Er was geen lange tijd tot nadenken of treuren. Want opeens bemerkte

men, dat het in den omtrek levendig begon te worden. In de verte

hoorde men dof tromgeroffel en geschetter van signaalhoorns, het

gestamp van talrijke regelmatige voetstappen kwam naderbij en aan

alle zijden zag men flambouwen het duister doorvlammen. Bij instinct

begrepen allen hier tegenover een vijandige beweging te staan. Reeds

grepen enkelen naar hun wapenen, maar Li hield hen terug.

"Kalmte--dat is op 't oogenblik het eenige noodige. Ons verweren tegen

overmacht kunnen we niet. Het is trouwens de vraag, waarom en of we

ons zouden moeten verweren. Ik weet in 't minst niet wat er gaande

is--een reden echter te meer om rustig af te wachten."

De voetstappen naderden snel; wapengekletter werd verneembaar. Nog

enkele minuten, en de zeven mannen waren door talrijke Turksche troepen

omringd; een officier sommeerde hen zonder verzet mee te gaan, en te

midden der soldaten werden allen naar Midia geleid.

Daar voerde men hen dadelijk voor een hooggeplaatst officier, die

vroeg of een der gevangenen Turksch verstond. Daar alle Czernoviërs,

door de veelvuldige aanraking met het naburige volk, die taal min

of meer machtig zijn, hadden allen behalve Rob die vraag kunnen

beantwoorden. Li trad echter snel naar voren en zei in het Turksch:

"Ik spreek die taal vrij goed. Mijn metgezel"--hij wees op Rob--"kent

geheel geen Turksch. Van de andere heeren zou ik het u niet kunnen

zeggen; ik zie hen heden avond voor het eerst."

"U bent allen Engelschen, niet waar?" vroeg de officier verder.

"Deze heer en ik zijn Hollanders," antwoordde Li. "Wij zijn enkele

uren geleden hier aangekomen, om de stad te zien. Die andere heeren

ken ik niet."

"Dus u gaat een stad zien, die op 't punt is gebombardeerd te

worden, en u bereist een land, waar binnen enkele uren een oorlog

zal losbarsten? Dat lijkt mij een vreemde onderneming."

"Wij reizen als dagbladcorrespondenten," antwoordde Li gevat,

"vandaar dat we het gevaar eer zoeken dan vermijden."

"Bent u in het bezit van papieren?"

Li gaf het gevraagde over, en beduidde Rob hetzelfde te doen.

De officier zag de stukken in, begreep er klaarblijkelijk niet veel

van, en vroeg nog:

"Hoe kwam u daar aan het strand?"

"We waren verdwaald, en door de duisternis overvallen."

De ondervrager gaf een wenk, en eenige soldaten voerden Li en Rob in

een zijvertrek, waar men hen ongeveer twee uren in het onzekere liet

omtrent hun lot. Daarna verscheen een officier, die hen in een gesloten

rijtuig naar een hoog, somber gebouw bracht, waar hun ieder een zeer

eenvoudig gemeubeld, hoewel zindelijk vertrek werd aangewezen. Op

hun vraag, wat men met hen en de andere gevangenen van plan was,

ontvingen ze geen antwoord. Tegen tien uur werden in elke cel een

matras, een kussen en twee dekens gebracht, benevens een stuk brood,

wat boter en een kop koffie. De soldaat die een en ander bracht,

vertelde dat zij morgenochtend wel nadere berichten zouden ontvangen,

liet een kaars achter en ging heen. Van binnen hoorde men hem de

zware grendels voor de deur schuiven.

Rob had op De Vogel geleerd zich wijsgeerig in zijn lot te schikken,

en hij deed dat ook nu. Wel had hij weinig gedroomd dat hij nog eenmaal

in Turksche gevangenschap zou komen, maar de behandeling was naar

omstandigheden niet onvriendelijk, het brood en de koffie smaakten

goed, en Rob was zoo moe, dat hij weldra in gerusten slaap viel.

