Verduiveld, wie dat meisjen is!

Iets schooners heb ik nooit gezien.

Ze is deugdzaam, zedig, ja gewis,

En ook wat spijtig bovendien.

Haar koontje bloost, haar oog gebiedt;

Mijn leven lang vergeet ik ’t niet.

Dat zij zoo ras zich van mij wendt,

Staat diep mij in het hart geprent;

En, wat nog alles overtrof,

Zij was al bijster kort van stof.

MEPHISTOPHELES treedt op.

FAUST.

Gij moet dat meisje mij bezorgen!

MEPHISTOPHELES.

Wie meent ge?

FAUST.

Zij ging juist voorbij.

MEPHISTOPHELES.

Die daar? Zij was bij haar’ pastoor deez’ morgen;

Hij sprak het kind van alle zonden vrij;

Ik sloop den biechtstoel rakelings voorbij.

Het is een zeer onschuldig ding,

Dat zonder reên ter biechte ging.

Geen magt bezit ik over haar.

FAUST.

Ze is toch reeds meer dan veertien jaar?

MEPHISTOPHELES.

Gij spreekt zoo als een lichtmis doet,

Dien ieder bloempje zet in gloed,

En meent dat eer noch gunst bestaat,

Die zich door hem niet plukken laat.

Maar altijd gaat dat toch niet aan.

FAUST.

Hoor, vriend! gij moet mij goed verstaan!

Houd voor uzelf uw zedepreêken,

En dit zeg ik u kort en goed:

Als gij niet heden aan mijn wensch voldoet,

Zal ’k morgen ons contract verbreken.

MEPHISTOPHELES.

Zoo’n haast niet, vriend! Waar wil dat heen?

’k Behoef meer dan een week alleen

Om een gelegenheid te zoeken.

FAUST.

Had ik slechts zeven uren vrij,

’k Behoefde niet uw kunstnarij,

Om zulk een meisje te verkloeken.

MEPHISTOPHELES.

Gij spreekt reeds als een Don Juan;

Maar ’k bid u toch, laat af daarvan!

Wat helpt u dadelijk genieten?

Het zou u al te ras verdrieten.

Eerst dient met zorg en veel beleid

Zoo’n lekkerbeetje goed bereid,

Gekneed en smaaklijk toegerigt:

Dit leert ons menig Fransch gedicht.

FAUST.

Dat ’s iets, wat niet ter zake doet;

Wilt gij mij helpen, maak dan spoed!

MEPHISTOPHELES.

Thans zonder gekheid, kort en goed!

’t Zal, vriendlief, wat hier dient gedaan,

Geloof mij, zoo op eens niet gaan.

Met haast is hier niets uit te rigten;

Slechts list kan onze taak verligten.

FAUST.

Bezorg me iets van mijne engelin,

Of breng mij hare woning in;

Bezorg me iets van mijn waarde pand,

Al ware ’t maar een kouseband.

MEPHISTOPHELES.

Opdat gij zie, dat ik uw pijn

Zoo veel ik kan wil dienstbaar zijn,

Zult gij, ’k beloof het u, nog heden

Met mij haar kamertje betreden.

FAUST.

En zal ’k haar zien? Omhelzen?

MEPHISTOPHELES.

Neen!

Ze is uit. Intusschen kunt ge alleen,

Om u in ’t geen er volgt te schikken,

In haren dampkring u verkwikken.

FAUST.

Gaan we er nu heen?

MEPHISTOPHELES.

’k Ben nog niet klaar.

FAUST.

Denk ook aan een geschenk voor haar!

Vertrekt.

MEPHISTOPHELES.

Reeds schenken? Goed! dan laat zij zich gezeggen.

Ik ken een schoone plek of wat

En menig daar begraven schat;

Ik moet een weinig overleggen.

Een zindelijk kamertje. Het is avond.

MARGARETA, terwijl zij haar hoofdhaar vlecht en opbindt.

Wie of die heer toch wezen mag,

Die mij van morgen tegenkwam?

Hij is zoo knap, als ’k immer zag,

En wis ook van een eedlen stam:

Dat kon ik op zijn voorhoofd lezen;

Geen ander zou zoo vrij ook wezen.

Vertrekt.

