EXPERIMENTEELE EVOLUTIE

De volgende bladzijden bevatten de feestrede, door mij uitgesproken bij

de opening van het laboratorium voor experimenteele evolutie van het

Carnegie-Institution, eenigszins gewijzigd en op verschillende punten

ten behoeve eener nadere toelichting der voorgedragen denkbeelden

uitgebreid. Het is misschien niet van belang ontbloot, daaraan

enkele mededeelingen omtrent de stichting van dit laboratorium te

laten voorafgaan.

Voor een aantal jaren werd door den heer Carnegie een instituut

gesticht met het doel, zooveel mogelijk de studie der natuur te

bevorderen. Dit Carnegie-Institution is gevestigd te Washington

en beschikt over zeer rijke hulpmiddelen, waardoor het nu eens

bestaande wetenschappelijke ondernemingen steunen en dan weer

andere zelf op touw kan zetten. Het sticht dan afdeelingen of

zoogenoemde departementen. Enkele daarvan, zooals het departement

voor sterrenkunde, blijven te Washington en hebben daar hunne

observatoriën en laboratoriën. Andere onderzoekingen zijn aan

bepaalde plaatsen gebonden en worden dus daar uitgevoerd, waar de

omstandigheden voor hen het gunstigst zijn. Zoo werd voor een paar

jaren het woestijn-laboratorium te Tuscon (spr. Toesonne) in Arizona

gesticht, welk laboratorium ik in den loop der maand Juni het voorrecht

had te bezoeken. Het heeft ten doel, het planten- en dierenleven te

bestudeeren onder de eigendommelijke omstandigheden, die de woestijn

met zich brengt. Het is wel geen eigenlijke woestijn, in den zin van

een dorre en van plantengroei nagenoeg ontbloote vlakte, zooals ik ze

in het zuiden van Californië zag. Het is een streek, waar de regenval

geringer is dan de verdamping, en waar dus altijd gebrek aan water

bestaat. Dit gebrek aan water beperkt den plantengroei tot drie groepen

van gewassen. Ten eerste de kleine, kortlevende eenjarige soorten,

die in 't eind van den winter, als er wat regen valt, ontkiemen,

en die haar zaad rijpen vóór dat het korte natte seizoen voorbij

is en de droogte intreedt. In de tweede plaats vindt men hier de

cactussoorten, wier geribd lichaam bij den minsten regen zich vol zuigt

met water en de plooien tusschen de ribben bijna uitwischt, zoodat

het volume sterk toeneemt, en die dan bij aanhoudende droogte allengs

inkrimpen, zoodat eindelijk hun takken slap langs den stam hangen,

en het geheel er uitziet als afgestorven. Tal van boomachtige cacti,

[39] tot weinige soorten en geslachten behoorend, zag ik in dezen

toestand. Naast deze beide groepen staan de kleine, half-manshooge tot

manshooge heesters, met zeer kleine bladeren of ook wel zonder blad

en met groene stammen en takken, die hun leven behouden, dank zij de

zeer geringe verdamping en de bijna ongelooflijke lengte der wortels,

waardoor zij uit de onderste, soms meer dan 10 meter diepe lagen,

nog in de droogste jaargetijden het noodige water kunnen opzuigen.

Verdamping en wortelgroei zijn voor dit laboratorium dus een

hoofdonderwerp voor studie; daarnaast komt de vraag, welke soorten

in de woestijn kunnen leven en waarom zij alleen dit kunnen, en

tevens de verdere vraag naar den invloed, dien in de woestijn de

bizondere samenstelling van den grond op verschillende plaatsen op

den plantengroei oefent. Het spreekt van zelf, dat deze zaken alleen

ter plaatse bestudeerd kunnen worden.

Zoo is het ook met de experimenteele evolutie gesteld. Niet in of

nabij een groote stad vindt men in den regel de omstandigheden,

die voor de studie daarvan het meest geschikt zijn. Vandaar dat

het Carnegie-Institution eerst een uitvoerig onderzoek heeft doen

instellen naar de meest geschikt gelegen plaats.

