De meeste menschen hebben een zieke kat wel gras zien eten, of een hond
die zich niet lekker voelde naar een of ander kruid zien snuffelen en
’t gulzig zien opeten om zijn pijn in ’t lijf beter te maken. Enkelen
hebben misschien de raadgevingen van John Wesley gelezen over de kunst
om gezond te blijven—raadgevingen, die echter hun weg niet gevonden
hebben naar zijn boek over zieletucht—en met verwondering en
belangstelling gezien dat veel geneesmiddelen, onder het groote publiek
en bij de doctoren van zijn tijd in gebruik, zijn afgekeken van de
dieren, welke deze dingen opzochten om hun kwalen te genezen.
„Als ze dieren beter maken, zullen ze het menschen ook wel doen,” is
zijn onweerlegbaar betoog. Anderen hebben zich misschien zeer verdiept
in Indiaansche geschiedenis en volkenkunde, en geleerd dat veel van de
kruiden door de Amerikaansche stammen gebruikt, en vooral die helpen
voor rheumatiek, dysentrie, koorts en slangebeten, rechtstreeks van de
dieren waren overgenomen, doordat men had opgemerkt hoe de rheumatische
oude beer varenwortels opgroef of zich baadde in de warme modder van
een zwavelbron, en met begeerige oogen bespied had welke planten de
dieren in de natuur aten, wanneer ze door ratelslangen gebeten waren of
door de koorts gesloopt. Nog anderen voelden zich wonderlijk
aangetrokken tot de eerste, ruwe medische kennis der Grieken, die
ongetwijfeld uit het Oosten tot hen kwam, en hebben gelezen dat de met
zorg bewaakte mysteriën der Asclepiaden, de gewijde heelkunst van
Aesculapius’ volgelingen, heel wat eenvoudige geneesmiddelen kenden,
die het eerst hun uitwerking bewezen hadden bij dieren in den
natuurstaat, en dat Hippocrates, de grootste heelmeester der Oudheid,
wiens roem onder den naam van Bokrat, den Wijze, zich door Arabië en de
afgelegenste woestijnen verbreidde, veel van zijn medische uitspraken
te danken heeft aan wat hijzelf of zijn voorvaderen buiten onder de
dieren in ’t wild moeten hebben gezien. En al deze waarnemers en lezers
hebben zich wellicht verbaasd dat de dieren zooveel wisten, en zich
afgevraagd hoe ze het te weten waren gekomen.
Een eenvoudig voorbeeld uit onzen eigen tijd, uit ons geslacht, om dit
toe te lichten. Een hert, dat den heelen dag door honden achtervolgd is
en dat eindelijk is ontsnapt door een ijskoude rivier over te zwemmen,
en uitgeput op den oever aan den overkant is neergestort, zal in de
sneeuw gaan liggen slapen. Dat zou onmiddellijk den dood beteekenen
voor ieder menschelijk wezen. Den halven nacht zal het hert met korte
tusschenpoozen wat rondloopen in plaats van vast te blijven slapen, en
’s morgens is hij weer zoo frisch als een hoentje en in staat er weer
zoo op los te draven. Hetzelfde hert zal, ’s nachts om te slapen in een
warmen stal opgesloten—de proef is meer dan eens genomen met dieren uit
een hertenkamp—’s morgens dood worden gevonden.
Hier wordt een natuurlijke geneeswet aan de hand gedaan, die, wanneer
ze onder de Grieken en Indianen was opgemerkt, onmiddellijk als een
methode zou zijn aangenomen om toe te passen bij felle koude en totale
uitputting, of bij vergiftiging waar verlamming der spieren het gevolg
van is. Dat is zeker: die methode, al was ’t eenigszins een
paardenmiddel, zou toch nog genoeg genezingen tot stand hebben kunnen
brengen, om met eerbied te worden beschouwd door een volk, dat helaas
niets wist van drankjes of Schotsche whisky of suikerballetjes, waar
iets onbeschrijfelijk onnaspeurlijks in zit.