MEPHISTOPHELES en FAUST komen binnen.

MEPHISTOPHELES.

Kom in maar! Zachtjes! Hier nu heen!

FAUST, na eenig stilzwijgen.

Ik bid u, laat mij thans alleen!

MEPHISTOPHELES, rondziende.

Neen, netter woning is er geen.

Vertrekt.

FAUST.

Wees welkom, zoete schemering,

Gij, die dit heiligdom doorzweeft!

Doordring me, o minbetoovering,

Die van den dauw der hope leeft!

Hoe ademt alles stil gevoelen

Van orde, van tevredenheid

In deze hut, bevrijd van woelen,

In deze hut vol zaligheid!

Hij werpt zich op een lederen stoel bij het bed.

O neem mij op, die van het aanbegin,

Bij vreugde en smart, zoo velen hebt ontvangen!

Hoe vaak heeft in deez’ troon van oudermin

Een schaar van kindren om u heen gehangen!

Misschien heeft, dankbaar en naar hartelust,

Mijn liefje hier, met volle kinderwangen,

Haar’ voorzaat vroom de stramme hand gekust.

Ik voel, o meisje, ’k voel den geest, die u beheert,

Den geest van orde mij omzweven,

Die moederlijk u daaglijks leert

Het tafeldoek te spreiden ongedeerd,

Ja, ’t vloerzand deed tot kleine bloempjes weven.

O meisje, d’ engelen gelijk,

De hut wordt door uw hand een hemelrijk!

En hier—

Hij schuift de bedgordijn open.

O welk gevoel grijpt me aan

En heeft mijn zinnen ingenomen!

Natuur, hier deedt ge in zoete droomen

Een engel op deze aarde ontstaan!

Hier lag het kind, den teedren boezem

Met levenswarmte mild bedeeld,

En hier, uit dezen reinen bloesem,

Onthulde zich het godenbeeld.

En gij! Wat heeft u hier gevoerd?

Hoe innig voel ik mij geroerd!

Wat wilt gij hier? Wat drukt uw hart zoo neêr?

Armzaalge Faust! ik ken u zelf niet meer.

Ben ’k hier weêr in een tooverkring gevlugt?

Ik had een drang om daadlijk te genieten,

En voel dien in een liefdedroom vervlieten!

Zijn wij een spel van elken druk der lucht?

En als zij hier nu binnentrad,

Hoe zoudt gij voor uw wandaad boeten!

Gij, Faust, hoe ge ook uzelven schat,

Laagt dan vernietigd aan haar voeten!

MEPHISTOPHELES.

Toe gaauw! Ik zie haar ginder komen.

FAUST.

Ik blijf; vertrek gij maar alleen.

MEPHISTOPHELES.

Hier is een kistje; ’t is wel kleen,

Maar de inhoud is zeer ongemeen;

Ik heb ’t van elders weggenomen.

Daar! Zet het nu in gindsche kast;

Ik zweer u, haar vergaan de zinnen,

Als zij door d’ inhoud wordt verrast;

Een andren schat zult ge er meê winnen.

Och, kind is kind, en spel bedrog.

FAUST.

Ik weet niet; zou ’k....

MEPHISTOPHELES.

Wat vraagt gij toch!

Wilt gij misschien den schat bewaren?

Dan raad ik u, tot ons profijt,

Uzelv’ den kostelijken tijd

En mij de verdre moeite te besparen.

Ik hoop niet dat gij gierig zijt?

Ik krab mij ’t hoofd, wrijf mij de leden....

Hij plaatst het koffertje in de kast, en sluit deze weder.

Kom nu gezwind,

Om ’t jonge kind

Naar uwen wensch en wil te kneden;

En gij beschouwt de gansche zaak

Als een professor, bij ’t aanvaarden van zijn taak

In physiologie of metaphysica.

Ik ga nu; kom en volg mij na!

Zij vertrekken.

MARGARETA, met eene lamp.

Wat is het drukkend hier en zoel!

Zij opent het venster.

En buiten is het toch zoo koel!

Ik weet niet, hoe ’k zoo angstig kom.

Och, kwam mijn moeder maar weêrom!

Mij loopt een rilling door de leden;

Ik huiver, en toch zonder reden.

Zij begint te zingen, terwijl zij zich ontkleedt.