Li kon zich minder gemakkelijk schikken. Ook hem verlieten zijn

gewone kalmte en zijn hoop op de toekomst niet, maar de vreeselijke

gebeurtenissen der laatste uren, het in de lucht vliegen van De Vogel

en zijn daarop gevolgde arrestatie stemden hem toch somber, en hij

begreep, dat op het oogenblik bijna alle hulpmiddelen om zijn doel

te bereiken, hem uit de handen waren geslagen, dat er hem slechts

éen ding was gebleven om op te blijven vertrouwen: eigen kracht. Vol

onrustige gedachten zocht hij zijn eenvoudig bed op.

Den volgenden morgen werd Li voor den zelfden officier gebracht,

die hem tevoren in verhoor had genomen, en die zich nu bekend

maakte als generaal Iradin Effendi, gouverneur der vesting Midia. Li

vernam nu met groote verbazing, dat op 1 Januari de oorlog tusschen

Engeland en Turkije was uitgebroken, de oorlog dien wij kennen als

den Dardanellen-Oorlog, omdat hij ontstond doordat Turkije, tegen

de bestaande verdragen in, aan Russische bewapende oorlogsschepen

toegestaan had de Dardanellen te passeeren. We weten ook, dat die

oorlog door de tusschenkomst van Rusland, welks belangen meebrachten,

dat Engeland geen invloed zou krijgen op het Balkan-schiereiland, vrij

spoedig werd gestuit; op dat oogenblik was die snelle afloop echter nog

niet te verwachten. Daar men berichten had ontvangen, dat Engelsche

oorlogsvaartuigen op de Zwarte-Zeekust bij Midia zouden trachten te

landen, was deze plaats in staat van beleg gebracht, en had men, onder

meer veiligheidsmaatregelen, eenige zware mijnen langs de kuststrook

aangelegd, die electrisch met de vesting waren verbonden, zoodat men

ze van daar uit kon doen ontploffen, zoodra de landingstroepen aan

wal zouden komen. Li begreep nu ook, dat De Vogel het ongeluk had

gehad op zulk een mijn terecht te komen; dadelijk daarop was een

electrische bel in het fort in beweging gekomen, en enkele minuten

daarna had men de ontploffing bewerkstelligd. Tegelijkertijd zag

Li in, dat, gaven de Hollandsche papieren Rob en hem groote kans om

hun vrijheid te herwinnen, de Engelsche passen, waarvan de anderen

door een ongelukkige speling van het toeval waren voorzien, hen

van den wal in den sloot zouden helpen. Ontkenden ze Engelschen

te zijn, dan zou men hun eigenlijke nationaliteit willen weten;

hielden ze vol inderdaad Britsche onderdanen te zijn, dan zouden

ze onder vermoeden van vijandelijke bedoelingen worden gevangen

gehouden. Alles in aanmerking nemende, begreep Li dat het laatste,

hoe hard ook voor de slachtoffers, toch nog het beste zou zijn. Rob

en hij zouden misschien ongehinderd Czernovië kunnen binnendringen,

om dan te overwegen in hoever ze hun plan konden doorzetten; kwamen

ze echter allen gezamenlijk in hun land terug, dan zou de kans op

herkenning sterk vergroot worden, en daarmee die op mislukking.

De generaal deelde Li mede, dat hij diens papieren had onderzocht,

en door een tolk doen vertalen, en dat ze hem voorkwamen in orde

te zijn. Li moest echter nog een aantal vragen beantwoorden,

zijn aanwezigheid op het strand nader verklaren en een berisping

aanhooren over zijn onvoorzichtigheid. Daarna werd hij naar zijn cel

teruggebracht, en onderging Rob een gelijkluidend verhoor. Daar Li

den vorigen avond met hen besproken had wat zij zouden antwoorden,

kon de gouverneur over het resultaat tevreden zijn.

Nog drie weken brachten de beide vrienden in hun gevangenschap door;

in dien tijd werden ze nog eenige malen verhoord, en ten slotte

vernamen ze, dat door voorspraak van den Nederlandschen Consul in

Konstantinopel hun invrijheidstelling was bewerkt.