Dat de dieren somtijds een ruw soort van genees- en heelkunst op
zichzelf toepassen is niet te loochenen. Het eenige wat er van te
vragen valt is: hoe weten ze het? Aanvoeren dat het een zaak is van
instinct, is voor waar aannemen wat nog bewezen moet worden. ’t Is ook
voor driekwart onzin, want veel wat de dieren doen gaat de uiterste
grenzen van hun instinct ver te buiten. Het geval van het hert, dat
rondliep en op die manier zijn leven redde, in plaats van zwaar door te
slapen, tot het in den doodsslaap eindigde, kan gedeeltelijk een geval
van instinct zijn. Mij persoonlijk lijkt het een zaak van ervaring,
want een hertekalf zou ongetwijfeld onder dezelfde omstandigheden gaan
liggen en omkomen, tenzij zijn moeder bij hem was, om hem op de been te
houden. Ja, nog meer, het schijnt grootendeels een zaak te wezen van
gehoorzaamheid aan de sterkste neiging van het oogenblik, die alle
dieren van hun geboorte af kennen en betrachten. En dat is niet precies
hetzelfde als instinct, tenzij men geneigd is tot het uiterste te gaan
van Berkeley’s wijsbegeerte en instinct tot een soort van geestelijke
persoonlijkheid te maken, die steeds over de dieren waakt. Dikwijls
schijnt de kennis van een geneeswijze of van primitieve heelkunst, de
ontdekking of het eigendom te zijn van slechts enkele, afzonderlijke
dieren, in plaats van algemeen links en rechts verbreid te zijn onder
de soorten, zooals met instinct het geval is. Deze kennis, of hoe ge
het noemen wilt, wordt soms gedeeld, en duidt dus op een soort
gedachtenwisseling tusschen de dieren, van wier werking we slechts hier
en daar iets vluchtig opvangen—maar dat bewaar ik voor een andere
gelegenheid. Ik tracht hier niet het hoe of vanwaar te beantwoorden,
maar wil slechts enkele dingen onder uw aandacht brengen die ik in de
bosschen heb opgemerkt, als grondslag voor verdere en nauwkeuriger
waarnemingen.
De primitiefste heelkunde bestaat wel in het wegnemen van een gebroken
poot, wat niet altijd of dikwijls gebeurt, maar alleen als de wond
ettert door verwaarloozing of door insectensteken, en het heele lichaam
dus in gevaar brengt. Het duidelijkst komt dit waarschijnlijk uit bij
den waschbeer, die allerlei trekjes heeft waardoor hij een zeer hooge
plaats onder de verstandige dieren inneemt. Wanneer de poot van een
waschbeer door een kogel verbrijzeld is, zal hij hem oogenblikkelijk
afbijten en de stomp in stroomend water spoelen, gedeeltelijk om de
ontsteking te verzachten en stellig ook voor een deel om hem goed
schoon te maken. Als hij geneest, gebruikt hij herhaaldelijk zijn tong
bij de wond, zooals een hond dat doet, misschien om haar schoon te
houden, en door de zachte wrijving het opzwellen tegen te gaan en de
pijn te verminderen.
Tot zoover kan dit al of niet louter instinct zijn. Want ik weet
niet—en wie zal het me zeggen?—of een kind uit puur instinct zijn
gewonde hand in den mond steekt om er op te zuigen en de pijnlijke plek
schoon te maken, of omdat hij het anderen heeft zien doen, of omdat in
zijn prille jeugd zijn pijn weggekust werd, en hij dus onbewust die
handeling nabootst, wanneer zijn moeder er niet is.
De meeste moederdieren likken hun jongen druk. Is dat nu een
liefkoozing, of is het een gezondheidsmaatregel, bij de geboorte
begonnen, wanneer ze alle sporen verslindt van de geboorte-omhulsels en
de jongen schoon likt, opdat niet een hongerig sluipdier door zijn neus
in de buurt gevoerd wordt ten verderve van ’t gezin? Dat is zeker, de
jongen zijn zich bewust van de zachte tong, die ze liefderijk wrijft,
en wanneer ze dus hun eigen wonden likken, is het misschien slechts een
herinnering en een nabootsing—twee factoren, laat me dat even zeggen,
die ten grondslag liggen aan alle beginselen van opvoeding. Deze
verklaring laat natuurlijk den afgezetten poot buiten beschouwing; en
de heelkunst houdt hier niet op.
Toen ik een jongen was en nog barbaarsch genoeg om te genieten van
vallen-zetten, gedeeltelijk uit aangeboren jagershartstocht, en
gedeeltelijk om geld te brengen in een leegen jongenszak, heb ik eens
een muskusrat gevangen in een stalen val, die bij den eersten ruk het
diepe water ingegleden was en het beest genadig had verdronken. Dit had
ik te danken aan de zorgvuldige raadgevingen van Natty Dingle, aan
wiens voeten ik zat om wijsheid aangaande de bosschen op te doen, en
die deze methode gebruikte om al zijn huiden te sparen; want dikwijls
zal een dier, wanneer het in een val gevangen is, het bot breken door
een draai met zijn lichaam en den poot dan met zijn tanden af knagen,
en zoo ontsnappen met achterlating van het onderste gedeelte in de
tanden van de val. Dit is wel zoo algemeen onder de pelsdieren, dat ik
geen tegenspraak hoef te vreezen; en de herinnering is me nu pijnlijk,
aan de dieren die ’k soms in mijn vallen verdronken vond, en die
vroeger door toedoen van andere vallenzetters geleden hadden.
