En zoo werd dan besloten, dat het koffertje den volgenden morgen

onder militair geleide in Li's hotel zou gebracht worden.

Het was inmiddels vrij laat geworden. Zijne Majesteit trok zich in

zijn appartementen terug; de rijtuigen der gasten werden afgeroepen,

en ook Li met gezelschap reed in hofkoetsen naar Longmanstreet.

Daar aangekomen, zat men nog enkele oogenblikken gezellig bijeen. Li

was klaarblijkelijk zeer ingenomen met den gang van zaken, en zei

vroolijk tot Rob:

"Het halve werk is gedaan!"

"Maar ik dacht," zei Rob, "dat je het koffertje _zonder_ de diamanten

te leen kreeg!"

"Natuurlijk, beste jongen!" lachte Li, "maar ik had ook geen oogenblik

gedacht dat ik de diamanten er bij zou krijgen!"

"Maar hoe wil je dan..." begon Rob.

"Geduld maar! Je zult 't wel zien, hoe 't nu verder gaat. Nu komt

onze geleerde La in actie."

"Electriciteit overwint alles!" antwoordde deze raadselachtig.

"Ik ben erg benieuwd," zei Rob. "Maar vertel eens, Li, hoe kwam je

aan dien prachtigen diamant? en was 't eigenlijk niet zonde om dien

weg te geven?"

"Niet erg," zei Li leuk. "Kijk onze alchimist eens lachen--'t is

alweer La, die er achter zit. Die fabriceert in z'n vrijen tijd

valsche diamanten--van koolstof onder electrischen druk--en je ziet

dat z'n uitvinding ons al goed te pas is gekomen!"

ZEVENDE HOOFDSTUK.

LI STEELT DE KROONJUWEELEN.

Li krijgt het koffertje te leen.--La verricht nieuwe

wonderen.--De Koning ontvangt een splinternieuw koffertje.--Hoe

hij beetgenomen werd.--De kroonjuweelen zijn gestolen!--Het

verhaal van de diefachtige poes.--Li heeft de diamanten te

pakken.--De groote ontdekkingsreiziger steekt met zijn jacht

van wal.--Terug op De Vogel.--De reis naar Transvaal.--Hoe

het met de diamanten afliep.

De volgende dagen waren weer gewijd aan lezingen, officiëele bezoeken,

feestmaaltijden, waaraan geen einde scheen te komen. Li en zijn

metgezellen schenen wel van ijzer te zijn, zoo onvermoeid namen

ze aan al die dingen deel, maar Rob werd het nu en dan te machtig,

en Li zorgde er dan ook menigmaal voor dat hij tijdig naar bed ging

en er voor zijn afwezigheid bij het een of ander feest een geldige

reden werd gevonden.

Den 3en November werd er aan het hotel in Longmanstreet een

kabinetschrijven van den Koning bezorgd, inhoudende dat dienzelfden

middag door een officier van de Householdguards, onder geleide van

zes manschappen het koffertje zou bezorgd worden, waarin de beroemde

edelsteenen bewaard werden. Toen Li den brief las, glimlachte hij

zwijgend. Rob verbaasde zich wat Li met dat kistje doen zou, maar

zweeg eveneens en wachtte af.

Des middags werd het kostbare voorwerp gebracht. Li gaf het

onmiddellijk aan La over, en nu begaven allen zich in een vertrek,

waarvan Rob het bestaan nog niet wist, en waar voor La een geheel

laboratorium bleek te zijn ingericht, en wel door Nof, die met zijn

vliegmachine des nachts al de benoodigde instrumenten naar binnen

had gebracht.

