waren het vaartuig ineen te zetten. "Bij onderzoek van het jacht
bleek dit zeer vernuftig gebouwd te zijn, namelijk met uitneembare
onderdeelen. Ook was het door een geniale constructie zoo ingericht,
dat het zelfs door de zwaarste zeeën niet omgeworpen kon worden. La
maakte het voor electrische drijfkracht gereed, zoodat het veel
eenvoudiger te besturen is. We deden er reeds een proefvaart mee,
en zullen 't nu voor de eerste maal voor een grootere reis gebruiken."
"Heeft men nooit getracht Lane op te sporen?" vroeg Rob.
"Jawel; het Britsch Aardrijkskundig Genootschap, door de Regeering
gesteund, rustte een expeditie uit, toen de berichten van Lane
ophielden. Zonder eenig resultaat natuurlijk. Overigens was Lane een
zonderling, eenzelvig man, die kind noch kraai op de wereld bezat,
zoodat ten slotte niemand zich meer om zijn lot bekommerde. Het moet
wel een eigenaardige gewaarwording zijn als men hem nu in eens te
Londen terug ziet."
Rob keek Li verwonderd aan. Daar begreep hij nu niets van.
"Ben je daar verbaasd over?" glimlachte Li. "Als we straks aan boord
zijn, zal je Lane zien. Wacht maar."
Na ongeveer twee uren gewerkt te hebben, had men het jacht gereed. Er
was nu nog eenige tijd noodig om de benoodigde levensmiddelen en vele
andere onmisbare artikelen uit De Vogel in het jacht over te laden,
doch eer de avond viel was men gereed te vertrekken.
"Ziezoo," zei Li, toen allen aan boord waren. "Nu zal ik mijn geweten
geruststellen en het jacht met toebehooren aan de Engelsche Regeering
afleveren, ofschoon het de vraag is of het mij als strandvonder niet
rechtens toekomt."
Toen het donker inviel, en het oorlogsschip met zijn slapende bemanning
nog slechts als een reusachtige, logge, zwarte massa zichtbaar was,
koos het jacht, de "Lane" genaamd, zee. Op eenigen bovenwaartschen
afstand volgde De Vogel, alleen met Mu bemand.
Men zat er gezellig bijeen in het rooksalon, behalve Naf, die zich in
de stuurkamer bevond, en Li die naar de commandantshut was gegaan,
toen Rob's oog op een groot, uitvoerig geschilderd portret viel, op
welks lijst geschreven stond: "James Lane." Hij wilde er heen gaan
om het eens van dichterbij te bekijken, toen de deur geopend werd,
en een man binnentrad, die als van het schilderij weggeloopen scheen.
"James Lane!" riep Rob onwillekeurig uit.
"Juist!" zei vroolijk de binnenkomende--en Rob herkende Li's
stem--"lijkt 't niet sprekend?"
De vermomming was inderdaad treffend. Li had in zijn uiterlijk volkomen
de figuur van Lane nagebootst; alleen was zijn gezicht wat gebruinder,
waren zijn haren wat grijzer.
"Nog vijf dagen," zei Li, "en Lane komt in Engeland terug. Nu, Rob,
denk je niet dat ze den grooten ontdekkingsreiziger, die zooeven van
de Zuidpool terugkeert, met pracht en praal, en zelfs aan het Hof
zullen ontvangen?"
Nu begreep Rob, van welke toevallige omstandigheden Li gebruik wilde
maken om zich toegang te verschaffen tot de onmiddellijke omgeving
van den Koning. Het plan leek hem gewaagd, maar hij twijfelde niet
of Li zou het met zijn gewone zekerheid en behendigheid tot een goede
uitvoering brengen.
Nadat men nog eenigen tijd Li's vermomming bewonderd had, ging deze
zich weer daarvan ontdoen, en kwam weldra terug om nog een paar
gezellige uren in den kring der kameraden door te brengen. Rob voelde
zich nu geheel thuis; hij bemerkte met genoegen dat allen hem als een
der hunnen behandelden, zijn oordeel vroegen, hem in vertrouwen namen,
kortom hem zoo zeer op zijn gemak zetten, dat hij dankbaar was goede
en vriendelijke menschen te hebben ontmoet.
