Koskomenos, de ijsvogel graaft nog een hol in den grond, zooals zijn
kruipende voorouders; daarom noemen de andere vogels hem een
verstooteling en willen ze niets met hem te maken hebben. Maar dat kan
hem weinig schelen, want hij is een ratelende lawaaimaker, een
zelfingenomen beest, dat den heelen dag niet anders te doen schijnt te
hebben dan te visschen en te eten. Wanneer ge hem echter nagaat, merkt
ge met verbazing op dat hij sommige dingen merkwaardig goed
kan—eigenlijk beter dan iemand anders van het boschvolkje. Nauwkeurig
de plaats van een visch te bepalen in stilstaand water is al moeilijk
genoeg:—denk maar eens aan de straalbreking! Maar als de visch beweegt
en de zon blikkert op het diepe water en de wind het oppervlak in
tallooze sparkelende, wisselende voren en rimpels fronselt, dan moet de
vogel, die den snavel pal op zijn visch kan richten en hem precies
achter de kieuwen kan raken, meer in zijn kop hebben dan ’t gewone
ratelende gekakel, dat men meestal aan de forellenbeken van hem hoort.
Dat leerde ik goed beseffen, toen ik Koskomenos voor ’t eerst begon te
bestudeeren; en de bedoeling van dit schetsje, dat die eerste sterke
indrukken beschrijft, is niet om kleur of teekening of broedgewoonten
van onzen ijsvogel te geven—dat kunt ge alles uit de vogelboeken
halen—maar om een mogelijk antwoord aan de hand te doen op de vraag:
hoe hij zooveel weet en hoe hij zijn wijsheid aan de jonge ijsvogeltjes
leert.
Op een zomer kampeerde ik boven een forellenkolk. Beneden de
forellenkolk was een lommerrijke kom waar voorntjes zaten, een soort
voorraadschuur voor ’t diepe water stroomop, waar de forellen in de
vroege en late schemering voedsel zochten, en waar, als men voorzichtig
een roodvin aan een dun toplijntje haakte en inwierp uit de vork van
een overbuigenden boom, men soms een dikkerd kon vangen.
Eens, toen ik ’s morgens vroeg in den boom zat, schoot er een ijsvogel
de rivier op en verdween onder den oever aan den overkant. Daar had hij
een nest, zoo listig onder een neerhangenden wortel verscholen, dat ik
het tot nog toe niet ontdekt had, ofschoon ik menigmaal de diepe kolk
had afgevischt en de ijsvogels ratelend rond had zien vliegen. Ze waren
buitengewoon luidruchtig als ik in de buurt was en vlogen telkens en
telkens weer stroomop boven de forellenkolk met een lang
geratel—ongetwijfeld een krijgslist, om me in den waan te brengen dat
hun nest ergens een heel eind de rivier op was.
Sedertdien bespiedde ik het nest aandachtig in de tusschenpoozen dat ik
niet vischte, en werd vele dingen gewaar, die me met verbazing en
eerbied vervulden voor dezen onbekenden, ratelenden verstooteling van
de rivieren der wildernis. Hij is vol toewijding voor zijn wijfje, en
voert haar allerhoffelijkst als zij aan ’t broeden is. Hij is moedig,
heel moedig. Eens verjoeg hij, onder mijn eigen oogen, een „mink” en
doodde het kwaadaardige beest bijna. Hij heeft nauwkeurig omschreven
wetten voor de visscherij, en handhaaft ze stipt; nooit gaat hij zijn
grenzen te buiten, en in zijn eigen voornwater gedoogt hij geen
strooperij. Er schuilt ook wel zooveel visscherskennis in zijn
ragebol—als men ’t er maar uit kon krijgen—dat wat er in Izaäk Waltons
vischboekje staat, er kinderklap bij is. Met zuiden- of
noordoostenwind, op een somberen of een mooien dag, hij weet precies
waar vischjes zitten en hoe ze te vangen zijn.
Toen de jonge vogels er waren, kwam het merkwaardigste van Koskomenos’
leven aan den dag. Op een morgen, terwijl ik in de struiken verscholen
zat te loeren, stak de ijsvogelmoeder den kop uit haar hol en keek
uiterst behoedzaam rond. Een groote waterslang lag languit op een
aangespoelden boom op den oever. Onmiddellijk stoof ze op haar los en
verjoeg haar. Even stroomop, onder aan de forellenkolk, was een
broedsel zaagbekken aan ’t snateren en rondplassen in ’t ondiepe water.