Daar was in Thule een koning,

Getrouw tot aan het graf,

Wien stervend zijn beminde

Een gouden beker gaf.

Het was zijn dierbaarst kleinood,

Waarin men wijn hem schonk;

Hem werden de oogen vochtig,

Zoo vaak hij daaruit dronk.

En eindlijk, bij zijn scheiden,

Doorliep hij zijn gebied:

Hij gunde veel zijn’ erven,

Maar toch den beker niet.

Hij zat aan ’t hoofd der ridders,

Bij feesten, ieder keer,

In ’t slot, dat met zijn tinnen

Zich ginds verheft bij ’t meer.

Daar stond nu de oude drinker;

Hij slurpte nieuwen gloed,

Nam toen op eens den beker

En wierp hem in den vloed.

Hij zag den beker vallen,

En hoe hij nederzonk;

Daarop sloot hij zijne oogen:

Het was zijn laatste dronk.

Zij opent de kast, om hare kleederen te bergen, en ziet het

juweelkoffertje.

Hoe komt dit koffertje hierin?

’k Sloot toch de kast, naar ’k mij bezin!

Wat zou wel de inhoud zijn? Maar wacht!

’t Is zeker hier als pand gebragt.

Mijn moeder leende er op misschien.

O zie! een sleutel is er bij!

Nu moet ik toch eens even zien,

Wat of wel de inhoud er van zij!

Hoe? Kan ’k mijne oogen wel vertrouwen?

Zoo iets mogt ik nog nooit aanschouwen.

Een tooisel, waarmeê edelvrouwen

Ter kerke op hoogtij konden gaan.

Hoe zou mij wel dees keten staan?

Wien zou dit pronksieraad behooren?

Zij doet het schielijk om, en treedt voor den spiegel.

En dan die ringen in mijne ooren!

Zoo ziet men toch er anders uit!

Wat helpt u schoonheid, jonge spruit!

Zij baart u zeker geen verdriet;

Maar dat is alles, meer ook niet.

Men prijst u—maar ’t is met erbarmen.

Naar ’t goud toch dringt,

Naar ’t goud toch wringt

Zich alles. Ach, wij armen!

Wandelplaats.

FAUST gaat in gedachten op en neder. MEPHISTOPHELES is bij hem.

MEPHISTOPHELES.

Bij alle blaauwtjes! Bij de helsche sulferbron!

Wist ik iets ergers nog, dat ik vervloeken kon!

FAUST.

Wat deert u? Zeg! Van waar dat wild gebas?

Zulk een gezigt zag ’k nooit mijn gansche leven!

MEPHISTOPHELES.

’k Zou mij terstond den duivel overgeven,

Zoo ik de duivel zelf niet was.

FAUST.

Wat brengt uw hersens zoo aan ’t spoken?

Gij stelt u aan of ge uit het dolhuis zijt gebroken.

MEPHISTOPHELES.

Denk eens! Het tooisel, waar uw Grete meê moest prijken,

Daar is een paap meê heen gaan strijken!

De moeder krijgt het ding te zien,

En daadlijk ruikt ze lont misschien.

Zij snuffelt, wil ze iets onderzoeken,

Maar altijd in gebedenboeken,

En weet, geloof ik, op de gis,

Of iets profaan of heilig is,

En aan het tooisel zag zij ras,

Dat daarbij niet veel zegen was.

“Mijn kind!” riep ze uit, “oneerlijk goed

“Verblindt de ziel, bederft het bloed.

“De Moeder Gods, zoo rijk aan gaven,

“Zal ons met hemelmanna laven.”

Margreet vertrekt haar lipje in ’t end:

“’t Is,” dacht zij, “toch geen kwaad present,

“En godloos waarlijk is hij niet,

“Die mij aldus een tooisel biedt.”

De moeder liet nu heerom komen;

Maar dees had naauw de zaak vernomen,

Of dacht: “Zie zoo! dat ’s binnen, vrind!—

“’k Zie,” sprak hij, “men is welgezind;

“Hij wint voorwaar, die overwint.

“De kerk kan alles goed verdragen;

“Zij staat voor struis- noch kemelmagen,

“En al verslond ze ook heele landen,

“Gaaf bleven toch hare ingewanden;

“Al drukt een ander ’t op ’t gemoed,

“De kerk verteert oneerlijk goed.”

