"Neen. Maar ik vond op weg hierheen dit doosje lucifers, dezen knoop,

en dit papiertje met uw voorletters"--de professor herkende die

inderdaad als van hem afkomstig--"en daar ik wist dat u in Nederland

al sedert een jaar als gestorven betreurd wordt, omgekomen op de

kust van Tripolis, vermoedde ik dadelijk dat ik uw spoor gevonden

had. Het is mij een groote vreugde dat u nog leeft, maar ik vind het

verschrikkelijk u onder deze omstandigheden te moeten aantreffen."

La had de avonturen van den ontdekkingsreiziger--den Hollandschen

natuurkundige en Afrika-kenner Korling, tevens professor in de

oude talen--in de nieuwsbladen gelezen, en ook Rob herinnerde zich

nu zeer goed daarvan gehoord te hebben. Na eenige zeer geslaagde

ontdekkingsreizen te hebben ondernomen, onder meer naar de bronnen

van den Nijl, was Korling bij zijn laatsten tocht met zijn schip

door hevige stormen op de kust van Tripolis geworpen; alle opvarenden

waren omgekomen, behalve hijzelf en zijn bediende, die in handen der

Ligo-Ambura waren gevallen. In Nederland wist men niet beter of de

beminde en beroemde man was een afgrijselijken dood gestorven.

"Men was reeds bezig," vertelde Korling, "het vuur te stoken waarboven

wij gebraden zouden worden, toen ik op de gedachte kwam door enkele

kleine goochelkunstjes, waarmee ik mijn kinderen wel bezig hield,

de aandacht af te leiden. Die poging gelukte boven verwachting. Ik

tooverde een armring van het opperhoofd weg, en bracht die uit den

neus van zijn vrouw weer te voorschijn; ook vertoonde ik eenige

toeren met lucifers en geldstukken. Het succes was verbazend. Het

opperhoofd benoemde mij tot zijn hofkunstenaar, en sedert dien tijd

ben ik bijna onafgebroken bezig met sensationeele voorstellingen te

geven. Het is wel droevig," zei hij met een zucht en een glimlach,

"te moeten bedenken dat ik, professor en ontdekkingsreiziger, mijn

leven moet rekken door als kermisgoochelaar op te treden. Maar wat

doet men al niet om te verhinderen dat men opgegeten wordt? Dat zou

toch al een heel onwaardig einde zijn!"

De professor vertelde nu ook nog, dat zijn natuurkundige kennis

hem in staat had gesteld met allerlei eenvoudige, zelfs gebrekkige

hulpmiddelen, proeven te vertoonen, waarvoor deze wilde menschen het

grootste respect toonden.

"U zult niet willen gelooven," zei hij lachend, "dat ik hier de

zegeningen der modernste beschaving heb binnengeleid. Zoo heb ik

bijvoorbeeld electrisch licht weten te verkrijgen en zelfs een telefoon

aangelegd, waarmee het opperhoofd me soms een heelen dag opschelt

en ellenlange gesprekken met me houdt; want ik heb natuurlijk in

dat jaar gelegenheid genoeg gehad om de taal der Ligo-Ambura grondig

te leeren. De kunst die ik van middag vertoonde, kent men in Europa

onder den naam van "De gevangene van Zenda." Ze is heel merkwaardig,

vindt u niet?"

Het was eigenaardig, zooals deze man over zijn goocheltoeren sprak, en

't leek wel of hij er plezier in had en niets liever wilde dan hier

zijn leven als "hofkunstenaar" te slijten. Maar men moet bedenken,

dat hij zich met die toeren het leven had gered, en dus groote waarde

er aan toekende, ja, er dag en nacht geheel van vervuld was.

"Hoe gaat die toer eigenlijk?" vroeg Rob nieuwsgierig.

