Pekompf, de wilde kat, is een der wilde dieren die nog niet uit de
nabijheid der menschen verdwenen zijn. Soms, als ge door het bosch de
heuvelhelling boven de hoeve opklautert, treft ge plotseling een
katachtig beest aan, dat er kwaadaardig uitziet en zich languit op een
rots ligt te zonnen. Zoodra zij u ziet, springt zij met een snauw
overeind en ge hebt juist even den tijd om haar afmetingen te schatten.
Zij is twee keer zoo groot als een huiskat, met een ronden kop en
groote, uitdrukkingslooze oogen, die strak in de uwe staren en koud,
groenachtig glinsteren. Haar rossig-bruine flanken zijn hier en daar
gespikkeld, en de witte vacht aan den onderkant is bij haar zwart
gevlekt,—om zich beter in licht- en schaduwplekken te kunnen
verschuilen. Een kat is ’t ongetwijfeld, maar ze heeft niets van welke
soorten ge ook eerder gezien hebt.
Terwijl ge toekijkt en u staat te verbazen, klinkt er een zwak geluid;
wat ’k u raden mag, let daarop. De spieren van haar lange, dikke pooten
werken zenuwachtig, en terwijl zij zich zoo beweegt, klinkt een
waarschuwend gesnor, niet het zachte keelgeluid van een tevreden
spinnende poes, maar het haken en rijten van leelijke, groote klauwen,
als ze kwaadaardig uitgestoken worden op de dorre blaren. Haar
staartstompje beeft—ge hadt het nog niet opgemerkt, maar nu zwiept het
woedend heen en weer, als om de aandacht te vestigen op het feit, dat
de Natuur dit gedeelte van Pekompf niet geheel vergeten had. Zwiep,
zwiep—’t is een staart—k’iaaaak! En ge springt op, als ’t venijnige
beest u toekrijscht.
Wanneer het uw eerste wilde kat is, zult ge ternauwernood weten wat te
doen—doodstil blijven staan is altijd het beste, tenzij ge een stok of
een geweer in de hand hebt—en wanneer ge Pekompf al veel vaker ontmoet
hebt, verkeert ge nog precies zoo in ’t onzekere over wat zij dezen
keer doen zal. De meeste dieren in de natuur, al zijn ’t ook echte
wilde dieren, gaan ’t liefst stilletjes hun gang en zullen diezelfde
neiging in u eerbiedigen. Maar wanneer ge plotseling voor een wilde kat
staat, zijt ge nooit zeker van haar volgende beweging. Dat is omdat zij
een gluiperig, verraderlijk beest is, net als alle katten, en nooit
precies weet welke houding zij ’t best tegen u aan kan nemen. Zij
wantrouwt u onredelijk, omdat zij weet dat gij háár met reden
wantrouwt. Gewoonlijk gluipt zij weg, of springt plotseling de dekking
in, al naar uw manier van naderen. Maar ofschoon kleiner dan èn de
Canadeesche lynx èn de panter, is ze van nature woester en soms duikt
ze neer en grauwt u toe, of zelfs springt ze u naar de borst bij de
eerste beweging.
Een keer voor zoover ik weet, viel ze als een furie een man op de
schouders, die zich door de schemering huiswaarts haastte, en die
toevallig onverwachts stilstond onder den boom van waaruit Pekompf de
paden zat te beloeren. De man had er geen vermoeden van dat er een
wilde kat in de buurt zat, en dat zou hij waarschijnlijk ook nooit
geweten hebben, als hij kalm zijns weegs gegaan was. Hij had zich, zoo
vertelde hij me later, plotseling ongerust gevoeld, en was stil blijven
staan om te luisteren. Niet zoodra had hij dat gedaan, of ’t beest
boven hem dacht dat het ontdekt was, sprong toe—en daar had je de
poppen aan ’t dansen. Er kwam wat van boven neer—een krijsch—goed
scheurde—een wilde kreet om hulp; toen een kreet tot antwoord, en twee
houthakkers kwamen met hun bijlen aansnellen. Dien avond werd Pekompfs
huid tegen de schuurdeur gespijkerd om in de zon te drogen, eer ze
gelooid werd en tot een mof verwerkt voor ’t dochtertje van den
houthakker om er haar handen mee warm te houden tegen de bittere
winterkou.
