Geen mensch kon immer me iets ten laste leggen.
“Ha!” dacht ik: “hij zal zeker zeggen,
“Dat hij iets onbehoorlijks heeft gezien,
“En schijnt wel niet veel morgenspraken
“Met zulk een meisje als gij te maken.”
Guluit gezegd, ik vroeg me een poos,
Wat me in mijn hart zoo daadlijk voor u won;
Maar zeker was ik op mij zelve boos,
Dat ik op u niet boozer worden kon.
FAUST.
Lief meisje!
MARGARETA.
Wacht eens!
Zij plukt eene bloem, en trekt de blaadjes een voor een af.
FAUST.
Zeg, wat dat beduidt!
MARGARETA.
’t Is voor mijzelve iets.
FAUST.
Hoe?
MARGARETA.
Loop heen! Gij lacht mij uit!
FAUST.
Wat prevelt gij?
MARGARETA, half hoorbaar.
Hij mint mij—mint mij niet!
FAUST.
O, wie u, meisje, zoo bespiedt....
MARGARETA gaat voort.
Hij mint mij—niet—hij mint mij—niet.
Het laatste blaadje afplukkende, vol vreugde.
Hij mint mij!
FAUST.
Ja, mijn kind! O laat dees bloemenspraak
De godspraak zijn, die ons gelukkig maak’!
Weet gij wel wat het zegt, dat ik van liefde blaak?
Hij grijpt hare beide handen.
MARGARETA.
Het duizelt mij!
FAUST.
Vrees niets! Laat deze blik,
Laat deze handdruk u verklaren
Wat onuitspreeklijk is:
Geheel zich toe te wijden, en een heil
Te smaken, dat eeuwig zijn moet;
Ja, eeuwig; want het einde zou vertwijfling zijn.
O neen! Geen einde! Neen, geen einde!
MARGARETA drukt hem de handen, maakt zich los, en loopt heen. Hij staat
een oogenblik in gedachten; dan volgt hij haar.
MARTHA, aankomende.
Het wordt al donker!
MEPHISTOPHELES.
Ja, en tijd dat wij vertrekken.
MARTHA.
’k Zou gaarne uw bijzijn willen rekken,
Maar ’t is hier stil om dezen tijd,
En juist een plaats, waar zekre lieden
Een ander, uit nieuwsgierigheid of nijd,
Wel wilden nagaan en bespieden.
Maar waar zou nu ons paartje zijn gebleven?
MEPHISTOPHELES.
Ik zag ze in gindsche laan zoo even.
MARTHA.
Hij mag, naar ’t schijnt, haar zeer wel lijden.
MEPHISTOPHELES.
En zij hem ook. Dat gaat zoo te alle tijden.
Een tuinhuisje.
MARGARETA springt binnen, verbergt zich achter de deur, houdt haren
vinger op de lippen, en kijkt door de reet.
MARGARETA.
Hij komt!
FAUST, binnenkomende.
Hoe is het? Fopt gij mij?
Dat ’s mis!
Hij kust haar.
MARGARETA, hem omhelzende en den kus teruggevende.
O beste man! van harte min ik u!
Mephistopheles klopt aan.
FAUST, met den voet stampende.
Wie daar?
MEPHISTOPHELES.
Goed vriend.
FAUST.
Een dier!
MEPHISTOPHELES.
’t Is nu wel tijd van scheiden.
MARTHA, binnenkomende.
Ja, ’t is al laat, mijnheer!
FAUST tegen Margareta.
Mag ik u niet geleiden?
MARGARETA.
Neen, moeder zou... vaarwel!
FAUST.
Zeg! wanneer zie ’k u weêr?
Wel nu....?
MARTHA.
Vaarwel!
MARGARETA.
Tot wederziens, mijnheer!
Faust en Mephistopheles vertrekken.
MARGARETA.
Daar gaat hij! Ach, wat zulk een man
Niet alles, alles denken kan,
Daar ik vol schaamte voor hem sta
En zeg op alle dingen ja!
Ik ben toch een onnoozel kind,
En weet niet wat hij aan mij vindt!
Vertrekt.
Eene spelonk in een boschrijk gebergte.
FAUST alleen.