La zette zich aan het werk. Hij maakte een vorm van het zoo gemakkelijk

te bewerken en te plooien monum, die geheel om het kistje sloot,

zoodat alle onderdeelen van het snijwerk daarin werden afgedrukt. Uit

de kranten wetende, dat het koffertje vervaardigd was van een in

Britsch-Indië veelvuldig voorkomende acacia-houtsoort, had hij

gezorgd zich reeds lang van te voren een blok van die houtsoort te

verschaffen. De monum-vorm werd nu met de opening naar boven gelegd,

het houtblok haaks gezaagd, zoodat het eenigszins grooter inhoud had

dan de vorm binnenwerks, en vervolgens boven de opening geplaatst. Een

sterke electrische stroom werd nu door het monum geleid, en Rob zag

tot zijn verbazing, dat een lichte druk boven op het blok voldoende

was om dit in den vorm te doen zakken. Het overtollige hout werd door

den scherpen rand van den vorm afgesneden, en nadat het monum was

weggenomen vertoonde het blok uiterlijk geheel den vorm van het kistje.

Nu sneed La het blok met een zeer dun, door electriciteit in gloeiïng

gebracht zaagje in tweeën, zoodat hij het in een doos en een deksel

scheidde; daarna werden beide blokken eveneens met een monum-vorm

geheel volgens het model uitgehold. Ten slotte werden scharnieren

aangebracht, en het geheel met een bruine vloeistof bestreken,

waardoor het volkomen de kleur van het model verkreeg. En zoo stonden

er nu twee treffend op elkaar gelijkende kistjes naast elkaar op de

werkbank, die in niets van elkaar verschilden!

Het moeielijkste kwam echter nu eerst. Lo bracht nu tegen den

achterwand een zeer smallen tweeden wand aan, die zoo was ingericht,

dat hij bij het sluiten van den deksel een op den bodem van het

koffertje gelegd voorwerp geheel verborg, zonder dat er uiterlijk

iets van dien dubbelen bodem te bemerken was. Opende men opnieuw den

deksel, dan bleef die dubbele wand liggen.

Alles was nu gereed.

Toen de termijn verstreken was, vroeg Li een audiëntie bij den

Koning aan, ten einde zelf het koffertje te mogen terugbrengen, en

zoo de gelegenheid te hebben Zijne Majesteit voor deszelfs groote

welwillendheid dank te zeggen.

De audiëntie werd toegestaan. Met belangstelling beschouwde de Koning

de foto's, die Li door La van het kistje had doen maken, en hij was

zelfs zoo welwillend den grooten Poolreiziger uit te noodigen zijn

hulp te verleenen bij het weder op hun plaats brengen der juweelen. Li

nam dit aanbod gaarne aan; met eigen handen legde de Koning kroon en

diadeem weer in het koffertje, en toen Li het deksel gesloten had, wist

hij dat de dubbele wand de sieraden geheel bedekte, dat het bij het

opnieuw openen van het kistje den schijn zou hebben als was de inhoud

verdwenen, en dat men de list niet zou doorzien, omdat de onderwand

van het nagemaakte kistje zoo aanmerkelijk veel dunner was dan de

zeer zware bodem van het echte, dat de dubbele bodem even diep onder

de bovenzijde lag als de enkele bij het oorspronkelijke koffertje.

Nadat de Koning zorgvuldig de brandkast had gesloten en zich nog

eenigen tijd met Li onderhouden had, nam deze afscheid.

In het hotel aangekomen, vond hij zijn reisgenooten in gespannen

nieuwsgierigheid bijeen.

Hij knikte hen vroolijk toe.

"Alles gaat uitstekend," zei hij. "Binnen een week zijn de juweelen

hier in huis."

Men was gewoon, dat Li zulke uitspraken niet deed, of de feiten stelden

hem in het gelijk. Maar dit nam niet weg, dat men zeer benieuwd was hoe

het nu verder met deze geschiedenis zou afloopen. Rob vooral toonde

zich zeer verlangend naar den uitslag der onderneming en begreep nog

niet goed hoe het gaan moest.

Lang behoefde men niet in spanning te blijven. Reeds den volgenden

avond ontving Li bezoek van een in 't zwart gekleed heer, die zich

eenvoudig liet aandienen als mr. Johnson, maar daarna de Eerste

Kamerheer van den Koning bleek te zijn, die Li onder vier oogen

meedeelde, dat Zijne Majesteit hem den volgenden morgen wenschte

te ontvangen, en dat hij daartoe in een gesloten huurrijtuig zou

worden afgehaald.