En zoo stonden Rob en Li in 't laatst van Januari als vrije mannen op

de stoep van het grijze gebouw, dat hen zoo lang tegen hun wil had

geherbergd, en lag de toekomst weer voor hen open. Vóor hun vertrek

vernamen ze nog, dat de Engelschen, die men tegelijk met hen gevangen

had genomen, van spionnage verdacht werden, en voorloopig wel in

krijgsgevangenschap zouden blijven.

"Ziezoo," zei Li, die in zijn cel genoeg gelegenheid had gehad om te

overdenken wat hem te doen stond, "nu naar Slavowitz!"

TWAALFDE HOOFDSTUK.

ROB MAAKT KENNIS MET DEN HERTOG VAN BORA.

In het Hotel Czernovië.--Van Stralen ontmoet zijn broer.--Daar

komt de Prinses!--Een ontmoeting met den aanstaanden

Prins-Gemaal.--Esse quam videri.--Van Stralen doet een duel

op.--De tooneelspelen van Aeschylus.--Van avond om zes uur.

In de eerste dagen van Februari zaten Rob en Li op de veranda van

het Hotel Czernovië, het voornaamste in Slavowitz, de schilderachtige

hoofdstad van de voormalige Oranje-Republiek. Zij waren overeengekomen,

te reizen als gefortuneerde toeristen, die de vele merkwaardigheden

der hoofdstad kwamen bezien, en zich overigens van de menschen en

dingen om hen heen weinig aantrokken.

Een marmeren tafeltje stond tusschen hen in, en daar ze nu ter

wille van den uiterlijken schijn afstand moesten doen van hun

sobere Vogelgewoonten, zal het den lezer niet verwonderen, dat op het

tafeltje een flesch chartreuse en een kistje sigaren prijkten, alsmede

twee koppen voortreffelijke koffie, waarvan ze na een uitstekenden

maaltijd--men dineerde in Czernovië algemeen om 1 uur--met welbehagen

genoten. Beneden hen stroomde het vroolijke Czernovische leven

voorbij, en als luie, voor hun genoegen bestaande toeristen keken ze

langs den roezemoezigen boulevard. Toch waren hun gesprekken niet

zoo onbezorgd als hun voorkomen zou doen veronderstellen. Telkens

vormden de achtergelaten vrienden het onderwerp ervan, en als zij

zich vergeefs hadden bezonnen op een middel om hen te bevrijden, was

de overtuiging des te treuriger, dat het in veel opzichten misschien

beter was wanneer ze voorloopig gevangen bleven. Een ander ding, dat

vooral Rob bezig hield, was de vrees, dat men zich nu in Amsterdam,

zonder berichten, zeer ongerust over hen zou maken.

Het was twee uur.

De veranda van het hotel was behalve door onze beide vrienden nog

slechts door een enkel heer bezet, die met den arm op de balustrade

geleund en den rug naar Li en Rob toegekeerd, in gedachten verzonken

een cigaret zat te rooken. Terwijl Li met Rob zat te praten, had

hij het oog niet van dien heer afgewend; toen deze het hoofd een

oogenblik meer naar hun kant draaide, brak Li opeens het gesprek af,

en wenkte een kelner, wien hij vroeg:

"Wie is die heer!"

"Dat is de kapitein der artillerie Van Stralen, Particulier Secretaris

van Prinses Elizabeth."

"Zoo," zei Li onverschillig. "Dank je wel. Ik heb dien heer meer

ontmoet, geloof ik. Daarom vroeg ik het."

Een oogenblik daarna stond Li op, en ging op den heer af. Rob zag

met verbazing toe, en begreep heelemaal niet hoe hij het had, toen

hij Li de beide handen op de schouders van den ander zag leggen,

blijkbaar om hem te verhinderen op te staan.

Daarna hoorde hij Li zeggen:

"Blijf zitten. Toon vooral geen verbazing."

Toen de aangesprokene, blijkbaar verrast, een beweging maakte om op

te springen, hield Li hem tegen, en zei rustig:

"Kom bij ons zitten."