FAUST.

Dat kan de kerk juist niet alleen,

Maar koning, Jood en iedereen.

MEPHISTOPHELES.

Dat zij zoo ’t wil! De pater stak,

Alsof het zoo van zelve sprak,

Bedaard het koffertje in zijn zak,

Beloofde haar het eeuwig licht,

En beide waren zeer gesticht.

FAUST.

En Grete?

MEPHISTOPHELES.

Zij heeft rust noch duur,

Verdiept zich in dit avontuur,

Denkt aan het tooisel dag en nacht,

Nog meer aan hem, die ’t heeft gebragt.

FAUST.

Haar kommer spijt mij inderdaad.

Bezorg haar gaauw een nieuw sieraad;

Het eerste was zoo mooi toch niet.

MEPHISTOPHELES.

’k Weet dat ge in alles speelgoed ziet.

FAUST.

En maak en rigt het naar mijn zin.

Vervoeg u bij haar buurvriendin.

Wees toch als duivel niet zoo flaauw,

Maar breng een nieuw versiersel gaauw!

MEPHISTOPHELES.

Ik zal voor ’t een en ander zorgen.

Faust vertrekt.

Waarachtig, zoo’n verliefde kwant

Steekt zon en maan en sterren morgen

Tot tijdverdrijf voor ’t liefje in brand!

Het huis van de buurvriendin.

MARTHA alleen.

God moog’ ’t mijn goeden man vergeven,

Maar dat is toch geen handlen, neen!

Hij loopt als door den wind gedreven,

En laat mij arme ziel alleen!

En ik speelde altoos ja en amen;

Wij hadden nooit een woord te zamen.

Zij weent.

Misschien is hij wel dood, mijn schat;

Als ik nu maar zijn doodceêl had!

MARGARETA, binnenkomende.

Vrouw Martha!

MARTHA.

Wel mijn kind, wat is ’t?

MARGARETA.

Ik voel me aan al mijn leden beven.

Bedenk maar eens! Ik vind zoo even

Al wederom zoo’n kleine kist,

Met halssieraad en andre praal,

Veel mooijer nog dan de eerste maal.

MARTHA.

Zeg dat nu niet aan moeder weêr;

’t Gaat anders maar als d’ eersten keer.

MARGARETA.

O zie, en zeg mij hoe gij ’t vindt!

MARTHA.

Wat zijt gij een gelukkig kind!

MARGARETA.

Ik durf het evenwel niet wagen

Zoo iets in ’t openbaar te dragen.

MARTHA.

Kom maar bij mij zoo veel ’t u lust,

En tooi er u dan meê gerust.

Gij wandelt dan eens op en neder

En voor den spiegel heen en weder,

En gij en ik, wij beide dan,

Wij hebben regt pleizier er van.

Dan moeten we ook eens menschen vragen,

Waarbij ge eens dit of dat kunt dragen:

Den ketting doet ge eens om, de paarlen eens in ’t oor;

Maar moeder blijft er buiten, hoor?

MARGARETA.

Maar waar zijn toch, het schijnt wel droomen,

Die koffertjes van daan gekomen?

Er wordt geklopt.

O, als dat eens mijn moeder was deez’ keer!

MARTHA.

Het is een vreemdeling.—Treê binnen maar, mijnheer!

MEPHISTOPHELES, binnentredende.

Ik moet u wel verschooning vragen,

Dat ik mij zoo maar hier kom wagen!

Wendt zich eerbiedig tot Margareta.

Ik kom naar Martha Zwaardman informeeren.

MARTHA.

Ik ben ’t, mijnheer! wat is van uw begeeren?

MEPHISTOPHELES, zacht tot haar.

Ik ken u thans; dat was de reden van mijn vraag.

Die dame wacht voornaam bezoek van daag.

Vergeef de vrijheid, die ik heb genomen;

’k Zal tegen d’ avond wederkomen.

MARTHA.

Mijn kind! die heer—hoe kan ’t bestaan?—

Noemt u een dame; denk eens aan!

MARGARETA.

Ik ben een arme, jonge bloed;

Voorwaar, mijnheer is al te goed.