"O, dat is heel eenvoudig," antwoordde Korling. "De oogjes, waarover

het losse uiteinde van de om nek, enkels en polsen sluitende halve

bogen past, kunnen door het wegnemen van een spie aan den achterkant

worden losgemaakt uit den wand. De gevangene trekt ze dan eenvoudig

met de halve bogen, de hangsloten en al naar zich toe, en--is vrij. De

sloten hebben er dus eigenlijk niets mee te maken en kunnen zoo stevig

zijn als men maar wil. De gevangene stapt door den achterwand, die

om een spil in het midden draaien kan, uit het huisje, na de halve

bogen weer met die spieën aan den achterwand bevestigd te hebben."

"Dat is zeker heel eenvoudig," zei Rob.

"Morgen zal ik u nog een veel mooieren toer laten zien," zei de

professor. "Dan ga ik in een rechtopstaande doodkist staan, en verander

voor uw oogen in een geraamte. Griezelig, hè? Maar toch is 't heel

eenvoudig. 't Was indertijd in de Warmoesstraat in Amsterdam te zien."

"Ja!" riep Rob, in wien nu al de belangstelling en de nieuwsgierigheid

van den schooljongen loskwam. "Dat herinner ik me heel goed. Maar ik

begreep er toen niets van. Hoe doen ze dat?"

"Wel, dat gaat als volgt," zei de professor. "Recht voor den

toeschouwer staat een open doodkist; daarin ga ik rechtop staan,

schel verlicht door lampjes aan weerszijden. De doodkist staat

achter op het tooneel; naar de toeschouwers toegaande, staan er

rechts twee en links twee coulissen, zwart evenals de achtergrond,

en het tooneel in gelijke deelen verdeelend. Tusschen twee van die

coulissen, rechts of links naar verkiezing, maar verborgen voor den

toeschouwer, staat precies zoo'n kist als de eerste, doch in richting

loodrecht daarop. Deze bevat een geraamte--dat hier nog al gemakkelijk

te krijgen is! Nu draait men de lichten naast de kist, waarin ik

sta, langzaam uit, zoodat ik geheel in 't donker kom en onzichtbaar

wordt. Tegelijkertijd worden de lichten van de andere kist langzaam

opgedraaid en het spiegelbeeld daarvan wordt zichtbaar op een groote

glazen plaat, die van de linker- (rechter-) voorste coulisse onder

een hoek van vijfenveertig graden met den horizon, naar de rechter-

(linker) achterste coulisse loopt. Dit beeld bedekt nu volkomen het

intusschen verdwenen eerste beeld. Met andere woorden: men ziet mij

langzamerhand in een geraamte veranderen. U begrijpt dat de negers

daar verrukt van zullen zijn!"

Het verhaal intresseerde Rob zeer, die het heerlijk vond zoo in de

geheimen van de kermis te worden ingewijd.

Maar Li vond het tijd worden den professor op andere gedachten

te brengen.

"Ziet u geen kans om ons weg te tooveren, professor? Met andere

woorden: een middel tot ontsnapping aan de hand te doen?"

Daar scheen de professor nog niet over gedacht te hebben. Hij was

zoo gewoon geraakt aan zijn gevangenschap, en zoo overtuigd dat elke

poging tot ontsnapping vruchteloos zou zijn, dat hij eigenlijk wat

verbaasd van die vraag opkeek.

"Het zou misschien mogelijk zijn ons van de wapens meester te maken,"

zei de bediende van den professor. "We kunnen er wel niet veel mee

uitrichten tegen overmacht, maar wanneer de voorstelling morgen

veel succes heeft, hebben we kans dat de heele stam tegen den avond

smoordronken ligt te slapen. Dan is er misschien iets uit te richten."

"Maar we kunnen toch niet over de Middellandsche Zee zwemmen?"

"Het middel om over de zee te komen zou ik u misschien kunnen

verschaffen," zei Li.

"Wat!" riep de professor opspringend. "En hoe?"

"Dat moet u aan me overlaten," antwoordde Li. "Ik mag het u niet

zeggen voorloopig."