Ik herinner me vooral een groote muskusrat, die ik juist bij een van
mijn vallen wilde gaan doodschieten, toen ik plotseling ophield, omdat
ik iets vreemds aan haar opmerkte. De val was in ondiep water
geplaatst, waar een pad, door muskusratten gemaakt, uit de rivier het
gras in naar boven liep. Vlak boven de val stak een knolraap op een
puntigen stok om de aandacht van het dier te trekken en het bezig te
houden, tot het zijn poot op de doodelijke pan er onder zou hebben
gezet. Maar de oude muskusrat vermeed het weggetje, alsof ze op zulke
plaatsen al eens eender te lijden had gehad. In plaats van de paden
harer voorvaderen te bewandelen, kwam ze op een andere plek achter de
val uit het water en ik zag met vreeselijke wroeging dat haar beide
voorpooten er af waren, waarschijnlijk op verschillende tijden gebeurd,
doordat zij tweemaal in de afschuwelijke uitvindingen van den mensch
gevangen was. Toen zij uit ’t water was geklommen, rees ze op haar
achterpooten en waggelde door het gras als een beer of een aap, want ze
had geen voorpooten om op te rusten. Ze klauterde op een graspol naast
het lokaas, met de uiterste omzichtigheid, trok de knolraap met haar
twee ongelukkige voorpootstompjes naar zich toe, at ze daar op die plek
op en glipte den stroom weer in, terwijl de jongen haar in de
schemering bespiedde, ongewoon getroffen, en zijn heele geweer vergat,
nu hij bezig was op zijn vallen te letten.
Het hoort niet tot mijn verhaal, maar dien avond werden de vallen
opgeborgen om nooit meer voor den dag te komen; en ik kan nu nergens
een val voorbijgaan zonder er een stok in te steken, om een arm,
onschuldig pootje te sparen.
Maar ik dwaal erg af, zou mijn heelkunst bijna vergeten, en de
muskusrat, waar ’k het eigenlijk over had. Zij was ook slechts een paar
dagen geleden in den een of ander zijn val gevangen geweest en had haar
poot afgebeten. De wond was nog niet genezen en het merkwaardige er van
was dat zij haar met een soort kleverige plantaardige gom bedekt had,
waarschijnlijk van een denneboom, die vlak bij den grond, waar Musquash
er gemakkelijk bij kon, gekloofd of geschild was. Zij had ze dik over
de geheele wond gesmeerd en een flink eind op den poot er boven, zoodat
deze voor alle vuil en zelfs voor alle lucht en water volkomen
afgesloten was.
Een oude Indiaan, die woont en jaagt op het eiland Vancouver, vertelde
me onlangs dat hij verscheiden keer bevers gevangen had, die kort te
voren hun poot hadden afgebeten om uit vallen te ontkomen, en een paar
hadden de wond dik met gom bedekt, evenals de muskusrat gedaan had. In
de vorige lente ving diezelfde Indiaan een beer in een blokval. Op den
flank had het beest een lange snee van een berenklauw, en de wond was
dik besmeerd met zachte dennenhars. Deze laatste ervaring klopt precies
met een van mij. Jaren geleden schoot ik een grooten beer in ’t noorden
van Nieuw-Brunswijk. ’t Beest had een wond van een kogel, die hem
leelijk geschramd had en toen door den poot gegaan was. Hij had de wond
zorgvuldig met klei volgestopt, klaarblijkelijk om het bloeden te
stelpen, en toen had hij de geschaafde huid met taaie modder uit den
rivieroever bedekt, om de vliegen te weren van de wond en deze een kans
te geven tot rustig genezen. Het is hier opmerkelijk dat de beer zoowel
gom als klei gebruikt, terwijl bever en muskusrat wel zooveel schijnen
te weten, dat ze de klei vermijden, die in ’t water er gauw zou
afspoelen.
Dit zijn enkele gevallen uit vele, die ik gezien heb of waarvan ’k heb
gehoord door betrouwbare jagers, en die op nog iets meer wijzen dan op
aangeboren instinct onder de dieren. Als ik me tot de vogels wend, zijn
de gevallen minder talrijk, maar merkwaardiger; want de vogels staan op
een lageren levenstrap, zijn dus meer aan instinct onderhevig dan de
zoogdieren, leeren dan ook minder gemakkelijk van hun moeders, en
wijzigen minder gauw hun natuurlijken aanleg om zich aan te passen bij
veranderde omstandigheden.