De keuze is daarbij gevallen op Long-Island, het lange, smalle eiland,

dat zich ten Oosten van New-York uitstrekt en op welks meest westelijke

punt de voorstad Brooklyn gelegen is. Voorbij Brooklyn vertoont

het de talrijke kleinere en grootere villa's en buitenplaatsen van

velen onder New-York's rijke handelslieden, de plaatsen waar dezen

des Zondags de rust en de kalmte komen genieten, die nu eenmaal in

het al te dicht bevolkte handelsgedeelte van New-York niet te vinden

zijn. Nog verderop liggen een aantal kleine steden en dorpen, en onder

deze munt Cold Spring door zijn allerheerlijkste ligging te midden

van boschbegroeide heuvelen uit. Het ligt aan de noordzijde van het

eiland, ongeveer op een uur afstand van de kust, die hier een inham

of natuurlijke haven vormt. Deze plaats heet Cold Spring Harbor. [40]

Aan den oever van de kleine golf zijn de heuvelen bedekt met bosschen

en buitenplaatsen, onder welke laatste die van President Roosevelt

hier verdient vermeld te worden. Deze golf was sinds jaren bekend

als bizonder geschikt voor de studie van het leven van allerlei

zeedieren. Men vindt ze ten deele aan de houten havenwerken, ten

deele op de lagere plaatsen van een breede zandbank, die zich van den

westelijken oever tot dicht bij den oostelijken, dwars door de baai

uitstrekt. Hier leeft de reusachtige eenstaartskreeft, waarvan ik

honderden van exemplaren in het ondiepe water vlak bij mij kon zien,

velen van hen bezig met eieren leggen. Hier leeft de bijna onzichtbare

kleine springstaart, en soort van het geslacht Columbula. Om ze te zien

moet men een stuk wit papier op het strand leggen. Dadelijk is dit

bedekt met een groot aantal heele kleine zwarte puntjes, die lustig

op en neer en heen en weer springen. Allerlei andere diersoorten kan

men hier bestudeeren, waaronder een heel gewone kleine zee-anemoon,

behoorende tot het geslacht Sagartia.

Sinds jaren was dan ook aan deze kust een Marine Laboratory

gesticht, dat echter, bij gebrek aan fondsen, eigenlijk alleen des

zomers in gebruik was. Van deze bizondere omstandigheden en deze

uitmuntende gelegenheid heeft nu het Carnegie-Institution gebruik

gemaakt voor de stichting van zijn nieuw laboratorium. Het heeft de

beschikking verworven over de voorhanden gebouwen, bestaande in de

directeurswoning, den Library-Hall [41] en het eigenlijke laboratorium,

die, op korten afstand van elkander, aan den westelijken oever,

dicht bij het zuidelijke uiteinde van de baai gelegen zijn. Het heeft

tevens den directeur van het Marine Biological Laboratory tot directeur

van de nieuwe stichting benoemd, hem daarbij opdragende, niet alleen

enkele weken des zomers, gedurende de vacantie, te Cold Spring Harbor

te vertoeven, maar zich daar voor goed met der woon te vestigen.

De heer Davenport, algemeen bekend om zijn statistische onderzoekingen

over de veranderlijkheid van dieren in verband met de plaatsen waar zij

leven en met de waarschijnlijke wijze van hun ontstaan, was sinds vele

jaren hoogleeraar in de dierkunde aan de Universiteit van Chicago,

en tevens belast met het bestuur van het zee-laboratorium. Zijne

echtgenoote stond hem in dit laatste krachtig ter zijde, en heeft

een aantal onderzoekingen over de dieren van den Cold Spring Harbor

het licht doen zien, onder andere een zeer belangwekkende studie over

den invloed van de vermenigvuldiging door deeling op het aantal armen

van de bovengenoemde zee-anemonen.

Het oude laboratorium voldeed echter niet aan de eischen der nieuwe

stichting. Het was slechts voor enkele weken of maanden des jaars

ingericht, en daarenboven alleen voor zoölogische studiën. De evolutie

der levende wezens moet echter zoowel aan planten als aan dieren

bestudeerd worden, en bij den tegenwoordigen stand der wetenschap biedt

het onderzoek van planten de grootste kansen op spoedige en belangrijke

resultaten. Er werden daarom plannen gemaakt voor een nieuw gebouw,

voldoende aan alle eischen van den tegenwoordigen tijd en voor een

uitgebreiden proeftuin in de onmiddellijke nabijheid. Tijdens mijn

bezoek, in Juni van dit jaar, was men met den bouw gevorderd tot aan

de eerste verdieping, en was de proeftuin afgepaald en met voorloopige

culturen bezet, wier doel echter vooralsnog in hoofdzaak was, om door

voortdurende bewerking den grond te zuiveren van de wortelstokken

en zaden van de wilde soorten, die daar vroeger gegroeid hadden. De

eigenlijke proeven zouden eerst later begonnen worden, maar de zaden

daartoe waren reeds grootendeels bijeengebracht.