De Secretaris stond nu op en voegde zich bij Rob en Li. Toen sprak Li:

"Rob--ik stel je mijn broer voor. Hij wist niet dat ik nog leefde--ik

wist niet dat hij tegenwoordig zulk een hooge betrekking bekleedde."

Ofschoon Li's broer klaarblijkelijk een even koelbloedig man was als

Li zelf, kon hij eerst geen woorden vinden om zijn verbazing te uiten

en was hij door aandoening geheel van streek. Eindelijk zei hij:

"Het is onbegrijpelijk. Als ik je stem niet duidelijk herkende, zou

ik het niet gelooven. Hoe kom je zoo veranderd? Je haar is zwart,

je kleur zoo donker... En waarom leef je eigenlijk nog?"

Nu moest Li hartelijk lachen. Hij antwoordde:

"De hoofdzaak is, _dat_ ik leef. Laten we voorloopig daarmee tevreden

zijn. Ik leg je later alles uit. Ik herkende je dadelijk, en toen ik

hoorde dat je Secretaris van Prinses Elizabeth was, vond ik daarin

een reden om mijn incognito voor deze eerste en laatste maal op te

heffen. Je kunt me onschatbare diensten bewijzen. Maar laten we

beginnen met naar mijn kamer te gaan, daar kunnen we rustiger en

veiliger spreken."

Ze gingen nu met hun drieën naar binnen, en weldra werd er over en

weer over het gebeurde van den laatsten tijd druk gepraat. Li vertelde

in groote trekken zijn lotgevallen, en zijn broer beloofde natuurlijk

in alle opzichten de stiptste geheimhouding.

Toen de eerste vreugde van het ongedachte en onverwachte weerzien

voorbij was, begon men wederzijds te vragen en te antwoorden in

verband met Li's plannen, en de hulp die hij daarbij van zijn broer

Paul meende te kunnen hebben.

Paul vertelde, dat men in geheel Czernovië van den dood der zeven

mannen overtuigd was, te meer daar het geheele eiland Riva immers

met al wat er op was, in de golven was verdwenen. En Li zei:

"Ik had je dadelijk herkend, maar was eerst niet van plan je aan

te spreken. Toen de kelner me echter vertelde, dat je Particuliere

Secretaris van Elizabeth was geworden, begreep ik van die omstandigheid

te kunnen partij trekken. Vertel eens, waarom sprak die man van

"Prinses" Elizabeth?"

"Wel, sedert een maand heeft de Czaar bij wijze van vorstelijke

beleefdheid aan Elizabeth den titel van Prinses gegeven; je weet

dat de Russen daarmee nog al vrijgevig zijn--van welk denkbeeldig

Russisch bezit ze Prinses is, weet ze geloof ik zelf niet goed. Maar

de bedoeling van het cadeau is duidelijk genoeg. Als Elizabeth

Prinses genoemd kan worden, is het voor den Czaar gemakkelijker

Hertog Alexander aan haar uit te huwelijken, en dat is dan toch

ten slotte de bedoeling. We worden trouwens langzaam maar zeker

gerussificeerd. Allerlei veranderingen in den regeeringsvorm hebben we

ons moeten laten welgevallen, en ik weet niet hoe dit eindigen moet."

"Is er niets van verzet te merken? Geloof je niet dat er geheime

plannen gevormd worden om een omwenteling te weeg te brengen?"

Paul haalde de schouders op.

"Wat willen wij tegen het machtige Rusland beginnen? Elk verzet is

in beginsel een dwaasheid. Het volk protesteert met waardigheid;

het begroet elke nieuwe Russische hervorming met rouwbetoon. Maar

wat geeft dat? We zullen wel moeten berusten."

Li zweeg eenige oogenblikken en zag voor zich uit.

"Elizabeth gelooft natuurlijk ook aan mijn dood?" vroeg hij toen,

echter zoo rustig, dat Rob er verwonderd van opzag. Het leek wel

alsof er een diepere bedoeling achter lag, hetgeen trouwens ook,

naar hij later zien zou, het geval was.

