Hoe anders, Grete, was ’t u,

Toen gij nog vol onschuld

Hier bij het altaar tradt,

En uit het oude boekje

Gebeden laast,

Half kinderspel,

Half God in ’t hart,

Grete!

Hoe staat u ’t hoofd?

En in uw harte,

Welke misdaad!

Bidt gij nu voor de ziel van uwe moeder,

Die door uw toedoen is in ’t graf gedaald?

Wier bloed kleeft op uw drempel?

En wat draagt ge onder ’t harte?

Zeg, wat beweegt zich daar,

En ziet, vol angst en vrees,

De toekomst te gemoet?

MARGARETA.

Wee, wee!

Hoe raak ik van die angsten vrij,

Die mij bevangen, en zich tegen mij

Doen hooren!

KOOR.

Dies irae, dies illa

Solvet seclum in favilla.

Orgelspel.

BOOZE GEEST.

Hoor, vol ontzetting,

’t Bazuingeschal;

De graven beven,

En uw hart,

In asch begraven,

Tot helsche pijnen

Weêr opgedolven,

Beeft ook!

MARGARETA.

Was ik maar hier van daan!

’t Is of het orgelspel

Den adem mij beneemt,

’t Gezang mijn hart

In mij doet smelten!

KOOR.

Judex ergo cum sedebit,

Quidquid latet adparebit,

Nil inultum remanebit.

MARGARETA.

’t Wordt mij benaauwd!

De muurpilaren

Beknellen mij!

’t Gewelf omhoog

Valt op mij neder!—Lucht!

BOOZE GEEST.

Verberg u! Zonde en schande

Blijft niet verborgen.

Lucht! Licht!

Wee u!

KOOR.

Quid sum miser tunc dicturus?

Quem patronum regaturus?

Cum vix justus sit securus? [7]

BOOZE GEEST.

Hun aanschijn wenden

De zaalgen van u af

De reinen vreezen

U aan te raken.

Wee!

KOOR.

Quid sum miser tunc dicturus?

MARGARETA.

Buurvrouw, uw fleschje!

Zij bezwijmt.

Walpurgisnacht.

Hartsgebergte.

FAUST en MEPHISTOPHELES.

MEPHISTOPHELES.

Verlangt gij niet een bezemstok?

Ik wenschte wel een fermen bok;

Wij zijn zeer ver nog van het doel.

FAUST.

Zoo lang ik mij nog wel ter been gevoel,

Word ik door ongeduld niet aangepord.

Wat helpt het, of men zich den weg verkort?

In deze kronkelende dalen

Of in die rotsen te verdwalen,

Van waar de bergstroom nederstort,

Dat is de saus, waardoor zoo’n wandling smaaklijk wordt.

De lente weeft reeds in de berken,

En zelfs de pijnboom voelt haar al;

Zou zij dan ook op ons niet werken?

MEPHISTOPHELES.

Voorwaar, ik merk nog niemendal;

Ik heb den winter nog in ’t lijf,

En wenschte sneeuw en vorst op mijne baan.

Hoe treurig stijgt daar de onvolkomen schijf

Omhoog der laat reeds opgekomen maan,

En schijnt zoo flaauw, dat men bij ieder tred

Ligt tegen boom of rots-uitstek belandt.

Vergun mij dat een dwaallicht ons hier redd’!

Daar zie ’k een, dat juist vrolijk brandt.

Heidaar, mijn vriend! Mag ’k u wel hier verzoeken?

Geen nut toch sticht ge in achterhoeken.

Och, licht eens hier naar dezen kant!

DWAALLICHT.

Uit eerbied, hoop ik, zal het mij gelukken

Mijn vlugheid zoo veel mooglijk te onderdrukken;

Maar onze loop zwaait als een lanterfant.

MEPHISTOPHELES.

Ei, ei! Gij denkt de menschen na te âmen!

Ga regtuit, of, bij alle duivelsnamen,

Ik blaas uw licht uit, kort en goed!

DWAALLICHT.

Gij zijt hier baas, naar ik bevroed,

En ’k wil mij gaarne naar u schikken;

Maar denk, de berg is heden dol en mal,

En als een dwaallicht u den weg dus wijzen zal,

Moet ge alles zoo precies niet wikken.

