"De heer Van Heelstra maakte dezen middag met onzen vriend den

Secretaris der Prinses kennis, Hoogheid; gelooft u niet, dat..."

Maar de Hertog veinsde hem niet te hooren. Hij haatte den Secretaris,

en alleen daarom den onbekenden Hollander des te meer.

"Van Stralen is een uitnemend man," vervolgde de goedpraatsche

Radzivil; "hij bewees ons menigen goeden dienst. Een belangrijk

cijfertelegram dat ons onlangs in handen viel, en waarmee de

deskundigen geen raad wisten, pluisde hij uit. Hij heeft een belangrijk

werk over raadselschrift geschreven, ofschoon ik tot mijn schande

bekennen moet het nooit gelezen te hebben. Hij strekt onzen kleinen

Staat tot eer. We mogen niet veel beteekenen onder de grootmachten,

maar door de voortreffelijke eigenschappen van vele Czernoviërs zijn

we toch sterker dan velen denken."

"Esse quam videri [2]," glimlachte Van Stralen.

Nauwelijks had hij deze woorden geuit, of het bleek dat de Hertog

het gesprek zeer goed gevolgd had. Hij keerde zich plotseling om,

zijn gezicht teekende verbazing en toorn, en hij vroeg ruw:

"Wat meent u daarmee?"

"Gaarne wil ik het voor u vertalen, Hoogheid, daar u klaarblijkelijk

geen latijn kent. Esse quam videri wil zeggen..."

"Beleedig me niet langer!" riep de opgewonden Hertog. "Ik weet zeer

goed wat het zeggen wil. Ik vraag alleen, waar u die woorden gelezen

hebt, hoe u...."

Buiten zichzelf van woede, kon hij geen woorden vinden om zich

juist uit te drukken, en terwijl hij daarnaar nog zocht, vervolgde

Van Stralen:

"Uwe Hoogheid heeft een eigenaardige manier om iemand een uitlegging

te vragen. Waar ik die woorden las? Waarschijnlijk waar ook u ze las,

daar u ze immers ook blijkt te kennen."

"Dat is een leugen!" riep de Hertog.

"Voorzichtig, Hoogheid," wierp Radzivil in 't midden, terwijl hij om

zich heen zag, "laten we geen publiek schandaal uitlokken."

Van Stralen had moeite zich deze beleediging te laten aanleunen,

maar daar hij met zijn handelwijze een bepaald plan had, hield hij

zich kalm, en zei:

"Uwe Hoogheid laat zich zeer kwetsend over mij uit, doch ik ben bereid

die woorden als niet gesproken te beschouwen. U zult mij echter

ten goede houden, dat ik nu ook op uw vragen geen nader antwoord

kan geven."

Met deze woorden ging Van Stralen weer kalm aan zijn tafeltje zitten

en stak een nieuwe sigaar op.

De Hertog was echter volstrekt niet van plan het hierbij te laten. Hij

ging naar den ingenieur toe, wiens terugtrekkende beweging hij voor

lafheid hield, en vroeg:

"U wenscht mij dus niet te antwoorden?"

"Neen."

"U weigert?"

"Beslist."

"Dan zult u met mij duelleeren."

Van Stralen voelde veel lust de uitdaging aan te nemen; zijn

tegenstander had hem na de korte kennismaking al genoeg afkeer

ingeboezemd. Maar het leek hem toch verstandiger zulk een conflict

voorloopig, als 't eenigszins mogelijk was, te vermijden. Ten eerste

zou met het overhoop steken van den Hertog de Czernovische kwestie

volstrekt niet opgelost zijn, ten tweede zou het duel aanleiding kunnen

geven tot een openbare bespreking daarvan, waardoor Van Stralen zich

meer bloot zou geven dan hij op dit oogenblik wel wenschte.

Hij antwoordde dus rustig:

"Neen Hoogheid, ik zal niet duelleeren."

"Als u niet vechten wilt, kan ik u er niet toe dwingen. Maar ik kan

u ten minste als een lafaard brandmerken."

En zijn stok oplichtend, gaf hij Van Stralen een slag op de wang.