Waar de beschaving het meerendeel van haar makkers verdreven heeft is
Pekompf een schuw, stil beest; maar waar de hoeven verspreid liggen en
de hellingen ongerept en boschrijk zijn is zij brutaler en
luidruchtiger dan in de onbevolkte wildernis. Wie aan de deur staat van
een kolenbrandershut in de heuvels van Connecticut, kan haar nog hooren
krijschen en met haar makkers vechten, wanneer de schemering daalt, en
het luidruchtige gekrol maakt dat het u nog kouder over den rug loopt
dan bij eenig ander geluid, dat ge ooit in de wildernis zult hooren.
Terwijl ge den forellenstroom langs gaat, waar de kolenbrander
dagelijks zijn ketel vult, kan ’t gebeuren dat ge Pekompf languit op
een omgevallen boom onder de elzen vindt, aandachtig turend in ’t
forellenwater, en hij wacht, en wacht—waarop? Er zal nog menig seizoen
van bespieden voorbij moeten gaan om deze voor de hand liggende vraag
te beantwoorden, die elk waarnemer van ’t wilde goedje zich
herhaaldelijk gesteld heeft. Alle katten hebben slechts één vorm van
geduld: het geduld om kalm af te wachten. Haar wijze van jagen, behalve
wanneer ze door den honger genoopt worden, is zoo: ze gaan naast de
wildpaden liggen loeren, of hurken neer op een grooten tak boven de
piek waar hun prooi heenkomt om te drinken. Soms wisselen ze hun
programma af en sluipen in ’t wilde weg door ’t bosch, alleen of in
paren, om op goed geluk, domweg hun wild te snappen; want ’t zijn
erbarmelijke jagers. Ze volgen zelden een spoor, niet alleen omdat hun
neus niet scherp is—want in de sneeuw waar een spoor zoo duidelijk als
een hertenpad is, laten ze het met onbekookt ongeduld in den steek,
zonder eenig ander gevolg dan dat het wild zich van schrik
hals-over-kop in veiligheid brengt. Dan hurken ze neer onder een
dwergspar en staren naar het spoor met ronde, starre oogen en wachten
tot de verschrikte dieren terugkomen, of tot er andere beesten langs
hetzelfde spoor naderen. Zelfs bij ’t onderricht van haar jongen is een
wilde moederkat vol grauwende nukken en grillen; maar laat er nu eens
een kalkoen ver weg in het bosch kokkelen, laat Musquash eens in haar
hol duiken, dat de kat het zien kan, laat, al is ’t slechts een
boschmuis eens verdwijnen in haar verborgen gaatje—en onmiddellijk
heeft Pekompf haar geduld terug. Het kwade humeur van de nijdas is
verdwenen. Ze hurkt neer en wacht en vergeet al het andere. Het kan
zijn dat ze net volop gegeten heeft van haar grootste lekkernij, en dus
geen zin heeft en niet van plan is meer te vangen; maar toch moet ze
blijven loeren, als om zichzelf gerust te stellen, dat haar oogen niet
bedrogen zijn en dat Tookhees werkelijk daar onder den bemosten steen
zit, waar ze haar pootjes zag weghaasten en haar angstig gepiep hoorde
toen ze verdween.