In de maand Mei bracht de nieuwe directeur zijne huishouding van

Chicago naar Cold Spring Harbor over, en begon de verandering van de

oude in de nieuwe stichting. Toen deze naar wensch gevorderd was en

alles zoover was geregeld, dat aan bezoekers een voldoend denkbeeld

kon gegeven worden van de plannen en methoden van werken, werd het

tijdstip gunstig geoordeeld om het nieuwe laboratorium plechtig te

openen. Het ontving den naam van Laboratory for experimental evolution

[42] en den rang van een departement van het Carnegie-Institution

te Washington. Behalve den directeur zijn daaraan verbonden

twee assistenten en een secretaris. Als assistent belast met het

plantkundige gedeelte treedt op de heer Dr. G. Shull, die te Chicago

onder leiding van Davenport studeerde, terwijl de heer Luts met het

zoölogisch gedeelte belast is. Secretaris of "stenographer" zooals

het in Amerika heet, is Miss Luts, wier naam slechts bij toeval en

niet door verwantschap met dien van den laatstgenoemden assistent

overeenkomt.

De plechtige opening was bepaald op Zaterdag 11 Juni. Uitgenoodigd

waren allen, die te New-York en elders in ontwikkelingsgeschiedenis

belangstellen, en een tachtigtal van hen, meest onderzoekers van naam

of professoren of instructoren aan bekende inrichtingen van onderwijs,

hadden aan de uitnoodiging gevolg gegeven. Enkelen waren daartoe zelfs

uit Washington en andere meer verwijderde plaatsen overgekomen. Zij

allen werden verzocht hunne namen te plaatsen in een album, dat als

gedenkboek van de stichting daartoe gecalligrapheerd was. Behalve

deze geleerden waren de bewoners der omliggende buitenplaatsen en

villa's talrijk opgekomen, deels uit belangstelling in de nieuwe

stichting, deels omdat zij reeds te voren van die belangstelling de

meest ondubbelzinnige bewijzen hadden gegeven. Terwijl namelijk de

gelden voor de stichting door het Carnegie-Institution werden gegeven,

was het terrein voor het nieuwe gebouw en de proeftuin en de noodige

grond voor eventueele latere uitbreidingen door een aantal der rijke

naburen aan de stichting aangeboden.

Omstreeks twaalf uur kwam de eerste groep van genoodigden aan het

station te Cold Spring aan, van waar men in een langen stoet van

rijtuigen door het heerlijke bosch en ten deele langs de beek, die

in de baai uitstroomt naar het laboratorium reed. Voor hun vervoer

waren door de Long-Island Spoorwegmaatschappij de noodige bizondere

wagens kosteloos ter beschikking gesteld. Een dezer wagens kwam

van New-York, de andere van Brooklyn, beide vereenigden zich aan

het station Jamaica. De gasten werden in de woning van den directeur

Davenport ontvangen en gebruikten aldaar, deels in de versierde kamers,

deels op het ruime balkon, het luncheon. Daarna begaf men zich naar

den Library Hall, het grootste der beschikbare localen, dat voor deze

gelegenheid ten deele ontruimd en van een spreekplaats voorzien was.

De plechtigheid werd geopend door den heer Davenport, die er op wees,

dat studiën over evolutie en vooral proefondervindelijke studiën niet

van dien aard zijn, dat zij spoedige uitkomsten beloven, en dat de

stichters en belangstellenden dus geduldig moeten afwachten wat men

eenmaal bereiken zou. Het nieuwe laboratorium is wel eenig in zijn

opvatting en in het doel van zijn streven, toch zal het zich zooveel

mogelijk in verbinding stellen met andere inrichtingen, die hetzij

in Amerika, hetzij elders, de studie der ontwikkelingsgeschiedenis

beoogen. Ten slotte bracht de directeur zijn dank aan de directeuren

van het Brooklyn-Institute of Arts and Sciences, [43] de vroegere

stichters van het Marine Biological Laboratory, die dit geheele

laboratorium met al zijn inrichtingen aan de Carnegie-Institution

ten geschenke aangeboden hadden, aan de gevers van het voor de

vergrooting benoodigde land, en aan de locale Wawepex-Society,

die de stichting door een echt Amerikaansche bijdrage in de kosten

grootelijks bevorderd had.

