Wie met geweer of camera jaagt heeft zijn loon reeds ontvangen. Hij
heeft ook zijn moeite, onaangenaamheden en mislukkingen; en dat is de
prijs dien hij voor zijn welslagen betaalt. Wie zonder geweer en zonder
camera jaagt wordt, dunkt mij, veel meer beloond, en wel zonder dat hij
er voor hoeft te betalen. Van hem mag nog meer dan van eenig ander
Nimrod gezegd worden wat een uit Afrika teruggekeerd zendeling van zijn
eerste gemeente getuigde: „’t Is een tevreden volkje; de zon geeft hun
dekking, het voedsel valt hun vanzelf toe”. Jagen zonder geweer is dus
de liefhebberij van een vreedzaam mensch, een mensch die ’t bosch
intrekt om rust, om zijn ziel te laten groeien, en die na een jaar van
zorg en werk blij is eens een poosje zonder een van beide te kunnen
doen wat hij wil. Als hij in zijn kano over de waterwegen glijdt, of op
zijn gemak zijns weegs gaat te land, heeft hij geen geweer of driepoot
of reserveplaten mee te sleepen. Verheugd dat hijzelf leeft, schept hij
geen behagen in den dood van ’t wilde goedje. Tevreden met zien en
hooren en begrijpen alleen, tobt hij er niet over, werkt hij zich niet
in ’t zweet om de zon precies goed te krijgen en zijn afstand van
dertig voet nauwkeurig te berekenen en dan te razen en te vloeken
(zooals ik beste menschen heb hooren doen), omdat het wild beweegt, of
wolken voor de zon komen, of de platen niet gevoelig genoeg zijn,
of—begin van de ellende!—omdat hij, als het wild gevlucht is, merkt dat
de film, die hij daar voor een mannetjeseland gebruikt heeft, al dienst
gedaan heeft voor een landschap met een voortschietende kano.
Ik wensch geen wettige manier van jagen in discrediet te brengen, niet
een, want ik heb ze alle beproefd en het loon was altijd goed. Maar ik
houd nu eenmaal meer van het jagen zonder geweer of camera dan van alle
andere manieren, om drie goede redenen: ten eerste omdat het een lui
werkje is en voldoening schenkt, iets volmaakts voor zomerweer; ten
tweede omdat het geen moeite of onaangenaamheid of teleurstelling
geeft, en dus best is voor iemand, die lang genoeg zijn deel van dat
alles heeft gehad; en ten derde omdat het u het leven, het karakter der
dieren in de wildernis doet kennen, beter dan bij eenige andere manier
van jagen ook maar mogelijk is. Immers, ge komt met een rustig gemoed,
er is niets van opgewondenheid aan of om u, zoodat ze zich onbevreesd
durven geven zooals ze zijn, zich soms zelfs een beetje nieuwsgierig
naar u toonen en willen weten wat ge eigenlijk uitvoert.
Ook deze manier heeft zoo haar verrassingen en opwinding, even veel of
even weinig als ge maar wilt. Door de ruigte, waar eens de brand over
ging, naderbij te kruipen tot de plek waar de berin en haar jongen
bezig zijn op hun gulzige, grappige manier boschbessen te plukken;
stilletjes voort te pagaaien tot vlak bij een grooten eland, als zijn
kop onder water steekt en slechts zijn breede gewei zichtbaar is; op je
gemak naast het pad met zonne- en schaduwplekken te liggen, dat de
eekhoorntjes je over de beenen huppelen, of de schuwe vogel
nieuwsgierig op den neus van je schoen komt zitten, of—het zeldzaamste
wat er in den vroegen ochtend in het bosch te zien is—een vischmarter
in hevige, wezelachtige opwinding langs je heenkronkelt, bezig het
spoor te ontwarren van den haas of het hazelhoen, dat je een uur
geleden voorbij is gegaan; alleen in een stillen, donkeren nacht langs
de waterwegen te glijden en stilletjes je lantaarn te openen over
eenden of elanden of hinden met haar kalfjes—in dit alles schuilt
vreugde en opwekkends genoeg om elken liefhebber der bosschen te
voldoen. Er is ook wijsheid op te doen, vooral wanneer ge bedenkt dat
geen menschelijk oog ooit te voren op deze eigen dieren gerust heeft,
dat ze elk op zichzelf verschillend zijn, en dat ze ieder oogenblik een
wonderlijk trekje, een gewoonte uit het dierenleven onthullen kunnen,
die geen beoefenaar der natuurlijke historie nog ooit gezien heeft.
Den vorigen zomer was er even stroomaf van mijn kamp aan ’t
Matagammon-meer een stukje strand tusschen twee landtongen door dicht
bosch omgeven, waar de herten meer van schenen te houden dan van eenig
ander plekje aan ’t heele meer. Toen we er den eersten keer kwamen,
waren de herten vlak om ons kamp. Van de deur uit konden we ze soms aan
den oever van het meer zien, en elken avond tegen de schemering kwamen
ze schuw aansluipen om de aardappel- en appelschillen op te eten.