Ze konden geen kwaad, maar toch schoot de ijsvogel op ze af, met een
drukte en een gescheld als van een vischwijf, en maakte ’t ze net zoo
lang lastig totdat ze verdwenen naar een rustig moeras.
Op den terugweg vloog ze over een kikker heen, een grooten, bezadigden
kikker, die slaperig op een lelieblad op zijn zonnebad zat te wachten.
Chigwooltz ving misschien jonge forellen, zelfs kleine vogeltjes als ze
kwamen drinken, maar hij zou stellig nooit een broedsel ijsvogels
lastig vallen; toch liet de moeder als een prikkelbare huisvrouw, die
haar bezem in elken hoek van een ongeveegde kamer zwaait, haar ratel
luid weerschallen en schoot neer op den kop van den slaperigen kikker,
zoodat ze hem met veel gespat en haastig gekrabbel de modder injoeg,
alsof Hawahak, de havik, hem nazat. Toen schoot ze, met nog een blik
goed om zich heen om te zien of de kust veilig was, en met een
waarschuwend geratel aan wie ze maar van ’t boschvolkje over ’t hoofd
mocht hebben gezien, haar nest in, als een voldane eend met haar staart
wiggelend terwijl ze verdween.
Na een poosje stak een wild-oogige jonge ijsvogel zijn kop uit het hol
en wierp zijn eersten blik in de wijde wereld. Een duw van achteren
maakte kort en goed een eind aan zijn bespiegeling, en zonder eenige
drukte zeilde hij neer op een dooden tak aan den overkant van de
rivier. Er volgden er nog een en nog een op dezelfde manier, alsof hun
allemaal precies gezegd was wat ze doen moesten en waar ze heen moeten
gaan, tot de heele familie op een rijtje zat, met den rimpelenden
stroom onder en den diep blauwen hemel en de ruischende boschwereld
boven zich.
Dat was hun eerste les, en hun belooning was nabij. Het mannetje was
sinds ’t aanbreken van den dag aan ’t visschen geweest; nu begon hij
voorntjes uit een draaikolk aan te brengen, waar hij ze opgeborgen had,
en zijn hongerige gezin te voeren, ze daarbij op zijn manier
verzekerend dat deze groote wereld, die zoo verschilde van ’t hol in
den oever, een goed oord was om te leven, en dat er geen eind kwam aan
al ’t lekkers dat ze opleverde.
De volgende les was nog merkwaardiger, de les in ’t vischvangen. De
school was een rustige, ondiepe kom met een modderigen bodem, waar de
visschen duidelijk tegen uitkwamen en waar een boomstomp over heenhing,
juist geschikt om van af te duiken. De oude vogels hadden een aantal
voorntjes gevangen, ze doodgemaakt en hier en daar onder de stomp laten
vallen. Toen brachten ze de jonge vogels er heen, toonden ze hun prooi
en gaven ze door herhaald voorbeeld te kennen dat ze duiken en haar
pakken moesten. De kleintjes waren hongerig en gingen gretig op ’t
spelletje in; maar één durfde niet goed en pas nadat de moeder tweemaal
gedoken en een visch boven had gebracht—dien ze den bangerd toonde en
dan op een allertandentergendste manier weer liet vallen—kon hij den
moed bij elkaar rapen om den plons te wagen.
Een paar morgens later, toen ik langs den oever sloop, trof ik een
waterkom, die geheel van den hoofdstroom was afgesloten, waar wel
twaalf of meer verschrikte voorntjes in rondspartelden, alsof ze er
zich niet thuis voelden. Terwijl ik naar ze stond te kijken en me er
over verbaasde dat ze de droge bank waren overgekomen, die de kom van
de rivier scheidde, kwam er een ijsvogel stroomop schieten met een
visch in zijn snavel. Toen hij mij in ’t oog kreeg, zwenkte hij
stilletjes en verdween om de landtong stroomaf.