Dees tooi behoort mij niet—o neen!

MEPHISTOPHELES.

Het is het tooisel niet alleen:

Haar blik wekt eerbied en ontzag;

’t Verheugt mij dat ik blijven mag.

MARTHA.

Wat brengt u hier dan?

MEPHISTOPHELES.

’k Gaf wel wat,

Zoo ik een blijder tijding had.

Waarmeê ik hier u mogt ontmoeten!

Uw man is dood en laat u groeten.

MARTHA.

Die trouwe ziel! Och, is hij dood?

’k Bezwijk; wie helpt me in dezen nood!

MARGARETA.

O, wanhoop niet, mijn goede vrouw!

MEPHISTOPHELES.

’k Verhaal u heel de zaak getrouw.

MARGARETA.

Ik wilde daarom nooit beminnen;

’t Verlies benam mij al mijn zinnen.

MEPHISTOPHELES.

Hij is nu in een veilge haven.

MARTHA.

Vertel mij van zijn sterven flus!

MEPHISTOPHELES.

Hij ligt te Padua begraven,

Niet ver van Sint Antonius.

Daar rust hij, die van smart bevrijd is,

Nu op een plek, die wel gewijd is.

MARTHA.

Hebt ge anders niets voor mij en de arme weezen?

MEPHISTOPHELES.

Ja, één verzoek; ’t is groot ter deeg:

Laat voor zijn ziel driehonderd missen lezen;

En verder zijn mijn zakken leêg.

MARTHA.

Hoe? Zelfs geen potstuk, zelfs geen ring,

Wat zelfs een handwerksman zich uit den mond bespaart,

Tot nagedachtenis voor vrouw en kroost bewaart,

Zoodat hij toch iets nalaat, hoe gering?

MEPHISTOPHELES.

Vrouw Martha! ’t spijt me; ik wil ’t wel weten,

Maar hoor! zijn geld heeft hij niet weggesmeten.

Hij treurde om zijn gebreken zeer,

Ja, hij betreurde zelfs zijn ongeluk nog meer.

MARGARETA.

Ach, dat de menschen toch zoo ongelukkig zijn!

Voor hem wordt door mij menig requiem gebeden.

MEPHISTOPHELES.

O, gij verdiendet wel terstond in d’ echt te treden;

Gij zijt een zeer beminlijk maagdelijn.

MARGARETA.

Och neen; ik ben te jong nog voor een man.

MEPHISTOPHELES.

Wel nu! vooreerst een minnaar dan.

Het is voorwaar een zielsverrukken,

Zulk een lief ding aan ’t hart te drukken.

MARGARETA.

Dat is hier geen gebruik, mijnheer!

MEPHISTOPHELES.

Gebruik of niet, men ziet het meer.

MARTHA tegen Mephistopheles.

Vertel nu voort!

MEPHISTOPHELES.

Ik keek eens, toen ik bij zijn sterfbed zat;

’t Was weinig meer dan kaf of muffend hooi;

Maar toch, hij stierf als Christen—dat was mooi—

En vond, dat hij veel meer nog op zijn reekning had.

“Hoe!” riep hij: “moet ik nu mijzelv’ niet haten?

“Zoo maar mijn vrouw en kindren in den steek te laten!

“Ach! die herinring blijft mij tot mijn laatsten snik.

“Vergaf zij mij nu nog maar in dit leven!”

MARTHA, weenende.

Die goede man! Ik heb hem lang vergeven!

MEPHISTOPHELES.

“Maar zij had altijd veel meer schuld dan ik.”

MARTHA.

Dat liegt hij! Foei! zoo op den rand des grafs te spreken!

MEPHISTOPHELES.

’t Verstand was zeker reeds bij hem geweken;

Zoo scheen het mij ten minste toe.

“Ik moest,” sprak hij, “vroeg opstaan iedren morgen,

“Eerst kindren helpen, dan voor ’t brood gaan zorgen,

“Met wat daarbij behoort, al wist ik zelf niet hoe.

“Ik kon niet eens met vreê mijn eigen portie eten.”

MARTHA.

Heeft hij zoo al mijn liefde en trouw vergeten,

En mijn getob bij dag en nacht!

MEPHISTOPHELES.