Het ontbrak gedurende de eentonige zeereis niet aan afwisseling. Men
hield zich aan boord met muziek en lectuur bezig, Rob's lessen bij La
gingen geregeld door, en de gezellige gesprekken des avonds aan en na
tafel waren voor Rob even aangenaam als leerrijk. Het viel hem op,
hoe allen hun best deden om vriendelijk en goedgehumeurd tegenover
elkander te zijn, hoe men zich beijverde om het gesprek nooit te doen
verwateren in alledaagsche praatjes, maar 't altijd daarheen te leiden,
dat de een steeds van den ander iets leerde. Vaak was men het ook over
't een of ander onderwerp oneens, maar hoe levendig de discussie ook
werd, altijd bleef de toon hoffelijk en opgewekt, en men eindigde
onveranderlijk met elkaars gevoelens nog meer te waardeeren dan
te voren, ook al was men niet tot overeenstemming kunnen komen. Li
bezat een bewonderenswaardigen tact om zulke discussies te leiden,
en zoo noodig ook tijdig te doen eindigen.
Gedurende de reis was Rob herhaaldelijk in de gelegenheid den
marconi-toestel in werking te zien, die door La bediend werd. Deze
deelde hem nu mee, dat Nof niet alleen met het overbrengen van het
briefje aan Rob's ouders belast was, maar ook eenige toebereidselen
moest treffen in Londen en in Dover, waar men landen zou. Vandaar zond
hij telkens draadlooze telegrammen naar het jacht. Ook met De Vogel,
die nu zoo hoog gestegen was, dat hij zonder kijker niet meer was
waar te nemen, werden nu en dan marconigrammen gewisseld.
Den 24en October, den dag vóor men zou landen, liet Li Rob in de
commandantshut komen, en zei:
"Ik zal je nu enkele dingen vertellen, die je noodig hebt te weten,
omdat ze je misschien te pas kunnen komen. Ten eerste dan, moet je
weten, dat we in Londen met ongeduld verwacht worden."
"Weten ze daar dan al dat je komt?" vroeg Rob.
"Zeker! Nof is vooruitgegaan als mijn particulier secretaris, of liever
als die van Lane. Hij is over land gekomen, naar 't heet, en heeft al
zalen in Londen afgehuurd, en contracten met impressario's afgesloten,
ten doel hebbende de lezingen van den ontdekkingsreiziger Lane voor te
bereiden, welke deze over zijn Zuidpooltocht zal houden. Dagelijks heb
ik hem berichten geseind, welke hij in de groote bladen heeft doen
opnemen, en het publiek is al zoo opgezweept, dat zich officiëele
comité's van ontvangst hebben gevormd en de Koning zijn verlangen te
kennen heeft gegeven den ontdekkingsreiziger te ontmoeten. Heel Dover
en Londen zijn door Nofs zorg met groote, gekleurde aanplakbiljetten
beplakt, waarop mijn, of liever Lane's, welgelijkend portret is
afgebeeld. Men draagt al Lane-dassen, drinkt Lane-limonade, rookt
Lane-sigaren. Het Britsch Aardrijkskundig Genootschap zal ons een
groot feestmaal aanbieden."
Rob zag het eene wonder zich al weer op het andere stapelen. Dat zou
intressant worden. Als hij er nu maar bij kon zijn!
"En hoe gaat het nu met ons allemaal?" vroeg hij. "Wat stellen
wij voor?"
"Wel, daar jullie allemaal Hollanders zijn, stel je Hollandsche
ingenieurs en oud-zeeofficieren voor, die ik voor mijn reis heb
aangeworven nadat mijn scheepsvolk was weggeloopen. Dat klinkt
voornaam; voor matrozen zouden jullie er trouwens niet zeebonk-achtig
genoeg uitzien. En jij zult fungeeren als mijn adjudant; dan kan je
me overal volgen."