De gedachte aan dat eigenaardige bewaarschooltje in de wildernis kwam
plotseling bij me op, toen ik me weer naar de voorntjes wendde en ik
waadde de rivier over en verschool me in ’t struikgewas. Na een uur
wachtens kwam Koskomenos behoedzaam terug, keek zorgvuldig over
waterkom en rivier, en zwierde met een ratelenden roep stroomaf. Weldra
kwam hij nog eens weer met zijn wijfje en de heele familie; en toen de
kleintjes hun ouders neer hadden zien schieten en van de visch
geproefd, die deze hadden gevangen, begonnen zij voor zich ook neer te
schieten.
De eerste plonsen waren gewoonlijk vergeefsch, en als er een voorntje
werd buitgemaakt, was het stellig een van de gewonde visschen, die
Koskomenos daar bij de goed levende gebracht had om zijn jongen aan te
moedigen. Na een of meer pogingen echter, schenen ze er den slag van
beet te krijgen, en vielen ze neer als een schietlood, met den snavel
vooruit, of schoten ze bijna steil naar beneden en sloegen netjes raak
als de visch naar dieper water wegschoot. Het was een moeilijke en
onstuimige rivier, alleen geschikt voor geoefende visschers. Op de
rustigste plekjes zat geen visch, en waar voorntjes gevonden werden,
hadden de jonge ijsvogels, die nog niet hadden leeren zweven en hun
visch in de lucht grijpen, water of oevers tegen zich. Koskomenos had
dus een geschikte plaats uitgezocht, zelf voor voorraad gezorgd om het
onderwijs makkelijker voor zijn wijfje en profijtelijker voor zijn
jongen te maken.
Het merkwaardigste in zijn methode was dat hij in dit geval de
voorntjes levend naar zijn bewaarschool gebracht had, in plaats van ze
dood te maken of te verwonden, zooals bij de eerste les. Hij wist dat
de visschen niet uit de kom konden komen en dat zijn jongen ze op hun
gemak zouden kunnen vangen.
Toen ik de familie weer zag, weken later, kenden ze hun lessen goed; ze
hadden geen behoefte meer aan gewonde of opgesloten visch om hun honger
te stillen. Ze waren vol levenslust, en vertoonden me op een dag een
eigenaardig spelletje—het eenige spel dat ik ooit onder ijsvogels heb
waargenomen.
Er waren er drie, toen ik ze voor ’t eerst ontdekte, op vooruitstekende
takstompen gezeten boven de dansende golfjes van een ondiepe plek, waar
’t krioelde van zwartvisch en voorntjes en jonge zalm en levendige,
jonge roodvinnen. Plotseling vielen ze, alsof er af! bevolen was, met
den snavel vooruit in de rivier. In een oogwenk waren ze er weer uit en
schoten ze ieder naar zijn eigen tak terug, waar ze hun kop
achteroverwierpen en hun voorntjes met schokjes door hun keel wurmden,
zoo haastig dat ze er bijna van stikten. Toen dat gebeurd was, begonnen
ze op hun takken heen en weer te dansen, onder een uitbundig geratel en
gegichel.
In den beginne begreep ik er niets van, tot het spelletje eenige keeren
herhaald was. ’t Begon altijd op ’t zelfde oogenblik met een plons in
de golfjes en dan hals-over-kop naar honk terug. Toen was me hun
bedoeling zoo klaar als de stroom onder hen. Er was eten volop, en
volmaakt zonder zorg speelden ze: wie ’t eerst naar zijn tak terug kon
komen en zijn visch doorslikken. Soms lukte het er een paar niet een
visch te snappen, en dan glipten ze terneergeslagen terug; soms waren
ze alle drie zoo dicht bij elkaar, dat er heel wat gesnater noodig was
om de zaak te beslechten; en ze eindigden altijd op dezelfde manier,
door weer van voren aan te beginnen.
Koskomenos is een eenzame, met weinig genoegens en nog minder makkers
om die met hem te deelen. Dit komt stellig door zijn eigenaardige
vischwetten, die aan elken ijsvogel een bepaald eigen stuk van meer of
rivier toewijzen. Slechts de jongen uit hetzelfde gezin gaan samen
visschen; en daarom twijfel ik er niet aan, of dit waren dezelfde
vogels van wie ik in den beginne het onderricht bespied had, en die
zich nu op hun manier vermaakten, zooals het heele boschvolkje doet in
de weelderige, zorgelooze, gelukkige najaarsdagen.