is gebleven aan haar overtuigingen, daarvan ben ik zeker. Door
courantenberichten en geregelden spionnendienst zijn we steeds
op de hoogte gebleven van de politieke gebeurtenissen in Europa,
speciaal in Czernovië, en we weten ook dat binnen enkele weken het
juiste oogenblik gekomen is om onzen slag te slaan. Hertog Alexander
wordt algemeen genoemd als de aanstaande gemaal van Elizabeth, en
zijn nakomelingen zullen de koningskroon ontvangen, om Czernovië als
Russischen vazalstaat te regeeren.
"Onze tocht naar Engeland is slechts een uitstapje geweest, een
afwijking van het programma, die ik mij meende te mogen veroorloven. Nu
gaat het recht op Slavowitz aan, en je begrijpt hoe ik er naar verlang
mijn vaderland terug te zien, het te bevrijden, en"--besloot Li
zijn lang verhaal met een diepen zucht--"Elizabeth wederom de mijne
te noemen!"
Rob had gespannen geluisterd; toen Li geëindigd had, zwegen beiden
geruimen tijd.
Rob's bewondering voor deze dappere mannen, die al hun moed en hun
kennis in dienst stelden van hun ideaal, groeide met het oogenblik,
en vooral voelde hij eerbied voor de zelfverloochening, waarmee Li
zijn toch zoo zwaar wegende persoonlijke belangen aan de goede zaak
ten offer bracht. Hij drukte Li krachtig de hand, en beloofde alles
in het werk te stellen om naar vermogen van krachten tot de bereiking
van het grootsche doel mede te werken.
Toen zij weer naar hun bezigheden terugkeerden, was elk hunner
overtuigd in den ander een waar en trouw vriend gevonden te hebben.
NEGENDE HOOFDSTUK.
EEN ONVERWACHT AVONTUUR.
De kust van Tripolis.--De leeuwenjacht.--De onderaardsche
gewelven.--In handen van menscheneters!--De ontdekkingsreiziger
Korling als goochelaar.--De vlucht.--Weer op De Vogel!
Het was 4 December 1901 geworden, en De Vogel daalde neer op de kust
van Tripolis, eenige mijlen ten oosten van Bengasi, waar niet veel kans
bestaat opgemerkt te worden. De streek is daar eenzaam en onbewoond.
Hier was het punt waar Nof zich met den vliegtoestel weer bij zijn
reisgenooten zou voegen.
Toen De Vogel neerdaalde, was het tien uur in den morgen; men wist dat
Nof tegen den middag kon aankomen, en er werd daarom besloten De Vogel
onder toezicht van Mu, en onder een groep palmboomen verborgen, achter
te laten. De anderen wilden dan een tochtje maken door 't kustgebergte,
wat volgens de Vogelbewoners veilig kon geschieden, daar deze streek
tot eenige mijlen landwaarts in geheel onbewoond was. De plantengroei,
de mooie vergezichten, die men hier en daar over de Middellandsche
Zee had, dit was aanleiding genoeg om het uitstapje te wagen.
Van eenig voedsel voorzien, en als altijd met de gaspistolen en de
voorraadtasch bij hen, gingen de zes mannen aan land, Mu de boodschap
achterlatend, dat ze niet vóor den avond zouden terugkomen.
Hoewel de zon fel scheen, het zand en de rotsen den gloed weerkaatsten,
vergat men dat gaarne voor het prachtige landschap, dat bij elken pas
de bewondering opwekte. Nu en dan beklom men een kleinen heuvel, en
vandaar had men een prachtig uitzicht op den Middellandschen Oceaan,
die met recht zijn bijnaam "de Blauwe Oceaan" mocht dragen, want de
golven zagen er uit als vloeibare blauwe edelgesteenten, die in de
zonnestralen gloeiden en flonkerden.
Op eens bleef Rob staan, greep Li bij den arm en wees op een hoog
rotsblok, dat eenige honderden meters meer zuidwaarts lag.