"Dat is heerlijk!" juichte Rob. "Dan kom ik dus ook bij den Koning! En
hoe krijg je nu de diamanten?"
"Geduld! dat zal je wel zien," lachte Li. "Voorloopig moet je maar
precies doen wat ik zeg, en op de vragen, die men je mocht stellen,
voorzichtige antwoorden geven."
Rob kon dien nacht bijna niet slapen van opwinding bij de gedachte aan
de avontuurlijke dingen die voor de deur stonden. Hoe zou Li het wel
aanleggen? Zou het lukken? Was het eigenlijk niet een gevaarlijke
onderneming, en wat zou hun lot worden als de list eens ontdekt
werd? Al dergelijke vragen bestormden Rob en hielden hem wakker,
maar ten slotte herkreeg zijn blind vertrouwen in Li, die zoo zeker
van zijn zaak was, en geen oogenblik scheen te aarzelen, de overhand,
en hij sliep gerust in.
De zee was dien nacht, evenals trouwens gedurende de heele reis,
zeer kalm, en de vernuftige inrichting van het jacht maakte dat
het bijna niet slingerde. Rob had dan ook geen oogenblik last van
zeeziekte gehad, en hij sliep dien nacht zoo rustig, dat hij den
volgenden morgen eerst na vijf minuten het geweldig kanongebulder
hoorde, waarmee het jacht, de Engelsche vlag in top voerend, begroet
werd door de ter reede van Dover liggende oorlogsbodems. Snel stond
hij op, kleedde zich vlug aan en liep naar het dek, dat door een
prachtige herfstzon vroolijk beschenen werd.
ZESDE HOOFDSTUK.
ROB KOMT IN LONDEN.
De ontvangst te Dover.--De aankomst in Londen.--Het huis in
Longmanstreet.--Li's eerste lezing over een nooit gemaakte
Zuidpoolreis.--Alle Londensche heeren wenschen zich een
poolmeisje tot vrouw.--Het diner van het Aardrijkskundig
Genootschap.--Rob drinkt thee met den Koning.--De
kroonjuweelen.
Nauwelijks was Rob op het dek, of hij hoorde boven het kanongedonder
uit de muziek van een groot aantal muziekkorpsen, die aan de kade waren
opgesteld, en die onophoudelijk het Engelsche volkslied speelden. Alle
huizen in den omtrek waren versierd en bevlagd; alle schepen waren
met tallooze kleine vlaggetjes opgetuigd en de in het want staande
matrozen joelden. Het was een leven dat hooren en zien hem verging.
Nauwelijks had Lo den jongen in 't oog gekregen of hij duwde hem aan
een arm de kajuitstrap af, en fluisterde hem haastig toe:
"Ga je vlug verkleeden, er ligt een pak voor je in de rookzaal."
Zoo gauw hij kon, trok Rob het mooie, zwarte pak aan, dat hij vond
liggen, en waarin hij er zooveel deftiger en ouder uitzag dan te voren,
dat hij den spiegel, die hem vertelde dat hij nu zijn eerste gekleede
jas aanhad, bijna niet gelooven kon. Toen hij weer naar het dek was
gesneld, vond hij daar Li-Lane eveneens stemmig in 't zwart gekleed,
en de overigen in reistoiletten van allerlei kleuren.
Vóor hij daarover zijn verbazing te kennen had kunnen geven, wees
Li hem op een stoomsloep, die, met muziek aan boord, snel het jacht
naderde.