Maar waarom zou een kat in een forellenkom zitten loeren, waar nooit
van z’n leven iets uitkomt om haar geduld te beloonen? Dat was
jarenlang een onoplosbaar vraagstuk. Ik had Pekompf menigmaal languit
op een omgevallen boom of dicht tegen een groot rotsblok boven het
water zien liggen, zoo aandachtig op de loer, dat zij mijn behoedzame
nadering niet hoorde. Tweemaal had ik van mijn kano uit Upweekis, den
los, op den oever van een meer in de wildernis tusschen de verweerde
wortels van een aangedreven den zien neerhurken, terwijl zijn groote
klauwen bijna aan ’t water raakten, en zijn oogen met starren blik op
het diepe waterbekken onder zich tuurden. En eens, toen ik op de
forellenvangst was aan een onstuimige rivier, juist tegenover een
versperring van boomstammen en driftgoed, had ik plotseling ’t ingooien
gestaakt met een onbehaaglijk gevoel dat onzichtbare oogen me
bespiedden bij mijn eenzame sport.
Het is altijd goed in het bosch aan zoo’n waarschuwing gehoor te geven.
Ik keek haastig stroomop en stroomaf, maar slechts de snelle stroom van
de rivier leefde. Ik zocht zorgvuldig de oevers af en tuurde
achterdochtig in het bosch achter me; maar behalve een winterkoninkje
dat er uit kwam glippen—’t is net of ’t altijd iets zoekt, dat het
verloren heeft, en naar zijn meening hebben wij daar niets mee te
maken—lagen de oevers ongerept en stil, alsof ze zoo juist geschapen
waren. Ik zwaaide mijn vliegen weer uit. Wat was dat, net achter ’t
golfje, waar die zilveren gevallen was? Er bewoog, kronkelde, sloeg en
draaide zich iets zenuwachtig. Het was een staart, het staartpuntje,
dat niet stil kan zijn. En daar—onwillekeurig liep ’t me koud over den
rug, toen ik de omtrekken ontwaarde van een groot, grijs beest, op een
omgevallen boomstronk uitgestrekt, en merkte dat zijn glinsterende,
wilde oogen pal op mij gericht waren. Zelfs terwijl ik naar ’t beest
keek, vervaagde het als een schaduw der bosschen. Maar waarop loerde de
panter daar, voordat hij mij beloerde?
Onverwachts kwam het antwoord. Het was midden in den zomer, in het dal
van de Pemigewasset. Met ’t aanbreken van den dag was ik geruischloos
den boschweg naar ’t forellenwater afgekomen en had stilgestaan om een
„mink” langs den oever te zien glippen—nu was hij zichtbaar, dan weer
weg. Toen hij onder een paar boomstammen uit ’t oog verdween, wachtte
ik kalm of er zich meer van het boschvolkje zouden vertoonen. Een
lichte beweging aan ’t uiteinde van een liggenden boomstam—en daar had
je Pekompf, zoo stil dat het oog haar ternauwernood ontdekken kon, die
behoedzaam een voorpoot neerstak en hem met een eigenaardigen,
ingehouden zwaai terugsloeg. Weer deed ze het en ik zag de lange,
gekromde klauwen, scherp als vischhaken, wijd uit hun scheeden steken.
Zij zat te visschen, spietste haar prooi met Indianengeduld; en op
hetzelfde oogenblik dat ’k tot die ontdekking kwam, flonkerde er iets
zilverachtigs, na een snellen ruk van haar klauw, en Pekompf sprong den
oever op en hurkte boven den visch, dien zij uit het water had
geworpen. Pekompf loert dus in ’t water zooals zij naar ’t gat van een
eekhoorn loert, omdat zij er een prooi gezien heeft, en omdat zij meer
van visch houdt dan van iets anders dat het bosch oplevert. Maar hoe
dikwijls moet zij op de groote forellen loeren, eer zij er een vangt.
Soms, in de latere schemering, trekken de grootste visschen uit het
diepe water, om langs den oever naar voedsel te neuzen, terwijl hun
rugvinnen boven het ondiepe zichtbaar zijn als ze voortglijden.