Verheven geest! gij gaaft mij, gaaft mij alles
Waarom ik bad! Gij hebt niet vruchteloos
Uw aangezigt in ’t vuur mij toegewend!
Gij gaaft natuur mij tot een koningrijk,
En kracht om haar te voelen, te genieten.
Geen koel bewonderend bezoek voldoet u;
O neen! ’t was mij vergund in uwe borst
Als in den boezem van een vriend te staren.
Gij liet de rijen van de levenden voorbij
Mijn blik gaan, en gij leerdet mij mijn broeders
In ’t stille woud, in lucht en water kennen.
En als in ’t bosch de stormwind giert en loeit,
De pijnboom in zijn val meêdoogenloos
Nabuurge takken, stammen medesleept,
En aller val luid door ’t gebergte dondert—
Dan voert gij me in een veilige spelonk,
Laat dan mijzelv’ mij zien, en veel geheime
En diepe wondren doen zich voor mij op.
En rijst voor mijnen blik de reine maan,
Tot kalmte stemmend opwaarts,—zweven mij
Van rotsgevaarten, uit het vochtig bosch,
De schimmen uit den voortijd voor mijn blik,
En temperen mijn lust tot verder dringen.
O, dat volmaaktheid nooit den mensch ten deel valt,
Gevoel ik nu. Gij gaaft bij deze vreugde,
Die mij de goden na en nader brengt,
Mij den gezel, dien ik reeds nu niet meer
Ontberen kan, ofschoon hij, koud en ruw
Mij voor mijzelv’ vernedert, en uw gaven
Slechts met een enkel woord in rook verandert.
Hij wakkert in mijn borst een wilde vlam
Naar ’t schoone, lieve beeld behendig aan.
Zoo hol ik van begeerte tot genot,
En in ’t genot versmacht ik naar begeerte!
MEPHISTOPHELES, aankomende.
Dat leven is u nu toch niet meer vreemd;
Maar hoe kan ’t langer u bekoren?
’t Is goed dat men er eens de proef van neemt;
Maar spoedig wil men van iets anders hooren.
FAUST.
’k Wou dat ge iets beters hadt te doen,
Dan mij altijd te komen plagen!
MEPHISTOPHELES.
Nu, nu! Gij hebt, naar ’k mag bevroên,
In ernst niet over mij te klagen!
Aan klanten, barsch en dol als gij,
Is waarlijk weinig te verbeuren:
Den ganschen dag is ’t suklarij;
En wat hem al of niet gevallig zij,
Kan men mijnheer niet aan den neus bespeuren.
FAUST.
Dat is nu juist de regte toon!
Hij wil een dankje nog, voor al zijn kwellen.
MEPHISTOPHELES.
Hoe hadt gij, arme wereldzoon,
Het zonder mij toch kunnen stellen?
Van al het gekke en onbekookte,
Dat in uw doctorhersens spookte,
Genas ik u, en gij, mijnheer,
Waart zonder mij op de aard niet meer.
Waartoe in holen en spelonken
Dan in gepeinzen weggezonken?
Wat hebt ge aan mos of ander vochtig kruid,
En slurpt daar als een pad uw voedsel uit?
’t Is wel een aardig tijdverdrijf!
U steekt de doctor nog in ’t lijf.
FAUST.
Beseft gij, welke nieuwe levenskracht
Ik hier vergaar in eenzaamheid en nacht?
Zoudt gij het slechts bevroeden kunnen,
Gij waart in staat om mijn geluk mij niet te gunnen.
MEPHISTOPHELES.
Het is wat moois, op bergen en in holen
Bij nacht en ontij’ rond te dolen,
En aarde en hemel aan zijn borst te vlijen,
En tot een godheid dan zich uit te laten dijen,
Het merg der aard al vorschend te doorwoelen,
’t Zesdaagsche werk in zijne borst te voelen,
In trotschen waan wat weet ik te genieten,
Dan liefdedronken alles te overvlieten,
Ontslagen van alle aardsche boeijen,
Van hoogre aanschouwing overvloeijen,
En dan—met Grete u te bemoeijen!
FAUST.
Foei! schaam u!
MEPHISTOPHELES.