"Een leeuw!" zei Li, zoo kalm alsof hij een onschuldig huisdiertje
gezien had in plaats van dezen woestijnkoning.
"Een leeuw!" herhaalden de anderen.
Hoewel vertrouwend op hun wapens, bleven toch allen onbewegelijk staan,
onwillekeurig onder den indruk bij het zien van dit majestueuse dier,
dat, de naderenden bemerkend, opgestaan was uit zijn lui-liggende
houding, en den staart langzaam heen en weer bewoog.
De leeuw deed een dreigend gebrul hooren, dat door de rotsen
honderdvoudig werd weerkaatst, en nu vertoonde zich naast hem een
minder groot, niet zoo majestueus dier, dat een leeuwin bleek te
zijn. Beiden bleven op de plaats waar ze waren, nu en dan een dof
gebrul uitstootend, en zonder de reizigers uit het oog te verliezen.
"Het is het beste, dat we er recht op af gaan," zei Li. "Omkeeren
en vluchten zou dwaasheid zijn, dan hebben ze ons weldra met enkele
sprongen ingehaald."
Rob voelde het hart in de keel kloppen.
Hij was niet bang van aard, maar den leeuw kende hij tot nog toe alleen
uit Artis, waar de tralies hem veilig van den toeschouwer scheiden. Het
was wel een schouwspel om ook den moedigste angst aan te jagen, daar
zoo van aangezicht tot aangezicht tegenover dit machtige dier te staan.
Maar de overigen waren op hun reizen aan zulke ontmoetingen gewoon
geraakt, en zonder een oogenblik te aarzelen, gingen ze recht op het
leeuwenpaar af, de pistolen gereed houdend.
Als verbaasd over zooveel stoutmoedigheid, bleven de beide dieren
staan, totdat de mannen op ongeveer twintig meter waren genaderd.
Toen deed de leeuw een geweldigen sprong naar beneden, en kwam brullend
op Li af, die rustig staan bleef.
Het dier was hem tot op vijf passen genaderd, het hief den
verschrikkelijken klauw op, en Rob verwachtte elk oogenblik zijn
onverschrokken vriend ter aarde te zien storten.
Maar Li richtte bedaard, trok af, en, door het uitstroomende gas
bedwelmd, bleef de leeuw zonder zich te verroeren bewusteloos aan
Li's voeten liggen.
Een tweede schot, en de inmiddels toegesprongen leeuwin had hetzelfde
lot ondergaan.
"Een prachtig dier," zei Li. "Ik houd er niet van een weerloos
dier te dooden, vooral niet een, dat ons volstrekt geen kwaad heeft
gedaan. Maar anders zou zijn huid een fraai figuur maken als haardkleed
in onze eetzaal."
"Laten we verder gaan," zei La. "Deze dieren zijn voor vierentwintig
uur buiten gevecht gesteld; tegen dat zij bijkomen, hebben wij Afrika
al verlaten."
Men beklom nu de rots, om te zien of zich daarboven het hol van de
leeuwenfamilie zou bevinden. Men vond er echter tot zijn verrassing
slechts een soort leger van gedroogde planten, waar de dieren hun
middagslaapje hadden willen doen, en, om zich heen ziende, bemerkte
Rob op eens twee jonge leeuwtjes, niet grooter dan een flinke kat,
die angstig zaten te kijken waar hun ouders bleven, en nu en dan een
gehuil deden hooren als van een bevreesd, verdwaald kind.
"Daar moesten we er een van vangen en tam maken," zei La, "we zouden
dan op De Vogel ook een huisdier hebben."
"Misschien kan 't wel als waakhond dienen," zei Rob.
Men ging nu op de beide dieren toe, die echter verschrikt op de
vlucht sloegen.
Gedurende eenige minuten liepen de mannen ze na, de dieren niet uit
het oog verliezend.
Op eens waren ze beiden als in een rotswand verdwenen. Slechts een
opening van ongeveer een halven meter doorsnede toonde aan waar ze
verdwenen waren.
"Ha!" zei Li, "daar hebben we het leeuwenhol! Daar moeten we in."
