Hoe? Gij kunt niet meer kussen?

Mijn vriend, nu tot mij weêrgekeerd,

Hebt gij het kussen afgeleerd?

Het is of angst mij aan uw hals bevong!

Als vroeger door uw woorden, door uw blikken,

Een gansche hemel mij doordrong,

En gij mij kuste of gij mij woudt verstikken!

O, kus mij nu,

Of anders kus ik u!

Zij omvat hem.

O wee! Uw mond geeft niets weêrom,

Is stom!

Waar is uw min, mijn leven,

Gebleven?

Geen kus tot wellekom!

Zij wendt zich van hem af.

FAUST.

Kom, volg mij, mijn liefje, en vat moed!

Ik min u nog steeds met den eigensten gloed;

Maar laat ons nu dadelijk gaan!

MARGARETA, naar hem toe gewend.

En gij zijt het zelf wel? Kan ik daar op aan?

FAUST.

Ik ben het; kom nu meê!

MARGARETA.

Gij werpt mijn ketens neêr,

En ik ben de uwe als vroeger weêr?

Hoe komt het dan, dat gij zoo somber zijt?

En weet gij wel, mijn vriend, wie gij bevrijdt?

FAUST.

Kom gaauw! Reeds wijkt de donkre nacht.

MARGARETA.

Mijn moeder heb ik omgebragt,

Mijn kind heb ik verdronken.

O, was ’t niet u en mij geschonken!

U ook.... Gij zijt het! Weg met schroom!

Geef mij de hand—het is geen droom!....

Uw lieve hand.... Maar ach, wat is zij klam!

Wisch af! Naar mij ter ooren kwam,

Kleeft bloed er aan.

Ach, wat hebt gij gedaan!

Steek op den degen!

Ik bid u, kom!

FAUST.

O, van ’t verledene gezwegen!

Gij brengt mij om!

MARGARETA.

Neen, gij moet overblijven.

De graven wil ik u beschrijven;

Voor die moet gij zorgen

Reeds morgen.

Mijn moeder zij de beste plaats gegeven;

Mijn broeder komt dan vlak daarneven;

Ik ’t verst op de rij,

Maar toch wat nabij.

Mijn kind dan aan mijn regterzij.

Geen ander toch wil bij mij rusten....

U naast mij waar’ de dierste mijner lusten...

Maar dit geluk is voor mij al te groot!

Wat zou ik mij daarover kwellen!

’t Is of ’k u altijd na moet snellen,

En gij mij steeds teruggestoot!

En toch—gij zijt het zelf, en zijt zoo goed!

FAUST.

Beseft gij dat? Zoo maak dan spoed!

MARGARETA.

Daarheen?

FAUST.

In vrijheid.

MARGARETA.

Is het graf daar, dat ons wacht?

Loert daar de dood in eeuwgen nacht?

Kom dan ter plaats, waarnaar ik smacht,

En verder ook geen enkle schrede....

Gij gaat nu heen? O Hendrik, kon ik mede!

FAUST.

Gij kunt, als gij maar wilt; de deur staat open.

MARGARETA.

Ik mag niet weg; voor mij is niets te hopen.

Wat helpt het, daar zij toch mij niet vergeten!

Het is zoo naar, gebedeld eten,

En nog daarbij een kwaad geweten!

Het is zoo naar, als balling rond te dwalen...

En toch, zij zullen me achterhalen!

FAUST.

Ik blijf waar gij u ook bevindt.

MARGARETA.

O spoedig! Red mijn arme kind!

Dien weg op! Altijd maar regtuit!

Dat beekje langs, tot dat ge stuit!

Dat bosch in, links, daar bij dien pas....

Ziet gij dien plas?

O, grijp het wicht nu ras!

Het komt omhoog; ’t beweegt zich nog;

O, red het! Red!

FAUST.

Bezin u toch!

Een enklen stap, en gij zijt vrij!

MARGARETA.

O, waren we eerst dien berg voorbij!

Daar zit mijn moeder op een steen.

Een rilling gaat mij door de leên!

Daar zit mijn moeder op een steen;

Zij zwijgt en schudt haar hoofd alleen.

Zij wenkt niet, zij spreekt niet, het hoofd doet haar zeer;

Zij sluimert zoo lang reeds; ze ontwaakt niet weêr;

Zij sluimert, om ons te verblijden

In de oude gelukkige tijden!

FAUST.

Helpt hier geen smeeken, bidden, vragen,

Dan zal ik u naar buiten dragen!

MARGARETA.

Laat af! Mij geen geweld gedaan!

O, vat mij toch zoo ruw niet aan!

’k Heb u toch steeds met liefde bijgestaan!

FAUST.

O lieve, zie! daar breekt de dag reeds aan!

MARGARETA.

De dag? O ja, ’t wordt dag! Daar komt de laatste dag,

Die nu mijn hoogtij wezen mag!

Zeg niemand, dat gij reeds bij Grete waart.

Wee mijn krans!

’t Is juist geschied!