Daarna hield de voorzitter der Wawepex-Society een toespraak, aan

het einde van welke hij de eigendomsbewijzen aan den heer Billings

als vertegenwoordiger der Carnegie-Institution ter hand stelde. Hij

schetste de geschiedkundige ontwikkeling van het dorpje Cold Spring

Harbor. Vroeger was dit een haven voor walvischvangers en zeer

welvarend, later was dit echter, ten deele door het verzanden van

de haven, ten deele door het gebruik van grootere schepen en door

andere oorzaken allengs afgenomen, en thans hebben de walvischvangers

andere havens opgezocht en is het dorp in verval geraakt. Het bestaat

nu voornamelijk door de aanwezigheid van zoo talrijke New-Yorkers in

den omtrek.

Dr. Billings nam de bedoelde papieren met een kort antwoord

aan, waarin hij er op wees hoe grooten invloed de studie der

ontwikkelingsgeschiedenis op de philosophie en op de theologie

gehad hebben, en hoe groote resultaten men daarvan ook op sociaal

gebied verwachten mag. Hij sprak ten slotte eenige woorden tot den

directeur en verklaarde zich ten volle bewust van den langzamen gang,

dien het onderzoek noodzakelijk moest gaan. Laat ons hopen, zeide hij,

dat bij de viering van den vijftigsten verjaardag van deze stichting

de bewijzen ruimschoots zullen voorhanden zijn, dat de stap dien wij

thans doen, wijs en gerechtvaardigd was.

Na hem werd nog een woord van welkom namens de buren van het nieuwe

laboratorium gesproken door den heer F. W. Hooper, die kortelijks

aan de verdiensten van de heeren Deane en Conn, de beide voorgangers

van den tegenwoordigen directeur, herinnerde. Daarna werd het woord

gegeven aan schrijver dezes, voor het houden van de volgende feestrede.

De evolutie der organische wezens was tot nu toe eensdeels een voorwerp

van diepe bewondering, en anderdeels van vergelijkende studie. Uit de

algemeene verschijnselen die de verwantschap van planten en dieren ons

overal in de natuur doet zien, meende men den gang der ontwikkeling

zelve te kunnen afleiden.

Thans is dit anders geworden. Men is niet meer tevreden met de kennis

van de groote lijnen van het proces, men wil tot in de fijnste

bizonderheden daarvan doordringen. Men wil nieuwe soorten zien

ontstaan, en onderzoeken door welke wetten haar ontstaan beheerscht

wordt, en van welke invloeden het afhankelijk is. Men wil trachten deze

kennis zóó uit te breiden, dat het eenmaal mogelijk zal zijn, zelf in

de verandering der soorten in te grijpen. Het is niet voldoende, ons

deel te hebben in de vruchten van het werk der natuur; wij willen ook

ons deel in het werk zelf hebben. Ja, wij willen trachten het werk te

beheerschen en te leiden, ten einde nog betere vruchten te verkrijgen.

Ongetwijfeld is dit een hoog en verheven doel. Maar door den bouw

van dit laboratorium zijn de voorbereidingen getroffen, die noodig

zijn om het te bereiken. De grondslagen voor een onderzoek zijn op

breede schaal gelegd, met het vaste voornemen aan de natuur geheimen

te ontwringen, die tot nu toe onschendbaar schenen.

De ontwikkelingsgeschiedenis van het planten- en dierenrijk moet een

proefondervindelijke wetenschap worden. Eerst moet zij grondig worden

bestudeerd en zooveel mogelijk gecontroleerd, daarna moet zij in haar

tegenwoordigen voortgang worden geleid, om eindelijk op verschillende

punten ten nutte der menschheid te worden veranderd.