Natuurlijk dacht Li aan De Vogel. Mu en de inmiddels teruggekeerde Nof

zouden ongerust zijn over hun wegblijven, en trachten met De Vogel hun

sporen te volgen. Li hoopte het luchtschip den volgenden dag te kunnen

praaien. Voor zulke gevallen had men steeds een signaalfluitje, dat een

zeer doordringend geluid gaf en waarmee men elkaar seinen kon geven.

Het werd tijd om te gaan rusten, ten einde op de gebeurtenissen van

den volgenden dag voorbereid te zijn. Men kon niet veel anders doen

dan op den naakten grond te gaan liggen, en zoo te ondervinden hoe

de professor en zijn bediende tot nog toe den nacht in hun nu door

zes lotgenooten gedeeld verblijf hadden doorgebracht.

Den volgenden morgen werd men vrij vroeg gewekt en voor het opperhoofd

gebracht. Deze liet hen meedeelen, dat ze tegen den middag de eer

zouden genieten door hemzelf, zijn vrouwen en hovelingen te worden

opgegeten.

Toen deze mededeeling was gedaan, hield de professor een lange

toespraak tot het opperhoofd.

Hij vertelde hem, dat hij verkeerd zou doen met de vreemdelingen

zoo spoedig dat groote gunstbewijs te schenken, daar zij bizondere

eigenschappen bezaten, waardoor hun gebeente ook na den dood de macht

bleef houden om te leven en te bewegen.

Dat vond het opperhoofd uiterst merkwaardig.

Hij had al heel wat blanken opgegeten, maar nooit had hij in de

overgebleven botjes nog eenig leven bespeurd. Ook het gebeente van

de gestorven negers was steeds zoo dood gebleven als het was.

"Maar als zij na hun dood blijven leven," merkte het opperhoofd op,

"dan is het ook niet onaangenaam voor hen doodgemaakt te worden,

niet waar?"

"Dat is zoo," zei de professor.

"Welnu, dan zullen we ze maar zoo gauw mogelijk opeten," zei het

opperhoofd met echte neger-logica, "des te eer kunnen we ons van de

waarheid uwer woorden overtuigen."

Korling vond, dat het gesprek een onverwachte en onaangename wending

nam, en merkte daarom haastig op:

"Daartegen is echter een bezwaar. Het geraamte moet bepaald in zijn

geheel blijven. Gaat er een beentje verloren, dan mislukt de proef."

"Dan zullen we zorg dragen ze heel voorzichtig af te kluiven, zoodat ze

ongeschonden blijven," zei het opperhoofd, niet uit het veld geslagen.

"Dat heeft toch bezwaren bij het eten," opperde Korling. "het is niet

gemakkelijk zoo'n heel lichaam te hanteeren."

Daarvoor voelde de neger blijkbaar wel wat, en zoo verkreeg de

professor ten slotte de toezegging, dat de blanken nog tot morgen

van het braadspit bevrijd zouden worden.

In den middag begon de voorstelling.

De professor had de armen en beenen van het skelet door middel van

touwtjes beweegbaar gemaakt, en zoo gelukte het hem, niet alleen

opvolgend de zes gevangenen in geraamten te veranderen, maar hen in

dien toestand nog de vroolijkste sprongen te doen maken, zoodat de

toeschouwers inderdaad wel veronderstellen moesten dat doodgaan voor

hen een allerplezierigste ondervinding was.

De voorstelling had een uitbundig succes.

Telkens en telkens moest de professor zijn kunststuk weer vertoonen,

en toen men eindelijk verzadigd was, ruimde Korling met behulp van

zijn bediende snel het tooneel op, opdat men er niet achter zou komen

welken poets hij ze gespeeld had.

Er volgde nu een vroolijk feest, als gewoonlijk na zulke gelukte

voorstellingen. De professor verrichtte nog een aantal eenvoudige

goocheltoeren, en ten slotte bereikte de feeststemming zulk een hoogte,

dat bijna alle negers verregaand dronken waren. De gevangenen moedigden

hen in 't drinken aan, en toen eindelijk de waggelende wachter hen

in hun slaapvertrek had opgesloten, kon men het snurken der dronken

in den dut gevallen feestvierders in de gewelven met een zware echo

hooren weerschallen.

