en een ontsnapping zeer onwaarschijnlijk maakten; daarna vestigde ik
mijn blikken op het eigenaardige kleine personage, dat daar tegenover
me aan den ingang van het hol zat, dat hem tot woonplaats diende.
"Quebranta zat in den zonneschijn, kouwelijk gehuld in een
wijden, geplooiden mantel, en met een breeden hoed diep over de
oogen gedrukt. Hij rookte een sigaret, en nooit zag ik zoo iets
roofdierachtigs als de hand, die als een lange, gele klauw die
sigaret vasthield.
"Misschien," vervolgde hij, "wilt u zoo goed zijn mij eenig begrip
van uw werkkring, uw maatschappelijke positie te geven, opdat ik het
bedrag van het losgeld met eenige juistheid bepalen kan."
"Ik werd getroffen door den hoffelijken toon, waarop deze roover sprak,
en antwoordde, dat mijn beroep luchtreiziger was, een vak dat niet
veel inbracht.
"Zoo," zei Quebranta langzaam. "En waar is uw ballon?"
"Men heeft hem hedenmorgen bij mijn gevangenname vernietigd."
"Maar dat kleine ding--men bracht me de overblijfselen zoo even--wilt
u toch geen ballon noemen?"
"Het is een moderne uitvinding, die werkt, of liever werkte, door
electriciteit."
"Dat intresseerde den roover, en ik moest hem 't een en ander van de
werking uitleggen.
"Hebt ge hier in de buurt menschen wonen die een losgeld voor u
betalen willen?"
"Bij Bengasi bevinden zich vrienden van me, eveneens met een
ballon. Die zullen wel geneigd zijn me vrij te koopen."
"Bij Bengasi," zei Quebranta peinzend, alsof hij er over dacht of
ook dat gezelschap niet ingepikt kon worden.
"Ik liet hem merken, dat ik zijn gedachten raadde, en zei:
"Ze zijn zwaar gewapend en van de nieuwste verdelgingsmiddelen
voorzien; er zou dus voor u niets dan nadeel in gelegen zijn ze aan
te vallen."
"Hij antwoordde kort:
"U schijnt niet te weten hoe ver mijn macht reikt."
"Na even gezwegen te hebben vervolgde hij:
"In elk geval zal ik zorgen, dat ze uw verblijf hier voorloopig niet
te weten komen. Zoodra ik het oogenblik gekomen acht, zal er een man
naar hen toe gaan om het losgeld op te eischen. Trachten ze de betaling
te ontwijken of u met geweld te bevrijden, dan laat ik u onmiddellijk
neerschieten. Dat moet u ze zelf in een briefje schrijven--dan hebben
zij, u en ik de beste waarborgen."
"Quebranta liet me nu tot den avond alleen. Toen kwam hij weer bij
me zitten en zei:
"Ik ben op éen ding trotsch, señor, en dat is, dat ik nooit verandering
breng in wat ik eenmaal bepaald heb. Ik wilde nu namelijk het bedrag
van uw losgeld vaststellen."
"Dat is goed," zei ik kalm.
"Die kalmte scheen hem belangstelling in te boezemen. Hij keek me aan,
of hij zeggen wilde: "je intresseert me." Maar ik voelde, dat ik hem
intresseerde evenals een kikvorsch het een vivisector doet.
"Zullen we dan maar zeventienduizend peseta's zeggen?" vroeg hij. "Die
som heb ik juist noodig."
"U hebt het gezegd," antwoordde ik, "en er zal dus weinig aan
te veranderen zijn. Maar ik betwijfel zeer of u die som krijgen
zal. Zeventienduizend peseta's--dat is ongeveer tienduizend
gulden. Zooveel geld is er gewoonlijk niet aan boord van 'n
luchtballon. Ik denk dat u niet veel meer dan vijf- of zesduizend
zult krijgen."
"Op deze manier probeerde ik met hem te onderhandelen, en wat
afgedongen te krijgen. Maar daar was geen sprake van.
"Ik hoop voor u," zei Quebranta, "dat de heele som bijeen wordt
gebracht, want een teleurstelling in mijn verwachtingen leidt altijd
tot zeer onaangename gevolgen. Zeer onaangenaam."