Deze denkbeelden zijn reeds voor een bepaalde richting uitgesproken

en uitgewerkt door den heer Davenport, die thans tot directeur

van dit laboratorium is benoemd. Zijn werk draagt den titel

"Experimenteele Morphologie", een combinatie van begrippen, die

aanvankelijk zeer gewaagd scheen, maar die sedert allengs burgerrecht

verkregen heeft. Proefondervindelijke vormleer is echter nog geen

experimenteele evolutie. De eerste bepaalt zich tot de studie

der oorzaken, die het verschijnen van de reeds gegeven vormen der

soort in de bepaalde gevallen beheerschen, de tweede vraagt naar de

oorzaken van het ontstaan van nieuwe eigenschappen. De aardappelplant

maakt uit het onderste gedeelte van haar stam uitloopers, die onder

gewone omstandigheden aan hun top elk een aardappel voortbrengen,

maar die in andere gevallen boven den grond groeien en tot groene,

bebladerde stengels worden kunnen. De experimenteele morphologie vraagt

waarom nu eens aardappelen en dan weer stengels ontstaan, van welke

omstandigheden en oorzaken dit afhangt, en hoe men het verschijnsel

naar willekeur kan regelen. De experimenteele evolutie daarentegen

vraagt hoe het komt, dat onder de talrijke soorten van het geslacht

Solaum er één is die aardappelen voortbrengt, welke oorzaken en wetten,

en welke bizondere omstandigheden het allereerste ontstaan van dit

vermogen beheerschen, en hoe men, misschien, bij andere soorten van

hetzelfde geslacht, of wellicht zelfs in andere geslachten, eveneens

een vermogen om aardappelen te maken zou kunnen te voorschijn roepen.

Om zulke vragen te beantwoorden, wordt natuurlijk veel tijd en

veel studie vereischt. Maar het nieuwe laboratorium is voorzien van

de noodige inrichtingen, van uitgebreide cultuurvelden en van het

vereischte personeel, om dit onderzoek aan te vangen. Langzaam en

geleidelijk moet het beginnen, en de moeilijkheden zullen in den

aanvang uiterst talrijk zijn. Maar alles wijst er op, dat de hoop

gegrond is, dat het ten slotte gelukken zal ze te overwinnen, en

wetten te ontdekken, wier toepassing in wetenschap en praktijk voor

het menschdom een zegen zal worden.

Op het gebied der evolutie gaat het onderzoek in Amerika en in

Europa thans hand in hand. Moge jaren geleden het zwaartepunt in

de oude wereld gelegen zijn, in de laatste tijden is een snelle

verandering duidelijk te bespeuren. Talrijker en talrijker worden

de bijdragen uit de nieuwe wereld, en meer en meer raken zij de

dieper gelegen, ja de moeielijkste vraagstukken. In Amerika hebben

de leer der bevruchting, de rol van het mannelijk element daarbij,

ja zelfs de uiterst moeielijke vraag naar de oorzaken, die het

geslacht van het nieuwe individu bepalen, door de ontdekking van zeer

belangrijke feiten een geheel onverwachten steun gekregen en is ook

de rol der cel-kernen en haar aandeel aan de bepaling der erfelijke

eigenschappen onlangs uit het speculatieve stadium van onderzoek

tot dat van rechtstreeksche microscopische waarneming overgegaan. Op

talrijke andere punten is een toenemende vooruitgang te bespeuren,

en daarom heb ik er bizonderen prijs op gesteld, dat bij de opening

van dezen nieuwen weg van onderzoek het houden der feestrede aan mij

is opgedragen. Dit toch getuigt van een streven naar samenwerking,

dat dezerzijds natuurlijk hoogelijk gewaardeerd wordt.

De taak, die ik op mij heb genomen, sluit in zich, een denkbeeld te

geven van wat ik mij voorstel, dat op het gebied der experimenteele

evolutie, zoowel in de eerste als in de latere jaren, te onderzoeken

zal zijn, welke methoden daarbij kunnen worden gevolgd, en welke

uitkomsten, wellicht, mogen worden verwacht.