Deze bewering geldt natuurlijk slechts zeer in ’t algemeen en heeft
eindelooze uitzonderingen. De vinken, die, toen ze van Engeland naar
Australië werden overgebracht, den stijl van hun nesten totaal
veranderden en nu op geheel andere wijze bouwen dan hun voorouders; de
kleine goudvink van Nieuw-Engeland, die een dubbelen bodem in haar nest
maakt om het ei van een koevogel, tusschen de hare gelegd om uitgebroed
te worden, te bedekken; de hazelhoenders, die in de buurt van
menschenwoningen zooveel schuwer en wakkerder zijn dan hun zusters uit
de wildernis; de zwaluwen, die de schoorsteenen en schuren der
beschaafde wereld in beslag nemen in plaats van de holle boomen en
kleioevers der bosschen, waar ze thuis hooren—deze alle en nog veel
meer toonen hoe gemakkelijk het instinct bij de vogels gewijzigd wordt,
en de jongen een wijsheid leeren, die hun voorouders nooit hebben
gekend. En toch is het dunkt mij waar, dat instincten bij hen over ’t
algemeen scherper zijn dan bij de zoogdieren, en de volgende gevallen
wekken nog sterker ons besef, dat we verder moeten kijken dan het
instinct, naar oefening en eigen vinding, om een verklaring te
ontdekken voor vele zaken onder ’t gevederde volkje.
Het prachtigste staaltje van vogelheelkunde, waar mijn aandacht ooit op
is gevallen, is dat van een houtsnip, die haar gebroken poot in een
spalk van klei zette, zooals ik in „Een Broertje van den Beer” verteld
heb; maar er is er nog een, bijna even merkwaardig, dat tot een vraag
aanleiding geeft, zelfs nog moeilijker te beantwoorden. Op een dag
vroeg in ’t voorjaar zag ik twee eidereenden rondzwemmen in ’t
Hummock-meer op Nantucket. De wakkere criticus zal me hier in de rede
vallen en zeggen dat ’k me vergis; want eiders zijn zout water-eenden,
die zich alleen ophouden in de open zee, en van wie men veronderstelt
dat ze nooit in zoet water komen, zelfs niet om te broeden. Zoo meende
ik ook dat het was, tot ik deze twee zag. Daarom ging ik een poosje
zitten kijken, om er als ’t kon achter te komen wat hen er toe gebracht
had van gewoonte te veranderen. Om dezen tijd van het jaar worden de
vogels bijna zonder uitzondering in paren aangetroffen, en soms zal u
een zwerm van wel negentig meters voorbijkomen, die laag over het water
vliegt en de landtong omzwiert, waar ge zit te kijken; eerst een aardig
bruin wijfje en dan een prachtige zwart-en-witte woerd vlak achter
haar, om den ander in volmaakte regelmaat, wijfje en mannetje, over de
heele lengte van de reeks. De twee vogels voor me waren echter wijfjes;
en dat was nog een reden om haar gade te slaan in plaats van de
honderden andere eenden, duikereenden en zaagbekken en slobbereenden,
die overal op het meer verspreid waren.
Allereerst was het in ’t oog loopend hoe eigenaardig de dieren deden,
want ze staken hun kop onder water en hielden dezen zoo wel langer dan
een minuut. Dat was weer iets merkwaardigs, want het water onder hen
was te diep om er voedsel te zoeken en de eidereenden wachten liever
tot het eb is en pikken dan de blootgekomen schelpdieren op van de
rotsen, in plaats van als duikereenden hun kop onder te dompelen. De
duisternis viel snel en verborg de vogels, die nog den kop
onderhielden, alsof ze betooverd waren; ik vertrok dus, niet wijzer
door wat ik gezien had.
Een paar weken later was er weer een eidereend, een groote woerd, in
hetzelfde meer, die zich even wonderlijk gedroeg. In de meening dat dit
misschien een gewonde vogel was, dol geworden door een schot in den
kop, roeide ik naar hem toe in een oude zeef van een boot; maar hij
ging bij mijn nadering op de vlucht, als elke andere eend, en streek,
na een poosje krachtig gevlogen te hebben, verder stroomaf op het meer
neer en dompelde zijn kop weer onder water. Razend nieuwsgierig begon
ik nu een sluipjacht op den vreemdeling, en slaagde er na veel moeite
in hem te schieten van ’t puntje van een met kreupelhout begroeide
landtong af. Het eenige ongewone aan hem was, dat een groote mossel,
zooals er op de rotsen in zout water groeien, zijn schelpen stevig om
de tong van den vogel gesloten had, zoodat hij die noch kon kraken met
zijn snavel, noch afkrabben met zijn poot. Ik trok er de mossel af,
stak haar in mijn zak en toog naar huis, terwijl de zaak me nog
raadselachtiger was dan tevoren.