Hij ging op den buik liggen, en trachtte naar binnen te zien. Het
was daar echter geheel donker. Het hoofd en de schouders naar binnen
werkend, ontstak hij zijn electrische lamp en verlichtte daarmee
het hol.
"Het hol wordt van binnen wat wijder," zei Li, "we zouden er wel in
kunnen kruipen."
"Maar als er nu eens nog meer leeuwen in waren?" onderstelde Rob,
'n beetje beangst.
"Dat zal niet," zei Li, "er woont nooit meer dan éen leeuwenfamilie
tegelijk in een hol."
"Maar," riep op eens La, "het kan immers onmogelijk een leeuwenhol
zijn! Door die kleine opening kunnen die groote dieren toch niet
naar binnen!"
Men zag de juistheid van die opmerking in, doch nu was men slechts
te nieuwsgieriger om te weten te komen wat dit voor een onderaardsche
gang was.
"Laten we er in gaan," zei Li, als altijd door het avontuurlijke
aangetrokken.
Niemand had daar iets tegen, en nu ging men een voor een, Li vooruit,
naar binnen, allen met de electrische lantaarn in de hand.
Gedurende eenige meters moest men op den buik voortkruipen; toen
werd de gang hooger en breeder, en kon men gaan staan. Voor zich
uit ziende, bemerkte men zich in een soort onderaardsche straat te
bevinden, die over een onafzienbaren afstand in rechte lijn doorliep.
La bukte zich, en onderzocht den bodem.
"Dit is waarschijnlijk een oude stroombedding," zei hij, "de aard
van den bodem wijst er op. Vermoedelijk heeft vroeger een rivier hier
voor een deel van zijn loop onder de aardoppervlakte doorgestroomd."
"Dan zou 't wel aardig zijn eens te onderzoeken waar deze gang aan
de andere zijde uitkomt," zei Li.
Zijn voorstel vond bijval en nu begon men in zuidelijke richting
door te loopen, hier en daar losse steenen tot hoopjes opstapelend,
om op die manier bij het teruggaan een herkenningsteeken te hebben.
Na ongeveer tien minuten in rechte lijn te hebben doorgeloopen, kwam
men op een soort pleintje, waarop, behalve de weg dien men gevolgd was,
verscheidene andere gangen uitmondden. Enkele daarvan liep men in,
doch deze bleken slechts weinige meters diep te zijn; daar niemand
voorkeur had voor een bepaalde richting, en dat ook moeielijk hebben
kon, besloot men den weg te volgen die ongeveer in het verlengde van
den oorspronkelijken lag.
Na een kwartier te zijn voortgegaan, besloot men halt te houden,
en eenig voedsel te gebruiken.
Dit middagmaal onder de oppervlakte van den beganen grond had voorzeker
iets eigenaardigs, en deed den lust tot avonturen nog toenemen.
Toen men weer reisvaardig was, had alleen La eenig bezwaar tegen den
verderen tocht.
"Is het eigenlijk geen dwaasheid," zei hij, "een onbekenden weg naar
een onbekend doel te blijven volgen, zonder dat ons dat, naar alle
waarschijnlijkheid ten minste, eenig nut kan opleveren?"
In die uitspraak lag ongetwijfeld veel waars, maar de meeste stemmen
verklaarden zich toch voor het doorzetten van den tocht, ten eerste
omdat men wou volvoeren wat men eenmaal begonnen was, en ten tweede
omdat men immers elk oogenblik kon terugkeeren wanneer de onderneming
gevaarlijk of te langdurig zou blijken te zijn.
Men ging dus verder.
Rob bleef echter staan en vroeg:
"Wie heeft dit doosje lucifers laten liggen?"
"Lucifers?" vroeg La verwonderd, "dat kan jijzelf alleen gedaan
hebben. Zulke dingen van barbaarschen oorsprong worden aan boord van
De Vogel niet gebruikt. Daar heerscht de electriciteit oppermachtig."