Misschien vangt Pekompf ze wel eens tegen dezen tijd; en als zij dus
een visch in de diepte ziet glinsteren, hurkt zij een poos neer waar
zij is, gehoorzaam aan den onweerstaanbaren drang van alle katten op ’t
gezicht van wild. Hierin verschillen ze van alle andere wilde dieren,
die, wanneer ze niet hongerig zijn, aan kleiner dieren niet de minste
aandacht schenken.
Misschien gaat Pekompfs geslepenheid ook dieper dan dit. De oude Noël,
een Micmacsch jager, vertelt me dat èn de wilde kat èn de lynx, wiens
geslepenheid over ’t algemeen de listigheid der stompzinnigheid is, een
merkwaardige manier ontdekt hebben om visch te vangen. Ze gaan met hun
kop vlak bij het water liggen, hun voorpooten gekromd voor een snellen
slag, de oogen half gesloten om de visch te misleiden, terwijl hun
snorren aan den waterspiegel raken en er op spelen. Hun geheele kleur
komt overeen met hun omgeving en verbergt ze volkomen. De forellen
stijgen, wanneer ze ’t lichte gefronsel van ’t water dat de lange
snorren aanraken merken, zonder het neergehurkte dier te scheiden van
den boomstam of de rots, waar het op ligt, naar de oppervlakte, zooals
hun gewoonte is als ze aan ’t eten zijn, en worden er door een
bliksemsnellen slag van de voorpooten uitgewipt.
Of dit al dan niet zoo is weet ik niet zeker. De waschbeer vangt
ongetwijfeld krabben en vischjes op deze manier; en ik heb soms katten
verrast—wilde katten en Canadeesche lynxen, zoowel als huispoesen—met
haar kop vlak aan ’t water, zoo roerloos, dat ’t leek alsof ze deel
uitmaakten van den stam of de rots waarop ze neerhurkten. Eens trachtte
ik wel vijf minuten aan een gids een grooten lynx te wijzen, die op een
wortel lag, in ’t volle gezicht, geen dertig meters van onze kano,
terwijl de gids me fluisterend verzekerde dat hij best zien kon en dat
het niets dan een tak was. Toen hoorde de lynx ons, rees overeind,
stond te staren en sprong het kreupelhout in.
Zoo’n manier van zich verbergen zou zelfs een forel gemakkelijk
misleiden; want ik ben dikwijls aan het uiteinde van allerlei
vastgedreven stammen en rommel gaan liggen en als ik me dan een minuut
of tien doodstil gehouden had, zag ik den schuwen visch van onder de
stammen uit rijzen om een strootje of takje, dat ik in mijn vingers
hield en waarmee ik het water hier en daar aanraakte als een spelend
insect, te onderzoeken.
De oude Noël heeft dus waarschijnlijk gelijk, als hij zegt dat Pekompf
met haar snorren vischt, want de gewoonten van visschen en katten beide
schijnen zijn waarnemingen te bevestigen.
Maar dieper nog dan haar geslepenheid gaat Pekompfs aangeboren
wantrouwen, en haar krankzinnige woede als zij tegengewerkt of in ’t
nauw gedreven wordt. De „trappers” vangen haar net zooals ze haar
grooten neef, den lynx, vangen: door een strik te zetten in de
konijnenpaden, die zij ’s nachts volgt. Tegenover de lus, en aan den
anderen kant van het touw bevestigd, is een stok, die achter de kat
aanspringt, als zij met de lus om den nek vooruitschiet. Was het een
vos, dan zou hij achterwaarts uit den strik loopen, of stil gaan liggen
om het touw met de tanden stuk te bijten en zoo ontsnappen. Maar
Pekompf, evenals alle katten wanneer ze in de val zitten, ontsteekt in
een zinnelooze woede. Zij grauwt tegen den stok, die ’t niet helpen
kan, krabt hem, vecht er mee en stikt letterlijk van kwaadaardigheid.