Ja, dat wil u niet bekoren!
Gij hebt wel regt een “foei!” te laten hooren!
’t Past voor geen kuische en zedige ooren,
Wat kuische harten niet ontberen kunnen.
Doch kort en goed, ik wil ’t vermaak u gunnen,
Zoo nu en dan uzelv’ wat wijs te maken.
Maar lang toch duren nooit die zaken;
Gij zijt weldra weêr de oude mensch;
Gij laat u spoedig weêr bepraten
En wordt alras weêr uitgelaten
In dolheid zonder perk of grens.
Genoeg! Uw liefje zit daar binnen;
Zij smacht naar u; geen oogenblik
Verdwijnt uw beeld haar uit de zinnen;
Zij mint u tot den laatsten snik.
Eerst kwam uw liefdedrift gevloten
Gelijk gesmolten sneeuw, die ’t beekje zwellen doet;
Gij hebt die haar in ’t hart gegoten:
Nu heeft de bergstroom uitgewoed.
Mij dunkt, in plaats van rond te zwerven
In bosch of grot, zou ’t beter zijn,
Dat zulk een heer het maagdelijn
’t Loon voor haar liefde deed verwerven.
De tijd valt haar verschriklijk lang,
Zij staat aan ’t venster, ziet als graauwe vlekken
De wolken over d’ ouden stadsmuur trekken.
“Was ik een vogeltje!” Dit ’s haar gezang
Des daags, ja halve nachten lang.
Ze is vrolijk soms, dan droevig weêr,
Terwijl ze in stilte treurt en kwijnt;
Dan is ’t weêr beter, naar het schijnt.
Naar u verlangt zij zeer.
FAUST.
O slang! o slang!
MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.
Ik wed, vriend, dat ik u nu vang!
FAUST.
Vervloekte! ga terstond me uit de oogen!
Noem nooit weêr zulk een meisje, als dit,
En breng den lust tot haar bezit
Mij niet weêr voor den geest, gij vader van de logen!
MEPHISTOPHELES.
Wat wilt ge dan? Zij denkt dat gij haar nu ontvliedt,
En ’t heeft er wel iets van; of is ’t misschien zoo niet?
FAUST.
Waar ’k me ook bevind’, zij wordt door mij bewaakt;
Ik kan haar nooit vergeten, nooit ontberen;
Ja, ik benijd het ligchaam onzes Heeren,
Als ’t door haar lip wordt aangeraakt!
MEPHISTOPHELES.
Zeer wel, mijn vriend! Ik heb u vaak benijd,
Omdat ge een mensch als andre menschen zijt.
FAUST.
Ga mij uit de oogen, koppelaar!
MEPHISTOPHELES.
Wat maakt ge een leven!
De god, die knaap en meisje schiep,
Wist dat hij ook de drift in ’t aanzijn riep,
Hun zelf gelegenheid te geven,
’t Is eenmaal zoo; ga nu maar heen:
Zijt ge eenmaal met uw liefje alleen,
Dan loopt ge toch geen doodsgevaar.
FAUST.
O, welk een hemel is het in hare armen!
Mogt ik me aan hare borst verwarmen!
Wat is het leven zonder haar!
Ben ik de vlugtling niet? niet de onbesuisde?
Niet de onmensch, nimmer hollens moê,
Die als een waterval van rots tot rotsen bruisde,
Begeerig woedend naar den afgrond toe?
En zijwaarts zij met kinderlijke zinnen
In ’t hutjen op een heuvelkling,
En al haar zorgen, haar beminnen
Besloten in haar kleinen kring!
En mij, den godverzaker! Was het niet genoeg,
Dat ik een rotsstuk greep, en ’t heil aan splintren sloeg?
Hoe kon een God dit ooit gehengen!
U, hel, moest ik dit offer brengen!
Help, duivel, mij den tijd verkorten!
Wat wezen moet, zij ras gedaan!
Moge ook haar lot op mij in puin ter nederstorten,
En zij met mij te gronde gaan!
MEPHISTOPHELES.
Wat kookt het en wat gloeit het weêr!
Loop heen en troost u, goede heer!
Waar zulk een hoofd geen uitkomst ziet,
Daar is ’t gedaan, en anders niet.