De sloep kwam op zij, en een deftig heer, in groot ornaat en met
een gouden keten om den hals, beklom de scheepstrap. Boven gekomen,
trad hij met uitgestrekte handen op Li toe, en zei:
"Mister Lane, als burgemeester van Dover, en daartoe door Z.M. den
Koning uitgenoodigd, heet ik u welkom op Engelschen bodem. Het
heeft Z.M. behaagd een koninklijken salon-trein tot uw beschikking
te stellen, die u onmiddellijk naar Londen zal voeren. Het spijt
de burgerij van Dover, dat zij den grooten ontdekkingsreiziger niet
eenigen tijd in haar midden zal mogen behouden, doch zij heeft vernomen
dat u reeds een woning in Londen gehuurd hebt, en zeer verlangend
zijt daar de rust te genieten, die gij na de ontberingen van uw reis
zoo ruimschoots hebt verdiend. Het is mij een eer en een voorrecht, u
uit naam van den Koning, welkom te heeten op den vaderlandschen grond."
Li, die deze toespraak met een vriendelijken glimlach en overigens
zonder een spier te vertrekken had aangehoord, dankte nu den mayor
met een sierlijke, in onberispelijk Engelsch uitgesproken rede. Toen
hij zweeg, werd op de stoomsloep een vlaggetje geheschen, en dadelijk
daarna brak de muziek en het gebulder van het geschut weer los.
Li en de zijnen werden nu uitgenoodigd den burgemeester naar den wal
te volgen, waar ze eenige versierde open rijtuigen vonden gereedstaan,
die hen onder het gejuich der menigte naar het station brachten. Li
groette en boog naar alle zijden, met de rust en het gemak van iemand,
die zooveel groote emoties heeft meegemaakt, dat een huldebetoon als
dit hem niet meer overweldigen kan. Li had met den burgemeester, Lo en
Rob in het voorste rijtuig plaats genomen en deed den mayor een verhaal
van een wonderbaarlijke redding uit de handen van zuidpoolsche wilden,
die hij aan het cordate optreden van Rob te danken had, en waaraan
het toe te schrijven was dat hij Rob steeds in zijn onmiddellijke
nabijheid wilde zien.
"Had deze jonge man mij het leven niet gered," zoo besloot hij zijn
verhaal, "dan zou ik niet in staat geweest zijn de wetenschap met
mijn nederige diensten ter zijde te staan."
De burgemeester vond hierin aanleiding Rob eenige waardeerende woorden
te zeggen, die deze met een verlegen buiging beantwoordde.
Onder het gewuif en gejuich der dicht opeen gepakte menschenmassa
zette de trein zich in beweging, en daar de reis ook door eenige
autoriteiten werd meegemaakt, was men voortdurend verplicht zich te
laten complimenteeren en de rol van beroemde mannen te spelen.
Aan de stations, waar opgehouden werd, en men toespraken moest
aanhooren van burgemeesters en presidenten van corporaties, die
met haar banieren op het perron stonden, kocht Lo eenige kranten,
waarin ze allerlei berichten over zichzelf vonden, die niet weinig
vermakelijk waren om te lezen.
In Londen aangekomen, speelde zich het Doversche programma nogmaals
af. Muziek, toespraken, gejuich, kanongebulder. Door de drukke straten,
die zwart waren van de menschen, reed men in open rijtuigen naar de
Longmanstreet, waar twee kolossale huizen voor Lane en zijn gezelschap
waren gehuurd.
Nog verscheiden malen moesten de reizigers zich op het balkon aan de
geestdriftige menigte vertoonen, die zich niet verstrooide dan nadat
Lane een toespraak had gehouden. En ook daarna werd het niet rustig,
want den geheelen dag regende het bloemen, invitaties en telegrammen
van gelukwensching. Maar vooral werd Li bestormd door verslaggevers van
kranten, die hij allervriendelijkst te woord stond, alle inlichtingen
gevend die ze wenschten, en door wie hij zich ontelbare malen in
allerlei houdingen liet kieken.
Eindelijk tegen den avond, ook doordat Li in de kranten had doen
plaatsen, dat hij de eerstvolgende dagen gaarne met rust zou gelaten
worden, werd het wat stiller, en zat men gezellig bijeen, hartelijk
lachend om de vermakelijke avonturen van dien dag.