FAUST, MEPHISTOPHELES, DWAALLICHT, in beurtzang.

In de droom- en tooverspheer

Zijn wij, schijnt wel, nu getreden.

Leid ons goed, dit zij uwe eer!

Dat wij zonder tegenheden

Spoedig bij de heksen komen!

Zie die boomen achter boomen

Schielijk ver en verder rukken!

En die klippen, zie ze eens bukken!

En die lange steenrots-neuzen,

Hoor ze eens snorken, net als reuzen!

Door de steenen, die zij kneuzen,

Snellen beek en beekje neder.

Hoor ik liedren, zacht en teeder?

Hoor ’k daar zoete minneklagten

Juist als in dien heiltijd smachten?

Hoop, wat werkt ge op onze zinnen!

En ons hopen en ons minnen

Alles kaatst ons de echo weder.

Oehoe, oehoe! hoor ik krassen;

Steenuil, kaauw en meerkol bassen;

Allen zitten in die struiken.

Zie ’k geen mooliken daar duiken?

Lange beenen, dikke buiken!

En die wortels, als de slangen,

Winden zich uit zand en rotsen,

Maken wonderlijke potsen,

Om ons, zoo verschrikt, te vangen;

En uit levende eikenloten

Strekken de polypenpooten

Naar den wandelaar zich uit.

En die duizendkleurge muizen,

Die door heide en mos verhuizen!

En die glimmerwormpjes zweven

Wolk bij wolk als voortgedreven,

Dat het ons om de ooren fluit.

Maar zeg nu eens of wij stilstaan,

Dan wel verder op den dril gaan?

Alles schijnt in ’t rond te draaijen;

Rotsen, boomen, allen trekken

Malle tronies, scheeve bekken.

Wat al dwaallicht ziet men zwaaijen!

MEPHISTOPHELES.

Pak mij stevig bij den staart!

Hier is juist een gat in de aard,

Waar men ginder in ’t verschiet

’t Gloeijen van den Mammon ziet.

FAUST.

Hoe zeldzaam blinkt door de aardkorst henen

Een flaauwe, roode morgengloor!

Men ziet, door vreemden glans beschenen,

Tot in het diepst van d’ afgrond door.

Hier stijgt de rook; daar trekken dampen;

Hier schijnt de gloed door knoest en kluit;

Nu heeft zijn loop met niets te kampen,

Dan breekt hij als een vuurberg uit.

Hier slingert hij zich, zonder hinder,

Door ’t dal met honderd adren heen,

En dan weêr in dien hoek daarginder

Komt alles tot een klomp bijeen.

Daar spatten allerwege vonken

Als uitgeworpen gouden zand;

Maar zie, daar bij die twee spelonken

Geraakt de rots geheel in brand!

MEPHISTOPHELES.

Verlicht bij feesten, zoo als heden,

Heer Mammon niet zijn prachtig huis?

Maar stil! Ik hoor met veel gedruisch

Alreê de gasten nader treden!

FAUST.

Hoor, hoe de stormwind door ’t gebergte snort!

Zie, hoe die boomen nedersmakken!

MEPHISTOPHELES.

Gij moet de rots bij de oude ribben pakken,

Daar ge anders in den afgrond nederstort.

Een nevel verdikt nog de nacht;

Het loeijen verheft zich met kracht.

Hoe vliegen en krassen die uilen!

Hoe kraken en breken de zuilen

Van groene paleizen! Hoe huilen

De winden met grootere woede!

Hier wordt men regt aaklig te moede.

Het barst en het knarst en het knettert,

Of alles in ’t rond wordt verpletterd,

En over het puin in de kolken

Daar jagen en gieren de wolken.

Zeg! Hoort gij ’t gezang in de lucht wel,

En achter en voor ons ’t gezucht wel?

Dus krijschen en gillen zoo naar en zoo bang

De woedende heksen haar toovergezang.

HEKSEN, in koor.

De heksen naar den Bloksberg spoên;

Geel is de stoppel, ’t zaad is groen.

De groote hoop zal henengaan;

Voorop ziet men heer Uriaan.