Hij leve, die zich ferm houdt als een man!
Gij hebt den duivel toch nu taamlijk ingezogen.
’t Armzaligst, wat men vinden kan,
Dat is een duivel, die tot wanhoop wordt bewogen.
Margareta’s kamer.
MARGARETA aan het spinnewiel alleen.
Hoe klopt mij ’t harte!
O nimmermeer,
O nergens vind ik
De ruste weêr!
Ach! ruste vind ik
Bij hem alleen;
Al de andre wereld
Biedt mij er geen.
Mijn hoofd verwart zich
Door ’t geen ik lij,
En al mijn zinnen
Begeven mij.
Hoe klopt mij ’t harte!
O nimmermeer,
O nergens vind ik
De ruste weêr!
Naar hem slechts staar ik
Het venster uit;
’k Zoek hem, wanneer ik
Mijn kamer sluit.
Zijn gang en houding,
’t Is alles pracht,
Zijn blik, waarmeê hij
Mij tegenlacht.
En o, zijn woorden
Zijn mij een lust!
Hoe drukt zijn hand mij,
Als hij mij kust!
Hoe klopt mij ’t harte!
O nimmermeer,
O nergens vind ik
De ruste weêr!
Hoe hijgt mijn boezem
Alleen naar hem!
Mogt ik hem grijpen
Met tooverklem!
Mogt ik hem kussen
Naar hartelust!
O, stierf ik dan ook,
Ik stierf gerust!
Martha’s tuin.
MARGARETA. FAUST.
MARGARETA.
Beloof mij, Hendrik...
FAUST.
Wat ik kan.
MARGARETA.
Zeg! Hoe is ’t met uw godsdienst toch gesteld?
Gij zijt een hartlijk goede man,
Maar ’t schijnt toch, of gij ’t kerkgaan niet veel telt.
FAUST.
Hoor, kind! gij weet, ik meen het met u goed.
’k Heb alles veil voor wie ik liefheb, lijf en bloed,
En niemand wil ’k zijn kerkgeloof ontrooven.
MARGARETA.
Dat ’s niet genoeg; men moet ook zelf gelooven.
FAUST.
Moet men?
MARGARETA.
Ach, kon ik ’t u in ’t hart maar prenten!
Gij toch vereert niet eens de heilge sacramenten.
FAUST.
’k Vereer ze.
MARGARETA.
Ja, maar geen verlangen drijft u aan.
Ter mis, ter biecht zijt ge in geen langen tijd gegaan.
O spreek! Gelooft ge aan God?
FAUST.
Mijn lief! Wie kan beweren
Dat hij aan God gelooft! Vraagt geestelijke heeren,
En ach! hun antwoord schijnt slechts spot
Op onze vraag te zijn.
MARGARETA.
O! dus gelooft gij niet?
FAUST.
Versta mij wel, beminde Margariet!
Wie mag hem noemen?
Wie op ’t geloof aan hem zich ooit beroemen?
Wie mensch nog heeten
En zich vermeten
Te zeggen: Ik geloof hem niet?
Hij, de Alomvatter,
Hij, de Albehouder,
Omvat hij en behoudt hij niet
U, mij, zichzelv’?
Welft zich de hemel niet daarboven?
Ligt de aarde niet beneden vast?
En rijzen, vriendlijk blikkend,
Niet eeuwge sterren daar omhoog?
Staar ik niet oog in oog u,
En dringt niet alles
Naar ’t hoofd u en naar ’t harte,
En weeft in eeuwige geheimnis
Onzigtbaar zigtbaar nevens u?
Vervul daarvan uw hart, hoe groot het zij,
En als ge wegsmelt in ’t gevoel van zaligheid,
Noem ’t vrij dan zoo ge wilt:
Noem het geluk, of hart, of liefde, of God!
Ik heb geen naam er voor; gevoel is alles;
De naam is klank en rook, omwolkte hemelgloed.
MARGARETA.
Dit alles is zeer fraai en goed;
Ook drukt de priester ’t mij zoo op ’t gemoed,
Schoon juist niet met de zelfde woorden.
FAUST.
