te hebben en voelde zijn

zaak reeds half gewonnen.

Zwijgend ontblootte hij het hoofd, boog diep en eerbiedig, en verliet

met snelle schreden het park.

Tot recht begrip van het vorenstaande is een kleine uitlegging noodig,

die in de aanteekeningen van Rob Rensma eerst op de laatste bladzijden

voorkomt, omdat hij ze op dit tijdstip zijner avonturen nog niet van

zijn vriend Van Stralen vernomen had. Toen laatstgenoemde hem namelijk

zijn hier voren vermelde levensgeschiedenis meedeelde, verzweeg hij

daaruit met opzet een punt van belang, dat hij zeer terecht op dat

oogenblik nog geheim wenschte te houden, doch waarvan de lezer ter

wille van de duidelijkheid thans behoort kennis te nemen.

Zoodra men, na de verwoesting van het eiland Riva, tot het besluit

was gekomen "De Vogel" in dienst te stellen van de bevrijding van het

vaderland, had Li door middel van een der vliegmachines Elizabeth des

nachts in het paleis een brief doen toekomen van den volgenden inhoud:

"Ik leef. Tracht den bestaanden toestand sleepend te houden

door de Russische eischen toenaderend te behandelen. Vernietig

dezen brief. Voorzichtigheidshalve zal ik niet meer schrijven,

doch reken er op dat ik, zoodra de gelegenheid mij gunstig

voorkomt, in Slavowitz verschijn en mij van Bora meester

maak. Houd moed. Blijf mij liefhebben. Eenmaal zullen we

elkander toebehooren. Leve de Oranje-Republiek!

Felix."

Er was geen twijfelen mogelijk geweest: dezen brief had Felix

geschreven! Door welk wonder hij aan den dood was ontsnapt, bleef

Elizabeth een raadsel--maar wat deed dit er toe: hij leefde! En hij

zou terugkomen om Czernovië en haar te redden, daarop vertrouwde ze

vast. Felix was geen man van ijdele woorden.

Vele maanden na die gebeurtenis had ze niets meer van hem vernomen,

vergeefs, maar met onbeperkt vertrouwen, gewacht tot hij zou

terugkomen. Telkens wanneer een verdacht vreemdeling was aangehouden,

telkens als zij de arrestatie van een spion had vernomen, had ze

gebeefd van angst bij de gedachte, dat dit Felix zou zijn. Toen men

haar dien morgen van den spion Russakoff had verteld, was dadelijk het

denkbeeld in haar opgekomen: hij is 't! Nu Ravenski haar van het duel

met den Hollander onderrichtte, had ze onmiddellijk als bij ingeving

gevoeld: die Hollander is Felix! Wel begreep ze een oogenblik daarna,

dat dit instinct op een zeer zwakke mogelijkheid berustte, dat het

niets meer dan een vage onderstelling was--maar de gedachte: het kòn

misschien zoo zijn, was haar voldoende om tot een verijdeling van het

duel te besluiten. Zij kende immers Bora's meesterschap op de wapenen,

zij wist dat er onder de twintigduizend man van het Czernovische

leger niet een was die zijn doodend zwaard durfde weerstaan, zij had

hem in de schermzaal van het Paleis in snelle opeenvolging de beste

schermers onder haar officieren zien ontwapenen. Zabern, Dorislas,

Miroslav--wie kon zich met Bora meten?

Men zal nu de ontroering begrijpen, die zich van haar meester maakte,

toen zij Ravenski's mededeeling aanhoorde. Van haar ontsteltenis

bekomen, moest zij onwillekeurig glimlachen bij de gedachte dat

Ravenski haar misschien, onwetend natuurlijk, een grooten dienst

had bewezen.

Zij dacht er niet over na, welke gevolgen haar tusschenbeide treden

kon hebben, zij dacht slechts aan éen ding: Felix moest gered worden!

En, haar zelfbeheersching hernemend, gaf ze snel en beslist orders

voor een onmiddellijk vertrek.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

HET DUEL.

De ontmoeting in het Roode Woud.--De Russische

schildwacht.--Het duel begint.--De plotselinge verschijning

der Prinses.--De Hertog wordt gearresteerd.--Zij hebben

elkaar herkend!

De avond viel, toen Felix met Rob en Paul hun weg zochten naar de

grens van Czernovië.

Van Slavowitz waren ze in een troïka, een met drie paarden bespannen

voertuig, tot aan het Roode Woud gereden, volgens voorafgegane

overeenkomst langs een anderen weg dan Bora en zijn getuigen.

Nadat ze de troïka in een eenzame herberg aan den weg hadden

ondergebracht, geleidde Paul de beide vrienden naar de afgesproken

plaats, waar een smal voetpad door een dicht dennenbosch heenvoerde.

"Prachtige dennen!" zei Felix, de kaarsrechte en statige stammen

beschouwend.

"Daar verschuilen de wolven zich achter in den winter," merkte Paul

op. "Soms verscheuren ze de Russische schildwachten."

Het voetpad ten einde loopend, kwamen ze op een ruime open vlakte.

"De grenslijn moet ergens over deze vlakte loopen. Juist, daar staat

de steen."

Paul wees op een zwaar, rechthoekig steenblok, op welks oostelijke

zijde, diep ingesneden, zich de letters R-U-S-L-A-N-D bevonden,

terwijl de zuidzijde de letters C-Z-E-R-N-O-V-I-E vertoonde.

"Nu zijn we op Russisch grondgebied," zei Paul, "en we mogen wel goed

uitzien, opdat niet de een of andere verborgen schildwacht een schot

op ons afvuurt."

"Zoo? Is dat tegenwoordig Russische gewoonte om op wandelaars te

schieten?"

Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië · 第 12 / 27 段