Langzamerhand verdreef het lawaai uit het kamp hen tot de heuvelrijen
in de verte, ofschoon ze in stormachtige nachten terugkwamen, als het
stil in ’t kamp was en alle lichten waren gedoofd. Van mijn tent uit
hoorde ik dan omzichtig geritsel, of ’t kraken van een takje boven ’t
kletteren en neergutsen van den regen op mijn tentnok, en als ’k in ’t
donker naar buiten sloop, merkte ik dat er een paar herten, gewoonlijk
een hinde en haar kalfjes, onder ’t spanen dak van onze houtschuur
stonden te schuilen voor den stroomenden regen.
Het stukje strand lag een eindje verder, aan den overkant van een arm
van het meer en buiten ’t gezichts- en gehoorveld van ons kamp. De
herten verlieten het dus niet, ofschoon wij ze er elken dag bespiedden.
Waaróm ze er nu eigenlijk zoo graag kwamen, daar ben ik nooit achter
kunnen komen.
Er waren van allerlei plekjes waar de oever breeder en effener was, en
tien tenminste wel leverden meer eetbaars op; maar de herten kwamen
hier in grooter getale dan ergens elders. Dicht in de buurt was een
groote, natuurlijke wei, met dichte schuilplaatsen op de hellingen er
achter, waar ’t leefde van herten. Eer ’t avondeten in de wilde wei
begon, kwamen ze dit open oeverplekje op, om een uurtje te spelen; en
ik twijfel er niet aan of die plaats was een echt speelterrein, zooals
konijnen en vossen en kraaien, en eigenlijk de meeste dieren in ’t
wild, zich uitkiezen om pret te maken.
Eens lag ik in de vroege schemering, tusschen wat oude wortels aan ’t
eind van dit stukje strand verscholen, een eigenaardig spel gade te
slaan. Acht of tien herten: hinden en kalfjes en jonge „spiesbokken,”
waren den open oever opgekomen en draafden nu snel in drie kringen, die
in één lijn lagen, zoo: ○◯○. In het midden bevond zich een groote
cirkel van een vijftien voet middellijn, en aan weerskanten waren twee
kleiner cirkels met nog niet half de middellijn van den eersten, zooals
ik later merkte door de prenten te meten.
Om een van deze kleine cirkels renden de dieren onveranderlijk van
rechts naar links; om den anderen draafden ze van links naar rechts; en
om den grooten, middelsten cirkel snelden ze beide kanten uit, ofschoon
ze, wanneer er twee of drie samen om dezen cirkel draafden, terwijl de
andere om de buitenste galoppeerden, alle in dezelfde richting renden.
Als ze speelden, waren alle kringen tegelijkertijd in gebruik, terwijl
er van de twee kleine kringen aan weerskanten veel meer gebruik werd
gemaakt dan van den grooten. Elk hert voor zich ging snel van den eenen
cirkel naar den anderen, maar—en dat is het wonderlijkste van alles—ik
heb niet één hert gezien,—zelfs niet een van de hertekalfjes,—dat den
grooten cirkel dwars overstak van den eenen eindcirkel naar den
anderen. Toen ze weg waren, teekenden de cirkels zich duidelijk in ’t
zand af, maar er was niet één spoor dat dwars door een er van liep.
De bedoeling van het spel was duidelijk genoeg. Afgezien van de pret,
werd aan de jonge hertjes les gegeven in ’t snel keeren en wenden; maar
welke de regels van ’t spel waren, en of ze in tegenovergestelde
kringen renden om niet duizelig te worden, was meer dan ik te weten kon
komen, ofschoon de herten nooit meer dan dertig voet van me verwijderd
waren en ik elke beweging duidelijk zonder mijn kijker kon bespieden.
Dat het spel, en een bepaalde manier waarop het gespeeld moest, goed
door de herten begrepen werd, daaraan kon niemand twijfelen, die ook
maar vijf minuten naar deze heerlijke pret keek. Ofschoon ze snel
draafden, met verwonderlijke luchtigheid en sierlijkheid, heerschte er
geen verwarring. Telkens schoot een der hinden naar voren om een van
haar kalfjes den pas af te snijden, als het den grooten cirkel in
wilde, en dan draaide het zich bliksemsnel om zooals het stond, en
maakte dat het wegkwam met een zegevierend of ontevreden bl-r-r-t! Eens
kwam een „spiesbok” en een volgenden keer een hinde met twee bijna
volwassen kalfjes het bosch uitgedraafd, en nadat ze het draaierige
spelletje een poosje bekeken hadden, sprongen ze toe en deden mee,
alsof ze volkomen begrepen wat er verwacht werd. Ze speelden dit spel
slechts een paar minuten achter elkaar; dan gingen ze uiteen en
slenterden op hun gemak langs den oever heen en weer en neusden in ’t
water. Weldra kwamen er een paar terug en in een oogwenk was ’t
spelletje weer in vollen gang, terwijl de andere haastig kwamen meedoen
als de diertjes om de cirkels zwierden, elke spier gebruikten en hun
sierlijke lijfjes volmaakt leerden beheerschen, ofschoon ze er geen
vermoeden van hadden dat ouder koppen het spelletje met opzet voor ze
bedacht hadden.