"Hij schudde het hoofd en ging heen.
"Den volgenden morgen dicteerde hij me het briefje, dat jullie aan
den palmboom hebt gevonden. Hij nam het in ontvangst, maar scheen nog
niet van plan het af te zenden, want hij hield me nog een paar dagen
bij zich zonder dat ik iets van jullie antwoord vernam. Misschien
wilde hij eerst nog eens zien of er niet meer van me te halen zou zijn.
"Die dagen waren onaangenaam en spannend. Ik had wel veel hoop, dat ik
door jullie losgeld gered zou worden, maar de kans kon ook verkeeren;
onder roovers heerschen andere begrippen van eer en eerlijkheid dan
bij ons. En zoo zat ik naar de toppen der pijnboomen te kijken, die
wuifden in den wind, en wenschte tevergeefs dat ik iets anders doen
kon dan zitten en wachten!
"Het is een hard ding om te moeten bedenken, dat je misschien over
enkele dagen opgehouden hebt te bestaan, terwijl je hersens nog zoo
goed werken, en er in je hoofd nog zooveel onuitgewerkte plannen voor
de toekomst liggen. Ik snakte er naar den kleinen rooverhoofdman een
poets te spelen, want ik wist dat het niet weinig beteekenen zou zoo
iets te doen.
"Des avonds kwam hij weer bij me, en zei:
"Nu beschouw ik u als gast, en u mag om alles vragen wat u
wenscht--behalve om uw vrijheid natuurlijk. Ik zal mijn best doen een
goed gastheer te zijn en u bij uw vertrek de beste herinneringen aan
uw verblijf in ons midden te doen meenemen. Ik heb dus uw woord dat
ge niet ontsnappen zult?"
"Ik aarzelde. Het viel me moeielijk mijn woord te geven aan een
roover. Maar ten slotte zei ik:
"Ja."
"Wanneer we bij elkaar zaten te praten, was het eigenaardig te zien,
hoe die kleine, kouwelijke, bij het vuur zittende toehoorder belang
stelde in de nieuwste berichten uit de beschaafde wereld. Sedert jaren
was hij daarmee niet in aanraking geweest, sedert jaren zag hij in zijn
eigen klein gebied de wereld. Met zijn geheele aandacht luisterde hij
toe, als ik hem van den vooruitgang der wetenschap vertelde, en hij
stond verbaasd over het toenemend gebruik der electrische stroomingen.
"Een echte Spanjaard is die Quebranta, en een Spanjaard met al de
eigenschappen van zijn ras in zich, maar tot uitersten gedreven. Angst
kent hij niet, trotsch is hij boven mate, in hoffelijkheid overtreft
niemand hem, en wreed is hij--ongeloofelijk.
"Op een middag liet hij twee van zijn volgelingen, die de orde
verstoord hadden, eenvoudig afmaken en voor de gieren werpen. Dit
vond ik afschuwelijk, en het leek me of ik achter zijn roofvogelachtig
voorkomen den waanzin zag gluren. Maar hij zei kalm:
"Dit is onvermijdelijk. Ik _moet_ gehoorzaamd worden. Deze troep
volgelingen zijn niet anders dan wolven, ik moet ze met de zweep
regeeren. Bovendien zijn er altijd liefhebbers genoeg om me te
volgen. Ik kan er dus best een paar missen."
"Maar dat zal daarmee eindigen, dat ze zich op een goeden dag tegen
u keeren," waagde ik op te merken.
"Daarop heb ik gerekend. Neen--als ik sterf, zal 't met mijn vrijen
wil en op mijn eigen manier zijn."
"Hij zweeg eenige oogenblikken, en ik begon werkelijk met alle kracht
die in me was, te snakken naar het oogenblik waarop de losprijs komen
zou. In de nabijheid van zoo'n man werd het me te angstig.
"Quebranta was opgestaan, en had een guitaar te voorschijn gehaald.