Zoo hier als ook in andere oorden
Belijden het de harten al te maal,
Doch ieder in zijn eigen taal:
Waarom dus ik niet in de mijne?
MARGARETA.
’t Is mooglijk dat het nog iets schijne,
Als men ’t zoo hoort; maar—wees niet boos er om!—
Gij toch, gij hebt geen Christendom.
FAUST.
Maar, kind....
MARGARETA.
Het baart mijn ziel verdriet,
Dat ze u in zulk gezelschap ziet.
FAUST.
Hoe dat?
MARGARETA.
De man, die altijd bij u is,
Wekt mij slechts haat en ergernis;
Niets heeft nog in geheel mijn leven
Mij zulk een steek in ’t hart gegeven
Als zijn bespiênde en valsche blik.
FAUST.
Mijn lieve kind, verban uw schrik!
MARGARETA.
Zijn bijzijn baart mij veel verdriets.
’k Heb anders tegen niemand iets;
Maar even als ’k naar u verlang,
Zoo word ik altijd voor hem bang.
Dat hij een schelm is, schijnt mij zeker toe,
En God vergeve mij, zoo ik hem onregt doe!
FAUST.
Zulk volkje moet er ook al wezen!
MARGARETA.
Het brengt mij toch in angst en vreezen.
Wanneer hij inkomt ieder keer,
Ziet hij altijd met spot ter neêr
Op alles wat zijn blik ontmoet;
Men ziet dat niets hem aandeel nemen doet.
Het staat op ’t voorhoofd hem geschreven,
Dat liefde hem niet is gegeven.
’t Is mij zoo wél aan uwen arm;
Het hart wordt mij van vreugde warm;
Maar angst baart mij zijn blik, zoo valsch en koel.
FAUST.
O engel, met uw fijn gevoel!
MARGARETA.
Dit denkbeeld tast me altijd zoo aan,
Dat ik, wanneer hij komt, soms waan
U niet te minnen, beste man,
Ja, dat ik zelfs niet bidden kan.
Dit brengt mijn binnenste aan het woelen:
Gij, Hendrik, moet dit ook gevoelen!
FAUST.
Ik weet dat gij niet graag hem ziet!
MARGARETA.
Ik moet nu weg.
FAUST.
Kan ik dan niet
Een uurtje lang met u alleen zijn,
Opdat we eens zamen mogten één zijn?
MARGARETA.
Ach! zoo ik nu alleen maar sliep,
Dan liet ik u van nacht wel binnen;
Maar als eens moeder ’t hoorde en riep,
O wat, wat zou ik dan beginnen!
Ik was van schrik wis daadlijk dood.
FAUST.
Neen, engel! neen, dat heeft geen nood!
Hier is een fleschje. Een dropje of drie
In haren drank gedaan, en zie!
Zij slaapt gerust en houdt zich stil.
MARGARETA.
Wat doe ik niet om uwentwil!
Het zal haar, hoop ik, toch niet schaden?
FAUST.
Zou ik dan, liefje, u zoo iets raden?
MARGARETA.
Zie ik u, beste man, slechts aan,
’k Weet niet wat mij zoo tot u drijft;
’k Heb reeds zoo veel voor u gedaan,
Dat mij haast niets meer overblijft.
Vertrekt.
MEPHISTOPHELES, binnenkomende.
Is ’t madeliefje weg?
FAUST.
Dus weêr gespioneerd?
MEPHISTOPHELES.
Ik heb maar al te wel vernomen,
Dat u de les daar werd geleerd:
Ik hoop, het moge u wel bekomen!
Het schijnt, dat het de meisjes intresseert,
Of iemand van het oud geloof is,
Daar hij dan zeker ook voor haar niet doof is.
FAUST.
Gij, wangedrocht! gij ziet niet in,
Hoe deze ziel, zoo trouw en goed,
Vol van geloof en heilgen zin,
Die haar bezielen, nu bevroedt,
Dat zij mij reeds verloren achten moet!
MEPHISTOPHELES.
Gij bovenzinlijk, zinlijk kreatuur,
Een meisje heeft u bij den sik!
FAUST.
Gij misgeboort’ van drek en vuur!
MEPHISTOPHELES.