Terwijl ’k ze zoo aan ’t spelen zag, werd de beteekenis van iets
eigenaardigs in den bouw van een hert me duidelijk. Een hert z’n
schouder zit in ’t geheel niet aan ’t geraamte vast; hij ligt los in de
huid, slechts een stukje teer, elastisch bindweefsel verbindt hem aan
de spieren. Wanneer een hert plotseling de pas afgesneden werd en het
in volle vaart pal stond, schoot het lichaam naar voren tot het leek
alsof de voorpooten bijna midden aan zijn buik hingen. Of als hij zijn
achterpooten opsloeg, was het, alsof ze zijn nek veel meer naar voren
ondersteunden dan waar ze eigenlijk hoorden. Deze vrije beweging van
den schouder nu geeft die wonderlijke lenigheid en sierlijkheid aan de
bewegingen van een hert, evenals het al wat op een schok zou lijken bij
’t neerkomen aan zijn hooge sprongen ontneemt of vermindert, wanneer
het tusschen de rotsblokken en over de tallooze door den wind gevelde
boomen der wildernis snelt. Midden onder ’t spelen—ik had het al langer
dan een uur bespied—klonk er een haastig geritsel rechts van me in ’t
bosch, en ik hield met een schok mijn adem in bij ’t gezicht van een
prachtigen bok, die half verscholen in het kreupelhout stond. Er waren
twee of drie groote bokken met een prachtig gewei, die een lui leventje
leidden op de hellingen verder dezen kant van het meer op, en ik had ze
verscheiden weken bespied en was ze nagegaan. In tegenstelling met de
hinden en de kalfjes en de jonge bokken, waren ze schuw als valken en
zelfzuchtig als katten. Ze vertoonden zich zelden op open terrein, en
als ze er met andere herten gesnapt werden, sprongen ze weg bij ’t
eerste ’t beste wat ze van gevaar zagen of roken. Hinden en kleine
kalfjes stampten en brieschten onmiddellijk om de andere herten te
waarschuwen, eer ze ook maar een stap gedaan hadden om zichzelf te
bergen of het gevaar te onderzoeken; maar de groote bokken sprongen of
gleden weg, al naar gelang van je manier van naderen; en in den waan
dat ze hun eigen hachje redden, lieten ze zich hoegenaamd niets gelegen
liggen aan de veiligheid van de kudde, die in de buurt aan ’t eten was.
En dat is een der redenen, waarom herten in normale omstandigheden
zelden toestaan dat de mannetjes hen leiden.
Deze groote bokken waren nog bevangen door de zomersche luiheid; de
wilde draaflust van den herfst had hen nog niet te pakken. Eens kreeg
ik een eigenaardig, schrander staaltje van hun luiheid te zien. Ik was
met een gids naar een afgelegen meer getrokken, om eens te probeeren of
er ook forel zat. Terwijl ik een stekelvarken bespiedde en zijn
vertrouwen trachtte te winnen met zoete chocola (maar dat was mis,
tusschen twee haakjes), ging de gids verder, me een heel eind vooruit.
Toen hij een heuvelrug opklauterde, geheel aandacht voor het nauw
zichtbare pad dat hij volgde, merkte ik een lichte beweging in wat
struikgewas aan den eenen kant, en door mijn kijker kon ik den kop van
een grooten bok onderscheiden, die den gids aandachtig van zijn
schuilplaats uit gadesloeg. Het was laat op den middag, als de herten
gewoonlijk liggen te rusten, en de luie bok overlegde waarschijnlijk of
het noodig voor hem was hard te loopen of niet. De gids liep snel
voorbij; daarna verdween tot mijn verbazing de kop, want de bok ging
liggen waar hij gestaan had.
Ik hield mijn blik op die plek gevestigd, maar volgde intusschen ’t
spoor van den gids. Geen teeken van leven in het boschje toen ik er
langs kwam, ofschoon ’t geen twijfel lijdt of de waakzame oude bok
bespiedde nauwkeurig elk mijner bewegingen.
Toen ik goed en wel voorbij was en ’t nog doodstil in de struiken
bleef, keerde ik langzaam terug en liep er op aan. Er klonk een licht
geritsel, terwijl de bok weer overeind kwam. Klaarblijkelijk had hij
gemeend dat ik den anderen man op zijn schreden zou volgen, en had hij
’t niet de moeite waard gevonden op te staan. Nog een paar langzame
stappen van mijn kant, dan weer geritsel, en een lichte beweging van ’t
kreupelhout—zoo licht dat, als ’t gewaaid had, mijn oog het nauwelijks
zou hebben opgemerkt,—verried me waar de bok stilletjes weggeglipt was
naar een anderen schuilhoek; daar keerde hij zich om en stond stil om
er achter te komen of ik hem ontdekt had, of dat mijn omkeeren aan iets
anders was toe te schrijven dan het gewone dwalen van iemand die den
weg is kwijtgeraakt in ’t bosch.
Dat was heel ver weg op de heuvels, waar gedurende den zomer de meeste
groote bokken rondzwerven en zich verschuilen, elk op zichzelf.