"Wat is ons leven eigenlijk ook waard," zei hij, de snaren beroerend,
"dat we er zooveel om geven zouden? Ik leef hier, gevreesd en
gehoorzaamd zooveel ik maar wil. Soms heb ik het voorrecht een
welopgevoed man tot gezelschap te hebben, zooals nu. Maar soms ook
krijg ik er genoeg van, en dwaal ik rusteloos in de bergen rond. Muziek
is het eenige dat me niet verveelt."
"Hij speelde nu eenige melancolieke Andalusische liedjes, en zong
zelfs met bevende stem oude Spaansche melodieën van lang vergeten
menschen en daden.
"Zoo gingen enkele dagen voorbij, totdat er op een avond iets
bizonders gebeurde.
"Alleen door mijn woord gebonden, wandelde ik door de rotsen, toen
ik op een gegeven oogenblik van uit het struikgewas mijn naam hoorde
noemen. Natuurlijk was dit de een of andere verborgen schildwacht,
maar 't verwonderde me, dat deze nog een paar maal, op een zachten,
geheimzinnigen toon mijn naam noemde.
"Wat is er?" vroeg ik.
"Wat ik u zeggen wil, moet tusschen ons beiden blijven. U kunt ons
helpen, en wij u. Blijf staan waar ge staat. Als u belooft ons te
helpen, zal ik u mijn gezicht laten zien."
"Ik beloof niets."
"Omdat ge niet weet wat ik zeggen wil. Quebranta wil u al uw geld
ontnemen, niet waar?"
"Ja."
"En u zou het liever willen behouden, evenals wij, is het niet zoo?"
"Dat kan wel."
"Doe 't dan. 't Kost maar weinig moeite. U zult me niet verraden?"
"Dat kan ik niet, want ik weet niet wie u bent."
"Maar ge zult het niet doen?"
"Neen."
"Neem dit dan."
"Ik stak de hand in het gebladerte, en voelde me een revolver in de
hand drukken.
"Je wilt dus dat ik hem vermoord?"
Er volgde een onderdrukt gelach, en daarna zei de stem:
"Natuurlijk. Je hebt er de gelegenheid voor. Dan zijn we allen vrij,
want we haten hem."
"Toen verdween de spreker.
"De verzoeking was sterk. Door éen schot kon ik mijzelf en velen
anderen een dienst bewijzen. Ik stak de revolver in mijn zak en
ging naar het hol. Quebranta zat met zijn rug naar mij toe bij het
vuur te schrijven. Hoe gemakkelijk zou het nu zijn, den trekker over
te halen...
"Quebranta had me hooren aankomen, en wendde zich om. Hij keek me
scherp aan, als vermoedde hij dat er iets bizonders in me omging.
"Toen zei hij:
"Er is een belangrijk bericht voor u."
"Wat dan?"
"Het losgeld."
"En---?"
Hij haalde de schouders op.
"Negenduizend gulden," zei hij. "Ik heb tienduizend gevraagd."
Op dit oogenblik viel Li den spreker in de rede:
"Maar we hebben toch de volle som meegegeven."
"Dat weet ik," vervolgde Nof. "Hij noemde opzettelijk duizend gulden
te weinig. Straks zult ge begrijpen waarom."
"En dus?" vroeg ik.
"En dus," zei Quebranto, "ben ik bereid mijn belofte te houden. Dat
wil zeggen: voor negen tienden."
"Hoe bedoelt ge dat?"
"Wel--men heeft slechts negen tienden van het losgeld betaald. Ik
zal u dus morgen, vóor de zon opgaat, voor negen tienden in vrijheid
stellen."
"Ik begreep hem nog niet recht.
"Moet ik daar dankbaar voor zijn?" vroeg ik.
"Wel--u hebt me aangenaam bezig gehouden. U intresseert me. Ik zal u
daarom de vrijheid laten zelf te kiezen welk tiende gedeelte van uw
lichaam ge achterlaten wilt als herinnering aan uw bezoek."
"Quebranto maakte een buiging, en vervolgde:
"Het doet me oprecht leed, dat het hiertoe gekomen is. Maar ik zie
geen anderen uitweg. U kunt wel wat missen, u bent zwaar gebouwd. Ik
raad u dus sterk aan, een uwer ledematen achter te laten. Men kan
ook zonder een voet of een hand leven."