Zoo vliegen over steen en stok

Op bezemsteelen heks en bok.

EENE STEM.

Ook de oude Baubo komt meteen,

En rijdt nu op een zeug alleen.

KOOR.

Zij zij geëerd dan en geacht.

Vrouw Baubo worde voorgebragt!

Een zeug eerst, en haar moêr daarop,

Dan volgt het ovrige in galop.

EENE STEM.

Van waar komt gij?

ANDERE STEM.

Van de Ilzenfest.

Daar keek ik in een uilennest;

Één spalkte wijd zijn kijkers open.

EERSTE STEM.

Wil naar de hel voor mijn part loopen!

ANDERE STEM.

Mij heeft zij geschonden;

Zie maar eens mijn wonden!

HEKSEN, in koor.

De weg is breed, de weg is lang.

Wat is dat voor een dol gedrang?

De hooivork steekt, de bezem knarst,

Het kind verstikt, de moeder barst.

HET HALVE KOOR.

Wij sluipen eerst gelijk de slak;

De vrouwen vormen ’t eerste koor:

Dan gaat het naar den bullebak;

De vrouw heeft duizend schreden voor.

DE ANDERE HELFT.

Laat elk zich op zijn wijze spoên:

De vrouw heeft duizend schreên van doen;

Maar hoe zij ook zich haasten kan,

Een enkle sprong—daar is de man!

EENE STEM VAN BOVEN.

Kom meê, kom meê, gij daar beneên!

STEMMEN VAN BENEDEN.

Wij wilden graag naar boven heen.

Wij wieschen ons, en zijn zoo wit als krijt,

Maar ook onvruchtbaar voor altijd.

BEIDE KOREN.

De wind wordt stil, de sterren vliên;

De maan wordt haast niet meer gezien.

Het tooverheer spat in zijn draf

Wel duizend vonken van zich af.

STEM VAN BENEDEN.

Heidaar! O, wacht eens even!

STEM VAN BOVEN.

Wie maakt daar zulk een leven?

STEM VAN BENEDEN.

Neem mede mij! Ach, doe het maar!

Ik klim nu reeds driehonderd jaar,

En kan den top maar niet bereiken.

Ik was zoo graag bij mijns gelijken.

BEIDE KOREN.

De bezem draagt; ook draagt de stok;

De hooivork draagt, en ook de bok:

Wie nu niet hooger komen kan,

Blijft eeuwig een verloren man.

HALVE HEKS, beneden.

Ik hink zoo lang reeds achteraan.

Wat zijt ge al ver vooruitgegaan!

Ik heb geen rust, wat ik ook doe,

En kom er hier toch ook niet toe.

KOOR DER HEKSEN.

De zalf geeft alle heksen moed;

Een lap is voor een zeil nog goed,

Voor schip een baktrog, als men ziet;

Wie thans niet vliegt, die kan het niet.

BEIDE KOREN.

Zoodra wij vliegen om den top,

Zet u beneên dan in galop,

En overdekt de heide alom

Met uwen zwerm van ’t heksendom.

Zij dalen af.

MEPHISTOPHELES.

Dat dringt en stoot, dat vliegt en klappert,

Dat sist en kirt, dat trekt en knappert,

Dat spat en stinkt, dat draaft en rent:

’t Is met regt een heksen-element.

Hier, Faust! Houd u maar hieromtrent!

Waar zijt ge?

FAUST, in de verte.

Hier!

MEPHISTOPHELES.

Hoe? Reeds in gindsche struiken?

Dan zal ’k mijn huisregt maar gebruiken!

Plaats! Jonker Voland komt! Plaats allen, oud en jong!

Hier, doctor! Pak mij aan, en nu een enklen sprong,

Opdat wij gaauw ’t gedrang ontwijken!

’t Is al te dol, ook zelfs voor mijns gelijken.

Daarginder schittert iets met ongemeenen schijn.

Die struiken in! Daar zal ’t u blijken,

Dat wij volkomen veilig zijn.

FAUST.

Gij, geest van tegenspraak! ga voort met mij te leiden.

’t Schijnt wel, hier kent gij weg en steg.