In de laagte echter, bij het meer, waren er een stuk of twee, die zich
om welke reden dan ook af en toe met de andere herten vertoonden, maar
ze waren zoo schuw en wild dat het bijna onmogelijk was er zonder
geweer op te jagen. Het was een van deze kerels, die nu half verscholen
in het kreupelhout, geen twintig meters van me af, ongeduldig naar het
spel der herten stond te kijken.
Een gestamp met zijn poot en een zacht gebriesch maakte onmiddellijk
aan het spelen een eind, en de groote bok trad den oever op in ’t volle
gezicht. Hij keek uit over ’t meer, waar hij zoo dikwijls de kano’s der
menschen had zien varen; zijn neus onderzocht den wind aan den oever
stroomop; oogen en ooren speurden stroomaf, waar ik lag; toen tuurde
hij weer scherp naar het meer. Misschien had hij mijn omgekeerde kano
tusschen ’t watergras ginds, heel in de verte, gezien. Waarschijnlijker
was het ’t raadselachtige voelen van een vijand—door hen, die met of
zonder geweer jagen, zoo dikwijls bij de grootere dieren in de
wildernis opgemerkt—dat hem rusteloos en achterdochtig maakte. Terwijl
hij ’t meer en de oevers aftuurde en bespiedde, bewoog er zich geen
hert van zijn plaats. Er hing iets bevelends in de lucht, waarvan ’t
mezelf was of ik ’t in mijn schuilplaats voelde. Plotseling draaide de
groote bok zich om en gleed het bosch in, en elk hert op den oever
volgde onmiddellijk zonder vragen of aarzelen. Zelfs de kalfjes, nooit
zoo onoplettend dat hun een sein zou ontgaan, voelden iets dat dieper
ging dan hun spel in de houding van den bok, misschien iets in de lucht
waar ze eerder geen acht op hadden geslagen, en draafden hun moeder
achterna, om eindelijk als schaduwen op te lossen in de donker wordende
bosschen.
Jaren te voren had ik aan een ander meer, toen ’k op dezelfde manier
zonder geweer jaagde, nog een eigenaardig staaltje van hertenwijsheid
gezien. Men bedenke dat herten klaarblijkelijk zonder eenige vrees voor
den mensch geboren worden. Wanneer men de hertekalfjes heel jong in het
bosch aantreft, zijn ze gewoonlijk vol speelschheid en
nieuwsgierigheid, en een hertje, dat zijn moeder verloren heeft, zal
eerder naar een mensch toegaan dan naar eenig ander dier. Wanneer
herten u voor den eersten keer zien, het doet er niet toe hoe oud of
jong ze zijn, naderen ze behoedzaam, als ge ze niet door plotselinge
bewegingen angst aanjaagt, en trachten op allerlei aardige wijzen er
achter te komen wie ge zijt. Evenals de meeste in ’t wild levende
dieren, die een scherpen reukzin hebben, en vooral als de beer en het
rendier, gaan ze in den beginne alleen op hun neus af. Wanneer ze voor
den eersten keer een mensch ruiken, vluchten ze gewoonlijk, niet omdat
ze weten wat het beteekent, maar juist om de tegenovergestelde reden,
en wel omdat er in de lucht een sterke geur is, dien zij niet kennen,
en hun door hun moeders niet geleerd is hoe ze zich daartegenover te
gedragen hebben. Als je twijfelt, wegloopen—dat is de reukregel die al
het schuwe, wilde goedje ingeprent schijnt te worden, ofschoon ze bijna
net omgekeerd handelen wanneer gezicht of gehoor bij ’t geval betrokken
is.
Dit alles is aan jagers wel bekend; maar nu komt de uitzondering. Nadat
ik de herten een paar weken had gadegeslagen op een van hun
speelterreinen, kwam er een gids in het kamp met zijn vrouw en
dochtertje. Ze waren op weg naar hun eigen kamp voor het jachtseizoen.
Voor ’t plezier van het kleine ding, dat van alle dieren hield, nam ik
haar mee om haar de spelende herten te toonen. Terwijl ze op den oever
ronddraafden, stuurde ik haar onzen schuilhoek uit, in een plotselinge
aanvechting van nieuwsgierigheid, om te zien wat de herten en
hertekalfjes zouden doen. Zooals haar gezegd was liep ’t kindje heel
langzaam tot ze zich in hun midden bevond. Ze waren eerst onthutst;
twee van de oude herten kringden dadelijk onder den wind om lucht van
haar te krijgen; maar zelfs nadat ze haar geroken hadden, dien
verdachten menschengeur, waar de meeste van hen bang voor hadden leeren
zijn, naderden ze onbevreesd met naar voren gestoken ooren, en hun
uitdrukkingsvolle staartjes naar beneden, zonder iets van dat
zenuwachtige gekwispel, zoo opmerkelijk zoodra hun eigenaars den
eersten verdachten geur uit de lucht opvangen. Het kind zat
ondertusschen op den oever met oogen wijd open van nieuwsgierigheid
naar de aardige dieren te kijken, maar ze was dapper gehoorzaam aan
mijn eerste, gefluisterde aanwijzingen en hield zich zoo stil als een
gejaagd konijntje. Twee gevlekte kalfjes kringden al speelsch om haar
heen, maar het derde ging regelrecht naar haar toe, met vooruitgestoken
neus en ooren om zijn vriendelijke gezindheid te toonen, en trok zich
toen terug om grappig met zijn voorpootje te stampen, dat het zwijgende
kind zich zou verroeren of spreken, en misschien ook om haar op
hertenmanier te laten zien dat hij, al deed hij nu zoo toeschietelijk,
toch in ’t geheel niet bang was.