O neen! Hij heeft daaraan wel degelijk gedacht;

Hij sprak: “Toen ’k nu op weg naar Malta ging,

“Toen bad ik voor mijn vrouw en kroost gestadig:

“De Hemel was ons dan ook zoo genadig,

“Dat ons fregat een schip der Turken ving,

“Dat met een schat den sultan wou verrassen.

“Wij namen ’t na een kort besluit,

“En ik, zoo als ook wel zou passen,

“Ontving mijn aandeel van den buit.”

MARTHA.

Maar zeg, waar bleef dat dan? Wat moet ik hier gelooven?

MEPHISTOPHELES.

Wie weet, waar ’t door den wind is heengestoven!

Een schoone dame nam zich zijner aan,

Toen hij te Napels eenzaam leefde en treurde;

Zij heeft met liefde en trouw hem bijgestaan,

Zoo als hij tot zijn zalig eind bespeurde.

MARTHA.

Die schelm! die dief van vrouw en kindren!

Zelfs onze ellende en onze nood

Kon zijn lichtmisserijen niet verhindren!

MEPHISTOPHELES.

Ja zie, daarom is hij nu dood.

Wat me, in uw plaats, te doen thans overschoot:

Ik rouwde een jaar nu en zes weken,

Terwijl ik, vóór die tijd nog was verstreken,

Eens rondkeek naar een nieuwen echtgenoot.

MARTHA.

Ach! een, zoo als mijn eerste was,

Zal ik zoo ligt niet wedervinden!

Ik kreeg wat hij me uit de oogen las.

Alleen liep hij wat veel in kroegen met zijn vrinden;

Ook mogt hij vreemde vrouwen wel

En vreemden wijn, en dan dat dobbelspel!

MEPHISTOPHELES.

Nu, nu, dat gaat; en ’t zij hoe ’t zij,

Als hij bij u ten naastenbij

Niet minder door de vingers had te zien,

Ik zweer u, dat ik dan misschien

Uw tweede man wel wezen wou.

MARTHA.

Mijnheer schertst met mij, arme vrouw!

MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.

Nu hier van daan! want zulke wijven zouden

Den duivel zelf ook bij zijn woord nog houden.

Tot Margareta.

Maar zeg! hebt gij alreê bemind?

MARGARETA.

Wat meent mijnheer daarmeê?

MEPHISTOPHELES, bij zichzelven.

Dat goed, onschuldig kind!

Overluid tegen de vrouwen.

Vaarwel!

MARGARETA.

Vaarwel!

MARTHA.

O, zeg eens even nog gezwind:

’k Had gaarne van mijn man een doodceêl, om te staven,

Waar en wanneer hij is gestorven en begraven.

Ik ben in orde altijd een ander voorgegaan.

’k Had graag ook, dat het in de krant mogt staan.

MEPHISTOPHELES.

Hoor, goede vrouw! door tweedehands-berigt

Komt meest de waarheid aan het licht.

Ik heb een vriend; die zal ’t wel klaren

En u veel moeite en tijd besparen.

Ik breng hem hier.

MARTHA.

O, doe dat toch!

MEPHISTOPHELES.

En hier, die dame is ook er nog?

Nu, ’t is een brave knaap; hij heeft veel bijgewoond,

En hulde en eer aan vrouwen steeds betoond.

MARGARETA.

’k Zal voor dien heer van schaamte wis bezwijken.

MEPHISTOPHELES.

Zelfs voor geen koning moet gij die doen blijken.

MARTHA.

Daarginder ligt mijn tuintje, en over achten

Zal ik de heeren daar verwachten.

Eene straat.

FAUST. MEPHISTOPHELES.

FAUST.

Hoe is het? Lukt het haast? Spreek op!

MEPHISTOPHELES.

Ah, bravo! Stijgt uw drift ten top?

In kort zal Grete de uwe wezen.

Van avond ziet gij haar bij hare buurvriendin.

Die Martha is als uitgelezen

Voor koppelaarster of Heidin.

FAUST.

Heel goed.

MEPHISTOPHELES.

Maar ook van ons wordt iets verwacht.

FAUST.

Nu, de eene dienst is de andre waard.

MEPHISTOPHELES.