"Een koude rilling ging door mijn lichaam. Dit was verschrikkelijk.
"Opnieuw kwam de verzoeking over me, van mijn wapen gebruik te maken,
dat zoo te rechter tijd mijn pistool was komen vervangen, dat men me,
evenals mijn overige uitrusting, had afgenomen. Een geladen revolver
was onder mijn hand, waarom zou ik niet elk gewetensbezwaar op zij
zetten tegenover het ongehoord wreede gedrag van dien man?
"Maar ik had mijn woord gegeven, en ik voelde nu opnieuw hoe ons
eergevoel dikwijls een lastige bezitting blijkt te zijn.
"In elk ander geval had ik misschien geen bezwaar gehad zulk een
tegenstander neer te schieten, ja, ik zou blij zijn geweest er een
verontschuldiging voor te hebben.
"Maar in dit bizondere geval aarzelde ik.
"Nog een uur--en ik zou aan zijn helpers overgegeven worden, om voor
mijn leven verminkt te worden, en als ze wisten dat ik van het mij
gegeven middel om hen te bevrijden geen gebruik gemaakt had, zou dat
er zeker niet toe bijdragen om hun wijze van behandeling te verzachten.
"Quebranto zat naar me te kijken met knippende oogen. Hij scheen met
genoegen te constateeren dat mijn onverschilligheid geweken was.
"En dat was zoo.
"Toen de bandiet nogmaals zei:
"Werkelijk, ik zou u raden een voet of een hand als souvenir achter
te laten," toen verliet mijn kalmte me, en ik riep: "Lage, gemeene
roover! Schooier!"
"Quebranto sprong op en greep naar zijn mes, terwijl hij me strak
aankeek.
"Weet je, wat me alleen spijt?" ging ik woedend voort, "dat ik je
gepermitteerd heb zoo gemoedelijk met me om te gaan. Als ik geweten
had wat 'n bandiet je was, had ik nooit een woord met je gepraat. Nu
weet je wat ik van je denk, en ik verzeker je, dat ik graag de prijs
betalen zal, die ik weet dat je voor deze woorden vragen zult!"
"Het was uiterst onvoorzichtig van me, zoo te spreken, want het stond
gelijk met het onderteekenen van mijn doodvonnis. Maar ik was mezelf
niet meer meester.
"Quebranto's gezicht was geel geworden. Zijn lichaam schokte. Elk
woord had doel getroffen. Zijn bloedelooze oogleden knipten.
"Señor, u hebt tegen me gesproken, zooals niemand te voren ooit
heeft durven doen," zei hij. "Ik heb mijn woord gegeven, en u zult
uw vrijheid hebben. Maar bedenk, dat ik recht heb op het tiende deel
van uw lichaam. En ik verzeker u, _dat ik niet één tiende, maar
tien honderdste deelen zal nemen_! Als ge vertrekt, zal niemand u
meer herkennen!"
"Het waren afschuwelijke woorden, deze laatsten. Maar ik was zoo
woedend, dat ze geen indruk op me maakten.
"Jij lafaard!" zei ik, "beul! Je mag alles doen wat je wilt, als ik
je afschuwelijke gezicht maar niet hoef te zien."
"En ik keerde me om en keek naar buiten. Maar mijn mond was droog,
het zweet stond op mijn voorhoofd. Daar beneden brandden de vuren,
daar wachtte men op me, wachtte op het bevrijdend schot dat ik niet
wilde, niet kon afvuren.
"Na eenige oogenblikken zei Quebranta:
"U hebt een geladen revolver in uw zak. Waarom gebruikt u die niet?"
"Ik gaf geen antwoord, hoewel verwonderd dat hij dit wist.
"Bent u niet bang voor wat er gebeuren zal?"
"Ik antwoordde ook nu niet. Ik voerde een inwendigen strijd met mezelf.
"Waarom schiet u me niet neer, señor?" vroeg hij weer.
Ik wendde me om en stak hem de revolver toe.
"U weet wel dat ik u niet neerschieten kan," zei ik ernstig.
"Quebranta nam het wapen niet aan, maar vroeg:
"Omdat u je woord gegeven had?"
"Natuurlijk," antwoordde ik.