"Natuurlijk. Ze heeft er vreeselijk onder geleden, maar haar groote

geestkracht stelde haar in staat haar verdriet te beheerschen en zich

met alle toewijding aan het welzijn van den Staat te geven. Ik ben

de eenige met wien ze over je spreekt."

"Denk je, dat ze dien Hertog van Bora trouwen zal?"

"Ze roert dat onderwerp wijselijk zelden aan," zei Paul ontwijkend;

"ze wil, en kan trouwens ook niet, de eerste zijn die dat ter sprake

brengt. Maar het zou me verwonderen als men haar daartoe brengen kon."

Op dit oogenblik hoorde men beneden in de straat een verward gegons

van stemmen. Paul was naar het venster gegaan en zei:

"Daar komt de Prinses!"

Li voelde zijn hart kloppen alsof het wilde bersten, toen hij de oogen

naar den naderenden stoet wendde. Het juichen der langs de boulevards

geschaarde menschenmenigte kwam nader en nader.

Een detachement ulanen opende den stoet, hun lansen glinsterden in

den zonneschijn, aan de punten fladderden groene vaantjes. Daarna

volgde de Prinses in een open landauer. Nog een oogenblik en het

rijtuig bereikte het hotel, en alsof het geluk Li gunstig was, kwam

het juist tegenover het balcon waarop hij stond, tot stilstand.

De equipage zag er zeer sierlijk uit, met blauwe zijde bekleed, en het

Czernovische wapen in goud op de portieren. De mooie zwarte paarden,

wier huid als satijn glom, hadden lichtbruin met zilver beslagen tuig.

Maar Li zag niets van dat alles, zijn oogen waren op haar gericht,

die in het rijtuig zat.

Ja, zij die daar met vriendelijken glimlach en hoffelijke buiging

het juichende volk dankend groette--die jonge en schoone vrouw was

Elizabeth! Voor een oogenblik werd alles, de straat, de huizen,

de menschen, tot een verward visioen; het gonsde in zijn ooren als

het stroomen van een geweldige rivier. Met inspanning bedwong hij

zijn eerste opwelling om het hotel uit te snellen, en haar tegemoet;

hij trad iets terug en verborg zich achter eenige aloë-planten, opdat

hij kon blijven zien zonder opgemerkt te worden. Het was verbazend,

neen het was een verrukking voor hem, te zien met welk een waardigheid

en een gemak Elizabeth haar nieuwen staat wist te dragen.

De landauer van de Prinses had stilgestaan, omdat zij twee voetgangers

wenschte aan te spreken, die, te oordeelen naar den eerbied, hun door

de menigte bewezen, personen van aanzien in Czernovië waren.

De eerste was een bejaard, zilverharig man van een statig voorkomen,

en die zich onderscheidde door een ouderwetsche hoffelijkheid.

"Graaf Radzivil," antwoordde Paul op Li's vraag, "de Eerste-Minister

van Czernovië."

De ander was iemand van breeden, stevigen lichaamsbouw, met een

donkergetint, niet onknap gelaat, zwarte oogen en een zwarten

puntbaard. De zonnestralen speelden met den zilveren adelaar op zijn

helm; zijn prachtige uniform glinsterde van goud galon, sterren en

orden. Hij liep rechtop, met de linkerhand op het gevest van zijn

sabel, en het was duidelijk dat hij zoowel in eigen oogen als in die

van zijn omgeving, een zeer gewichtig personage was.

"Wie is dat?" vroeg Li.

"Alexander, Hertog van Bora, commandant van het Czernovische leger,

lid van het kabinet, neef van den Czaar en vermoedelijk troonopvolger."

"Dat is dus de man, die zijn intocht deed, toen ik met De Vogel

vertrok, het plan vormend hem in mijn macht te krijgen," zei Li; en na

een oogenblik voegde hij er bitter aan toe: "zooals de zaken nu staan,

zal ik duchtig moeten oppassen dat het omgekeerde niet plaats heeft."