Wij zijn nu naar den Bloksberg toch op weg,

Om daar ons een stil plekje te bereiden.

MEPHISTOPHELES.

Zie, hoe die vlammen licht verspreiden!

Een vrolijk kransje is daar bijeen:

In ’t kleine is niemand ooit alleen.

FAUST.

Ik was toch liever op dien top.

Hoe kronklen gloed en rook zich op!

Daar ze allen naar den duivel loopen,

Moet menig raadsel zich ontknoopen.

MEPHISTOPHELES.

Maar menig doet zich weder op.

Laat maar de groote wereld draven;

Wij zullen hier in stilte ons laven.

Men weet toch lang en ’t is al oud,

Dat m’ in de groote wereld kleine bouwt.

Daar zie ik jonge heksen naakt en bloot,

En oude, die zich wijselijk bedekken;

Het is om mij, en ’k wil er niet meê gekken:

De moeite is klein, de grap is groot.

Ik hoor al menig instrument;

’t Is leelijk, maar daar raakt men aan gewend.

Kom gaauw nu meê, en scherp uw zinnen;

Ik ga vooruit en leid u binnen,

En stel u aan ’t gezelschap voor.

Wat zegt ge nu? Dat is geen smaldoek, hoor!

Kijk maar eens toe! Naauw is het eind te aanschouwen,

En honderd vuren lichten als flambouwen.

Men kookt, men drinkt, men danst, men snapt, men gilt—

Zeg mij eens, hoe gij ’t beter hebben wilt!

FAUST.

Wilt ge u nu, om ons hier te introduceeren,

Als toovenaar of duivel produceeren?

MEPHISTOPHELES.

’k Bewaar ’t incognito wel meestal waar ik kom,

Doch op galadag doet men al zijne ordes om.

Met ster of kouseband ben ’k een, die niets beduidt;

Maar met een paardevoet zie ik er deftig uit.

Ziet gij dat diertje, met die voelhoorns opgestoken?

Het is een slak, zoo als ge ziet.

Zij heeft mij nu alreeds geroken;

Al wil ik, hier verloochen ik mij niet.

Kom! Wij gaan vuur aan vuur bekijken;

Ik vraag de bruid, gij gaat er mede strijken.

Tot eenigen, die voor halfuitgegane kolen zitten.

Zeg, oude heeren! Zit gij hier te droomen?

Gij moest in ’t midden liever komen,

Met jonge heksen om u heen;

Gij zijt genoeg toch te huis alleen.

EEN GENERAAL.

Wie mag op natiën vertrouwen,

Men hebbe nog zoo veel voor haar gedaan!

Want bij het volk, als bij de vrouwen,

Staat steeds de jonkheid boven aan.

EEN MINISTER.

Thans is men van het regte spoor, helaas!

Ik prijs den tijd, den goeden ouden,

Toen ’s vorsten wil werd opgehouden;

Want toen was hij en waren wij de baas.

EEN PARVENU.

En wij, wij waren ook niet dom

En weerden ons in ’t zamenspannen;

Maar nu keert zich het blaadjen om,

En weg zijn onze mooije plannen!

EEN AUTEUR.

Wie zal thans een geschrift, aan ernst of jok gewijd,

Waar maar een weinig in zit, lezen!

En ’t jonge volkje—lieve tijd!

Zoo neuswijs was het nooit voordezen!

MEPHISTOPHELES, die er op eens zeer oud uitziet.

’k Voel dat ten jongsten dag gerijpt is al wat leeft,

Nu ik voor ’t laatst mijn schreden herwaarts wende;

En wijl mijn vaatje weinig vochts meer geeft,

Zoo loopt de wereld ook ten ende.

EENE OUDSKOOP-HEKS.

O heeren, spoedt u niet zoo voort!

Laat de gelegenheid niet varen!

O, werpt een blik op mijne waren;

Ik heb van allerhande soort.

Toch heb ik niets, hoe men ook smade,

Wat niet eens menschen eerzucht wekt,

En niet eens heeft tot groote schade

Der wereld en den mensch gestrekt.