Dien avond snorde ik een ouden visscher op, die alles en nog wat wist
van het wilde goedje, en vroeg hem of hij ooit een eidereend in zoet
water gezien had. „Eens, of een paar maal,” zei hij; „ze bleven maar
met hun kop onder water, alsof ze niet wijs waren.” Maar hij kon er
geen verklaring van geven, tot ik hem de mossel liet zien, die ik aan
de eendetong gevonden had. Toen verhelderde zijn gezicht. „Die soort
mossels willen niet in zoet water,” verklaarde hij op ’t eerste
gezicht; en toen flitste het dadelijk door ons beider hoofd wat de
beteekenis van de zonderlinge handelwijze der vogels wel was: de
eidereenden waren eenvoudig bezig de mossels te verdrinken, om te maken
dat hun greep verslapte, en de gekluisterde tongen te bevrijden.
Dit is stellig de ware verklaring, en ik vond er bevestiging van, door
de vogels nauwkeuriger waar te nemen als ze aan ’t eten waren. Den
geheelen winter zijn ze langs onze kusten te vinden, waar ze zich
voeden met de kleine schelpdieren, die de rotsen bedekken. Als het eb
wordt, komen ze aanzwemmen van de zandplaten, waar ze in troepen
verspreid liggen, en hakken ze de mossels van de rotsen, waarna zij ze
met schelp en al doorslikken. Menigmaal heb ik me tusschen de
rotsblokken van het havenhoofd verscholen met een paar houten lokvogels
vóór me, en de eidereenden bespied, als ze aan kwamen vliegen om te
eten. Ze kwamen haastig op de lokvogels af, terwijl ze hun vlerken
herhaaldelijk ophieven bij wijze van begroeting; dan, blijkbaar boos
dat ze niet door hetzelfde teeken van opgeheven vlerken werden
verwelkomd, zwommen ze op de houten namaaksels toe en pikten ze hier en
daar kwaadaardig, om ze daarna vol verachting aan hun lot over te laten
en zich tusschen de rotsen aan mijn voeten te verspreiden, zonder veel
aandacht aan mij te schenken, zoolang ik me doodstil hield. Want ze
zijn veel tammer dan andere wilde eenden, en het duurt helaas heel
lang, eer ze aannemen dat de mensch hun vijand is.
Ik merkte nog iets eigenaardigs toen ik ze gadesloeg, en hoopte het
door een gelukkig toeval zoo te treffen, dat ik zag hoe er een door een
mossel gegrepen werd.
Wanneer er een zwerm hoog in de lucht voorbijtrok, maakte elk
plotseling hard geluid—een kreet of het knallen van een geweer op
korten afstand—dat de heele troep bliksemsnel neerschoot tot vlak boven
’t water. Plevieren hebben dezelfde gewoonte, als ze voor ’t eerst uit
Labrador komen, maar ik heb er tevergeefs een aannemelijke verklaring
voor trachten te vinden.
Als de vogels aan ’t eten zijn, zal een mossel soms haar schelpen
stevig vastklemmen aan tong of snavel van een onvoorzichtige eend, op
een manier dat ze niet gekraakt of doorgeslikt of tegen de rotsen
stukgehakt kan worden. In zoo’n geval zal de vogel, als hij ’t geheim
kent, naar zoet water vliegen en zijn pijniger verdrinken. Of alle
eenden zoo verstandig zijn, of dat het maar blijft bij een paar vogels,
kan ik nu nog niet vaststellen. Ik heb zelf drie verschillende
eidereenden dit staaltje van geneeskunst zien toepassen, en ’k heb er
van tenminste nog een stuk of zes gehoord, alle van dezelfde soort, die
in zoetwatermeren of rivieren werden gezien, terwijl ze herhaaldelijk
den kop onder water dompelden. In alle gevallen doen zich twee
merkwaardige vragen voor; ten eerste: hoe merkte een vogel, die zijn
geheele leven, van zijn geboorte tot zijn dood, op zee doorbrengt, dat
bepaalde mossels in zoet water verdrinken? En ten tweede: hoe weten
andere vogels het nu, als ze onverwacht in nood geraken?