"Hoogheid!" riep Radzivil, en begaf zich, boos en verontwaardigd,

naar het andere einde der veranda.

De kleur was uit Van Stralen's gelaat geweken; alleen een roode streep

gloeide op zijn linker wang.

"Zult ge nu vechten?" zei de Hertog met een tartenden glimlach,

terwijl hij den stok opnieuw ophief. "Of hebt ge nog een nadere

opwekking noodig?"

"Vechten? Ja, waarachtig, dat zal ik!" antwoordde Van Stralen,

diep ademhalend. "Zend uw getuigen hierheen; ze zullen de mijnen

ontmoeten. Ik heb u verder niets meer te zeggen. Onze sabels zullen

het overige doen."

Een glans van wilde vreugde ging over het gelaat van den Hertog.

"Mijn getuigen zullen binnen een uur hier zijn. Maar eerst een

waarschuwing aan Radzivil. Die is te praatziek: en de kwestie behoeft

niet aan de groote klok gehangen te worden."

De Hertog verwijderde zich, en Van Stralen bleef naast den verschrikt

zwijgenden Rob zitten, terwijl de enkele gasten van het hotel,

die zich op het balcon bevonden, de oogen op hem richtten, en tot

elkaar zeiden, dat de Hertog zeker weer een van zijn onderdanen op

zijn gewone zachtaardige manier voor een onbeleefdheid had gestraft.

De Hertog, volstrekt niet beschaamd over zijn uitbarsting van woede,

alleen geërgerd omdat Radzivil zulke duidelijke teekenen van afkeuring

had gegeven, ging naar het tafeltje waar de Premier zich had neergezet.

De laatste dorst niet veel meer dan zwakke tegenwerpingen maken,

want hij verkeerde in een moeielijke positie. Het was niet handig

zich iemand tot vijand te maken, die bestemd was Prins-Gemaal van

Czernovië te worden.

"Uwe Hoogheid vergeet dat het duel bij de wet verboden is."

"Ik ben de aanstaande Prins-Gemaal en sta boven de wet," antwoordde

de Hertog hooghartig.

"De Prinses zal waarschijnlijk die meening niet deelen. Herinner

u hoe ijverig zij gewerkt heeft om de Wet tegen het Tweegevecht er

door te krijgen. Als een van haar eigen Ministers die wet overtreedt,

zal zij zich daar zeker niet bij neerleggen. U hebt, vergeef mij dat

ik het zeg niet zeer voorzichtig gehandeld."

"Bah, m'n beste Radzivil, zorg maar dat je weet te zwijgen, en ze

zal er nooit van hooren. Denk er aan," voegde hij er dreigend bij,

"dat, wanneer Hare Hoogheid de zaak te weten komt, ik niet twijfelen

zal aan de herkomst van haar inlichtingen."

Hij dronk haastig een glas wijn leeg, en wierp een blik vol haat in

de richting van den ingenieur.

"Weet ge wel, Radzivil, dat de spreuk, die deze Hollander zooeven

uitsprak, gegraveerd staat in de binnenzijde van een ring, welken de

Prinses draagt? Slechts eenmaal legde zij dien, doordat een der steenen

beschadigd was, in mijn tegenwoordigheid af. Ik had toen de gelegenheid

het inschrift te lezen, en vroeg wie haar dien ring had geschonken. De

Prinses bleef niet alleen het antwoord schuldig, maar was blijkbaar

in verlegenheid. Dat kwam mij verdacht voor, evenals 't me verdacht

voorkomt, dat die vreemdeling zooeven dezelfde spreuk aanhaalde."

"Maar welke conclusie zou Uwe Hoogheid daaruit dan willen trekken?"

"Dat er de een of andere verhouding bestaan heeft, misschien zelfs

nog bestaat, tusschen de Prinses en dien man daar."

"Uwe Hoogheid moet zich vergissen. De heer Van Heelstra bezoekt

Slavowitz voor de eerste maal in zijn leven. Waar en wanneer zou de

Prinses hem ontmoet kunnen hebben?"