"Maar ik had heelemaal geen lucifers bij me toen ik aan boord kwam,"
zei Rob, het doosje bekijkend. "Het moet van een van jullie zijn."
Ook de anderen bekeken het doosje, maar het bleek geen van allen toe
te behooren. Het droeg een Hollandsch etiket en was blijkbaar ook in
Holland gemaakt.
"Dat is vreemd," zei La. "Steek het bij je, Rob. Na dezen vondst zou
ik er voor zijn den tocht voort te zetten."
Nog gedurende een half uur ging men verder.
Nu eens moest men op den buik kruipend voortgaan, daar de zoldering
zich verlaagde, dan weer waadde men tot over de enkels door het water,
waarmee enkele gangen waren volgeloopen. Het aangenaamste van dit
verblijf onder den grond was de heerlijke koele temperatuur die er
heerschte, in tegenstelling met de brandende warmte daarboven.
De vondst van het doosje lucifers, waaraan La zeer veel waarde scheen
te hechten, was aanleiding dat men telkens naar den grond zag,
hopende nog iets dergelijks te vinden. En inderdaad raapte Nef na
eenigen tijd een knoop op.
Tot aller verbazing droeg deze--zooals trouwens meer op knoopen
voorkomt--een randschrift. Niet over dit feit op zichzelf was
men verbaasd, maar over de woorden die er stonden: F. Sinemus,
Leidschestraat, Amsterdam.
Wel, dit was de naam van een bekend Amsterdamsch magazijn, zooals
Rob meedeelde. Hoe kwam die Hollandsche knoop hier verzeild?
La scheen iets te vermoeden, maar zei niets.
De tocht werd voortgezet.
Een paar maal bleek men zich, door 't voortdurend kronkelen en wenden
dat de gangen sedert eenige minuten deden, in de richting te hebben
vergist, en kwam men langs een omweg weer op een punt terug dat men
eenigen tijd te voren verlaten had. Dat maakte de reis lastig en
tijdroovend, maar nu men eenmaal zooveel moeite gedaan had, was men
het er over eens, dat men tot het einde zou doorgaan.
Met nieuwen moed legde men opnieuw een weg van ongeveer vijftien
minuten af.
Toen bukte La zich en raapte een stukje papier op, dat de aandacht der
anderen ontsnapt was. Het was blijkbaar een snipper van een grooter
stuk, en bevatte niets dan enkele onleesbare, afgebroken woorden,
en onderaan in een hoek de letters W.K.
"W.K! Zou het mogelijk zijn!" mompelde La onder het verder gaan,
zonder dat zijn verbaasde reisgenooten hem tot een nadere verklaring
konden brengen.
Weer vorderde men tien minuten, toen Li, die vooraan liep, de anderen
opeens tot stilstaan dwong en den vinger op de lippen legde, ten
teeken dat ze zouden zwijgen.
Allen luisterden nu in gespannen aandacht, en daar hoorde men op
eenigen afstand een verward geluid van stemmen, dat nu en dan door
gejuich scheen te worden onderbroken.
"Deze gewelven zijn bewoond!" fluisterde Li.
"Zouden we verder durven gaan?" vroeg een van de anderen.
"Mits met voorzichtigheid, _moeten_ we verder gaan," zei La nu. "Ik
geloof dat onze tocht nu _een doel_ begint te krijgen."
Voet voor voet ging men nu voorwaarts.
Bij het omslaan van een hoek sprong Li opeens terug, en dwong de
anderen zich tegen den wand gedrukt op te stellen.
Voorzichtig keek Li om den hoek, en wenkte toen de anderen, dat ze
nader konden komen. Nog enkele passen slopen ze vooruit, en toen trok
een zeer merkwaardig schouwspel, dat ze door een smallen spleet in
de rotsen konden bijwonen, hun aandacht.
In een met flambouwen verlichte groote ruimte, die waarschijnlijk wel
met deze gangen in verband zou staan, bevonden zich een groot aantal
negers, die allen slechts spaarzaam gekleed waren, en waarvan de
meesten om polsen en enkels ringen van doodsbeentjes, vruchtenpitten
en dierentanden droegen. Ze zaten meerendeels op den grond gehurkt,
slechts enkelen stonden, en allen waren gewapend met een schild en
een speer.