Geen dolk, waarvan het bloed niet heeft gevloten;

Geen kelk, waaruit in eens gezonden lijf

’t Verterend gift niet is gegoten;

Geen tooisel, dat niet een beminnend wijf

Verleid, geen zwaard, dat geen verbond verbroken,

Of niet ter sluips een vijand heeft doorstoken.

MEPHISTOPHELES.

Hoor, bestemoêr! gij weet niet meer te leven.

Wat vroeger was, is nu gedaan.

Wil liever eens wat nieuws ons geven;

Slechts nieuwigheden trekken aan.

FAUST.

Dat mag ik in mijn zak wel steken;

’k Heb nooit zoo mooi nog hooren preeken.

MEPHISTOPHELES.

Daar gaat nu heel de troep naar boven;

Gij schuift, denkt ge, en gij wordt geschoven.

FAUST.

Maar wie is dat daarginder? Zeg!

MEPHISTOPHELES.

Beschouw

Haar goed. ’t Is Lilith, Adams eerste vrouw.

Neem u in acht voor hare schoone haren;

Dit tooisel is gevaarlijk voor een man:

Als zij daarmeê een jongling vangen kan,

Laat zij hem niet zoo ligt weêr varen.

FAUST.

Daar zitten twee, een oude met haar jong;

De laatste deed reeds menig sprong.

MEPHISTOPHELES.

Dat heeft van daag geen rust of vreê!

De dans begint alweêr. Kom, gaauw! wij doen ook meê.

FAUST, met de jonge heks dansende.

’k Had eens een aangenamen droom.

Ik zag een grooten appelboom;

Twee appels kreeg ik in het oog;

Ik vond ze mooi, en klom omhoog.

DE JONGE HEKS.

Van appels was ’k altijd vriendin,

Die ’k reeds van ’t Paradijs bemin.

’k Zou daarom gaarne, kon ’t geschiên,

Ook appels in mijn tuintje zien.

MEPHISTOPHELES, met de oude heks.

’k Had eens een onpleiziergen droom.

Ik zag een ouden, dorren boom:

Het scheen wel halve hekserij;

Want ook, hoe oud, beviel hij mij.

DE OUDE HEKS.

Ik bied u gaarne mijnen groet,

Gij, ridder van den paardenvoet!

Vreest gij geen ouden, dorren stam,

Dan ben ook ik u niet te stram.

EEN LIJDER AAN VERSTOPPINGEN.

Vervloekt gespuis! wat maakt u toch zoo koen?

Een geest, gij hadt het weten moeten,

Staat niet op ordinaire voeten:

Nu danst gij zelfs, zoo als wij menschen doen.

DE JONGE HEKS, dansende.

Wat moet die man daar op ons bal?

FAUST, dansende.

Och! die is hier en overal;

Die meent de alwijsheid te bezitten.

Kan hij niet ieder pas bevitten,

Dan is de pas zoo goed als niet gedaan.

Het slechtst is hij gemutst, wanneer wij voorwaarts gaan.

Wanneer ge u juist zoo rond wilt draaijen,

Als hij het in zijn ouden molen doet,

Dan vindt hij ’t nog al reedlijk goed,

Vooral zoo gij hem ook wat lof weet toe te zwaaijen.

DE VERSTOPPING-LIJDER.

Zijt gij daar nog, gij hellewicht?

Verdwijn! Wij hebben ’t menschdom nu verlicht.

Dat duivelstuig vraagt naar geen wet of regel;

Wij weten ’t zoo, en ’t steekt toch als een egel.

Hoe lang toch riep ik tegen elk bedrog!

Maar ’t baat niet. Zie, dat ergert iemand toch.

DE JONGE HEKS.

Schei uit toch met ons hier zoo te vervelen!

DE VERSTOPPING-LIJDER.

Ik zeg u, geesten, houdt u stil,

Daar ik geen geestendespotisme wil;

Mijn geest kan in dien waan niet deelen.

Er wordt voortgedanst.

Van daag, zie ’k, wil mij niets gelukken;

Maar ’k doe het togtje altijd toch meê,

En ’k hoop nog, vóór mijn laatste treê,

Den duivel en de dichters te doen bukken.

MEPHISTOPHELES.