"Dat weet ik evenmin als jij, maar ik wil, en zal dat ook, te weten

komen. Er zijn geruchten, die van een vroegere verloving der Prinses

spreken, vóor zij het bestuur in handen kreeg."

"Daarvan hoorde ik ook wel spreken. Het schijnt echter, dat die

geruchten op zeer losse gronden berusten; niemand weet er iets

met zekerheid van te zeggen. Bovendien zou de persoon in kwestie,

ook al weer volgens zeer vage geruchten, behoord hebben tot de zeven

geleerden, die bij de ramp van Isola Riva omkwamen. En op geen hunner

gelijkt deze Hollander ook maar in de verte. De onderstelling alleen

trouwens, dat hij die ramp zou hebben overleefd, is te dwaas om van

te spreken."

"Dat is zoo," antwoordde de Hertog, "Er zou trouwens ook geen enkele

reden te noemen zijn waarom de overlevende zich dan schuilhouden en

vermommen zou."

"Nu ziet u immers zelf uw dwaasheid in! Mij dunkt, dat u die

duel-kwestie nu maar moest bijleggen."

"Het komt niet in me op," antwoordde de Hertog koppig. "Juist omdat

dit geval zoo raadselachtig is, wil ik de oplossing er van vinden. Als

deze Hollander mijn vragen niet goedschiks wil beantwoorden, zal hij

het kwaadschiks doen, of--met een sabelhouw zijn onwil boeten. Ik

duld zelfs den schijn niet, dat ik een mededinger heb. Ik begin

nu zelfs te gelooven, dat de Prinses zoo ijverig de Wet op het

Tweegevecht doordreef, om haar geliefde de gelegenheid te geven,

zich ongemoeid in Czernovië op te houden. Zij wilde hem tegen mijn

sabel beveiligen. En nu ben ik er ook van verzekerd, dat zij reeds

lang met hem heeft gecorrespondeerd, terwijl haar vriend Van Stralen,

die voor zulke dingen heel geschikt is, als tusschenpersoon heeft

gediend. Voor onze Prinses, die er een geheime liefde op na houdt,

is zulk een handige cijfermeester een geschikt werktuig."

Hij keek wederom met zulk een haat in zijn blik naar Van Stralen, dat

de Premier, een nieuwe scène vreezend, de gedachten van den Hertog

poogde af te leiden, door het woord "cijfer," dat deze zoo even had

uitgesproken, tot het onderwerp van een gesprek te maken.

"De Secretaris is, zooals u zegt, een kundig ontcijferaar van

geheimschrift, maar op het oogenblik schiet zijn kunst toch te kort."

"Hoezoo?"

"Wel, onlangs is hem een cijferbericht voorgelegd door Zabern...."

"Zabern!" viel de Hertog hem wrevelig in de rede. "Alweer zoo'n

halfslachtig wezen in het Kabinet. De Czaar heeft gemeend goed te doen

door de regeering langzamerhand in Russische handen te brengen. Wat

mij betreft is de keus zeker heel goed geweest, maar in Zabern--en

evenzeer in een zekeren Graaf Radzivil--is van moederszijde nog te veel

Hollandsch bloed. Als 't aan mij lag ging men veel radicaler te werk."

"De Czaar voelt klaarblijkelijk meer voor een geleidelijken overgang,

en hij heeft dunkt me van zijn standpunt uit gelijk. Maar ik wilde dan

vertellen, dat vier weken geleden in een herberg een twist tusschen

Czernoviërs en Russen zoo hoog rees, dat men de hulp van een militaire

patrouille inriep, die de belhamels naar de wacht meenam. Daar had de

gebruikelijke fouilleering plaats, en op een van de mannen vond men

een paspoort op naam van Ivan Russakoff, hetgeen de man verklaarde

hem toe te behooren."

Radzivil was er uitstekend in geslaagd de aandacht van den Hertog

af te leiden. De toorn week van zijn gelaat. Van Stralen en het duel

schenen voor een nieuwe belangstelling te zijn geweken.