Ik weet dat gij mij wederziet,

Maar bij geen bruiloftsdans!

Het volk dringt toe; men hoort het niet.

Het vult de straten, de stegen,

En al de wegen.

De doodsklok roept; daar breekt de staf;

O zie, hoe zij mij pakken, binden, knijpen!

Men plaatst mij op den vreeselijken stoel!

’k Zie ieder naar zijn hals reeds grijpen,

Bij ’t lemmet dat ik aan den mijnen voel!

Als ’t graf ligt de aarde, stom en koel.

FAUST.

O, ware ik nooit geboren!

MEPHISTOPHELES, die zich nu vertoont.

Kom spoedig, of gij beiden zijt verloren!

Geen verder praten, klagen, snappen;

Mijn paarden trappen;

Het is reeds morgenstond.

MARGARETA.

Wat rijst daar uit den grond?

Die daar! O, zend hem voort!

Wat wil hij in dit heilig oord?

Mij wil hij!

FAUST.

Gij zult leven!

MARGARETA.

Barmhartig God! Ik wil me in uwe handen geven!

MEPHISTOPHELES tot Faust.

Kom, of ik laat u beiden in den loop!

MARGARETA.

O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop!

Gij engelen, gij heilge scharen,

Omringt mij en wilt mij bewaren!...

O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!

Zij sterft.

MEPHISTOPHELES.

Zij is gevonnisd!

STEM VAN BOVEN.

Ze is gered!

MEPHISTOPHELES tot Faust.

Kom meê!

ECHO VAN DE KERKERMUREN.

Hendrik... Hendrik...!

AANTEEKENINGEN

[1] Men heeft mij onlangs doen opmerken, dat Mein schönes Fräulein (met

welke woorden Margareta, als zij het eerst ten tooneele treedt, door

Faust wordt aangesproken) niet door schoone juffer, maar door schoone

freule had behooren te worden overgebragt, zoo als Mr. J. van Lennep

doet in Klaasje Zevenster, aan het einde van het tweede deel. Mijn

antwoord hierop is, dat freule, ofschoon inderdaad eene navolging van

het Hoogd. Fräulein, bij ons iets anders dan het laatste beteekent; ons

freule is in het Hoogd. Gnädiges Fräulein. Zónder gnädiges voorop, is

het niets dan het Fransche mademoiselle, gelijk, o.a., uit de Duitsche

tooneel-affiches kan blijken, als daarin opgegeven wordt, dat, in het

een of ander stuk, Fräulein X de rol van Ernestine en Fräulein Y die

van Wilhelmine zal vervullen. Men moet tevens niet uit het oog

verliezen, dat het Fransche demoiselle en ons juffer op zichzelve reeds

eer- of beleefdheidstitels zijn; het laatste is jonkvrouw, vlug

uitgesproken. Het Hoogd. Jungfrau eindelijk is ons maagd, en het Hoogd.

Magd wederom ons dienstmeid.

[2] Dit neemt niet weg, dat onze Antwerpsche Miester Jochem er toch

hier en daar wel wat uit heeft willen overnemen. Zoo eindigt zijne

vertaling in den eersten druk:

MARGARETA.

De uwe ben ik, Vader! sta my by!

Gy engelen, gy heilige scharen,

Legert u omheen, my te bewaren!

Hendrik, ik schrik voor di.

MEPHISTOPHELES.

Zy is gevonnist!

STEM (van boven.)

Is gered!

MEPHISTOPHELES (tot Faust.)

Kom henen nu!

Daar dit echter wel wat al te bar was, heeft V. begrepen dit slot, in

zijn tweede uitgaaf, gedeeltelijk naar mijne navolging te moeten

verbeteren.

[3] Mephistopheles, ook bij verkorting Mephisto (bij Oud-Engelsche

dichters Mephostophilus), is misschien gevormd uit het Grieksche μη

(niet), φως, gen. φωτός, licht, en φιλος, beminnend; dus: iemand, die

het licht niet bemint.

[4] Handlanger, amanuensis van een geleerde, in Duitschland.

[5] Het Paaschlied “Christ ist erstanden”, door Goethe hier zoo juist

te pas ingelascht, was, naar alle waarschijnlijkheid, reeds in de

twaalfde eeuw voorhanden, en behoorde in de dertiende tot de meest

verspreide.

[6] “Gij zult als God wezen, kennende goed en kwaad.” Het gezegde van

de slang tot de vrouw, Gen. III: 5b, volgens de Vulgata of Latijnsche

vertaling.

Vert.

[7] Deze aanhalingen uit het oude kerklied, dat in zijn geheel 17

strophen bevat, geven wij in vrije vertaling aldus terug:

In dien dag des toorns, o zonden!

Wordt het al tot stof ontbonden.

En de regter in den hoogen

Stelt het kwaad voor aller oogen;

Niets wordt aan de straf onttogen.

Wien roep ik dan aan in ’t ende?

Waar ik ook mijne oogen wende,

Niets verlost me uit mijne ellende!

Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1] · 第 9 / 9 段