Hij zal zich in een drekplas nedervlijen,

Zoo is hij nog op zijn gemak het meest,

En hechten zich bloedzuigers aan zijn dijen;

Dan is hij vrij van geesten en van geest.

Tot Faust, die uit den dansrei getreden is.

Hoe is ’t? Laat gij dat mooije meisje loopen,

Dat bij den dans zoo aardig zong?

FAUST.

Ach! Midden onder ’t zingen sprong

Een roode muis op me aan, haar uit den mond gekropen.

MEPHISTOPHELES.

Is ’t anders niet? Daarom geen moed verloren!

Wie zal toch aan een muisje, rood geboren,

Zich in een herdersuurtje storen!

FAUST.

Dan zag ik....

MEPHISTOPHELES.

Wat?

FAUST.

Mephisto, zie eens aan!

Ziet gij dat schoone, bleeke kind wel gaan?

Zij schijnt haar schreden in te toomen,

En kan haast van de plaats niet komen.

Ik moet bekennen—vindt gij niet?—

’t Is juist alsof men Grete ziet.

MEPHISTOPHELES.

Kom, laat dat loopen! ’t Helpt u niet;

’t Is maar verbeelding wat gij ziet.

Er op te turen, is niet goed;

Dat geeft maar stremming in het bloed;

Ja, men versteent soms van zoo iets.... Maar och,

De fabel van Medusa kent gij toch!

FAUST.

Voorwaar, het is een meisje, bij wier dood

Haar de oogen een beminde hand niet sloot.

Zij is ’t, die, aan mijn borst gezonken,

Mij alles, alles heeft geschonken!

MEPHISTOPHELES.

Dat is de tooverij; die brengt u van het spoor;

Want ieder komt zij als zijn liefje voor.

FAUST.

O, welk een lijden! welk verrukken!

Ik kan daarvan niet los mij rukken!

En zonderling! Die roode strook

Om haren hals, die, naar ik gis,

Niet breeder dan een mesrug is....

MEPHISTOPHELES.

Gij hebt gelijk; ik zie het ook.

Zij kan haar hoofd zelfs onder d’ arm wel dragen;

Want Perseus heeft het afgeslagen....

Nog altijd rijst somtijds uw waan ten top!

Kom! Gaauw dat heuveltje nu op!

Wat is ’t hier vrolijk! welk geschater!

En ben ik niet behekst of blind,

Dan zie ik waarlijk een theater.

Is dat niet zoo? Wat zegt gij, vrind?

EEN DIENSTDOENDE GEEST.

Dat men zoo aanstonds weêr begint.

Het stuk is nieuw; het laatste van de zeven,

Die wij hier elken avond geven.

Een dilettant heeft het geschreven,

En dilettanten spelen ’t vlug en snel.

Vergeef mij, dat ik mij verwijder, heeren,

En voor ’t gordijn-ophalen schel!

MEPHISTOPHELES.

Dat ik u hier moet rencontreeren,

Is goed zoo; want hier is het groot komediespel.

Open veld. Het is een sombere dag.

FAUST en MEPHISTOPHELES.

FAUST.

In ellende! In wanhoop! Erbarmelijk op de aarde lang rondgedoold, en nu

gevangen! Als misdadige in den kerker opgesloten, om aan ontzettende

folteringen te worden prijsgegeven! Zóó ver is het dus gekomen!

Verraderlijke, verachtelijke geest, en dat hebt gij voor mij geheim

gehouden! Sta maar, sta! Wentel vrij uwe duivel-oogen grimmig in het

hoofd rond! Sta, en trotseer mij door uwe onverdragelijke

tegenwoordigheid! Gevangen! In onherstelbare ellende! Overgegeven aan

booze geesten en het regtsprekende gevoellooze menschdom! En mij wiegt

gij intusschen in den slaap door laffe verstrooijingen,—gij verbergt

mij hare ellende, en laat haar hulpeloos verkwijnen!

MEPHISTOPHELES.

Zij is de eerste niet.

FAUST.