"Deze Russakoff droeg een kaftan, in welks voering een breed, in

tweeën gevouwen stuk papier was verborgen, aan beide zijden bedekt,

niet met woorden, maar met lange rijen cijfers. Des morgens werden de

arrestanten ontslagen, behalve Russakoff, van wien men een verklaring

verlangde omtrent de beteekenis van het papier. Hij weigerde die

te geven. Hij zei de agent te zijn van een lakenkoopman uit Warsim,

en had trouwens een tasch bij zich met stalen van lakenstoffen. Een

onderzoek wees uit, dat er in Warsim inderdaad een lakenkoopman,

genaamd Paskovitch, woont, wiens agent Russakoff is, en dat de

kleedermakers van Slavowitz aanzienlijke bestellingen bij dien

man doen."

"Daarna liet men den man zeker los?"

"Integendeel. De zaak kwam Zabern ter oore, en hij liet den man voor

zich brengen. "Wat beteekenen die cijfers?" vroeg Zabern. "Dat zijn

beroepsgeheimen," antwoordde Russakoff. "Daaraan twijfel ik niet,"

zei de Maarschalk. "Je beroep is dat van spion. Je laken-verkooperij

is een dekmantel voor je eigenlijke bedoelingen." Zabern nam den

man langen tijd in verhoor. Russakoff weigerde de beteekenis van

het geheimzinnig papier te onthullen; hij kon geen bevredigende

verklaringen geven betreffende de wijze waarop hij zijn tijd in

Slavowitz had doorgebracht, en de Maarschalk, overtuigd dat de man

een spion is in Russischen dienst, heeft hem voor meerdere veiligheid

naar de Citadel doen brengen, waar hij nu is. Het papier is in handen

van Van Stralen om het te ontcijferen, en daarbij is de zaak op

't oogenblik gebleven."

"En Van Stralen ziet geen kans het raadsel op te lossen?"

"Hij weet er totaal geen weg mee."

De Hertog scheen dat met genoegen te hooren.

"Zabern ziet een spion in iedereen die uit Rusland komt," spotte hij.

"Wel, we zullen de waarheid spoedig weten. Zabern schijnt den man te

willen gijzelen op water en brood. Dat maakt de tong los."

"Maar 't is tegen de wet," zei de Hertog, met gefronst voorhoofd.

"Evenals duelleeren," gaf de Premier terug.

Bora scheen op 't punt een boos antwoord te geven maar hield zich in

en zei:

"En die zoogenaamde spion werd een maand geleden gearresteerd, zegt

u? Als Zabern die zaak zoo gewichtig oordeelt, waarom werd ik dan,

als Minister, er niet van op de hoogte gebracht?"

"De zaak valt onder Zabern's departement, daar hij immers Minister

van Justitie is. Ik voor mij hoorde er eerst gisteren van, en toen

nog door een toeval. En," voegde hij er bij, vaag glimlachend bij de

wetenschap dat hij geen meester was in zijn eigen kabinet, "u weet

hoe Zabern gewoon is buiten voorkennis van zijn collega's te handelen,

en dat de Prinses steeds zegt: "Zabern heeft een streepje voor.""

Niemand wist dit beter dan de Hertog zelf, en hij dacht bij zichzelf,

dat die toestand wel veranderen zou, zoodra _hij_ op den troon kwam,

en Czernovië een koninkrijk werd.

De beide heeren dronken hun glas wijn leeg en gingen heen.

Intusschen had Van Stralen met Rob zacht zitten praten. Rob was zeer

ontdaan over het gebeurde, niet omdat de Hertog hem vrees inboezemde,

maar omdat hij het vreeselijk vond dat zijn vriend nu gedwongen was te

vechten, en dat hij, Rob, daartoe eigenlijk de aanleiding was geweest.

"Had ik me maar zoo boos niet gemaakt," zei Rob, "maar ik wist niet

dat die Hertog zoo opvliegend zou zijn."

"Maak je geen verwijten, kerel," zei Van Stralen. "Je hebt me onwetend

een dienst gedaan. Als we hier elken dag blijven zitten, en sigaartjes

rooken en lekker eten, dan komen we er niet. Ik had al lang naar een

middel gezocht om met dien Hertog in aanraking te komen, en dat is

me nu gelukt."