"Het was even stil. Toen vroeg ik:
"Hoe wist u dat ik een revolver had?"
"Ik gelastte dien man ze u te geven. Ik wilde zien of ik u karakter
goed beoordeeld had. Maar het spijt u toch dat u me niet dood kon
schieten. Is het niet zoo?"
"Ik wilde dat ik het nu nog doen kon!" zei ik. "Maar wat behoeft
er verder tusschen ons gepraat te worden. Neem een tiende van me,
en laat me vrij. Of dood me!"
"Toen gebeurde er iets zeer merkwaardigs.
"Señor," zei Quebranta, "wanneer ik iemand als u ontmoet, laat ik hem
het liefst zooals hij is. U hoort niet tot het soort menschen dat van
mij kwaad zal ondervinden. Een man, die zijn eer weet te bewaren zooals
u dat gedaan hebt, _ook tegenover een bandiet_, is waard te leven. Had
u me doodgeschoten, dan zou uw naam in Spanje en Afrika als dien van
een verlosser genoemd worden. Maar nu--neem uw leven uit mijn handen
aan. En wat het losgeld betreft, wees gerust: de volle som is er.
"Na morgen zullen we elkaar nooit meer zien; maar herinner u altijd,
dat ge eens een man hebt ontmoet, die, evenals gij, voor niets bang
was. Die, evenals gij, zijn woord gestand deed. Vaarwel, Señor!"
Hiermee was Nofs verhaal geëindigd. We weten, dat hij den volgenden
dag behouden op De Vogel terug was.
Allen hadden ademloos zijn verhaal aangehoord, en Nof was niet weinig
verrast, toen hij hoorde dat de anderen in dien tusschentijd ook
zulke spannende avonturen hadden beleefd.
Gelukkig waren ze nu weer vereenigd, en ze beloofden elkaar plechtig
nooit weer zulke waagstukken uit te halen.
Met een en ander was intusschen veel tijd verloren gegaan, en men
maakte zich gereed om met de meeste snelheid de onderbroken reis
voort te zetten.
"Naar Czernovië!" was nu het wachtwoord.
ELFDE HOOFDSTUK.
DE VOGEL WORDT VERNIETIGD.
De reis wordt door stormen vertraagd.--De nederdaling
bij Midia.--Er ontploft een mijn en De Vogel vliegt in de
lucht.--In Turksche gevangenschap--De Dardanellen-Oorlog.--Li
en Rob herkrijgen hun vrijheid.--De Engelsche spionnen gaan
de doos in.--Naar Slavowitz!
Het was 1 Januari 1902 geworden. De eigenlijke reis had zoo lang
niet geduurd, maar twee omstandigheden waren van nadeeligen invloed
geweest. Ten eerste kenmerkte de geheele maand December van het
jaar 1901 zich door hevige stormen en onweders, die--hoezeer ook De
Vogel onafhankelijk was van atmosferische storingen--de snelheid van
het luchtschip aanmerkelijk vertraagden. Het kostte Mu de grootste
moeite de juiste richting te bewaren, en om de motoren niet aan al
te groote inspanning te onderwerpen, was men soms dagen achtereen
genoodzaakt voorzichtig te laveeren, of, tegen den storm in, juist
genoeg snelheid te ontwikkelen om De Vogel op eenzelfde punt drijvende
te houden. Ten tweede trof bij een zwaar onweer de bliksem een der
vele afleiders, die zich op het dek verhieven, en ontstond er door
een tot dusver onopgemerkt gebrek aan isoleering een begin van brand
in de stuurkamer, waardoor de kinematografische plaat werd beschadigd,
en La geruimen tijd in de weer was om het ongeluk te herstellen. Daar
men er op De Vogel niet van hield los over dergelijke storingen,
die trouwens wel meer voorkwamen, heen te loopen, gaf een en ander
aanleiding tot langer oponthoud dan men wel gewenscht had.
Dien 1en Januari, toen de dikke nevels die tot dusver boven de aarde
hadden gehangen, wat opgetrokken waren, meldde Mu tegen het vallen
van den avond, dat men eenigszins oostelijk van de koers was afgeweken
en zich nu boven Midia bleek te bevinden, aan de Oostkust van Turkije.