Toen alles rustig was, gaf de bediende van den professor het teeken

tot opstaan.

"Er is een doorgang naar de nevenzaal," zei hij, "waar de pistolen

liggen. We zullen deze gaan halen."

Op zijn aanwijzing schoof men met gezamenlijke krachten een rotsblok

op zij, en zoo kwam men bij de pistolen, die nog op dezelfde plaats

lagen, maar door een slapenden neger "bewaakt" werden.

Ieder stak spoedig zijn wapen weer in den gordel, en nu nam men

denzelfden weg als die, welken Li en zijn reisgenooten hierheen

gevolgd waren. De professor kende hier overal uitstekend den weg,

en, door de electrische lantarens bijgelicht, bereikte men na vijf

kwartier loopen den uitgang.

Welk een blijdschap en een opluchting, toen men zich weer vrij voelde!

Er was echter geen tijd zich lang aan die blijdschap over te geven.

Elk oogenblik kon hun ontsnapping bemerkt worden, en dan zou het met

hun leven spoedig gedaan zijn.

Zoo snel mogelijk spoedde men zich naar de groep van palmboomen,

waar De Vogel was achtergebleven.

Deze was er niet!

Welbeschouwd behoefde dit niet zoo te verwonderen, want

begrijpelijkerwijs zou Mu met Nof aan 't zoeken zijn gegaan naar

de vermisten.

Er bestond op De Vogel echter de vaste regel, dat men in gevallen

als deze steeds na een bepaalden tijd met het luchtschip weer op de

plek terugkwam waar men gescheiden was, om te zien of de vermisten

zich daar ook bevonden.

Dank zij dezen verstandigen maatregel, maakte men zich niet ongerust

over de afwezigheid van het luchtschip, en besloot onder de palmen

rustig zijn komst af te wachten.

Tegen vier uur in den morgen werd Li's signaalfluitje van uit de

lucht beantwoord.

Onmiddellijk daarop werden de professor en zijn bediende geblinddoekt,

nadat men hun meegedeeld had dat ze zich met volle vertrouwen konden

overgeven, maar dat deze maatregel noodzakelijk was, omdat zij niet

wenschten dat hij de inrichting zag van het vaartuig waarmee men hen

zou wegbrengen. Te voren was overeengekomen dat men hen in Marseille

zou afzetten, waar de professor goede bekenden had wonen. Men had

intusschen wijselijk steeds Laïesch gesproken als het dingen betrof

die geheim moesten blijven, en zich overigens gehouden of men uit

Holland afkomstig was.

Mu daalde snel met De Vogel neer, en weldra waren allen aan boord. Nu

zette het luchtschip met den meesten spoed koers naar Marseille.

Natuurlijk vertelde Mu, dat hij erg in de benauwdheid gezeten, en

overal gezocht had, en de anderen moesten in kleuren en geuren hun

avonturen vertellen. Gelukkig dat nu alles voorbij was, en men alweer

een les in de voorzichtigheid had ontvangen.

"Het ligt aan de aarde," zei Li ernstig. "Zoolang we hier op De

Vogel zijn, denken we niet aan onvoorzichtigheden en waaghalzerij,

maar zoo gauw zijn we niet op den vasten grond, of we schijnen ons

geroepen te voelen kwajongensstreken uit te halen."

Opeens, bemerkend dat Nof er niet was, zei Li:

"Waar is Nof? Die is toch al lang aan boord?"

"Neen," antwoordde Mu, "hij is niet gekomen; ik dacht dat hij jullie

ontmoet had en verbaasde me al dat hij niet bij jullie was."

"Nu, hij zal zeker een dag later komen; hij heeft nog al

tegenwind. Maar dan moeten we morgen weer naar de kust terug."

"En ons niet meer door negers laten inrekenen!" zei Rob lachend.

"Daar zal ik wel voor oppassen," zei Li. "Niemand gaat van boord!"

Men bereikte spoedig Marseille, en in den vroegen morgen werd de

professor met een vliegmachine aan wal gezet. Daar moest men hem wel

aan zijn lot overlaten.