"Maar als hij je nu misschien laat gevangen nemen, en ze gaan

uitvisschen waar je vandaan komt, en...."

"Dat gebeurt allemaal niet. Hij wil veel te graag duelleeren en daar

't duel in Czernovië verboden is, zal hij wel zorgen dat niemand er

van hoort."

"Waarom werd hij eigenlijk zoo woedend toen je die Latijnsche

woorden zei?"

"Wel, ik zei ze met opzet, juist om te kijken wat hij dan doen

zou. Toen ik Elizabeth de laatste maal zag, gaf ik haar een ring,

om die steeds als aandenken te dragen, daar ik wel wist dat ze mij

in langen tijd niet zien zou. De woorden "Esse quam videri" waren

aan de binnenzijde gegrift. Uit de woede van den Hertog begreep ik

wat ik weten wilde, namelijk dat Elizabeth den ring nog bezit, dat

Bora de inscriptie door het een of ander toeval gelezen heeft, dat

hij heeft willen weten, wie de gever was en zich boos heeft gemaakt

toen Elizabeth hem dat niet wilde vertellen. En je begrijpt, dat ik

uit dit alles conclusies kon trekken, die me niet onaangenaam zijn."

"Maar hoe moet die duel-kwestie nu afloopen?" vroeg Rob.

"Nu--een van ons beiden zal een houw krijgen, waarschijnlijk de

Hertog. Dooden zal ik hem niet, ten eerste uit beginsel, ten tweede

omdat 't niet politiek zou zijn. Ik vind 't al erg genoeg, dat we

onze goede, verdraagzame Vogelgewoonten hier op deze bloeddorstige

aarde moeten afleggen."

Op dit oogenblik kwam Paul terug. Bij hun tafeltje gekomen, bukte

hij zich en raapte een boekje op, dat op den grond lag, zeggend:

"is dat van jou?"

"Neen," antwoordde van Stralen, "en van Rob ook niet, voor zoover

ik weet."

Daar ook Rob 't boekje niet voor zijn eigendom herkende, maakten

de vrienden de conclusie dat Radzivil of Bora het zooeven moesten

hebben laten vallen. Het bleek een zakuitgave van Aeschylus' gedichten

te zijn, dat den Griekschen tekst der zeven tooneelspelen bevatte,

zonder vertaling, noten of toelichting.

Paul bladerde er in, en fronste plotseling de wenkbrauwen in verbazing.

"Wat zou hem er toe gebracht hebben al die moeite te doen, en waartoe

dient het?" mompelde hij,

"Mijn boek, meneer de Secretaris," klonk opeens een stem achter hem,

en opziende, keek hij in de scherpe zwarte oogen van den Hertog,

die achterdochtig op hem gevestigd waren. "Ik merkte zooeven, dat ik

dit had laten liggen. Zooals u ziet, houd ik mijn klassieken nog bij."

"U bestudeert ze zelfs zeer aandachtig," zei Paul. "Niet ieder neemt

de moeite al de letters van een Grieksch tooneelstuk te tellen."

Bora keek hem aan alsof hij een verborgen bedoeling in zijn antwoord

wilde ontdekken, en ging toen heen, klaarblijkelijk niet op zijn gemak.

Paul kwam nu aan het tafeltje zitten, en merkte dadelijk den rooden

streep op, die over het gelaat van zijn broer liep.

"De handteekening van den Hertog," zei Van Stralen, met ingehouden

toorn. Daarna vertelde hij het gebeurde, evenals het vroeger

meegedeelde onder geheimhouding, waarop hij natuurlijk tegenover Paul,

die trouwens de gevoelens van zijn broer voor Prinses Elizabeth kende,

volkomen rekenen kon.

Paul luisterde met verontwaardiging.

"Die vlegel!" mompelde hij. "Dat kost je 't leven, Felix. De Hertog

is een meester op de sabel. Hij heeft zijn weerga niet in Czernovië."