Toen mr. Johnson vertrokken was, en Li de overigen den inhoud van

't gesprek meedeelde, schrok Rob erg.

"Het geheim van 't koffertje kan toch niet ontdekt zijn?" vroeg

hij angstig.

"Geen sprake van," antwoordde Li kalm. "Laten we maar tijdig naar

bed gaan en rustig slapen, blij dat we van avond eens geen officiëel

feest hebben bij te wonen."

Den volgenden morgen om tien uur kwam het rijtuig voor.

Li steeg in, en weldra bevond hij zich in 's Konings particulier

kabinet. Het gezicht van Zijne Majesteit stond zeer ernstig.

"Mr. Lane," sprak hij, "ik heb u doen ontbieden in verband met een

zeer vreemd geval. Gisterenmiddag opende ik het koffertje, dat de

kroonjuweelen bevat, eerlijk gezegd omdat ik nog eens nauwkeurig

wilde nagaan of het geen schade had geleden terwijl het in uw

handen was. U moet mij dat niet kwalijk nemen; ik hecht zoo aan dat

meesterwerk van houtsnijkunst, dat ik er steeds een overdreven zorg aan

wijd. Natuurlijk vond ik het in de beste orde, niet het minste spoor

van een minder voorzichtige behandeling was er aan te bemerken--iets

wat ik trouwens verwachten kon, maar waarvoor ik u toch dankbaar ben."

Li boog zwijgend, en de Koning vervolgde:

"Stel u echter mijn verbazing en tevens mijn schrik voor, toen ik de

diamanten spoorloos verdwenen vond! Een oogenblik durfde ik mijn oogen

niet vertrouwen; ik meende zelfs aan een zinsbegoocheling onderhevig

te zijn. Maar het bleek maar al te waar: de diamanten waren en bleven

weg! Had ik ze niet zelf een dag te voren eigenhandig in het koffertje

gelegd--het geen u, die daarbij aanwezig was, immers bevestigen

kunt--dan zou het verdwijnen mij niet zoo sterk verbaasd hebben als

nu. Er is natuurlijk geen andere mogelijkheid dan diefstal--wonderen

komen in onzen tijd niet voor! Maar wie is de dief? En hoe had de

diefstal plaats? Even zeker als, theoretisch beschouwd, alleen door

diefstal de steenen verdwenen kunnen zijn, even vast staat het,

dat die diefstal uit een practisch oogpunt eenvoudig ondoenlijk

is. Niemand kent het zeer samengesteld geheim van de sluiting der

brandkast--deze was trouwens geheel onbeschadigd--maar sterker is,

dat de deur van mijn slaapvertrek dag en nacht door twee schildwachten

wordt bewaakt, die door mijn ordonnans-officier, den commandant der

paleiswacht en mijzelf herhaaldelijk worden gecontroleerd. Ik vraag u:

zou men hier niet bijna aan een mirakel gaan gelooven?"

"Het is ongetwijfeld een hoogst merkwaardig geval, Sire," zei Li

nadenkend. "Toch moeten we niet te gauw aan bovennatuurlijke werkingen

gelooven of zulk een gebeurtenis te diep onderzoeken. Ik heb wonderen

zien verrichten door Indische fakirs, die oppervlakkig beschouwd

zuiver hekserij schijnen, en die toch een hoogst eenvoudigen truc tot

grondslag hebben. Zoekt men hun oorsprong te ver, dan kan men zeker

zijn te dwalen."

"U bedoelt daarmee, dat...."

"Dat de zaak vermoedelijk veel eenvoudiger is dan we denken. Doch

ik ben zoo onbescheiden op Uwer Majesteit's vermoedelijke plannen

vooruit te loopen."