Er was een bok bij het troepje, een driejarige met een veelbelovend
gewei. Eerst was hij ’t eenige hert dat blijk gaf van angst voor de
kleine bezoekster; en het leek me alsof zijn angst grootendeels uit
argwaan kwam, of uit geprikkeldheid dat iets de aandacht van de kudde
van hemzelf zou afleiden. De schuwheid van ’t najaar ging hem bezielen
en hij gaf er blijk van door een rustelooze beweeglijkheid, door de
hinden herhaaldelijk met zijn gewei te stooten, en door ze ruw en
onredelijk heen en weer te drijven. Nu naderde hij het kind en schudde
met zijn gewei, niet om haar te bedreigen, leek het mij, maar veeleer
om de andere herten te toonen dat hij nog heer en meester was, de
Groote Mogol, die bij alle gelegenheden geraadpleegd moet worden. Voor
den eersten keer schrok de kleine meid zenuwachtig op bij de dreigende
beweging. Ik riep haar zachtjes toe zich stil te houden en niet bang te
zijn en verrees meteen kalm uit mijn schuilplaats. Onmiddellijk
veranderde de kleine comedie, en keerden de herten zich bliksemsnel
naar mij toe. Ze hadden al eerder menschen gezien en wisten wat dat
beteekende. De witte vlaggetjes vlogen overeind boven de verschrikte
ruggen, en de lucht was gewoon vervuld van gierende h-ie-ie-ie-joeh,
hie-oeh’s, terwijl herten en kalfjes over den eersten den besten
omgewaaiden boom sprongen als een koppel opgeschrikte patrijzen en zich
het beschuttende bosch instortten, dat hen met open armen ontving.
Er zijn menschen, die volhouden dat een dierenleven louter een zaak van
blind instinct en gewoonte is. Hier op den oever, zoo voor mijn oogen,
had ik een tooneel, dat om een eenigszins andere verklaring vraagt.
Ofschoon de herten het talrijkst en het merkwaardigst van de dieren
zijn op wie men zonder geweer kan jagen, zijn ze zeker niet het eenige
wild, dat het hart van den jager met blijdschap vervult en maakt dat ’t
hem plezier doet als zijn weitasch leeg is. Elanden kan men aan
hetzelfde water vinden, en wanneer men ze zeer bedaard en langzaam
nadert in den zomertijd, vooral met een kano, toonen ze weinig angst
voor den mensch. Toen ik den vorigen zomer ’t water doorgleed, ’t
Matagammon-meer in, doemden er in de nauwe geul een wijfjeseland en
haar kalf voor me op. Ik bespiedde haar een poosje stilletjes, en
merkte haar eigenaardige manier van eten op;—nu eens trok ze wat sappig
watergras omhoog, dan weer rekte ze haar hals en haar grooten snuit uit
om een bekvol bladen van den watereschdoorn af te rukken, eerst het een
en dan het ander, als een jongen met twee appels. Ondertusschen
snuffelde het kalf langs den oever en schonk geen aandacht aan de kano,
die hij best zag, maar die zijn moeder niet merkte. Na ze een paar
minuten te hebben gadegeslagen, gleed ik omzichtig naar den overkant en
liet me stroomafdrijven, om te zien of het mogelijk zou zijn er voorbij
te komen zonder ze te verstoren. Het kalf was met iets op den oever
bezig, de moeder stond diep in het watergras, toen ik voorbijdreef,
laag in mijn kano gezeten. Ze zag me toen ik op haar hoogte was, en
nadat ze me even vol verbazing had aangekeken, ging ze weer aan ’t
eten. Toen wendde ik de kano langzaam en ging onder den wind liggen,
geen tien meters van hen af, om elke beweging van beteekenis te
bespieden. Het kalf was nu dichter bij me, en de moeder liet hem door
een zwijgend bevel terugkomen, aan dien kant van haar waarmee ze van me
afgekeerd stond; maar de nieuwsgierigheid van het kleine beest was
opgewekt door het verbod, en hij bleef maar onder den buik van zijn
moeder doorgluren, of zijn hals verdraaien om achter over haar hielen
heen te zien wie ik was en wat ik uitvoerde. Maar geen zweem van angst;
en ik trok eindelijk langzaam achterwaarts en liet hem aan zijn
maaltijd op dezelfde plaats waar ik hem had aangetroffen.
De volgende ontmoeting leverde een eigenaardige tegenstelling met deze.