Of, als ’t een oude kat is en haar listigheid een beetje verder gaat,
trekt zij behoedzaam af en klimt in den grootsten boom dien zij vinden
kan, terwijl het onplezierige ding, waaraan zij vastgebonden is, achter
haar aanbungelt en -ratelt. Als ze bijna den top heeft bereikt, zal zij
den stok aan den eenen kant van een tak laten hangen, terwijl ze listig
aan den anderen kant naar beneden klimt, in den waan zoo haar
zwijgenden vijand te verschalken en achter te laten. Dan gebeurt er
altijd een van tweeën: of de stok blijft haken achter een vertakking en
Pekompf hangt zichzelf op aan haar eigen galg, of anders komt hij er
met een ruk plotseling over en stort op den grond, Pekompf meesleepend
en gewoonlijk doodend in zijn val.
Het is, op zijn zachtst genomen, een wreede, beestachtige uitvinding,
en gelukkig voor het kattengeslacht is ze bijna uit de noordelijke
bosschen verdwenen, behalve in ’t verre Noordwesten, waar de halfbloeds
ze nog met goeden uitslag tegen den lynx in praktijk brengen. Maar als
staaltje hoe de „trappers” een eigenaardigheid van een dier aangrijpen
en voor zijn verderf gebruiken heeft het geen wederga.
Dat Pekompfs listigheid van de soort der katten is: achterdocht, zonder
het sluw overleg of de kracht van den vos of den wolf, blijkt
eigenaardig uit een gewoonte die lynx en wilde kat gemeen hebben,
namelijk: dat ze al wat ze rooven meesleepen naar den top van een
hoogen naaldboom om ’t te verslinden. Als ze een haas of een visch
eerlijk zelf gevangen hebben, eten ze dien gewoonlijk op de plaats zelf
op; maar als ze zoo’n dier uit een strik of een bergplaats stelen, of
van een kleinen jager, keert de kattenachterdocht terug—mèt een vaag
besef van kwaad te doen, dat alle dieren in minder of meerdere mate
hebben—en ze maken zich met den buit uit de voeten en eten hem gulzig
op, daar waar ze meenen dat niemand hen ooit zal ontdekken.
Eens, toen ik dagenlang onder het nest van een vischarend op den
uitkijk lag naar de dieren die schuw aankwamen om het afval op te eten,
dat de jonge vischarenden weggooiden als hun honger gestild was, bleek
deze kattengewoonte al heel duidelijk. Andere dieren kwamen nader en
aten rustig op wat ze vonden en glipten weer heen; maar de katten
grepen een stuk met fonkelende oogen, alsof ze alle wet en gezag
tartten, en grauwden vreeselijk onder ’t eten; of anders dropen ze
gluips af, om het stuk in de hoogste takvork te verslinden, die maar
houvast voor hun pooten wou geven. En eens zag ik in in November aan de
kust van Maine een fellen strijd in de boomtoppen, waar een wilde kat
ineengedoken zat te grauwen als een troep duivels, terwijl een groote
adelaar boven haar zwierde en op haar stootte bij zijn pogingen om den
buit mee te nemen, dien Pekompf gestolen had.
Maar verreweg het merkwaardigste staaltje van Pekompfs geslepenheid
kreeg ik ’s zomers, een paar jaren geleden, onder de oogen. Tot onlangs
verkeerde ik in den waan, dat het een eenige ontdekking was, maar den
vorigen zomer had een vriend, die elk jaar voor de zalmvisscherij naar
Newfoundland gaat, een dergelijke ervaring met een Canadeeschen los,
die nog eens nadrukkelijk wijst op de neiging van alle katten, om de
boomtoppen op te zoeken met wat met ze maar gestolen hebben; ofschoon
ik er eigenaardig genoeg nooit een spoor van heb kunnen ontdekken met
wild dat ze eerlijk zelf hadden gevangen. Het was in Nieuw-Schotland,
waar ik in een korte vacantie met zalmvisschen bezig was, zonder dat ik
er vermoeden van had daar Pekompf te zullen ontmoeten, want de winters
zijn daar streng en men neemt aan dat de wilde kat zulke plaatsen aan
haar sterker, langbeeniger neef, den lynx, overlaat, wiens voetzolen
grooter zijn dan de hare en beter van kussentjes voorzien om over de
sneeuw te loopen. Zelfs in de streek van zuidelijk Berkshire kunt ge
Pekompfs spoor volgen en zien waar zij ’t hard te verantwoorden heeft,
wanneer zij als een huispoes tot over haar flanken door de zachte
driftsneeuw ploetert, hongerig op zoek naar hazelhoenders en hazen, en
eindelijk wanhopig gaat liggen om te wachten tot de sneeuw hard wordt.