De lezer heeft ongetwijfeld in 't laatst van December 1901 uit de

kranten gezien, dat professor Korling, dien men dood waande, opeens in

Nederland teruggekomen was en dat onbekende personen, die Hollanders

zeiden te zijn, hem met een luchtballon naar Marseille hadden gebracht.

De eigenlijke toedracht van deze gebeurtenis heeft tot nu toe eigenlijk

niemand goed begrepen, ook de professor zelf niet. De lezer zal daarom

zeker met belangstelling in dit hoofdstuk den geheimzinnigen sluier

hebben zien oplichten.

TIENDE HOOFDSTUK.

NOF EN DE STRANDROOVER.

Nof is verdwenen.--Men wacht hem tevergeefs.--De man in het

schuitje.--Het losgeld.--Nof komt terug.--Het verhaal van

Quebranto den Strandroover.--Naar Czernovië!

Toen men weer bij Bengasi terugkwam, was het helder dag.

De Vogel bleef eenigen tijd zwevende boven de zee, en met behulp

van sterke kijkers begon men den omtrek in alle richtingen af te

zoeken. Maar er was niets van Nof te zien.

Toen de dag voorbijging en de avond viel, zonder dat men iets van den

vermiste vernam, begon men zich ernstig ongerust te maken. De tijd

was ruim berekend, en Nof had al lang terug kunnen zijn; er was dus

reden om aan een ongeluk te gaan gelooven.

Toch kon men voorloopig niet veel anders doen dan in de buurt blijven

kruisen, hopend dat Nof ten slotte zou komen opdagen.

Men nam dus een afwachtende houding aan.

Twee, drie dagen gingen voorbij, maar Nof bleef weg.

De eenige afleiding, die men zich schenken kon, was boven

de rotsenwoning van den negerstam te gaan zweven, en zich dan te

vermaken met den schrik dier zwarte heeren, toen ze daar zulk een

gevaarte door de lucht zagen zeilen. Waarschijnlijk vermoedden ze

niet, dat daar op De Vogel het maaltje blank vleesch te vinden was,

dat hun eenige dagen geleden zoo leelijk den neus voorbijgegaan was.

Toen men weer twee dagen gewacht had en Nof nog niet verschenen was,

besloot Li desnoods de geheele reis te maken, die Nof verricht had,

hopend hem onderweg te zullen vinden. Wat den omtrek betreft, die was

nu over twee uur in het rond zoo grondig doorzocht, dat men veilig

kon aannemen Nof daar niet te zullen vinden.

Alles werd dus voor de reis klaargemaakt, toen, op het punt van te

vertrekken, Rob's aandacht getrokken werd door een klein bootje,

dat langs de kust voer, en waaruit een man stapte, die, na 't bootje

aan wal getrokken te hebben, recht op de palmengroep afging waar De

Vogel zich gewoonlijk verdekt opstelde.

Van achter de rotsen, waar het luchtschip zweefde, bleef men den man

waarnemen. Hij vertoefde slechts enkele oogenblikken bij de boomen,

zocht daarna z'n schuitje weer op, en roeide dicht langs het strand

in westelijke richting weg.

Dit was ongetwijfeld een merkwaardig verschijnsel, en Li besloot

zich op de hoogte te gaan stellen van wat die man in het palmbosch

had uitgevoerd. Daar aangekomen, vond men een briefje aan een der

stammen gespijkerd--het was van Nof!

Snel brak Li het open, en las:

"Leg op deze plaats ten spoedigste tienduizend gulden

neer. Tracht niet een onderzoek in te stellen of mij te hulp

te komen.

Nof."

Het leed geen twijfel, dit briefje was van Nof. En er zat niets anders

op, dan het gevraagde geld te deponeeren, daar alleen dan Nof tot

hen zou kunnen terugkeeren.