Werkelijk vermoeid door de snelle reis en al het eerbetoon, ging
men vroeg naar bed. Naf had uitstekend gezorgd; het geheele huis
was uitstekend gemeubileerd en van alles voorzien wat men maar
wenschen kon, en Rob merkte wel dat Li op de een of andere manier
over onuitputtelijke geldmiddelen beschikte.
Toen Rob naar zijn kamer ging en het venster wilde sluiten, hoorde
hij beneden op straat wapengekletter. Hij keek naar buiten, en zag
dat een compagnie garde-grenadiers een eerewacht had betrokken, en
dat twee reusachtige schildwachts met statige passen voor het huis
heen en weer liepen.
Den volgenden dag bleef men rustig thuis. Li zat aan zijn
schrijftafel, snuffelde in dikke boeken en schreef vele vellen papier
vol. Tegen den avond vernam Rob, dat Li een lezing zou houden voor
twintigduizend menschen in de groote concertzaal van het Koninklijk
Conservatorium. Hij stelde zich veel van die lezing voor, benieuwd
wat Li zijn hoorders zou opdisschen, maar toen men den avond daarop
in open rijtuigen naar het Conservatorium was gereden en Li het podium
had bestegen, stond Rob versteld van de kalmte en de schijnbare kennis
van zaken, waarmee Li zijn Poolreis verhaalde. Na een beschrijving
gegeven te hebben van zijn ondervindingen en ontberingen gedurende
de reis er heen, stond hij uitvoerig stil bij de bizonderheden die
de Pool zelf betroffen. Hij schilderde die als een vrij uitgestrekte,
zeer bewoonbare streek, waar niet, zooals men dikwijls verondersteld
had, het opeengehoopte ijs allen plantengroei en het dierlijk leven
onmogelijk maakte, maar waar integendeel weelderige bosschen en
een zeer intelligente bevolking gevonden waren, welke laatsten de
koene ontdekkers vriendelijk ontvangen had, hoewel zeer verbaasd,
dat er buiten hen zelven nog andere wezens op aarde bestonden die
er ongeveer als zij uitzagen. De bewoonbaarheid en den plantengroei
verklaarde Li hierdoor, dat de warmte, ontstaan door de wrijving van
de aarde om de aardas, groot genoeg was om het ijs over een groote
uitgestrektheid te ontdooien. Toen Li vertelde dat de Poolbewoners
hoogstwaarschijnlijk afstamden van de leden eener sinds onheugelijke
tijden daar aangekomen, doch door de buitenwereld verloren gewaande
expeditie, en dat deze expeditie een Engelsche moest geweest zijn,
aangezien de heerschende taal een wel is waar verbasterde ofschoon
nog zeer begrijpelijke vorm van het Engelsch bleek te zijn--toen
Li dit vertelde, barstte er onder het gevleide publiek zulk een
daverende storm van toejuichingen uit, dat er volle twintig minuten
noodig waren eer het publiek gekalmeerd was en Li zijn rede kon
voortzetten. Na eenige wetenschappelijke verhandelingen ten beste te
hebben gegeven omtrent de aswenteling der aarde, besloot Li zijn met
gespannen aandacht gevolgde lezing door een geestdriftige schildering
van de Zuidpoolsche vrouwen te geven. In haar was naar zijn zeggen
schoonheid en lieftalligheid harmonisch vereenigd. Aan de Zuidpool
kwamen geen ongelukkige huwelijken voor; wie met een Zuidpoolsche
trouwde, kon verzekerd zijn van een duurzaam geluk. Deze met gloed en
geest uitgesproken slottirade bracht het publiek opnieuw in verrukking,
en nog dienzelfden avond wist een verrukt jongmensch zevenduizend
handteekeningen van trouwlustige lotgenooten te verzamelen voor het
stichten van een "South-Polar-women-import-fund." Den volgenden dag
sprak heel Londen over de plotseling beroemd geworden Zuidpoolschen,
en gedurende vele weken werden ze in alle café-concerts in woord
en kleedij geprezen en nagebootst aan de hand van de uitvoerige
beschrijving, die Li van haar uiterlijk had gegeven.