Maar tot mijn verbazing was Pekompf daar, grooter, feller en geslepener
dan ik haar ooit gezien had, ofschoon ik dit pas na lang zoeken
ontdekte.
Ik had op een morgen van ’t aanbreken van den dag tot bijna zes uur
gevischt, en twee mooie forellen gevangen, alles wat de rivier beloofde
af te staan voor dien dag. Daar dacht ik aan een meertje in de bosschen
aan gene zij der bergen, dat er naar forellen uitzag toen ik het
ontdekt had, en waar, voor zoover ik wist, nog nooit met een vlieg
gevischt was. Meer gedreven door het aardige van zoo’n
onderzoekingstocht dan door de verwachting van visch, toog ik op weg om
’t nieuwe vischwater te probeeren.
De klimpartij door de bosschen beloofde moeilijk te worden, dus ik liet
alles achter, behalve den hengel, den snoerhaspel en mijn vliegen. Mijn
jas werd over den eersten den besten struik gehangen; het schepnet lag
in de schaduw over een rotsblok met het eind van ’t handvat stevig
onder een wortel gestoken; ik gooide er mijn beide forellen in en
bedekte ze met varens en mos voor de zon. Toen ging ik op weg, de
bosschen door naar het meertje.
Bij mijn terugkeer een paar uur later, met leege handen, waren forellen
en schepnet verdwenen. Mijn eerste gedachte was natuurlijk dat iemand
ze gestolen had en ik zocht naar sporen van den dief, maar er was
nergens een voetstap, behalve van mezelf, stroomop noch stroomaf. Toen
keek ik aandachtiger naast het rotsblok en vond stukjes mos en
vischschubben, en in het grint de prent van een dier, te flauw om uit
te maken welk beest ze gezet had. Ik volgde de vage sporen een meter of
honderd het bosch in, tot ze me naar een hoogen sparreboom voerden,
waaronder elk teeken spoorloos verdween, alsof het beest plotseling met
net en al weggevlogen was, en ik gaf het spoor op zonder er eenig
begrip van te hebben waarvan het afkomstig was.
Wel veertien dagen lang plaagde die prent me. Het was niet zoozeer het
verlies van mijn beide forellen en het schepnet dat me geen rust liet,
als wel mijn gebrekkige kennis der bosschen, die me bij dat spoor
zonder einde in den steek had gelaten. Het was een groot net, te groot
en te zwaar eigenlijk om forellen mee te vangen. Eer ik er op uittrok,
had ik op ’t laatste nippertje gemerkt dat mijn forellennet vergaan was
en onbruikbaar, zoodat ik het eenige genomen had dat bij de hand was,
een voor een bijzonder doel vervaardigd net van een meter middellijn,
dat ik het laatst gebruikt had op een wetenschappelijken tocht om
proefdieren uit de meren in ’t noorden van Nieuw-Brunswijk te vangen.