't Was een geheimzinnige kwestie. Vermoedelijk was Nof in handen

van roovers geraakt, maar hoe dit zij, het was 't beste rustig af

te wachten welke uitwerking het neerleggen van 't geld zou hebben,

om daarna te besluiten wat er nader te doen stond. Het spoor van den

man in 't bootje te volgen, of andere maatregelen te nemen, zou tegen

den wensch van Nof en dus gevaarlijk zijn.

Tienduizend gulden was een behoorlijke som, maar het leven van Nof was

die som wel waard, en gelukkig was er een zeer aanzienlijke hoeveelheid

geld aan boord, daar de mannen bij hun eerste opstijging daarvoor

gezorgd hadden, voorziende dat de proef met De Vogel mislukken kon,

en zij dan bij het neerdalen in een misschien onbekende streek dankbaar

zouden zijn over het noodige geld te kunnen beschikken.

De gevraagde som werd dus gedeponeerd, en men wachtte, op eenigen

afstand achter de rotsen verborgen, den uitslag af.

Tegen den morgen kwam dezelfde man met het bootje, stapte aan land,

zag behoedzaam om zich heen, en stelde zich daarna in het bezit

van 't geld. Toen verdween hij weer op de zelfde manier waarop hij

gekomen was.

Men wachtte nu weer eenige uren in angstige spanning, brandend van

verlangen om den man na te gaan, totdat ongeveer tegen vier uur

het bootje weer zichtbaar werd. Dezen keer zaten er twee mannen in,

en toen men het bootje zag teruggaan, nadat een der mannen aan land

gestapt was, herkenden allen in dien laatste Nof!

Nu zette Mu De Vogel in beweging; het schip daalde bij de palmen,

en Nof was weer bij zijn vrienden terug!

Nadat van weerszijden de blijdschap zich in handdrukken en

gelukwenschen had geuit, moest Nof vertellen wat er toch eigenlijk

gebeurd was.

"Er stond nog al wind in de Middellandsche Zee," vertelde Nof, "en

daarom moest ik 's nachts nu en dan aan de kust neerdalen om me niet

te veel aan gevaar bloot te stellen.

"Dergelijke dalingen liepen altijd goed af. Een enkele maal bemerkte

ik menschen in de nabijheid, maar meestal zagen ze mij niet of kon

ik me tijdig uit de voeten maken. Acht dagen geleden ben ik echter de

dupe geworden van mijn te groote vertrouwen in de omstandigheden. Ik

had me eenige mijlen westelijk van hier met mijn toestel op de kust

neergelaten en me daar te slapen gelegd, ofschoon ik voetstappen in

't zand had gezien, en een uitgedoofd vuur eveneens op de nabijheid

van menschen wees.

"Tegen den ochtend werd ik wakker doordat ik om me heen hoorde

praten. Tot mijn schrik zag ik een zestal mannen met wijde mantels

en groote hoeden voor me staan, waarvan er vier me vastgrepen toen

ik een beweging maakte om naar den vliegtoestel te snellen, en twee

dien toestel geheel vernielden, zonder blijkbaar te weten waarmee ze

te doen hadden.

"Ik bood hevigen weerstand, maar kon mijn handen niet vrij krijgen om

van mijn pistool gebruik te maken, en zoo werd ik ten slotte overmand

en vastgebonden.

"Men leidde me door een woeste, onbewoonde streek, door eenzame,

sombere bosschen en over kale, door de zon geroosterde rotsen. Er wonen

in dat kustland enkele schaapherders en een paar houthakkers, maar

men komt ze slechts zelden tegen langs de smalle, door muilezelhoeven

gevormde paden. Op mijn vraag, waar men me heenbracht, antwoordde

een der mannen: "naar Quebranta!"

"Wat!" riep La, toen Nofs verhaal zoover gevorderd was. "Woont die

schurk tegenwoordig daar?"

"Ken je hem dan?" zei Nof verwonderd.

"'t Is een speciale vriend van hem!" spotte Li.