Hond! Verfoeijelijk ondier! O oneindige geest, verander den worm weder

in zijne hondengedaante, zoo als hij op dien avond om mij heen

drentelde, om den onergdenkenden wandelaar voor de voeten te kruipen,

en den nedervallenden op de schouders te hangen! Verander hem weder in

zijn vroegeren toestand, dat hij voor mij op den buik in het zand

kruipt, en ik hem met voeten trap, dat gedrocht!—De eerste niet!—O

ellende! o ellende! door geen menschenziel te bevatten, dat meer dan

één schepsel in de diepte van deze ellende verzonk; dat niet het eerste

voldeed voor de schuld van al de overigen, in zijn pijnlijk

stervens-uur voor de oogen van den eeuwig Vergevende! Mij woelt het

lijden van die eenige door merg en been! Gij glimlacht bedaard over het

lot van zoo vele duizenden!

MEPHISTOPHELES.

Nu zijn wij reeds weder aan de grens van onze schranderheid,—daar, waar

bij u, menschen, het hoofd op hol gaat. Waarom laat gij u met ons in,

als gij met ons niet gelijken tred weet te houden? Gij wilt vliegen, en

al dadelijk wordt ge duizelig. Dringen wij ons aan u op, of doet gij

dat aan ons?

FAUST.

Steek uwe verslindensgrage tanden zoo niet tegen mij uit! Dat walgt

mij.—Groote, heerlijke Geest, die u verwaardigd hebt mij te

verschijnen,—gij, die mijn hart kent en mijn gemoed—waarom hebt gij mij

aan dien schandgezel gesmeed, die aan leed zich verlustigt en in

verderf zijn wellust vindt!

MEPHISTOPHELES.

Hebt gij nu gedaan?

FAUST.

Red haar—of wee u! Den verschrikkelijksten vloek over u voor eeuwen!

MEPHISTOPHELES.

Ik kan de boeijen van den wreker niet ontbinden, zijne grendels niet

openen. Red haar! Wie was het, die haar in het verderf stortte? Ik of

gij?

Faust staart vol woestheid in het rond.

Zoekt gij naar den donder? Goed, dat hij u, ellendigen sterveling, niet

gegeven werd! Een onschuldigen, die ons tegenkomt, te verpletteren, dat

is het doen van tirannen, om zich uit verlegenheden te redden.

FAUST.

Breng mij bij haar! Zij moet vrij zijn!

MEPHISTOPHELES.

En het gevaar, waaraan gij u blootstelt? Weet wel, dat nog op de stad

bloedschuld ligt van uwe hand! Over de plek van den verslagene zweven

wrekende geesten, en loeren op het terugkeeren van den moordenaar.

FAUST.

En dat voegt gij mij nog toe? Moord en dood van eene wereld over u,

wangedrocht! Breng mij bij haar, zeg ik, en bevrijd haar!

MEPHISTOPHELES.

Ik ga met u, en zal doen wat ik kan! Maar heb ik alle magt in den hemel

en op aarde? De zinnen van den cipier wil ik bedwelmen; maak u dan van

de sleutels meester, en breng haar naar buiten met menschenhand. Ik

houd de wacht. De tooverpaarden staan gereed, en ik voer u beide weg.

Dat kan ik.

FAUST.

Haasten wij ons dan!

Open veld. Het is nacht.

FAUST en MEPHISTOPHELES, op zwarte paarden voortrennende.

FAUST.

Wat doen ze daar toch bij het galgeveld?

MEPHISTOPHELES.

Ik weet niet wat ze kokkerellen.

FAUST.

Dat komt al heen en weêr gesneld!

MEPHISTOPHELES.

’t Zijn heksen en haar medgezellen.

FAUST.

Dat is dus ook al hekserij?

MEPHISTOPHELES.

Voorbij maar gaauw! Voorbij!

Kerker.

FAUST, met een sleutelbos en eene lamp voor een ijzeren deurtje.

’k Word door een lang ontwend gevoel bevangen,

En al de ellende van het menschdom grijpt mij aan.

Hier toeft ze, aan ’t einde van deez sombre gangen;

En ach, haar misdrijf was een goede waan!

Wat aarzelt gij, haar weêr te groeten

Wat vreest gij, haar hier weêr te ontmoeten?

Vooruit, of ’t is met haar gedaan!

Hij steekt een sleutel in het slot; van binnen wordt gezongen:

Mijn moeder, die hoer,

Die bragt mij om ’t leven;

Mijn vader, die schelm,

Hij heeft mij vergeven!