"Integendeel, ik hecht waarde aan uw advies. U was trouwens degene,

die, met mij, de diamanten het laatst gezien heeft, die evenals ik

de absolute zekerheid bezit dat ik eigenhandig kroon en diadeem in

het kistje plaatste. Ik dacht daarom dadelijk aan u, toen ik die

kostbare voorwerpen miste. U kunt misschien helpen een, zij 't ook

zeer vaag, spoor te vinden. Herinner u eens goed, wie waren in onze

omgeving, toen u mij het kistje terugbracht? Zag u in de vertrekken

en gangen die wij doorgingen, geen personen, wier aanwezigheid

daar u vreemd voorkwam? Weet u zeker, dat de beide schildwachten

voor mijn kamerdeur stonden? Hebt u duidelijk gezien dat ik de

brandkast zorgvuldig sloot? Hebt u bij uw vertrek uit het paleis niets

verdacht waargenomen? Zooals u ziet zijn er vragen genoeg, de moeite

van het overwegen waard. Niemand weet nog van het verdwijnen der

kostbaarheden. Ik verlang ook dat daaraan voorloopig niet de minste

ruchtbaarheid wordt gegeven. Juist door in stilte en stelselmatig

te werk te gaan, hebben we de meeste kans van slagen. Bovendien zou

ik niet gaarne den schijn op mij laden, zulk een kostbaar geschenk

als die juweelen slecht beheerd te hebben. Kortom, ik heb alle reden

vooreerst alleen op uw hulp te vertrouwen. En ik hoop met succes."

"De taak, die Uwe Majesteit zich verwaardigt mij op te leggen, is

vereerend, maar zwaar. Ik zou verkeerd doen, met mij in de uitvoering

daarvan te overhaasten. Wil mij eenige dagen toestaan, waarin ik

rustig over het geval kan nadenken. Ik woonde op mijn reizen meer

zulke geheimzinnige diefstallen bij, die later bleken een verbluffend

eenvoudig verloop te hebben gehad, en het zou mij niet verwonderen

als ook hier iets dergelijks in 't spel was. Instinctmatig voel ik,

dat de oplossing hier zeer voor de hand ligt. Misschien zelfs vind ik

in de vele aanteekeningen, die ik over mijn reizen maakte, gevallen

vermeld, die op dit gelijken. Hoorde Uwe Majesteit ooit, hoe uit den

Grooten Tempel te Delhi het Gouden Hart van Boeddha gestolen werd?"

Toen de Koning ontkennend antwoordde vervolgde Li:

"Eenige jaren geleden verdween dat voorwerp plotseling uit den

tempel. Er heerschte groote verslagenheid, want de bevolking zag er

het voorteeken van een naderend onheil in. Maar ook brak men zich het

hoofd met de vraag, hoe die verdwijning mogelijk was. Het Gouden Hart

was dien dag in processie door den tempel gedragen, ter gelegenheid van

een godsdienstig feest. Daarna had men het voor ieder zichtbaar op zijn

gewone plaats boven het altaar gelegd, dat dag en nacht bewaakt werd

door biddende priesters. Alle uitgangen van den tempel, ja zelfs de

vensters, werden steeds en onder alle omstandigheden door krijgslieden

bewaakt. Tien minuten nadat het Hart boven het altaar geplaatst was,

en de tempelgangers inmiddels het gebouw ontruimd hadden, strekte

de Hoogepriester met een kreet van schrik de hand naar het altaar

uit.... De biddende priesters zagen op--het Gouden Hart was verdwenen!"

"En hoe was dit wonder geschied?" vroeg de Koning in gespannen

belangstelling.

"Op een bijna kinderachtig eenvoudige wijze, Sire," vervolgde Li. "Een

vreemdeling, hartstochtelijk verzamelaar, bezat een merkwaardig middel

om in het bezit te komen van die voorwerpen, welke hij niet door geld

machtig kon worden, en die hij toch zoo gaarne aan zijn collectie

wilde toevoegen. Dat middel was--een kat! Dit slimme dier was er van

jongs af op gedresseerd zich vlug en onbemerkt meester te maken van

elk voorwerp, dat zijn meester hem met een enkel gebaar aanduidde. Zoo

ging het ook met het Gouden Hart. De zwarte, in de namiddagschemering

nauw zichtbare kat deed haar werk voortreffelijk. Ze sloop naar het

altaar, had binnen enkele seconden het verlangde voorwerp in haar

bek en schoot met onhoorbare snelheid tusschen de priesters door,

den tempel uit en haar meester achterna. Later ontdekte men, bij

gelegenheid van een anderen diefstal, het vermiste voorwerp in de

collectie van den vreemdeling, en zoo kwam ook de kattenlist aan het

licht. Toen bleek dus, dat een eenvoudige poes bewerkt had, wat de

priesters voor een mirakel van godenhand hadden uitgemaakt."