Wij levren een bewijsje, geldig en van kracht,

Dat Zwaardman’s leden rusten, kalm en zacht,

Te Padua in heilige aard.

FAUST.

Uitmuntend! Laten wij ons daadlijk derwaarts spoên!

MEPHISTOPHELES.

Sancta simplicitas! daarom is ’t niet te doen;

Getuig slechts, zij het mis of raak.

FAUST.

Als gij niets beters weet, dan komt niets van de zaak.

MEPHISTOPHELES.

O heilge man, ’t is om te beven!

Zou dit dan ’t eerst zijn in uw leven,

Dat gij een valsch getuignis hebt gegeven?

Hebt gij wat God is, wat de wereld en haar streven,

Waardoor de mensch tot goed of kwaad wordt aangedreven,

Dan niet met kracht en klem betoogd,

Om ’t even of gij waarheid spraakt of loogt?

En wilt gij ’t gul en gaaf belijden,

Zult gij er dan wel tegen strijden,

Dat ge er niet meer van dan van Zwaardman’s sterfuur wist?

FAUST.

Gij zijt en blijft een loognaar, een sophist.

MEPHISTOPHELES.

Ja, als men niet wat dieper door kon dringen;

Want zult gij niet vóór alle dingen

Op morgen, als ik ’t wel beschouw,

Uw Grete zweren liefde en trouw?

FAUST.

En wel van harte.

MEPHISTOPHELES.

Goed gedaan!

Dan krijgt men eeuwge trouw en liefde

En mingloed, die u ’t hart doorgriefde:

Maar zal dat juist ook zoo van harte gaan?

FAUST.

Laat af! Als ik voor mijn gevoel

Voor dat wat in mijn binnenst’ woel’

Naar namen zoek, maar geen er vinde,

Dan door de wereld zwerf als een gejaagde hinde,

Mij met het zoeken naar doeltrefbre woorden kwel,

En dezen gloed, waarvan ik blake,

Oneindig noem en nooit verzake,

Is dat dan duivelsch logenspel?

MEPHISTOPHELES.

’k Heb toch gelijk.

FAUST.

Men heeft altijd gehoord:

Wie onder edelen of boeren

Gelijk wil hebben en zijn tong maar weet te roeren,

Behoudt het laatste woord.

Maar kom nu! ’k Ben het praten moê;

Gij hebt gelijk: het ligt er eenmaal toe.

Martha’s tuin.

MARGARETA, aan den arm van FAUST, MARTHA, aan dien van MEPHISTOPHELES,

op en neder wandelende.

MARGARETA.

Ik voel, mijnheer, uw gunstbetoon,

En dankbaarheid moet mij betamen;

Een reiziger is dit gewoon

En wil geen meisje als ik beschamen.

Ik weet zeer goed, dat zulk een schrander man

Mijn beuzelpraat niet onderhouden kan.

FAUST.

Een blik, een woord van u is meer mij waard

Dan alle wijsheid op deze aard.

Hij kust hare hand.

MARGARETA.

Laat af, mijnheer, mijn hand te kussen!

Ze is voor uw lippen veel te min;

’k Heb altijd wat te doen, en ondertusschen

Is ’t moeder somtijds nog niet naar den zin.

Zij gaan voorbij.

MARTHA.

En gij, mijnheer, gij reist zoo altijd voort?

MEPHISTOPHELES.

Ach, dat beroep en pligt mij daartoe drijven!

Met hoeveel smart verlaat men menig oord,

Waar men zoo gaarne nog zou blijven!

MARTHA.

O, als men jong is, kan ’t nog gaan,

De wereld te bezien in alle hoeken;

Maar eindlijk komen toch de dagen aan,

Dat men alleen den weg naar ’t graf moet zoeken,

En dit is niemand aan te raân.

MEPHISTOPHELES.

’k Zie mij met smart die dagen wenken.

MARTHA.

Daarom, wil u in tijds bedenken!

Zij gaan voorbij.

MARGARETA.

Ja, uit het oog is uit het hart!

Gij kunt, terwijl ik hier moet blijven,

Met vrienden u den tijd verdrijven,

Verstandiger dan ik; dat voel ’k met smart.

FAUST.

Hoor, kindlief! wat verstand soms wordt geheeten,

Is dikwijls niets dan ijdelheid.