Het kwam Li wenschelijk voor, nu eenigen tijd zwevende te blijven,
ten einde het operatieplan, dat nu weldra zou uitgevoerd worden,
nog eens onderling te bespreken. Ook leek het hem gewenscht zich
wat nauwkeuriger omtrent den toestand op aarde te doen inlichten
eer men tot beslissende stappen overging. Tot nu toe was dat steeds
gebeurd door een van de leden der bemanning met een vliegtoestel
omlaag te zenden, van welke reis hij dan met de noodige nieuwsbladen
terugkwam. Daartoe werd dan gewoonlijk tegen den avond ergens op een
afgelegen plek geland; de vliegtoestel werd verborgen, en in de een
of andere vermomming, gewoonlijk die van een onschadelijk toerist,
ging men de nabijgelegen stad binnen, hoorde naar de gesprekken in
koffiehuizen en trachtte zoo het noodige te weten te komen.
Door het noodweer van de laatste weken was daarvoor in langen tijd
geen gelegenheid geweest; Li stelde daarom voor Midia te bezoeken,
en gaf zijn voornemen te kennen dit persoonlijk te doen.
Bij deze gelegenheid wachtte Rob een verrassing. Een half uur vóor
De Vogel op de eenzame kust zou neerdalen om Li aan land te zetten,
vroeg deze hem of hij lust had mee te gaan. Natuurlijk was Rob hiermee
zeer ingenomen, en op aanwijzing van Li kleedde hij zich even als
deze in een eenvoudig maar smaakvol reiscostuum.
"Zoo zien we er uit als Hollanders," zei Li. "Die vermomming is
me altijd het beste voorgekomen, want men mag over 't algemeen de
Hollanders op reis nog al lijden. En voor overmaat van voorzichtigheid
zullen we ons nog wat grimeeren ook; vooral jou kan dat te pas komen,
want ze zullen je wel overal zoeken, en wie weet of we in Midia jouw
portret niet voor de winkels zien hangen."
Met een door La uitgevonden onschadelijk kleurmiddel werden de beide
vrienden van blond in zwart herschapen, en het was verwonderlijk te
zien hoe onherkenbaar ze nu waren geworden.
"Wees maar niet bang dat je zoo zult blijven," zei Li lachend,
"La heeft een uitstekend middeltje waarmee je de kleurstof weer
kunt verwijderen, en je zult er volstrekt geen nadeelige gevolgen
van ondervinden. Nu nog een paar biljetten op de Czernovische Bank
meenemen, die zijn in Turkije wel in te wisselen."
Met verbazing zag Rob hoe Li voor een enorme waarde aan papieren geld
bij zich stak.
"Je kan nooit weten," verklaarde Li. "Je moet op alles voorbereid
zijn. Geen kleeren, geen eten--dat hindert niet. Geen geld--dan ben
je verloren."
Er was besloten niet met een der vliegtoestellen aan land te gaan,
doch met Vogel en al de aarde te bereiken. Li kende de kust bij Midia
als zeer eenzaam en woest, en er was bij een daling volstrekt geen
gevaar, vooral niet wanneer men zorgde alle lichten te dooven.
Behoedzaam daalde het luchtschip neer. De avond was zeer donker,
het weer vrij onstuimig; men hoorde niets dan de branding die tegen
de rotsen sloeg.
Even vóor men den bodem zou bereiken, gaf La opeens een teeken aan Mu,
deze bracht het schip tot stilstand, en vroeg wat er was.
"Wanneer we eens allemaal aan land gingen?" zei La. "Ik geloof dat daar
geen bezwaar tegen is voor enkele uren; we komen in een beschaafde
streek, en niet bij kannibalen ditmaal. Mu houdt het schip op een
flinke hoogte drijvend en we vinden hem vanavond hier weer terug."
Li vond het voorstel aanvankelijk wat onvoorzichtig, maar allen
hadden in zoo lang geen vasten grond onder de voeten gehad, en de
ondervinding had bovendien zoo dikwijls geleerd dat men voor enkele
uren zoo'n uitstapje wel kon wagen--dat Li ten slotte geen bezwaren
meer had, en besloten werd gezamenlijk aan wal te gaan.