"Uw verhaal is even intressant als spannend," zei de Koning. "En uw

ondervindingen op dit gebied geven me hoop, dat u het spoor in deze

duistere geschiedenis zult kunnen vinden. Dus--zwijgen tegenover

iedereen; zoodra u iets meent gevonden te hebben, ontvang ik bericht."

Li beloofde nogmaals zijn uiterste best te zullen doen, en keerde

toen naar huis terug.

"Over twee dagen!" zei hij alleen tot Rob, die hem vragend aanzag.

Er gingen nu twee dagen voorbij, die Li gebruikte om door middel van de

nieuwsbladen te doen rondbazuinen, dat hij in de volgende week voor een

paar maanden met zijn jacht den Atlantischen Oceaan ging doorkruisen.

Toen die twee dagen om waren, vroeg Li opnieuw een audiëntie bij den

Koning aan, welke dadelijk werd toegestaan.

Zijne Majesteit kwam Li met uitgestrekte handen tegemoet, en vroeg

terstond:

"Wel, hebt u kans gezien, eenig licht te vinden in de duistere zaak?"

"Ik geloof inderdaad, Sire, dat ik den dader op het spoor ben."

"Den dader?" riep de Koning verrast. "Dus u gelooft dat we hier

werkelijk met een diefstal te doen hebben?"

"Ik geloof het niet alleen, ik weet reeds zeker, dat er een zeer

eenvoudige, hoewel sluw aangelegde diefstal in het spel is. Ik heb

echter nog niet alle bewijzen in handen."

"Maar vertel me dan voorloopig hoe u tot die schitterende ontdekking

gekomen bent," vroeg de Koning nieuwsgierig.

"Vergeef me, Majesteit," sprak Li, "dat ik Uw geduld nog eenigen tijd

op de proef stel. Ik kan me immers vergissen, en zou niet graag willen,

dat ik U zoowel als mezelf met een ijdele hoop gevleid had. Vergun

me dus, dat ik U niets mededeel, eer ik met volkomen zekerheid kan

oordeelen."

"Ik waardeer en begrijp uw voorzichtigheid, mr. Lane," antwoordde de

Koning, "en ik zal u daarom niet langer met nieuwsgierige vragen lastig

vallen, hopende u daarmee tevens te toonen welk een volkomen vertrouwen

ik in u stel. Ik wil u op alle mogelijke wijzen van dienst zijn. Zeg

mij slechts, waarmee ik u in het belang uwer verdere onderzoekingen

van dienst kan zijn."

"Wanneer het niet te veel van Uw goedheid gevergd is," zei Li "zou

ik gaarne nogmaals tijdelijk in het bezit gesteld worden van het

kistje. Het kan me bij mijn nasporingen van groot nut zijn."

"Met het meeste genoegen zal ik het u nogmaals in gebruik afstaan,

en wel voor zoo lang als u het denkt noodig te hebben. U kunt het

zelfs nog heden in uw rijtuig meenemen."

Na deze woorden haalde de Koning zelf het koffertje te voorschijn. Eer

hij een lakei ontbood, die het zorgvuldig verpakt in Li's rijtuig

zou brengen, drukte hij nogmaals op de veer, die het deksel deed

openspringen, en staarde met weemoedigen blik in de leege ruimte.

"Hoe lang zal het duren, eer ik mijn schatten weer terug heb," sprak

hij met een zucht.

"Misschien korter dan U denkt, Sire," zei Li. "Ja, ik heb zulke goede

verwachtingen van den uitslag mijner pogingen, dat het is alsof ik

de juweelen daar reeds weer op den boden van het kistje zie liggen."