Den 29en October had het groote diner plaats, door het Aardrijkskundig
Genootschap aangeboden. Rob zat op een eereplaats, links van de
echtgenoote van den secretaris, en rechts van de vrouw van den
president, die aan de zijde van Li was gezeten. Het diner, dat
eindigde met de aanbieding van het buitengewoon eerelidmaatschap aan
den ontdekker James Lane, kenmerkte zich door het overgroote aantal
speechen, die Li met onvermoeibaren ijver beantwoordde, daarbij een
kennis van zaken ten toon spreidend, waarvan Rob nu en dan verstomd
stond.
De 1e November eindelijk was bestemd voor de soiree ten Hove. Alle
bewoners van De Vogel, Rob incluis, staken zich voor die gelegenheid
in rok, en Li gaf zijn metgezellen, vooral den jongsten, voor het
vertrek nog de noodige goede lessen met betrekking tot de talrijke
voorschriften, waaraan zij zich aan het ceremoniëele Engelsche Hof
hadden te houden.
Om klokslag negen uur kondigde de Chambellan met luider stem de komst
aan van Sir James Lane en gezelschap, welke betiteling Li er op wees,
dat het den Koning behaagd had den grooten ontdekkingsreiziger een
onderscheiding te verleenen, waarvoor Li Zijne Majesteit nog niet had
bedankt, toen deze zijn vorstelijke mildheid nog verder uitstrekte door
zijn beroemden onderdaan dadelijk na de begroeting met de versierselen
van het commandeurskruis der Bath-orde te omhangen.
Terwijl de gasten zich al pratend door de ruime zalen bewogen,
onderhield de Koning zich zeer vriendelijk met Li en Rob. Zijne
Majesteit deed allerlei vragen, die duidelijk blijk gaven van zijn
belezenheid over het onderwerp, een belezenheid van vermoedelijk jongen
datum. Li gaf uitgebreide, wetenschappelijk getinte antwoordden,
en vooral de beschrijving der Zuidpoolsche dames intresseerde den
Koning zeer. Toen Li vertelde, dat hij aan de Pool ook uitgebreide
diamantvelden had ontdekt, die nog onontgonnen lagen en bestemd waren
kolossale schatten op te leveren, begonnen de oogen van den Vorst te
schitteren. Merkwaardig was het, dat 't woord "diamant" nauwelijks was
uitgesproken, of een lang, correct-gerokt heer, met een monocle in
't oog en een orchidee in 't knoopsgat, die een minuut geleden nog
aan 't andere einde der zaal had gestaan, mengde zich in 't gesprek,
al pratend eenige aanteekeningen in zijn notitieboekje makend. Deze
heer werd voorgesteld als Zijner Majesteits Minister van Koloniën.
Toen het gesprek eenmaal op diamanten was gekomen, wist Li door een
handige overgang ook de kroonjuweelen in de conversatie te mengen,
en hij vroeg, of de edelgesteenten, die den Koning en de Koningin
bij de kroning waren aangeboden, werkelijk van een zoo verbazenden
omvang waren als de dagbladen, waarin hij de beschrijving had gelezen,
vermeld hadden.
In antwoord hierop gaf de Koning een geestdriftige beschrijving van
de kroon en den diadeem, die, naar hij zeide, in een zeer kunstig
uit hout gesneden kastje werden bewaard, dat steeds zorgvuldig in
een brandkast stond gesloten. De brandkast bevond zich in 's Konings
slaapvertrek, en was van een hoogst vernuftige sluiting voorzien,
waarvan het geheim alleen aan hem zelf bekend was.
Li deed nog eenige belangstellende vragen, en haalde intusschen al
pratend een marokijn leeren étui uit den zak, waarin zich eenige
prachtige groote steenen bevonden, welke hij zich veroorloofde den
Koning als een souvenir aan de reis aan te bieden. Zijne Majesteit
was verrukt over de helderheid en het slijpsel der steenen, die
volgens Li door hem zelf aan de Pool waren gedolven, en het behaagde
hem het geschenk welwillend te aanvaarden. Toch kon hij, met een
kennersblik de juweelen monsterend, de opmerking niet weerhouden,
dat de kroondiamanten nog grooter van omvang waren.