Het was op ’t beverriviertje stroomaf van ’t Hay-meer, een plekje zoo
wild als een droom van Doré, en algemeen bekend als een plaats waar
elanden en herten hun eten zoeken. Ik was aan ’t hengelen naar
forellen, toen een elandenmoeder tusschen de boschbes- en elzestruiken
stroomop kwam. Ik had ’t ingooien gestaakt en zat laag in mijn kano; ze
zag me niet, eer ik op dezelfde hoogte was als zij, geen twintig voet
van haar af. Toen zwaaide ze haar reusachtigen kop onverschillig mijn
kant uit, en ging door, alsof ik net zoo weinig telde als een van de
beverhutten op den oever. Tien pas achter haar kwam een kalf.
Nauwelijks hadden de bladen zich achter haar flanken gesloten, of hij
stak zijn kop uit de struiken en zag me pardoes voor zich. Met een
kreet en een sprong als van een opgeschrikt hert, stortte hij zich de
boschjes in, en ik hoorde hoe de moeder in een kring haastig
terugkeerde, dat ’t zoo kraakte, om hem te vinden en er achter te komen
wat hem beangst had. Toen ik tien minuten later doodstil op dezelfde
plek zat, werd er een reusachtige kop uit ’t kreupelhout gestoken, waar
het kalf in verdwenen was. Er onder, stijf tegen zijn moeders flank
gedrukt, was de kop van ’t kleine beest, om weer te kijken naar het
ding, dat hem verschrikt had gemaakt. Hij had haar weer meegebracht om
ook eens te zien, en vroeg nu duidelijk: Wat is het, moeder? wat is
het? ofschoon er geen klank geuit werd. En daar bleven ze wel een paar
minuten, terwijl we geen van allen een vin verroerden, voordat ze zich
zwijgend terugtrokken en verdwenen, slechts een dubbele lijn nalatend
van wuivende, trillende toppen in ’t lage hout, als het spoor van een
reusachtige slang, om me te wijzen waar ze heengegaan waren.
Aan dezelfde rivier snapte ik den beroemden mannetjes-eland van onzen
tocht ook. Ik pagaaide stilletjes voort, toen ik een bocht omkwam en er
vlak voor mijn kano plotseling een reusachtig donker gevaarte uit het
water opdoemde. Voor dat donkere gevaarte stak een groot gewei, het
grootste dat ik ooit in Maine gezien heb, uit het water omhoog. De rest
van zijn kop was er onder leliewortels aan ’t zoeken, en mijn eerste
opwindende gedachte was, dat je de kano tusschen de einden van dat
groote gewei zou kunnen drijven zonder ze aan te raken, zoo groot en
breed was het. In plaats daarvan joeg ik mijn kano snel voort, tot zijn
kop weer omhoog begon te rijzen en ik neerdook om hem te bespieden, van
zoo’n korten afstand, dat elke verandering van uitdrukking op dien
reusachtigen snuit en in die scherpe oogjes duidelijk zonder kijker te
zien was. Hij zag me onmiddellijk, liet den wortel vallen dien hij
omhoog getrokken had, en zijn onderkaak bleef openhangen van stomme
verbazing. Hij scheen er niet zoo zeer verbaasd over te zijn wie ik
was, als wel hoe ter wereld ik daar zoo stilletjes was gekomen. Hij
deed langzaam een paar passen mijn kant uit met stijf naar voren
gestoken ooren en oogen, die glommen toen hij me scherp opnam, of ’k
ook maar een beweging maakte. Daarna waadde hij er op zijn gemak uit,
klom den oever op, die hier steil was, en verdween in het bosch. Ik
volgde hem dicht op de hielen toen hij verdween, en bekeek de manier
waarop hij zijn reusachtige gewei droeg en zijn pooten in een hoogen
stap opbeurde, als een Shanghai-haan. Dit was de eenige van alle
elanden, waar ’k ooit achteraan getrokken ben, wiens kop hinderlijk
zwaar belast scheen. Hij droeg het breede gewei laag en waakte er
zorgvuldig over tusschen de boomstronken en elzestammen. Het stak nog
in ’t fluweel, en ongetwijfeld deden de ruige takken, als ze er ruw
langs schuurden, hem ineenkrimpen, tenzij hij langzaam ging. Eindelijk,
toen hij merkte dat ik hem vlak op de hielen was, keerde hij zich om,
om nog eens naar mij te kijken; maar ik kon juist achter een boom
glippen, tot ik hem door hoorde gaan, en trok daarna weer achter hem
aan. Weldra drong er eenige achterdocht voor het ding dat hem op het
spoor was, of mogelijk een flauwe luchtgolf, die den gevaarlijken geur
bevatte, tot hem door. Hij legde zijn groote gewei achterover op zijn
schoften, op de wijze der elanden, en ging er met een geweldige vaart
van door het bosch in. Ik kon me voorstellen hoe zijn tanden knarsten
en hij met zijn oogen draaide, als er een terugspringende tak tegen
zijn gevoelige gewei zwiepte, dat hij steunde van de pijn. Maar de
angst voor wat er achter hem aankwam had de overhand, en in een oogwenk
was ik hem kwijtgeraakt in de schaduw en de stilte van het groote
bosch.