De heele vergadering had den rug naar de verborgen toeschouwers
gekeerd, en zag met groote aandacht naar den tegenoverliggenden wand
der "zaal," waar klaarblijkelijk het een of ander gebeurd was dat zij
zeer merkwaardig vonden, doch waar op het oogenblik niets bizonders
te zien was.
Hoe vreemd het moge klinken, het geheel maakte den indruk van een
schouwburg, waarin de negers de toeschouwers vormden.
En weldra zagen Li en zijn vrienden tot hun groote verbazing, dat
hier inderdaad een soort van voorstelling plaats had, die men eer in
een West-Europeesch land dan in deze Afrikaansche wildernissen zou
gezocht hebben.
Een rechthoekig gedeelte van den donkeren wand, dat het tooneel scheen
te vormen, werd plotseling hel verlicht.
Men zag nu een houten vierkant tentje van ongeveer 2 M. hoog, 1.5
M. diep en 1.5 M. breed, waarvoor naar beide zijden opengeslagen
gordijn hingen. Het houten huisje was geheel ledig.
Onder een oorverdoovende muziek, die de negers op steenen, met huiden
overspannen potten en op lange rieten fluiten te weeg brachten, kwam
nu een man naar voren, die geheel het voorkomen had van een neger, ook
zwart van gelaatskleur was, doch wiens bewegingen schenen aan te duiden
dat hij van een ander ras was. Hij stak de hand op en gebood stilte.
Nu begaf hij zich in het huisje, en werd door een helper aan den
achterwand vastgemaakt. Dit geschiedde door zijn nek, zijn enkels
en zijn polsen te omsluiten met halfcirkelvormige banden, die aan
den achterwand waren vastgemaakt, en om een hunner uiteinden konden
draaien. Het andere uiteinde werd daarna door negers uit het publiek,
die zich daartoe kinderlijk opdringend aanboden, met hangsloten aan
een eveneens in den wand gestoken oog bevestigd. De sloten werden
omgedraaid en daarna gingen de gelukkige eigenaars der sleutels weer
naar hun plaatsen terug, overtuigd dat een hangslot als 't hunne,
waarover ze een week lang met hun gebrekkige hulpmiddelen hadden
gesmeed, nooit te openen zou zijn.
De helper schoof nu het gordijn dicht. Enkele seconden daarna, terwijl
dezelfde helsche muziek de pauze had aangevuld, opende de helper het
gordijn--en de gevangene was gevlogen!
De negers waren stom van verbazing. Ze liepen op het huisje toe,
rukten aan hun hangsloten, maar begrepen niet hoe men deze, trouwens
nu weer gesloten, voorwerpen had kunnen openen.
Een stormachtig gejuich ging op, en de vertooner van het kunststuk
moest allerlei huldebetuigingen in ontvangst nemen.
De achter de rots verborgen toeschouwers keken elkaar met een glimlach
aan. Wat beteekende deze kermisvertooning hier in de wildernis,
bijgewoond door een natuurvolk, dat van zulke uitvindingen der
beschaving nooit gedroomd had?
Zij hadden echter niet veel tijd tot nadenken, want de voorstelling
scheen hiermee geëindigd, en het gezelschap maakte aanstalten tot
heengaan.
Om zich niet te verraden, bleven de zes mannen onbewegelijk in hun
hoekje zitten, hopend onbemerkt te ontsnappen zoodra de zaal leeg was.
Zij hadden echter niet er op gerekend, dat de "schouwburg" zijn
voornaamsten uitgang had naar de gewelven waar zij zelf zich op het
oogenblik bevonden, en voor zij er op bedacht waren, stond een tiental
negers verbaasd naar hen te kijken.
Tegenwoordigheid van geest was het eenige wat onze vrienden redden
kon. In de handen te vallen van dezen negerstam had niet de minste
bekoring voor hen, en het was dus zaak door een vastberaden optreden
te doen zien dat ze niet van plan waren zich gevangen te geven.