Uit den aard der zaak is deze taak deels een zeer reëele, deels een

uitermate bespiegelende, bijna gelijk aan een droom. Wat voor de

eerste jaren het werk en de verwachtingen zijn, laat zich op vaste

grondslagen en tot in vrij fijne bizonderheden uitwerken. Maar wat de

verre toekomst eens brengen zal, kunnen wij thans nog ternauwernood

vermoeden. Slechts wat wij hopen en gaarne verwezenlijkt zouden zien,

laat zich schetsen, en zelfs dit nog in zeer grove trekken. Toch is

dit het oogenblik, waarop het bespreken van dergelijke verwachtingen

geoorloofd en noodig is, en waarop misschien uit een zeer vage hoop en

een droomerig denkbeeld een middel kan ontstaan, dat, aan de ervaring

getoetst, den weg wijst tot geheel nieuwe middelen van onderzoek en

tot te voren onverwachte uitkomsten.

Vergunt mij het onzekere aan het zekere te doen voorafgaan, en eerst

de verdere toekomst te beschouwen, om daarna tot het werkplan voor

de eerstvolgende jaren over te gaan. Vergunt mij tevens daarbij een

beeld te gebruiken, ten einde mijne bedoelingen op gemakkelijker

wijze duidelijk te maken.

De wetenschap is een veld van licht, te midden van bijna

ondoordringbare duisternis. Helder schijnt het licht op de menschheid,

verlossing brengende van onkunde en onmacht, van twijfel en vrees. Door

gestadigen en harden arbeid en door de toewijding van velen wordt

het licht onderhouden en zijn gebied allengs vergroot, en dringen de

zegeningen van ervaring en macht over de natuur allengs in grooter

kringen door. Amerika is rijk aan stichtingen, die de middelen geven

tot onderzoek en onderwijs, tot verdieping en verspreiding van kennis,

en iedereen weet, hoe naijverig Europa op de mogelijkheid van zulke

schenkingen, en op den edelen, vaderlandslievenden en het menschdom

bevoordeelenden geest is, die daaraan ten grondslag ligt.

In ons beeld kan de vermeerdering van kennis op tweeërlei wijzen

plaats vinden. Ten eerste door gestadig en zorgvuldig werk in het

lichtveld zelf. De grond moet worden beploegd en de grenzen moeten

worden uitgebreid, en honderden en duizenden van onderzoekers zijn

onvermoeid bezig alle leemten aan te vullen en aan alle kanten op de

eenmaal vaststaande grondslagen voort te werken.

Daarnaast staat het tweede middel van vooruitgang. Van uit het groote

veld worden lichtpunten uitgeworpen in de omringende duisternis. Hun

kansen om uitgedoofd te worden, en zonder gevolgen voorbij te gaan zijn

natuurlijk voor de hand liggend, en tallooze pogingen leiden dan ook

niet tot de gewenschte uitkomst. Maar van tijd tot tijd verwerven zij

vasten voet en staan zij als bakens, ver in de donkere omgeving. Dan

wijzen zij den weg voor een veel snelleren vooruitgang. Rondom de

bakens kan het licht zich uitbreiden, en tusschen hen en het groote

lichtveld wordt de duisternis van twee kanten bestreden, zoodat het

vroeg of laat gelukken moet, de bakens met het lichtveld te verbinden,

en al het terrein tusschen hen beiden te veroveren en toegankelijk

te maken. Zoo worden de uitgeworpen lichtpunten de middelen tot een

snelleren vooruitgang in bepaalde richtingen.

Vandaar dat zulke lichtpunten de groote feiten geworden zijn, die de

geschiedenis van het natuurkundig onderzoek ons bewaart. Zij maken

den naam van de mannen, die ze uitwerpen onsterfelijk, zij zijn als

het ware de keerpunten der historie. Baco en Newton, Lyell en Darwin

staan onder allen vooraan, en in den tegenwoordigen tijd wijden Edison

en Marconi, Röntgen en Curie den arbeid van hun genie aan de belangen

der menschheid.