Toen Li in Longmanstreet teruggekeerd was, riep hij zijn getrouwen

bijeen. Hij toonde hun het koffertje, deed het open, sloeg den

dubbelen wand opzij--en daar lagen voor aller verbaasde oogen de in

veelkleurigen glans schitterende kroonjuweelen!

Li bergde de kostbare stukken eenvoudig in het handtaschje dat hem

steeds op reis vergezelde; toen gaf hij het nagemaakte kistje aan Lo,

die het twee minuten later door middel van een electrischen stroom

tot een fijn poeder verbrand had.

"Ziezoo," zei Li. "Nu kan de Koning zijn eigen koffertje terug

krijgen."

Drie dagen later was Li opnieuw ten paleize. Hij overhandigde het

avontuurlijke kistje weer aan den Koning, en meldde dezen, dat hij nu

nog slechts over eenigen tijd moest kunnen beschikken, en de diamanten

zouden terecht zijn.

"Wees ervan verzekerd, Majesteit, dat de juweelen aan den rechtmatigen

eigenaar zullen teruggegeven worden," zei hij met een fijn glimlachje.

De Koning was verrukt. Hij drukte Li herhaaldelijk de hand, en beloofde

hem de grootst denkbare eerbewijzen als zijn taak tot een goed einde

zou gebracht zijn.

"Uwe Majesteit zal vernomen hebben," zei Li, "dat ik volgens

de nieuwsbladen het plan heb eenige maanden in den Atlantischen

Oceaan te gaan kruisen. Mijn eigenlijk doel is echter, den dief te

achterhalen, die het koninkrijk verlaten heeft, en omtrent wien ik

zekere aanwijzingen heb dat hij op weg is naar Zuid-Afrika."

De Koning kon geen woorden vinden om zijn dankbaarheid te uiten,

en toen Li met zijn reisgenooten den volgenden dag in zijn jacht

Dover verliet, was hij tot Pair van Engeland verheven, en bezat hij,

behalve het grootkruis van de Engelsche Huisorde, een mandaat, dat

hem machtigde levenslang uit 's Konings particuliere schatkist een

jaargeld van vijfduizend pond te trekken. Het jacht was nog geen

vijf minuten in zee, of Li strekte de hand uit, en achtereenvolgens

plompten de aanstelling tot Pair, de Bathorde, de Huisorde en het

mandaat in de golven.

"Ik heb immers de diamanten!" zei hij eenvoudig.

Daarna keerde hij zich tot Rob en vroeg vroolijk:

"Wel--wat zeg je nu van ons avontuur?"

"Ik heb in al mijn boeken van Bertrand nog nooit zoo iets gelezen,"

zei Rob, "en die zijn toch wel de mooiste en avontuurlijkste boeken

die ik ken. Las je ze wel eens?"

Li had schik in de verbazing van den jongen, en zei:

"In mijn jeugd bestonden er zulke prachtige boeken nog niet. Maar ik

maakte er wel eens kennis mee. Ze schijnen in alle talen vertaald

te worden, want op mijn vele reizen zag ik ze zoowel in China als

in Amerika, op Groenland, in Siberië en op de Zuidzee-Eilanden. Maar

dat is zeker, ons diamanten-avontuur is 'n aardig stukje geweest."

Rob kon niet nalaten te zeggen:

"Alles is je wel erg meegeloopen. Het gebeurde eigenlijk allemaal

net zooals je het graag wou. Maar wat zou je nu gedaan hebben als

het eens niet zoo vlot van stapel was geloopen?"

"Ach," zei Li leuk, "dan had ik er wel weer een ander middel op

gevonden. Hebben moest ik ze."

De zeereis was weer even voorspoedig als te voren. Den 15en November

was men weer op Green-Eiland, met een hoera verwelkomd door Mu, die De

Vogel weer op zijn gewone plaats onder de boomen had verborgen. Ditmaal

was er geen oorlogsschip te zien dat de reizigers bemoeielijkte.