Zes gaspistolen gingen af, en de voorste rijen der negers vielen
bewusteloos neer. Snel hun neusknijpers opzettend brandde de kleine
troep dapperen nogmaals los, en ook een rij van de nu opdringende
negers viel neer. Maar het aantal was te groot, en een in het nu
geopende gewelf binnendringende luchtstroom joeg het bedwelmende
gas weg. Ook van uit andere gangen kwamen negers aansnellen, en de
overmacht was zoo groot, dat het onverschrokken zestal weldra overmand
en gebonden werd weggevoerd.
Dat was een verschrikkelijke gebeurtenis.
In het begin had men een flauwe hoop, dat er met zulke moderne
negers, die vertooningen hielden, waarmee men in het Amsterdamsche
Rembrandt-Theater een goed figuur zou maken, wel te redeneeren zou
zijn. Maar weldra bleek niet alleen, dat men zich op geen enkele
manier verstaanbaar kon maken, doch ook dat men blijkbaar met een
bloeddorstigen stam te doen had, getuige de talrijke trofeeën van
schedels en doodsbeenderen, die men opgesteld zag in een ander,
eveneens met flambouwen verlicht gedeelte van de gewelven, waar de
zes vrienden nu heengebracht werden.
Eenige zeer rijk versierde negers, die blijkbaar tot de
regeeringspartij van den stam behoorden, namen nu op een
uit rotsblokken gevormde verhevenheid plaats, en schenen
raad te houden. Zij gaven een teeken, en de gevangenen werden
voorgebracht. Eerst beproefde men elkaar door gebaren te begrijpen,
maar toen dit geheel mislukte, scheen een der hooge heeren op een
beter denkbeeld te komen. Hij zond een boodschapper af, en deze kwam
terug met den helper, die zooeven bij de comedievoorstelling had
geassisteerd. Men wilde hem blijkbaar als tolk doen dienen.
Benieuwd wat deze neger van zijn betrekking terecht zou brengen, keken
de gevangenen toe. Het opperhoofd gaf den tolk eenige instructies,
en tot groote verbazing der zes mannen, vroeg de neger hun in zuiver
Hollandsch:
"Wie van u is de verantwoordelijke persoon van uw expeditie?"
"Ik," antwoordde Li.
"Het opperhoofd van den stam der Ligo-Ambura [1] vraagt of zij u
zonder gevaar uw wapens kunnen afnemen."
"Dat kan," zei Li, "maar wij zullen ze zelf wegleggen, want wanneer een
oningewijde ze aanraakt, zal hij groote rampen over den stam brengen."
De tolk bracht dit antwoord over, en het opperhoofd gelastte nu,
dat Li hem de pistolen zou brengen.
Het opperhoofd keek er eenigszins angstig naar, en liet toen door
den tolk weten, dat hij verlangde er mee te zien schieten. Tevens
gaf hij bevel een der andere negers als doel te gebruiken.
Li deed hem opmerkzaam maken, dat dit niet ging, want dat de neger
dan bewusteloos zou neervallen.
Maar dat scheen het opperhoofd een zaak van ondergeschikt belang,
en hij herhaalde zijn bevel zoo dreigend, dat Li wel moest gehoorzamen.
Er werd nu een slaaf voorgebracht, en Li schoot een gaspatroon op hem
af, met het gevolg, dat de man bewusteloos neer viel, veroordeeld om
daar vier-en-twintig uur te blijven liggen.
Deze uitwerking bracht er eenigszins den schrik in, vooral toen de
gassen bovendien nog vier andere negers, die in de nabijheid stonden,
eveneens bewusteloos deden worden. Het opperhoofd kreeg nu zooveel
ontzag voor de wapens, dat hij Li deed gelasten ze bij elkaar op
een daarvoor aangewezen rotsblok aan het verste gedeelte der zaal
neer te leggen. Verscheiden negers bleven er angstig om heen dwalen,
nieuwsgierige blikken naar die wonderdingen werpend, maar niemand
durfde zich in de nabijheid wagen.