Met deze opvatting van de beide hoofdbeginselen van vooruitgang

op het gebied van kennis en wetenschap vereenigt zich het

Carnegie-Institution ten volle. Te Washington heeft het zijn zetel;

hier werkt het regelmatig en gestadig voor de bevordering der algemeene

wetenschappelijke belangen. Daarnaast heeft het een eerste lichtpunt

uitgeworpen ver in de dorre woestijn, om een baken te worden van

onderzoek in de talrijke vragen van theoretisch en practisch belang,

die de woestijn ons aanbiedt. De oorsprong van de flora en de fauna van

die waterarme streken moet worden nagegaan. Hoe zijn sommige planten en

dieren er toe gekomen, bij voorkeur daar te leven? Waardoor zijn zij in

staat gesteld, in millioenen van exemplaren zich te vermenigvuldigen,

waar andere soorten noodzakelijk zouden te gronde gaan? Hebben zij bij

dien overgang hun natuur veranderd, of zijn zij slechts uitgezocht

uit vele anderen, en zijn alleen zij toegelaten, die reeds van den

aanvang af geschikt werden bevonden? Hoe kan de mensch in dit proces

ingrijpen? Is hij beperkt tot de werken van irrigatie en tot de keus

van elders bekende, maar toevallig voor de nieuw te ontginnen landen

passende soorten van land en tuinbouwgewassen?

Deze en tallooze andere vragen moeten worden beantwoord. Om daartoe bij

te dragen heeft het Carnegie-Institution een laboratorium ingericht,

midden in de woestijn. Het is gebouwd op de heuvelenreeks nabij

Tucson in Arizona, een der oudste Spaansche stichtingen in die

bijna onbewoonbare landstreek, en thans een bloeiende en zich snel

ontwikkelende stad, met groote industrieën en een levendigen handel

op Mexico, en met toenemenden landbouw, gegrondvest op kunstmatige

irrigatie.

Het woestijn-laboratorium staat onder het toezicht van de plantkundigen

Coville te Washington en MacDougal te New-York, terwijl Dr. Cannon,

met den titel van "resident-investigator" [44] de werkzaamheden

leidt. De hoop op een wetenschappelijke en praktische verovering

der woestijn is de grondslag van het werk, en alles wijst er op,

dat deze hoop ten volle gewettigd is.

Heden wordt een tweede lichtpunt door het Carnegie-Institution in

de omringende duisternis uitgeworpen. Het is het laboratorium, dat

wij thans inwijden. Het moet een baken worden in een veel dichter

duisternis; het moet veel moeilijker vraagstukken aanvatten, en kan

daarbij slechts op een veel zwakkeren grondslag van voorafgaande

kennis steunen. Het heeft een veel hooger doel, en streeft naar

vruchten van meer algemeen belang. Het moet een leidster worden op

een gebied van geheel onverwachte feiten en ontdekkingen en een bron

voor geheel nieuwe methoden van verbetering van onze huisdieren en

landbouwplanten. Het heeft een veel zwaarderen arbeid voor zich en

zal eerst na jaren van voorbereidende studie de groote praktische

problemen rechtstreeks kunnen aanvatten.

Maar hoelang deze periode van stillen arbeid ook moge duren, er kan

geen twijfel zijn, of het doel zal eenmaal worden bereikt. De geheele

inrichting, de rijke middelen, maar vooral de persoon van den directeur

en de keuze van zijn staf beloven een glansrijke toekomst. Welke

die toekomst zal zijn, laat zich natuurlijk niet in bizonderheden

omschrijven. Toch is het wenschelijk, de verwachtingen eenigszins

nader uit te werken, welke de tot nu toe genomen maatregelen met

recht kunnen doen ontstaan.

Zulke verwachtingen binden niet, want 's werelds loop laat zich niet

voorspellen. Maar ik zie geen bezwaar in een schets, daar ik ten volle

overtuigd ben, dat de uitkomst toch eenmaal de meest schitterende

verwachtingen overtreffen zal.

Meer in bizonderheden gaande, kunnen wij ook hier ons beeld van het

lichtveld der wetenschap toepassen. Ook dit laboratorium moet zulk een

veld worden, dat door vlijtigen arbeid zich steeds vergroot, maar van

waaruit tevens losse lichtpunten in de omringende duisternis worden

uitgeworpen. Hoe het werk op het veld moet geschieden, laat zich

ten minste in groote trekken berekenen; wat de bakens zullen kunnen

bereiken laat zich ternauwernood gissen. Het is als een droom. Maar

het is een zeer verleidelijke droom, en ik vind geen reden, om aan die

verleiding weerstand te bieden. Daarom zal ik trachten te schetsen,

wat ik in dien droom heb meenen te zien, en welke hoop het denkbeeld

van experimenteele evolutie, in verband met de groote ontdekkingen

van onzen tijd op verwant gebied, in mij opwekt.