Enkele uren na de landing kwam ook Nof met de vliegmachine aan, en

bracht het voor Rob heerlijke bericht, dat het hem gelukt was den

brief aan Rob's voogd des nachts onbemerkt in de bus te doen. Ook

bracht hij eenige kranten mee, waarin al de in 't Eerste Hoofdstuk

vermelde gissingen omtrent Rob's verdwijning stonden, en waarin allen,

de held niet 't minst, veel schik hadden.

Nof kreeg niet lang rust, want Li gelastte hem dadelijk het jacht

naar Dover te brengen, het daar onbeheerd in de haven te laten liggen,

opdat de Engelsche regeering er over kon beschikken, en dan met de mee

te nemen vliegmachine zich weer bij de overigen te voegen. Het punt

van bijeenkomst werd hem door Li schriftelijk in cijfertaal opgegeven.

Alles, wat uit het huis in Longmanstreet in het jacht was geladen,

werd nu op De Vogel overgebracht, en men was reisvaardig voor het

verdere doel van de onderneming.

Nog denzelfden avond stak De Vogel van wal. De reis ging nu

rechtstreeks naar Vrijheid, waar de Transvaalsche Regeering op dat

oogenblik haar zetel had. De lucht was voortdurend helder, hoewel

koud, en het was een heerlijke gewaarwording met de maximum snelheid,

die De Vogel kon ontwikkelen, door den ijlen, drogen dampkring te

vliegen. Niet altijd was het gemakkelijk, den juisten weg te vinden;

de kinematografische opnamen van den Atlantischen Oceaan gaven slechts

vage beelden, waarin het oog vergeefs een steunpunt zocht, en zoo

moest herhaaldelijk aan zon en sterren gevraagd worden waar men zich

bevond. Gemiddeld genomen, ging de reis echter zeer voorspoedig, en

in den nacht van den 26en op den 27en November werden de Transvaalsche

steenen in de tent van den waarnemenden President gedeponeerd, zonder

dat deze zich van hun herkomst ook maar in de verste verte rekenschap

kon geven.

Men zal zich herinneren, dat op het eind van 't jaar 1901 de kranten

vage, verwarde berichten gaven omtrent een belangrijken diefstal van

diamanten aan het Engelsche Hof. Enkele weken daarna werden geruchten

weer tegengesproken, en ten slotte vernam men er niets meer van. De

toedracht van dit geval weet de lezer nu grootendeels. Er behoeft

nog slechts aan toegevoegd te worden, dat de Transvaalsche Regeering,

edelmoediger en fierder dan de Engelsche, de diamanten onmiddellijk

terugzond, met de laconieke mededeeling dat het haar aan geld niet

ontbrak. De Koning gelastte dat men de grootste stilzwijgendheid zou

bewaren over deze gebeurtenis, waarin hij zelf immers een min of meer

komische rol vervuld had. Meermalen heeft hij daarna de diamanten

en het kistje peinzend bekeken; de spoorlooze verdwijning van Sir

James Lane, Pair van Engeland, drager van verscheiden hooge orden,

heeft hem steeds zonderling toegeschenen--maar het rechte verband

der dingen is hem nooit goed duidelijk geworden.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

LI VERTELT Z'N GESCHIEDENIS.

Waarin verteld wordt, hoe 't maar 'n haartje gescheeld had,

of Rob was weer in 't Vondelpark gaan wandelen.--Li vertelt

zijn levensgeschiedenis.--Rob hoort van de stichting der

Oranje-Republiek, van Rusland's booze plannen, van de dappere

Elizabeth Helmont en den edelen ingenieur Van Stralen.

Eenige dagen na het vertrek uit Zuid-Afrika, terwijl De Vogel met

groote snelheid in noordoostelijke richting voortvloog, verzocht Li

zijn jongen vriend bij hem in zijn werkkamer te komen. Nadat hij hem

had uitgenoodigd te gaan zitten, sprak hij:

Van Schooljongen tot Koning Een verhaal samengesteld uit de aanteekeningen van Robert I, koning van Czernovië · 第 5 / 27 段