Mijn zusje, nu dood,

Had ik op mijn schoot,

Maar in een koeler oord;

Toen werd ik als een mooi roodborstje groot.

Vlieg voort! Vlieg voort!

FAUST, opensluitende.

Zij weet niet, dat haar minnaar haar bespiedt

En alles hoort en alles ziet!

Hij treedt binnen.

MARGARETA, zich op hare legerstede verbergende.

Wee! wee! zij komen! Bittre dood!

FAUST, zacht haar toefluisterende.

Stil! stil! Ik kom uw boeijen slaken.

MARGARETA, zich naar hem toe wentelende.

Zijt gij een mensch? gevoel dan mijnen nood!

FAUST.

O stil! Gij zult de wachters doen ontwaken!

Hij grijpt hare ketenen, om ze te ontsluiten.

MARGARETA, op de knieën.

Wie heeft, o beul! u deze magt

Zoo over mij gegeven?

Gij haalt mij reeds te middernacht;

Ontferm u! Laat mij nog wat leven!

Is ’t morgen dan niet tijds genoeg?

Zij staat op.

Ik ben zoo jong nog, en zoo vroeg

Moet ik reeds sterven!

Schoon was ik ook, en dat kwam mij verderven!

De vriend was bij mij, maar nu zie ’k hem nooit.

Vertreden ligt de krans; de bloemen zijn verstrooid.

Vat mij zoo ruw en woest niet aan!

Spaar mij; wat heb ik u gedaan?

Ontferming smeek ik op mijn kniên!

Ik heb u nooit te voren toch gezien!

FAUST.

Zal ik dien jammer weêrstand kunnen biên!

MARGARETA.

Ik ben geheel nu in uw magt.

Maar laat mijn kind toch even komen!

Het was bij mij geheel den nacht;

Men heeft het toen mij afgenomen,

En zegt nu, dat ik ’t wicht heb omgebragt.

O, nooit zal ik weêr vrolijk wezen!

Zij zingen liedjes op mij; maar dat vind ik slecht.

’t Is juist zoo als het sprookje zegt;

Waar heb ik dat ook weêr gelezen?

FAUST, aan hare voeten.

Hij, die u mint, komt herwaarts snellen,

Om u in vrijheid weêr te stellen.

MARGARETA, zich op hem werpende.

O, laat ons knielen en de Heilgen smeeken!

Ziet gij dien steen omhoog wel steken?

Ziet gij dien drempel wel?

Daar kookt de hel!

Samiël

Begint zijn spel,

Opdat gij ’t wete!

FAUST, uitbarstende.

Grete! Grete!

MARGARETA, opmerkzaam.

Dat was een vriendenstem!

Zij springt op; hare ketenen vallen af.

Hij roept me; o waar, waar vind ik hem?

Vrij ben ik; niets kan mij bedwingen!

Aan zijn hals wil ik springen,

Aan zijn borst mij wringen.

Hij riep mij, o ja, en ik hoorde het wel,

Te midden van ’t huilen en woeden der hel,

Te midden van den duivelschen hoon

Herkende ik zijn zoeten, zijn minnenden toon.

FAUST.

Ik ben ’t!

MARGARETA.

Gij zijt het? O, dan ben ik vrij!

Hem vastklemmende.

Hij is ’t! Hij is ’t! Nu is mijn leed voorbij!

Nu zal geen keten mij meer knellen!

Gij komt mij nu in vrijheid stellen—

Ik ben gered!

’k Zie weêr de straat, waar ik u ’t eerst ontmoette.

En gij zoo vriendelijk mij groette,

En ook het tuintje, waar ’k bij nacht

Met Martha u heb opgewacht!

FAUST, haar naar de deur trekkende.

Kom nu! Kom gaauw!

MARGARETA.

O, blijf, mijn vrind!

Ik toef zoo gaarne waar gij u bevindt.

Zij liefkoost hem.

FAUST.

Maak voort!

Ontvlieden wij dit oord!

De tijd vervliegt, verloopt intusschen.

MARGARETA.

Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1] · 第 8 / 9 段