Het handvat was lang en ’t geraamte, zooals ik meer dan eens beproefd
had, stevig genoeg dat ik ’t in plaats van een vork kon gebruiken om
een zalm van vijfentwintig pond uit zijn diepe verblijf te lichten,
nadat hij zoolang had mogen uitrazen, tot hij bedaard was; en hoe eenig
dier het mee zou kunnen sleepen door het bosch, zonder een duidelijk
spoor na te laten dat mijn oogen vermochten te volgen, was me een
raadsel, en wekte buitengewoon levendig mijn nieuwsgierigheid op naar
wie hij was en waarom hij de visch niet verorberd had, daar waar hij ze
had gevonden. Was ’t een lynx of een verdwaalde wolf, of was de
vreeselijke Indiaansche Duivel, waar ’s winters bij ’t vuur nog met
ontzetting van gesproken wordt, naar de bosschen van zijn geboorteland
teruggekeerd? Een week lang piekerde ik over de zaak; toen ging ik weer
naar de plek en trachtte nog eens tevergeefs de flauwe indrukken in het
mos te volgen. Daarna onderzocht ik elken keer dat ik in de buurt van
die plaats zwierf het spoor nog eens, of liep ik in steeds grooter
kringen door het bosch, in de hoop het net te zullen vinden, of eenige
betrouwbare aanwijzing van het dier dat het gestolen had.
Op een dag in de bosschen drong het plotseling tot mij door, dat,
terwijl ik het spoor drie- of viermaal gevolgd was, ik er nooit aan
gedacht had den boom waaronder het eindigde te onderzoeken. Bij die
gedachte ging ik naar den grooten spar, en daar waren wel degelijk hier
en daar lichtbruine plekken, waar de ruwe buitenschors er afgeschampt
was. En daar had je ook, glinsterend wit, wat opgedroogd slijm, waar
een visch even tegen de schors had gerust. Het beest, wat het dan ook
was geweest, was in den boom geklommen met zijn buit; en nauwelijks was
’k tot die ontdekking gekomen, of ik klauterde hem haastig achterna.
Bijna in den spichtigen top vond ik mijn net, stevig met zijn langen
stok tusschen twee takken geklemd, ’t geraamte door een
vooruitspringende takstomp gegrepen, de zak neerbungelend boven de ijle
ruimte. In het net zat een groote, wilde kat, met haar ronden kop door
een gat gestoken, dat zij er van onderen in gebeten had, de taaie mazen
zoo strak als vioolsnaren om haar keel gespannen. Alle vier de pooten
hadden zich krabbend en duwend door de mazen gewerkt, tot elke slag,
elk verzet slechts diende om haar nog vaster te knevelen en te wurgen.
Uit die aanwijzingen maakte ik eindelijk de ruwe omtrekken van de
geschiedenis op. Pekompf had de visch gevonden en getracht ze te
stelen, maar haar argwaan werd gewekt door dat wonderlijke net en het
ratelende handvat. Met echte lynxachtige geslepenheid, altijd voor meer
dan de helft onbenulligheid, had zij het meegenomen en was den
grootsten boom ingeklommen dien zij maar vinden kon. Dicht bij den top
was de stok tusschen de takken beklemd geraakt en terwijl zij hem los
probeerde te krijgen, waren net en visschen buiten ’t bereik van den
stam gezwaaid. In de schors onder den stok ontdekte ik de plaats waar
zij zich aan den tronk had vastgeklemd en de slingerende forellen met
haar voorpoot had trachten te bereiken; en op een tak boven ’t geraamte
waren sporen, die toonden waar zij verlangend op de visch onder in het
net had zitten neerkijken, vlak onder haar hongerigen neus. Van dezen
tak was zij òf naar beneden gevallen, òf, wat waarschijnlijker is, was
zij in een aanval van blinde woede het net ingesprongen, dat zich
rondom haar gesloten had en haar steviger gevangen hield dan ijzeren
tralies. Toen ik den eersten keer onder den boom was gekomen, bij ’t
volgen van haar spoor, zat zij waarschijnlijk op een tak boven mijn
hoofd gedoken, me aandachtig te bespieden; en toen ik een volgenden
keer terugkwam, was zij dood.
Dat was al wat ’k met zekerheid kon zeggen. Maar hier en daar, in een
stukgetrokken maas of een haarvlok of de krab van een klauw tegen een
zwiepend takje, waren de bewijzen van een strijd, waarvan men de
woestheid, de hevigheid slechts kon gissen.