Het was dienzelfden nacht, meen ik (mijn aanteekeningen hebben geen
verschil in tijd of plaats), dat ik nog eens zoo jaagde, met vrede in
mijn ziel, en de eigenaardige gewaarwording alsof ik de gedachten en
drijfveeren van het boschvolkje begreep. Ik gleed laat in de schemering
met mijn kano over stil water voort, in de schaduw van ’t hooge, wilde
beemdgras, toen een zacht gekwaak en gesnater van wilde eenden mijn oor
trof. Ik pagaaide de kano stil het eerste open moerasje in, den kant
der geluiden uit, tot ik zoo dichtbij was, dat ik geen voet verder
durfde varen, en behoedzaam overeind rees om over de grashalmen te
kijken. Er bevonden zich misschien dertig of veertig van die prachtige
vogels—minstens vier of vijf broedsels, en elk broedsel onder leiding
van zijn bezorgde moeder—die zich hier voor ’t eerst van alle meertjes
uit de buurt, waar ze uitgebroed waren, hadden verzameld. Een dag of
twee, drie geleden al had ik de jonge broedsels zien rondvliegen, bezig
hun vleugels te oefenen als voorbereiding tot den langen najaarstrek.
Nu waren ze allemaal vergaderd op een droge modderplaat, door hoog gras
omgeven, terwijl ze speelden en klaarblijkelijk kennis maakten. Midden
op de plaat bevonden zich twee grasbulten, waarvan de halmen vertrapt
en afgerukt waren. Er stond altijd een eend op elken graspol, en lager
stonden er nog een stuk of vier, vijf, die blijkbaar moeite deden om er
op te komen; maar de top was klein en bood slechts ruimte voor één, en
er was een groot gekwaak en speelsch gekrabbel om die uitverkoren plek.
Het bleek duidelijk genoeg dat ’t een spelletje was, want als de vogels
beneden naar boven probeerden te komen, deed het kleine beest in de
hoogte al zijn best om ze in de laagte te houden. Andere vogels
scharrelden in paren van den eenen kant der plaat naar den anderen; en
er was één grappige optocht of wedloop—vijf of zes vogels die op een
rij en heel langzaam begonnen en eindigden met groote vaart om
hals-over-kop het gras in te duiken van den tegenovergestelden oever.
Hier en daar zat aan de grenzen van het speelterrein een oude
moedervogel van een graspol neer te kijken op het wilde, onschuldige
spel, terwijl ze tevreden haar staart heen en weer bewoog en af en toe
haar hals uitrekte om waakzaam uit te zien en te luisteren. Het geluid
van de spelende vogels was merkwaardig zacht en gedempt, en deed me
sterk denken aan een paar Indiaansche kinderen, die ik eens had zien
spelen. Soms had het gekwaak iets van buikspreken weg, scheen van heel
uit de verte te komen, en dan weer hield het geheel op bij een sein van
een waakzame moeder, ofschoon ’t spel gestadig doorging, alsof ze zelfs
in hun spelen aan de vijanden moesten denken, die overal loerden en
luisterden om ze te pakken.
Toen ik iets meer overeind kwam om naar een paar vogels te kijken, die
zich vlak bij me bevonden, maar onzichtbaar waren door ’t beemdgras,
raakte mijn voet tegen een pagaai, zoodat die even ratelde. Een enkel
„kwak”, afwijkend van alle andere, volgde oogenblikkelijk, en elke
vogel bleef roerloos waar hij was, en stak zijn hals lang uit om te
luisteren. Een moedervogel had me gezien, ofschoon ik niet zeggen kon
welke, tot ze zich van haar veenpol af liet glijden en dapper mijn kant
uit naar den overkant kwam waggelen. Toen gebeurde er iets
eigenaardigs, dat ik dikwijls met verwondering heb waargenomen onder in
troepen en kudden levende vogels en zoogdieren. Er werd een sein
gegeven, maar zonder dat mijn ooren eenig geluid in de roerlooze stilte
der schemering konden opvangen. Het was, alsof er een plotselinge
prikkel als een electrische schok was uitgezonden aan elken vogel in
den grooten troep. Op hetzelfde oogenblik dook elke eend ineen en
sprong omhoog, krachtig sloegen de vlerken neer, de troep rees op,
alsof de vogels door een schijfwerper gegooid werden, en verdween met
groot gerucht van wiekgeruisch en schor gekwaak, waardoor iedereen in
het groote moeras gewaarschuwd werd dat er gevaar dreigde. Luid
geklapwiek hier en daar; roerdompen kreten heesch; reigers krasten; een
„spiesbok” gierde en sprong vlak bij me op; een muskusrat, die
voorbijzwom, dook onder met een klap van haar staart en een plons alsof
er een steen in ’t water viel. Toen daalde de stilte weer over het
moeras, en geen geluid verried waar het boschvolkje zich ophield in den
stillen avond, noch waar het mee bezig was of zich mee vermaakte.