"Dat zegt niet veel. Czernovië is klein."

"Hij heeft al dertig duels achter den rug, waarvan er zeven-en-twintig

ten nadeele van zijn tegenstander afliepen."

"Het een-en-dertigste zal hem niet veel eer doen inleggen. Jij en

Rob moeten mijn getuigen zijn."

"Ik? De Prinses is streng tegen het duel. De Russen hebben het hier

trachten in te voeren, maar op haar aandringen stelde Zabern een

wetsontwerp op tegen het tweegevecht, en Elizabeth wist het te doen

aannemen. Daders en getuigen worden met gevangenschap bedreigd."

"Ik zal 't je niet moeielijk maken, Paul," zei Van Stralen op zijn

gewone eenvoudige manier, die allen schijn van grootspraak miste. "De

Van Stralens zijn van ouds meester op alle wapenen, jij zoo goed

als ik. En ik heb het schermen duchtig onderhouden. Het gevecht

zal onbeslist blijven--hoogstens krijgt de Hertog een onbeduidende

wond. Maak je niet ongerust."

"Ik hoop het beste. Daar komen Baron Ostrova en Graaf Itar, de gewone

bijstanders van Bora in zijn eerezaken. Welk instructies, Felix?"

"Van avond zeven uur. Sabels. Totdat er bloed vloeit."

En Felix bleef nog eenige oogenblikken met Rob zitten praten en een

sigaar rooken, zoo kalm alsof er niets bizonders gebeurd was.

"Maar hoe moet dit alles afloopen?" vroeg Rob. "Steek je je nu niet

in allerlei moeielijkheden? Bereiken we op deze manier ons doel?"

"Wacht rustig af, mijn beste jongen. Vooreerst moet de Hertog mijn

verklaarde vijand zijn. Langs hem kom ik tot den Czaar. Je zult zien

dat dit de weg tot ons doel is. Het zal langzaam gaan--maar we komen

er zeker."

En Rob zweeg, nog niet begrijpend, maar vast vertrouwend op het succes

van al wat deze merkwaardige man wenschte te ondernemen.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

DE VERRADER.

Waarin we Maarschalk Zabern en Prinses Elizabeth leeren

kennen.--Wat de gezant te Petersburg schreef.--Een verrader

onder de Ministers.--Russakoff is ontsnapt!

In een der vertrekken van het paleis zaten Graaf Radzivil en Maarschalk

Zabern.

De beide Ministers zouden de Prinses den inhoud van een belangrijk

telegram mededeelen, dat zoo juist van den Czernovischen ambassadeur

te St. Petersburg was ontvangen, en wachtten slechts tot zij bij de

Prinses zouden toegelaten worden.

Ladislas Zabern was een man van een kranig militair voorkomen,

als uit eikenhout gesneden en met ijzer beslagen. Moed stond op

zijn gelaat gestempeld. Ofschoon drie-en-vijftig jaar oud, had hij

niets van de voortvarendheid der jeugd verloren. Evenals Radzivil

vertegenwoordigde hij in het Kabinet den overgang tot het russicisme;

maar meer dan zijn ambtgenoot, die voorzichtiger en plooibaarder was,

verdacht men hem van oud-Czernovische sympathieën, en de Russische

regeering zocht reeds naar redenen om hem te vervangen. Inderdaad was

hij door zijn krachtige persoonlijkheid de leider van het Kabinet,

terwijl Radzivil slechts Premier in naam was.

Radzivil, praatziek als gewoonlijk, vertelde den Maarschalk het

gebeurde tusschen den Hertog en den Hollander.

"Uitstekend!" zei Zabern. "Dat duel moet doorgaan. Het kan niet anders

dan in het belang van den Staat zijn."

"Maar...." protesteerde de Graaf verbaasd, "dat gaat toch niet! De

overige Ministers zijn er evenals ik van overtuigd, dat de Prinses

tusschenbeiden moet komen!"

"Graaf," zei Zabern op bevelenden toon, "dat duel moet doorgaan. Het

begin van voor het land nuttige verwikkelingen kan er het gevolg van

zijn. En denk er aan: geen woord hierover aan de Prinses!"