Het schoonste, wat Natuur verspreidt,

Is onschuld en eenvoudigheid,

Twee gaven, die haar waarde zelf niet weten.

MARGARETA.

O denk aan mij slechts nu en dan!

Ik denk aan u gewis zoo vaak ik kan.

FAUST.

Gij zijt waarschijnlijk veel allen?

MARGARETA.

Ja; ons gezin is wel slechts kleen,

Maar toch, ik heb mijn bezigheên.

Wij houden er geen meid op na;

’k Moet koken, loopen, vroeg en spa,

En moeder is in alle dingen

Precies, tot zelfs in beuzelingen.

Niet dat zij zich behelpen moet,

O neen, wij kunnen ’t vrij wel stellen.

Mijn vader liet, ik wil ’t u wel vertellen,

Een huisje en tuintje na, en ook wat geld en goed.

Toch heb ik nu vrij stille dagen.

Mijn broeder is soldaat; mijn zusje is dood.

Ik had met haar wel altijd zorg en nood,

Maar gaarne heb ik die gedragen,

Zoo lief was mij het kind.

FAUST.

Een engel zoo als gij!

MARGARETA.

Ik voedde ’t op, en hartlijk minde ’t mij.

’t Was na mijns vaders dood geboren.

Mijn moeder achtten wij verloren,

Zoo lag zij toen op ’t ziekbed neêr.

Maar toch herstelde zij al langzaam meer en meer.

Haar krachten konden echter niet gedoogen

Het arme wurmpje zelf te zogen,

En toen heb ik het jonge bloed

Met melk en water opgevoed.

’t Was in mijn arm of op mijn schoot;

Het lachte, dartelde en werd groot.

FAUST.

Dat waren wis voor u gelukkige uren!

MARGARETA.

O ja, maar ook veel leeds moest ik verduren.

Het wiegje naast mijn bed behield ik steeds in ’t oog,

En als mijn zusje zich bewoog,

Was ik ook wakker. ’t Kind begon te fleemen;

’t Moest drinken, of ik moest het bij mij nemen;

En hielp dit niet, dan was ik niet zoo goed,

Of ’k moest het bed uit, al zijn dagen,

En ’t kind al wandlend door de kamer dragen;

Dan werd het eindlijk weder zoet.

’k Moest ook reeds vroeg mij met de wasch bemoeijen,

Dan weêr aan ’t melken van de koeijen,

Dan naar de markt—ik had maar zelden rust;

Maar dit geeft etenstrek en ’s avonds slapenslust.

Zij gaan voorbij.

MARTHA.

Wij, arme vrouwen, zijn er slecht aan toe;

Och, oude vrijers zijn zoo moeilijk te bekeeren!

MEPHISTOPHELES.

Dit hangt maar af van ’t wie en hoe.

O! menigeen zou gaarne willen leeren!

MARTHA.

Zeg op, mijnheer! Hebt gij nog niets gevonden?

Heeft zich uw hart nog niet verbonden?

MEPHISTOPHELES.

Het spreekwoord zegt: Een eigen haard

En brave vrouw zijn goud en paarlen waard.

MARTHA.

Ik meen: werdt gij nog nooit bekropen door verlangen?

MEPHISTOPHELES.

Men heeft mij overal zeer vriendelijk ontvangen.

MARTHA.

Ik wilde zeggen, of ’t nooit ernst werd in uw hart.

MEPHISTOPHELES.

Met vrouwen schertst men niet; zoo iets baart ligt haar smart.

MARTHA.

Och, gij begrijpt mij niet!

MEPHISTOPHELES.

Voorwaar, dat spijt mij zeer;

Doch ik begrijp—dat gij zeer goed zijt, op mijne eer!

Zij gaan voorbij.

FAUST.

Gij kendet mij, o engel, daadlijk weder,

Toen ik dit tuintje binnen kwam?

MARGARETA.

Zaagt gij het niet? Ik sloeg mijne oogen neder.

FAUST.

En gij vergeeft de vrijheid, die ik nam,

Toen ge uit de kerk kwaamt, naar ik reken,

En ik op straat u aan dorst spreken?

MARGARETA.

Faust: Dramatisch dichtstuk van Goethe [deel 1] · 第 6 / 9 段