Hij zag nu hoe Elizabeth zich in haar rijtuig vooroverboog, vroolijk

lachend, en klaarblijkelijk in druk gesprek met den Prins. Hij

kreeg zelfs den indruk dat ze alles in het werk stelde om hem te

behagen. Onwillekeurig vormde hij zich een oordeel over den Prins:

iemand met een niet al te vlug verstand, maar eerzuchtig; een ruw,

door de uiterlijke voorschriften der etiquette slechts met moeite

in bedwang gehouden karakter. Wat kon Elizabeth in dien man zien,

dat haar belangstelling inboezemde?

"De Prins schijnt op zeer goeden voet met Elizabeth," merkte hij op.

"Natuurlijk--zijn aanstaande vrouw," sprak Paul met een zucht.

Li antwoordde niet. Hij zag hoe de Prinses, die haar gesprek geëindigd

had, den rechterhandschoen uittrok, en de blanke bejuweelde hand

den Hertog toestak, met een glimlach en een sierlijkheid van gebaar,

die den verborgen toeschouwer door de ziel sneden.

"Ze heeft me vergeten," sprak hij bij zichzelf. "En dat is eigenlijk

wel te begrijpen--ze moet wel denken dat ik niet meer terug kom...."

Bora bracht Elizabeth's hand aan de lippen, en Graaf Radzivil nam

den hoed af. Toen gleed het rijtuig weer voort langs den boulevard,

gevolgd door een detachement ulanen in dezelfde uniform als zij die

er aan voorafgegaan waren.

Toen het rijtuig uit het gezicht verdwenen was, zei Paul:

"Ik moet tot mijn spijt weg. De Prinses heeft 's middags na

den maaltijd mijn diensten noodig. Het kan ook zijn, dat mijn

tegenwoordigheid slechts kort of in 't geheel niet vereischt wordt--in

dat geval kom ik dadelijk terug."

Rob en Li--of laten we hem nu liever weer bij zijn eigenlijken naam

noemen--Rob en de ingenieur Van Stralen begaven zich na Paul's vertrek

weer naar de veranda, de eerste zonder eenigszins te beseffen hoe

deze verwikkelingen zich ontwarren zouden, de ander vol vertrouwen

op de toekomst en bezield met den vasten wil tot slagen, maar op

het oogenblik toch zonder een juist en duidelijk overzicht van de

komende dingen.

Van Stralen sprak geen woord, en leunde over de balustrade, zonder

te zien keek hij peinzend langs den boulevard. Rob, hem niet willende

storen, zweeg eveneens.

Ze hadden eenige oogenblikken zoo gezeten, en Rob was juist van

plan zijn reisgenoot een wandeling door de stad voor te stellen,

toen hij naast zich het gekletter van een sabel en het rinkelen van

gespoorde voeten hoorde, terwijl een ruw verschoven stoel onzacht zijn

arm raakte. Hij keek op, en zag twee heeren, die hij onmiddellijk

als den Hertog van Bora en Graaf Radzivil herkende. Reeds had de

antipathie, die Van Stralen voor den Hertog voelde, zich ook aan

hem zoo meegedeeld, dat hij een oogenblik de drift in zich voelde

opbruisen over de onbeleefde wijze waarop die man hem, zonder eenig

woord van verontschuldiging, letterlijk op zij drong om gemakkelijker

te kunnen zitten. Ook de toon, waarop hij den toeschietenden kelner

wijn bestelde, en hem daarna afsnauwde, omdat de man hem niet dadelijk

begreep, klonk Rob zeer afstootend in de ooren. Toen de Hertog

dan ook, een oogenblik daarna, ongedurig weer opstond, en, naar een

gemakkelijker zetel omziend, zonder veel complimenten den stoel greep,

waarop Van Stralen en Rob hun hoeden hadden uit de hand gelegd, sprong

ook Rob op, nam den Hertog snel den stoel weer uit de hand, en legde

de op den grond gevallen hoofddeksels weer op hun vorige plaats.

De Hertog, gewoon te doen en te laten wat hij wilde, stond een

oogenblik verstomd. Zijn oogen glinsterden van toorn, hij sloeg

onwillekeurig de hand aan het gevest van zijn zwaard, en bulderde:

"Hoe durft u, meneer! Weet u niet wie ik ben?"