Voor de Premier kon antwoorden, weerklonk een zilveren klokje uit de

audiëntiezaal, ten teeken dat de Prinses gereed was haar bezoekers

te ontvangen.

De vleugeldeuren werden wijd opengeworpen.

De twee Ministers gingen de Witte Zaal binnen, die zoo genoemd werd

daar al het houtwerk wit verlakt, en alleen met smalle gouden biezen

afgezet was.

Aan een tafel zat de Prinses, en noodigde de Ministers tot plaatsnemen

uit.

Zabern was in 't bizonder haar gunsteling, en hij van zijn kant was

gereed zijn leven te offeren voor de belangen van zijn meesteres,

zij het ook dat hij deze gevoelens nooit in het openbaar ten toon

spreidde. Hij was een sterk, hoewel stilzwijgend tegenstander van

Elizabeth's toekomstig huwelijk met den Hertog, zoowel omdat hij er

uit een politiek oogpunt een onheil in zag voor den Staat, als wat

betreft de ongelijkheid van zulk een paar, die niet anders dan tot

een zeer ongelukkig huwelijk zou kunnen leiden.

Daarom wilde Zabern alles doen om zulk een vereeniging te voorkomen,

en het scheen hem toe dat deze dag zijn plannen begunstigde.

"U komt op een ongewoon uur, heeren," begon de Prinses. "Waarschijnlijk

hebt ge dus belangrijke berichten?"

"Onze gezant te St. Petersburg," antwoordde de Premier, eenige papieren

uit zijn portefeuille nemend, "meldt dat enkele dagen geleden de Czaar

op een hofbal in het Winterpaleis naar hem toe kwam, en op strengen

toon--klaarblijkelijk opdat iedereen het hooren zou--uitriep:

"Is het waar, meneer, dat de Czernovische Regeering nog steeds niet

voldoende gezuiverd is van weerspannige elementen? Dat de Prinses

zelfs onbewimpeld te kennen durft geven, alleen uit eigen vrije

beweging een huwelijk te zullen aangaan?"

"Ik heb mij nooit openlijk in dien geest uitgelaten," merkte Elizabeth

op. "Waarschijnlijk was dit slechts een zijdelingsche poging om van

mijn gezindheid op de hoogte te komen. En wat antwoordde de gezant?"

"Natuurlijk, dat hij omtrent de persoonlijke gevoelens der Prinses

niet was ingelicht, en de vraag niet zonder nadere instructies uit

Slavowitz kon beantwoorden."

"Wat zei de Czaar hierop?"

"Dat hij een gezantschap zou afvaardigen, om de Prinses aan de

besluiten van het Petersburger Congres en alle daar uit voortgevloeide

nadere regelingen te herinneren."

"We zullen dat gezantschap gastvrij ontvangen," zei Elizabeth met

een glimlach.

"Uwe Hoogheid beschouwt de zaak wat luchtig," vervolgde

Radzivil. "Mijns inziens zal het nuttig zijn als men te St. Petersburg

ondubbelzinnig op de hoogte wordt gebracht van uw gevoelens. Bij uw

komst aan de regeering hebt ge de gedenkwaardige woorden gesproken,

dat het landsbelang boven uw persoonlijke neigingen zou gaan. Welnu,

het landsbelang eischt, wil Czernovië niet onverbiddelijk bij Rusland

ingelijfd worden, uw huwelijk met Prins Alexander, Hertog van Bora. Ik

geloof, dat u wel zoudt doen, in die noodzakelijkheid niet alleen te

berusten, maar van die berusting het gezantschap ten duidelijkste te

doen blijken."

"Het is de vraag of Czernovië's belang dit huwelijk eischt, Graaf

Radzivil," antwoordde de Prinses. "In elk geval ben ik niet van

plan het gezantschap, noch wie ook, op dit punt eenige beloften

te doen. Zeker, ik ben door de bestaande bepalingen gebonden, geen

huwelijk aan te gaan zonder toestemming van den Czaar..."

Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië · 第 11 / 27 段