De physiognomie verstaat zij op een prik:
Als ik er ben, wordt ze altoos bang te moê,
Zij weet, bekent ze, zelf niet hoe.
’t Schijnt, dat zij een genie in mij bevroedt,
Of zelfs wel denkt, dat ik de duivel wezen moet.
Nu, heden nacht....?
FAUST.
Dat raakt u niets!
MEPHISTOPHELES.
’k Heb mijn pleizier toch in zoo iets.
Bij den put.
GRETE en LIJSJE, met kruiken.
LIJSJE.
Zeg! Hebt ge dat van Bertha al gehoord?
GRETE.
Ik spreek geen menschen haast; ik hoor geen woord.
LIJSJE.
Sybille deelde mij haar staat meê:
Daar is het nu ook al zoo laat meê!
Ja, ’t ligt er toe!
GRETE.
Wat dan?
LIJSJE.
O weet,
Zij voedt nu twee, wanneer zij drinkt en eet.
GRETE zucht.
LIJSJE.
Ja, daarop is het eindlijk neêrgekomen.
Hoe lang heeft haar die vent niet ingenomen!
’t Was uitgaan zondags keurigjes en net;
Het kon niet op van al de pret.
Zij waren de eerste van de paartjes,
En dat was altijd wijn en taartjes!
Haar air—o, ’t was niet uit te staan!
Zich niet te schamen—denk eens aan,
Presentjes van hem aan te nemen—
En nu is ’t pruilen, zuchten, teemen!
GRETE.
Dat arme ding!
LIJSJE.
Beklaagt ge nog die prij?
Wanneer wij sponnen, ik of gij,
En moeder niemand in woû laten,
Stond zij met haar galant te praten,
En bij de deur of in den gang
Viel beide nooit de tijd te lang.
Nu mag zij vrij, dat komt er van.
Ten kinderdoop gaan zonder man.
GRETE.
’k Denk toch, dat hij haar trouwen zal?
LIJSJE.
Ja, dan was hij wel stapelmal!
Hij is een flinke hekkenspringer,
En krijgt er tien aan ieder vinger.
Ook is hij weg.
GRETE.
Dat is niet mooi.
LIJSJE.
Krijgt zij hem—o, dan heeft men het gegooi!
’k Verzeker u, de jonge snaken
Die zullen ’t kerkgaan zuur haar maken.
Vertrekt.
GRETE, naar huis gaande.
Hoe heb ook ik niet vaak gesmaald,
Als soms een meisje eens had gefaald!
Hoe heb ik bij eens anders zonden
Geen woorden soms genoeg gevonden!
Wat scheen me een misstap zwart en groot,
En toch stond ik er ook voor bloot!
Maar—drukt het nu me ook op ’t gemoed—
Hij was zoo lief! Hij was zoo goed!
Stads-wal.
In eene nis een beeld van de Mater dolorosa, met bloempotten er voor.
GRETE, terwijl zij de potten van versche bloemen voorziet.
Beproefde vrouwe!
Zie in uw rouwe
Genadig neder op mijn nood!
Het zwaard in ’t harte,
Vervuld van smarte,
Aanschouwt ge uw zoon in zijnen dood.
Ten Vader wendt gij
En zuchten zendt gij
Omhoog om zijn’ en uwen nood.
O, wie kan voelen
Hoe ’t aklig woelen
Der smart mij dringt door merg en been!
De angst, die mij komt bevangen,
Zijn siddren, zijn verlangen
Kent gij, o vrouwe, gij alleen!
Waarheen ik mij ook wende,
Ellend, ellend, ellende
Aanschouwt alom mijn blik;
En is de dag verdwenen,
Dan moet ik weenen, weenen,
Tot dat ik bijna stik.
’k Bedauwde door mijn tranen,
Tot in de ziel bedrukt,
De vensterruiten, toen ik
Dees bloemen heb geplukt.
Toen reeds de zon vroegtijdig
In mijne kamer scheen,
Zat ik in mijne sponde
Met mijne ellende alleen.
O, red mij toch van schande en dood!
Beproefde Vrouwe,
Zie in uw rouwe
Genadig neder op mijn nood!
Straat voor Margareta’s deur. Het is nacht.