Ook de andere vijf bewoners van De Vogel staken zich dus vlug in een
reiscostuum, en daarna legde de ballon de enkele meters af, die hen
van de aarde scheidde. Het trapje werd neergelaten, en behalve Mu
stapten allen aan land.
Men sloeg nu gezamenlijk den weg naar Midia in. Nauwelijks had men
eenige honderden meters afgelegd, of men hoorde snelle voetstappen
achter zich en Mu kwam aanhollen met een portefeuille, die La had
laten liggen.
"Je legitimatiepapieren," hijgde hij.
"O juist, goed dat je er aan dacht," zei La. "Dankjewel. Die kunnen
altijd wel te pas komen."
Mu plaagde La wat met z'n verstrooidheid, omdat hij alweer wat had
laten liggen, en legde Rob uit dat men nooit zonder de noodige papieren
aan wal ging.
"Maar hoe kom je daar dan aan?" vroeg Rob.
"O, heel eenvoudig. Ik heb de papieren van 'n Hollandsch
koopvaardijkapitein, dien we eens in zee drijvende vonden,
vastgesjord op een vlot van planken en tonnen--wie weet wat de arme
man had doorgemaakt. We legden het lijk op het strand bij een klein
visschersdorp, met een briefje, zijn herkomst behelzende, er bij. Jij
hebt in je binnenzak--heb je dat nog niet eens gemerkt?--dergelijke
papieren, op een van onze tochten gevonden, en de anderen zijn
allen van Engelsche documenten voorzien die we op het jacht van Lane
inpikten. Zooals je ziet, rekenen we op alles."
Mu was intusschen weer in de richting van De Vogel gegaan, die hij
niet gaarne langer dan hoog noodig was onbeheerd wilde laten. Toen hij
er nog ongeveer tweehonderd meter van verwijderd was, voelden allen
plotseling den grond onder hun voeten trillen; een geweldige slag
weerklonk, die lang nadreunde, en een metershooge vlam verlichtte
gedurende enkele seconden de omgeving. Toen hoorde men het ruischen
van neervallend stof en het kletteren van omlaag komende steenen.
Eenige oogenblikken stonden allen als bedwelmd; toen volgde men het
voorbeeld van Li en snelde in de richting van De Vogel, vanwaar men
de slag gehoord meende te hebben.
Bij de plaats aangekomen, waar men kort te voren geland was, bleven
allen als vastgenageld aan den grond staan. De groote donkere vorm van
De Vogel teekende zich niet langer tegen de lucht af. Het rotsblok,
waarachter hij verborgen had gelegen, was tot op zijn grondvlak
afgebrokkeld, het strand lag met gruis en steenen als bezaaid. De zee
sloeg met geweldige golven over den oever, de laatste overblijfselen
met zich voerend van het vernielingswerk dat hier had plaatsgegrepen.
Enkele seconden heerschte er een verschikkelijke stilte; allen stonden
sprakeloos, nog niet goed beseffend wat er eigenlijk gebeurd was.
La was de eerste die tot bezinning kwam. Hij ging naar Mu toe, en
zei rustig:
"Hoe dankbaar ben ik, dat ik mijn portefeuille liet liggen."
Toen drukte hij Mu de hand en gaf overigens door geen woord of beweging
de ontroering te kennen, die zich ongetwijfeld van hem meester gemaakt
moest hebben. Want nu begrepen allen het gebeurde: door een tot dusver
onverklaarde oorzaak was De Vogel, met al wat er zich op bevond, in de
lucht gevlogen--en daarmee al het werk vernietigd, waaraan La sedert
jaren onbaatzuchtig zijn leven, zijn kunde en zijn fortuin gegeven had.
De Vogel-bewoners waren geen menschen die luide aan hun emoties
lucht gaven; ook nu wisten ze hun ontroering te verbergen. Maar
Rob voelde hoe Li hem krampachtig de hand drukte, en hoe een snik
het krachtige lichaam van dezen nooit ontmoedigden, onwrikbaren man
doorschokte. Vernietigd, het werk, de hoop, de illusie van jaren!