Toen volgde de vraag, of de gevangenen bovennatuurlijke wezens waren.
Li liet hierop antwoorden, dat ze reizigers waren die leeuwen kwamen
schieten en overigens slechts vredelievende bedoelingen hadden.
Het opperhoofd deed nu nog verscheidene vragen stellen, die de tolk
naar zijn eigen inzicht beantwoordde. In de plaats daarvan, doende
of hij de vragen vertaalde, hield hij het volgend gesprek met Li.
De tolk: "Weet u wel waar u hier bent?"
Li: "Neen."
De tolk: "In handen van menscheneters."
Li: "Maar wat doet u dan hier?"
De tolk: "Ik ben een Hollander, de bediende van een
ontdekkingsreiziger. We zijn al een jaar hier gevangen."
Li: "Maar waarom sparen ze u het leven?"
De tolk: "Professor Korling geeft allerlei
goochelvoorstellingen. Daarmee heeft hij zichzelf en mij het leven
gered, en op die manier hebben we dat leven al een jaar lang gerekt."
Li: "Dat is verschrikkelijk. En wat denkt u dat ze met ons zullen
doen?"
De tolk: "Opeten, zonder twijfel. Elke blanke die in hun handen valt,
wordt levend geroosterd en daarna opgegeten."
Li: "Een prettig vooruitzicht. Komen er hier veel blanken?"
De tolk: "Tamelijk veel. Ze gaan hier dikwijls op de leeuwenjacht,
en vermoeden dan niet dat zich in deze eertijds onbewoonde streken
kannibalen ophouden. De Ligo-Ambura zijn een stam, die zich van de
hunnen hebben afgescheiden. Uit Midden-Afrika gekomen, hebben ze ze
zich hier in die holen, een oude stroombedding, gevestigd."
Li: "Denkt ge, dat er kans is te ontsnappen?"
De tolk: "Zeer weinig, anders hadden wij het al gedaan."
Hiermee eindigde het gesprek, want het opperhoofd gaf het bevel de
gevangenen weg te brengen.
Zij werden nu in een andere "zaal" gebracht, grenzende aan deze,
en werden daar den geheelen dag gelaten.
Tegen den avond bracht men hun eenig voedsel, hoofdzakelijk bestaand
uit wat taai, oneetbaar leeuwenvleesch, en daarna liet men hen weer
aan hun lot over.
Toen ze alleen waren werd er raad gehouden. Li stelde voor zich
van de pistolen meester te maken, maar de omstandigheid dat de stam
verscheidene honderden leden telde, deed hen van een algemeenen aanval,
waarbij zij toch wel het onderspit zouden delven, afzien.
Het was een wanhopige toestand.
De groote kans, dat zij morgen levend gebraden en opgegeten, zouden
worden, stemde hen geen van allen vroolijk, maar ze bleven toch nog
geruimen tijd over middelen ter ontsnapping nadenken, nu evenals
altijd den moed niet verliezend.
Tegen tien uur 's avonds werd een zwaar rotsblok, dat den ingang
afsloot, opzij geschoven; twee negers kwamen binnen, en de deur,
of liever gezegd het rotsblok, ging weer dicht. Zoodra de opening
gesloten was, kwam een der negers, dien men herkende als hem, die
dien middag de voorstelling had gegeven, met uitgestrekte handen op
hen toe, en zei in het Hollandsch:
"Hoe heerlijk, dat ik landgenooten tref! Maar hoe treurig, dat u
lotgenooten moet zijn!"
Hij stelde zich nu voor als de bekende ontdekkingsreiziger Willem
Korling, en vertelde dat hij, evenals zijn knecht, gedwongen was
geworden een negercostuum aan te trekken en zich zwart te verven,
opdat zij de negers door hun Europeesche kleeding en hun blanke kleur
niet voortdurend zouden ergeren.
"Korling!" zei La, "dus ik heb goed geraden!"
"Wist u dan, dat ik hier was?"