VALENTIJN, soldaat, Margareta’s broeder.
Als ik voorheen zat bij ’t gelag,
Waar menigeen te roemen plag,
Hoe hij met een loszinnig hoofd
Een meisje had haar bloem ontroofd,
En dan, als hij dit had betuigd,
Met vol bokaal werd toegejuicht,
Dan hoorde ik dat gesnoef eerst aan,
En liet de snorkers maar begaan.
Maar eindlijk streek ik mij den baard;
Ik vulde ’t glas tot aan den rand,
En sprak: “Er is in ’t gansche land
“Geen, die mijn zuster evenaart,
“Of die hare eer zoo heeft bewaard!”—
“Top, top! Kling, klang!” zoo ging het rond.
“Dat is zoo!” klonk uit ieders mond.
“Ze is een sieraad van ’t vrouwendom!”
Dan zaten al de pogchers stom.
En nu!—Om ’t haar zich uit te rukken,
Of aan den wand zich dood te drukken,
Met steken, zetten, neusophalen
Moet ieder schobbejak mij smalen!
’k Zit als een schuldnaar in de boeijen
En moet bij ieder woordje zweeten,
En hoe ’k van spijt me ook moog’ vermoeijen,
Ik kan hen toch geen loognaars heeten!
Wat komt daar aan met zachten treê?
Heb ik het wel, dan zijn ’t er twee.
Hij is ’t! Ik voel mijn woede ontbranden;
Hij komt niet levend uit mijn handen!
FAUST en MEPHISTOPHELES.
FAUST.
Gelijk door ’t venster van de sacristy
Daarginds het eeuwge lampje flonkert,
Maar ’t schijnsel meer en meer verdonkert
Tot duisternis en woestenij—
Zoo is ’t ook in mijn boezem nacht!
MEPHISTOPHELES.
Mij is ’t zoo als een katje smacht,
Dat zachtjes over daken kruipt,
En dan weêr langs de muren sluipt:
Ik blijf ook braaf en deugdzaam bij
Een beetje stelenslust, een beetje schelmerij.
Zoo spookt mij reeds door al de leden
De heerlijke Walpurgisnacht,
Die ons komt na en nader treden,
En overmorgen wordt verwacht.
FAUST.
Komt dan de schat intusschen voor den dag,
Dien ik daarginder blinken zag?
MEPHISTOPHELES.
Gij kunt weldra de vreugd beleven,
Dat u het potje wordt gegeven.
Ik keek er zoo eens even in:
’t Was alles geld—is ’t naar uw zin?
FAUST.
Geen halssieraad, geen speld of ring,
Dat ik mijn liefje als tooi kan schenken?
MEPHISTOPHELES.
Ik zag daarbij wel zoo een ding,
Dat me aan een parelsnoer deed denken.
FAUST.
Dat is heel goed zoo; zonder iets
Kom ik niet graag; want niets is niets.
MEPHISTOPHELES.
Maar ’t moet u daarom niet verdrieten
Ook zonder dat iets te genieten.
Thans, nu ge ’t hemelruim vol sterren ziet,
Zult ge eens een prachtig kunststuk hooren.
Ik zing haar een regt zedig lied,
Om haar te wisser te bekoren.
Zingt bij den citer.
Wat wilt gij nu,
Dat vraag ik u,
Zoo vroeg alreê beginnen?
Geen boerterij!
Gij laat hem blij,
Geloof me vrij,
Als meisje zeker binnen.
Neem u in acht!
Als ’t is volbragt,
Dan goeden nacht,
Gij arme, onnoozle dingen!
Haat ge ongerief,
Schenk dan uw lief
Niets als een dief,
Maar wisselt eerst de ringen!
VALENTIJN treedt voor.
Wien lokt gij hier, vervloekte vent,
Vermaledijde rattenvanger?
Eerst naar den duivel ’t instrument!
Dan naar den duivel ook de zanger!
MEPHISTOPHELES.
De citer is kapot; die kon er ook niet tegen.
VALENTIJN.
Nu zal ik u den mantel vegen!
MEPHISTOPHELES tot Faust.
Heer doctor, niet geweken! Sta!
Sluit aan, en hij zal u niet deren.