Vroeger kon men rendieren aan deze wateren vinden, en ze zijn het
eigenaardigste en belangwekkendste wild, waar zonder geweer jacht op
gemaakt kan worden; maar jaren geleden zijn alle lorkeboomen, waarvan
de trekkende rendieren grootendeels voor voedsel afhankelijk zijn, door
een rups vernield. De herten, die al zoo talrijk zijn dat het land hun
in den winter nauwelijks voedsel genoeg kan verschaffen, maken zich
meester van wat er eetbaars rest, zoodat den rendieren niets anders
overbleef dan de grens over te trekken, Nieuw-Brunswijk in, waar ’t aan
larixen niet ontbreekt en een overvloed van rendiermos uit de sneeuw is
te wroeten. Nog beter, voor wien ’t om rendieren te doen is, is de
groote wildernis van noordelijk Newfoundland, waar de rendieren den
zomer doorbrengen en waar men van een bergtop af honderden van die
prachtige dieren kan tellen, naar alle kanten over het land in de
diepte verspreid. En zoo op ze jagen, met de bedoeling om de geheimen
van hun merkwaardig bestaan te ontdekken—waarom bijvoorbeeld elke kudde
dikwijls haar eigen begraafplaats kiest, of waarom een mannetje er van
houdt uren aaneen op een holle boomstomp te stampen—dat is een vermaak
naar mijn hart, oneindig veel grooter dan de jacht om ’t gewei, waarbij
men ze belaagt, op de paden waar ze langs trekken, paden die ontelbare
geslachten lang heilig zijn geweest, en ze neerschiet wanneer ze als
tam vee voorbijkomen.
Voor den jager zonder geweer bestaat er geen gesloten jacht op eenig
wild, en ’t is grooter genot te jagen op een hinde met haar kalfjes dan
op een tienender. Te land of te water—hij is altijd klaar; hij hoeft
niet te zwoegen om wat te bereiken, behalve voor zoover hij dat zelf
verkiest; teleurstelling is niet mogelijk, want of het dier in rust is,
of opgejaagd, schuw als een raaf in de wildernis, of brandend van
nieuwsgierigheid als een blauwe gaai, hij vindt altijd wat om in zijn
hart te bergen op de plaats, waar hij datgene bewaart wat hij graag
overdenkt. Alles is hem welkom, en al wat zijn blik maar snapt, op
aarde, in lucht of water, is van belang voor hem. Nu zijn ’t de
waterspinnen—schaatsenrijders noemen de jongens ze—die een grappig
spelletje doen tusschen de grashalmen en nog merkwaardiger gewoonten
hebben dan de gewone zakspinnen, die soms Jonathan Edwards’ [1]
gedachten wegriepen van den gestrengen, onbeminlijken God zijner
theologie, naar den geduldigen, zorgenden Dienaar van het Heelal, dien
sommigen Kracht noemen, en anderen Wet, en dien één, die Hem kende, Den
Vader heette, dezelfde onder de leliën des velds als in de steden de
menschen. Dan weer is het een otter en haar jongen, aan de oppervlakte
aan ’t spelen, die duiken als ze je zien en plotseling weer verrijzen
bij je kano, als een balk die rechtovereind naar boven komt schieten.
Met hun lichaam half uit het water om beter te kunnen zien, zeggen ze
w-h-ie-ie-ie-joeh als een jonge zeehond, om uiting te geven aan hun
verbazing over zoo’n wonderlijk ding in het water. Ofwel een
duikermoeder, die haar jongen op den rug neemt zoodra ze uit het ei
komen, en ze een poosje ’t meer ronddraagt, om ze door en door in de
zon te drogen, eer ze onder ze uitduikt en ze voor het eerst nat maakt;
en ge moet ze lang nagaan voordat ge ontdekt waarom. Of het is een
berin met haar jongen—ik bespiedde er drie, wel langer dan een uur, op
een middag, toen ze boschbessen plukten. In den beginne hapten zij ze
van de struiken, stengels, bladen en al, zooals ze groeiden. Dan,
wanneer ze een mooien struik vonden, een kleintje vol bessen, beten ze
dien dicht boven den grond af, of trokken hem met wortel en al uit,
namen hem dan met beide voorpooten bij den stengel, en trokken hem van
links naar rechts door hun bek, terwijl ze er alle bessen afristen en
den struik, die nergens meer voor diende, weggooiden. Ook wel sloegen
ze met hun voorpooten tegen de struiken, zoodat de rijpste bessen er
afvielen en schraapten ze dan heel zorgvuldig allemaal bij elkaar op
een hoop, om ze in één hap te verslinden. En altijd als een van de
beertjes, op zoek naar een mooien struik, merkte dat het andere bezig
was met een ongewoon goeie vondst, kreeg je een grappige herinnering
aan je eigen jongensjaren, wanneer ’t kleine dier jammerend toesnelde
om zijn deel te krijgen eer alle struiken leeggeplunderd zouden zijn.
Dat was een mooie jacht. Het stemde je blij, zelfs dezen zeldzamen
sluiper der bosschen in vree zijn gang te laten gaan. En dat brengt me
op ’t allerbeste wat ervoor den jager zonder geweer te zeggen valt:
„De wildernis zal zich verheugen, zij zal lustig bloeien en zich
verheugen”, want er komt iets der vriendelijke gezindheid van den
Heiligen Franciscus over hem, en als hij heengaat, laat hij pijn noch
dood noch vrees voor den mensch achter.