Daar deze woorden in het Russisch werden uitgesproken, dat Rob niet

verstond, gaf deze geen onmiddellijk antwoord; Van Stralen, uit

zijn droomerij ontwaakt, had zich intusschen tot den Hertog gewend,

en zei in het Hollandsch:

"Wij weten zeer goed, wie u is, meneer. Daarom verbaast uw

onbeleefdheid ons des te minder."

De zwarte oogen van den Hertog flikkerden woest; hij had gedurende

zijn verblijf in Czernovië de landstaal te goed geleerd, om te kunnen

veinzen dat hij Van Stralen's woorden niet verstond. Zijn gezicht

werd dreigend en donker van uitdrukking, en hij riep uit:

"Bent u gek of dronken? Is het al niet erg genoeg dat u niet opstond

en mij niet groette toen ik binnenkwam, zooals elk Czernoviër gewoon

is? Wees zoo goed, Graaf Radzivil, de namen dezer heeren te noteeren;

ze zullen hun onbeleefdheid boeten."

Graaf Radzivil fluisterde den Hertog iets toe, waarop deze eenigszins

scheen te kalmeeren; daarna naderde hij Van Stralen met een hoffelijke

buiging en stelde zich voor:

"Graaf Radzivil, Premier van Czernovië. Mag ik weten, met wien...."

"Ik ben Hollander, mijn naam is Van Heelstra," antwoordde Van

Stralen, opzettelijk Rob buiten de kwestie houdend. "Mag ik vragen

wie deze--eh--heer is?"

De Hertog zag nu, dat hij met vreemdelingen te doen had, en dus wijzer

deed geen twist met hen te beginnen. Hij antwoordde kort:

"Ik ben de Hertog van Bora, commandant van het Czernovische leger. Ik

had u voor Czernoviërs aangezien."

Met die woorden draaide hij zich om, meenend nu voldoende excuses

gemaakt te hebben, en Van Stralen zou er zich op hebben kunnen

verheffen, dat hij de eenige man was, aan wien ooit de Hertog op zijn

manier verontschuldigingen had aangeboden.

Graaf Radzivil echter, wiens hoffelijke aard niet gedoogde, dat een

vreemdeling zou heengaan met een onaangename herinnering aan Czernovië

en zijn hooggeplaatste inwoners, vond het noodig Van Stralen nog

eenige vriendelijkheden te zeggen.

"U zult als Hollander zeker veel zien in deze stad, waardoor u aan

uw eigen land wordt herinnerd?"

"Zeker," antwoordde de ingenieur. "Maar helaas ook veel, wat mij den

Russischen invloed in herinnering brengt."

De Prins had zich bij deze woorden wrevelig afgewend, en deed alsof

hij aan het verdere gesprek geen aandacht schonk.

"Een gesprek daarover," zei graaf Radzivil glimlachend, "zou ons op

het gevaarlijk terrein der politiek brengen. Zeker is, dat Czernovië

de laatste jaren veel van haar oorspronkelijk karakter verloren

heeft. Men leert zich in het onvermijdelijke schikken."

"Ook de Prinses?" vroeg Van Stralen scherp.

"De persoonlijke gevoelens der Prinses heb ik niet de eer te kennen,"

antwoordde Radzivil diplomatiek. "Wel staat vast, dat zij--zelf van

Hollandschen oorsprong--haar genegenheid voor den Hollandschen stam

niet verbergt. Meerdere personen uit haar omgeving zijn afstammelingen

van Hollandsche geslachten; ik zelf ben het van de zijde mijner

moeder; de Particuliere Secretaris der Prinses, de heer Van Stralen,

is volbloed Hollander. Waarschijnlijk hebt u, zonder het te weten,

dien heer dezen middag hier ontmoet; hij gebruikt geregeld zijn diner

in dit hotel."

"Ik had zelfs het genoegen door een toeval met hem kennis te maken,"

zei Van Stralen.

"Wel, dat is zeker toevallig," vervolgde de Graaf, en, zich tot den

Hertog wendend, sprak hij:

Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië · 第 10 / 27 段