Trek uit uw degen! geen genâ!
Stoot toe nu maar; ik zal pareeren.
VALENTIJN.
Pareer dan!
MEPHISTOPHELES.
Wel, wat gij daar zegt!
VALENTIJN.
Ook die?
MEPHISTOPHELES.
Gewis!
VALENTIJN.
’k Geloof, de duivel vecht.
Maar wat is dat? Reeds wordt mijn arm zoo zwak!
MEPHISTOPHELES, tot FAUST.
Stoot toe!
VALENTIJN valt.
O wee!
MEPHISTOPHELES.
Nu is de lummel mak!
Maar thans van hier! Ik zie reeds volk genaken;
Dus weg, en wel met allen spoed.
Ik weet van de politie mij heel goed,
Maar niet mij van de bloedban af te maken.
Beide vertrekken.
MARTHA, aan het venster.
Sta bij! sta bij!
MARGARETA, aan het venster.
Welk een geweld!
MARTHA, als boven.
Men schreeuwt en vecht, men tiert en scheldt!
VOLK.
Daar ligt al een; die zal niet lang meer leven.
MARTHA, de deur uitkomende.
Waar zijn de moordenaars gebleven?
MARGARETA, mede buiten komende.
Wie ligt daar?
VOLK.
Wel, uw broeder Valentijn.
MARGARETA.
O Hemel, welk een nieuwe pijn!
VALENTIJN.
Ik sterf! Dat ’s ligt gezegd voorwaar,
En ligter nog gedaan.
Wat staat en huilt gij, vrouwen, daar?
Komt hier, en hoort mij aan!
Men schaart zich om hem heen.
Gij, Grete, hebt—o, zie mij aan!—
Nog geen ervaring opgedaan
En weet niet wat gij doet.
Ik zeg hier in vertrouwen u:
Gij zijt nu toch een hoer,—wel nu,
Zoo wees het dan ook goed.
MARGARETA.
O broeder! God! versta ’k u wel?
VALENTIJN.
Laat God den Heer hier uit het spel!
Gedaan, helaas, is nu gedaan,
En zoo het gaan moet, zal het gaan.
Gij vingt het met een enklen aan:
Weldra komt twee en drie ter baan;
En hebt ge eens een dozijn gehad,
Dan heeft u ook de heele stad.
Als eerst de schande wordt geboren,
Wordt zij in stilte voortgebragt;
En zie, den sluijer van den nacht
Trekt men haar over kop en ooren;
Ja, zelfs wil men van kant haar maken.
Maar wast zij op en wordt zij groot,
Dan gaat zij over dag ook bloot,
Maar wordt niet schooner bij ’t genaken;
Want leelijker wordt haar gezigt,
Hoe meer zij zoekt het zonnelicht.
Reeds spoedig, vrees ik, zal men zien,
Dat alle brave burgerliên,
Wanneer ge op straat daar aan komt strijken,
Als voor de pest op zijde wijken.
De wroeging zal aan ’t hart u knagen,
Wanneer zij u in de oogen zien;
Gij zult geen gouden tooi meer dragen,
En ook het bedehuis ontvliên,
Met kanten kraag noch andre zaken
U ooit weêr bij den dans vermaken,
Maar bij geboefte in achterhoeken
Al sidderend een schuilplaats zoeken;
En moge u dan ook God vergeven,
Vervloekt toch zijt gij in dit leven!
MARTHA.
Legt gij nu alles uit ten kwade?
Beveel uw ziel in Gods genade!
VALENTIJN.
Kon ik, o koplares, terstond
De tong u rukken uit den mond,
Ik had voorwaar voor al mijn zonden
Vergiffenis bij God gevonden!
MARGARETA.
O broeder! o, ’k voel mij zoo naar!
VALENTIJN.
Ik bid u, laat die tranen daar!
Dat gij uwe eer vertradt in ’t stof,
Was de ergste hartsteek, die mij trof.
Ik ga nu met een vast gelooven
Als braaf soldaat naar God hierboven.
Hij sterft.
Hoofdkerk.
Dienst. Orgel en gezang.
MARGARETA onder de menigte. BOOZE GEEST achter haar.
BOOZE GEEST.