"Ik heb wel van hem gelezen," zei La. "Hij maakte jaren lang het

Andalusische hoogland, tusschen Jerez en Almeria, onveilig, maar de

Spaansche Regeering heeft hem ten slotte zoo weten op te jagen, dat

hij de zee overgestoken is. Niemand wist waarheen hij verdwenen was,

maar Nof heeft dus zijn schuilplaats ontdekt."

"Helaas ja!" zei Nof. "Ik zou gaarne een ander de eer hebben

gegund. Maar om verder te gaan. Men bracht me dan bij Quebranta,

een man met een geel, mager gezicht, scherpe gelaatstrekken, een

merkwaardig spitsen neus en doordringende oogen. Ik hoorde later dat

er een soort van geheimzinnig waas over hem hangt, weinigen uit den

omtrek hebben hem ooit gezien, maar tot in de verafgelegen steden

kent en vreest men hem. En de meesten hebben zijn macht gevoeld; hij

weet alles wat er gezegd, gedaan, ja gedacht wordt in het geheele

uitgestrekt gebied waarover hij heerscht. Hij deelt belooningen en

straf uit met dezelfde vrijgevige hand. Als een geitenhoeder iets

doet dat naar zijn zin is, maakt hij den man rijk voor zijn leven;

maar niemand leeft lang genoeg om hem tweemaal valsche inlichtingen

te verschaffen.

"Van uit zijn verborgen schuilplaats in de rots, honderd voet boven het

kamp van zijn volgelingen, gedraagt hij zich tegenover het omringende

land als een havik tegenover een vlucht patrijzen.

"Dikwijls genoeg zijn er expedities tegen hem uitgezonden, maar

steeds zonder resultaat; hij verschanst zich in de rotsen, en schijnt

onderaardsche wegen te weten, die in dit land zoo talrijk voorkomen,

en waarin een oningewijde niet gemakkelijk den weg vindt."

"Nu--dat hebben wij ondervonden," lachte Li.

"Quebranta vindt zichzelf allesbehalve een gewonen roover; hij is

een heerscher. En bovendien is hij er trotsch op een goed koopman te

zijn. Wie zonder behoorlijke papieren (en die zijn natuurlijk in zijn

oogen nooit behoorlijk) zijn gebied betreedt, is zijn eigendom. En

dat eigendom verkoopt hij daarna tegen den besten prijs dien hij

er voor krijgen kan. Dat wil zeggen, hij vermoordt zijn gevangenen

slechts zelden, maar vraagt een losprijs voor ze, en laat daarop geen

cent afdingen.

"Toen Quebranta me van het hoofd tot de voeten had opgenomen, knikte

hij even, en liet me daarna op eenige passen afstand van hem met

kettingen aan de rotsen vastmaken.

"Daar lag ik, beproevend mijn lot zoo gelaten mogelijk te ondergaan. Ik

bleef kalm voor me uit kijken en zei geen woord.

"Dat scheen Quebranta merkwaardig te vinden. Gewoonlijk, zoo vertelde

hij me later, kwam in gevallen als deze het karakter van zijn

gevangenen het best uit. Bijna allen smeekten, deden vragen, waren

nieuwsgierig wat er met hen gebeuren zou en bleven geen oogenblik

rustig. Dat ik daar totaal onbewogen zat, koel, onverschillig en

zonder een enkele vraag te doen, maakte indruk op hem.

"Na eenigen tijd liet hij me los maken, blijkbaar overtuigd dat ik

me kalm gedragen zou. Hij schoof een stoel bij (zijn hol was heel

aardig van meubels voorzien) en noodigde me uit te gaan zitten. Daar

hij en de zijnen gelukkig wat Fransch spraken, hoewel zeer gebrekkig,

konden we ons verstaanbaar maken.

"Señor," zei Quebranta. "We moeten eens over het losgeld spreken. Bezit

u of uw familie veel vermogen?"

"Ik vertelde hem dat dit maar zeer magertjes was.

"U bent dus niet rijk. U zegt het ten minste. Welnu, ik zal u gelooven

en een matige som vaststellen. Daarna zullen we over dit onderwerp,

zoolang u mijn gast bent, niet meer spreken."

Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië · 第 8 / 27 段