Nu gaf Li luide zijn verbazing te kennen. Dat er steenen zouden
bestaan, grooter nog dan die, welke het Zijne Majesteit behaagd
had als een nederige hulde van een zijner meest getrouwe onderdanen
aan te nemen, kwam hem verwonderlijk voor, en hij waagde het zelfs
op zeer bescheiden wijze de mogelijkheid te opperen, dat de Koning
zich vergiste.
Zijne Majesteit, een-en-al welwillendheid, bood den ontdekkingsreiziger
nu aan, zich persoonlijk te gaan overtuigen van de pracht der
kroonjuweelen, die door deskundigen op minstens een millioen
pond waarde werden geschat, en Li toonde zich verrukt over dit
gunstbewijs. Door enkele ministers en andere hoogwaardigheidsbekleeders
vergezeld, ging men nu naar het slaapvertrek, waar zich dicht
naast het praalbed een sierlijk geornamenteerde brandkast bevond,
die door den Koning met enkele onmogelijk te volgen handgrepen werd
geopend. Daarna drukte Zijne Majesteit op een veer, en er schoof een
kunstig bewerkt houten koffertje te voorschijn, waarvan het deksel
zich, eveneens door een druk op een verborgen veer, opende. Nu lagen,
achter glas opgesteld, de kroondiamanten in schitterende pracht voor
de bewonderende oogen der toeschouwers. Het electrisch licht tooverde
de heerlijkste kleurfonkelingen in de geslepen vakken, en allen waren
het er over eens, dat nergens ter wereld de weerga van zulk een pracht
gevonden kon worden.
Alleen Li scheen meer in bewondering voor het koffertje dan voor de
diamanten verdiept te zijn, en vroeg ten laatste:
"Is dit van Indisch maaksel?"
"Juist," antwoordde de Koning. "Het is een voortbrengsel van
Britsch-Indische houtsnijkunst, en een geschenk van den Emir van
Paschuda ter gelegenheid onzer Kroning."
Nadat het gezelschap weer in de zaal teruggekeerd was, liep het gesprek
nog eenigen tijd over het koffertje. Li gaf zijn groote belangstelling
te kennen voor dergelijke industrie in 't algemeen, en vertelde dat
hij op zijn reizen zooveel merkwaardige voorwerpen van handenarbeid
en gebruikskunst had verzameld, dat hij 't de moeite loonend vond
een vergelijkende studie van zuidelijke inlandsche industrie te
gaan schrijven. Zelfs had hij al eenige bladzijden voor dat boek
op schrift gebracht, met het plan het van talrijke illustraties te
voorzien. Daartoe wilde hij vooreerst fotografische opnamen maken van
de voorwerpen uit zijn eigen collectie, maar ook zou hij een dankbaar
gebruik maken van al wat museums en particuliere verzamelaars hem
konden en wilden bieden.
Zijne Majesteit, die het er op gezet scheen te hebben den gast met
gunstbewijzen te overladen, gaf onmiddellijk te kennen, dat hij de
eerste wilde zijn die hem in dit schoone werk ter zijde stond, en bood
Li het Indische kistje in bruikleen aan. De juweelen konden zoo lang in
de brandkast liggen, en wanneer Li beloofde dat hij het koffertje met
de grootste omzichtigheid zou behandelen en het niet langer aan zijn
bestemming onttrekken dan voor de beschrijving en het doen van opnamen
strikt noodig was--in elk geval niet meer dan tweemaal vier-en-twintig
uur--dan was er tegen het in leen geven geen enkel bezwaar.
Li stribbelde nog wat tegen, sprak van de te groote eer die hem
bewezen werd, meende dat hij het aanbod niet mocht aannemen--doch
eindigde met er een dankbaar gebruik van te maken.