Mijn droom is uitgegaan van de oude vraag, wat er in een ei is,

dat dit in staat stelt al de eigenschappen van een vogel allengs te

ontwikkelen. Waarom wordt uit het eene ei een kip, en uit het andere

een fazant geboren? Welke eigenschappen hebben de ouders daarin

gelegd, die met klaarblijkelijke noodzakelijkheid de ontwikkeling

in een bepaalde richting leiden? Natuurlijk moet er in het eigenlijk

levende deel van het ei, het zoogenaamde kiemvlekje iets anders zijn,

zoo er een kip, en iets anders zoo er een fazant uit ontstaan zal. De

dooier en het eiwit zijn slechts voedsel, en daarin kan de oorzaak van

het verschil dus moeilijk liggen. Nog grooter verschillen moeten er

zijn tusschen het ei van een vogel en van een slang, en veel grooter

natuurlijk tusschen die en de eieren van zeesterren en zeeappels, die

bekende soorten, die zoo dikwijls door de zee op ons strand worden

geworpen, en wier eieren en larven een zoo zeer gezocht materiaal

voor de studie der ontwikkelings-verschijnselen geworden zijn.

Nu zouden wij kunnen trachten, ons een voorstelling te maken van

den aard dezer onzichtbare verschillen. Wij zouden kunnen vragen,

wat wellicht het microscoop ons openbaren zal, wanneer het zijn

gebied nog verder zal uitgebreid hebben en deeltjes, die thans nog

onzichtbaar zijn, zoo zal kunnen vergrooten, dat wij ze rechtstreeks

kunnen waarnemen. Maar op deze vraag wil ik thans niet ingaan. Liever

wil ik vragen, of het mogelijk zou kunnen zijn, in de samenstelling van

die kiemen willekeurig veranderingen te weeg te brengen, zóó, dat het

dier dat uit het ei ontstond, andere eigenschappen zou vertoonen dan

zijne ouders. Natuurlijk bedoel ik niet, dat men zou kunnen trachten

uit een zeesterren-ei een slang, of uit een schildpadden-ei een vogel

te maken. Die verschillen zijn veel te groot. Aanvankelijk zal men

wel met de allerkleinste veranderingen tevreden moeten zijn. Laat ons

daarom een voorbeeld kiezen van zulk een zeer kleine en schijnbaar

onbeteekenende wijziging.

De gewone pauw heeft een witte variëteit, die de schitterende kleuren

van de gewone soort mist. Uit de eieren dezer variëteit komen steeds

weer witte pauwen. Er moet dus tusschen het ei van een gewone en

dat van een witte pauw een verschil zijn dat het verschil in kleur

bewerkt. Dit verschil echter kan eenvoudig zoo beschouwd worden, dat

men zegt, dat de kleuren in het eene geval vrij tot ontwikkeling komen,

terwijl zij in het andere daarin door een of andere oorzaak worden

belemmerd. Wat is nu deze oorzaak, en hoe zou men die kunstmatig

kunnen nabootsen? Met andere woorden, zou het mogelijk zijn, een

middel te ontdekken dat in het ei van een gewone pauw, de kleuren

kan beletten tijdens den lateren groei te voorschijn te treden?

Wij moeten natuurlijk aannemen, dat in het ei voor elke eigenschap

en dus ook voor de kleuren, bepaalde deeltjes voorhanden zijn, die

die eigenschap als het ware vertegenwoordigen, en die door zich te

vermenigvuldigen, tijdens de ontwikkeling van het jonge dier ten

slotte de kleuren doen ontstaan. Kon men die deeltjes nu dooden,

of ook slechts zóó verzwakken, dat zij, in vergelijking met andere

achterlijk bleven, dan zou misschien uit een gewoon pauwenei, in eens

en kunstmatig, de witte variëteit kunnen verkregen worden.

Overlegt men de zaak op deze wijze, dan schijnt het dat men met

heele kleine veranderingen in een ei, zeer groote wijzigingen in een

organisme zou kunnen teweeg brengen. Een witte variëteit van de pauw

zou slechts een herhaling zijn van iets dat reeds bestond. Maar het

is duidelijk, dat dezelfde redeneering van toepassing zou zijn op

vogels en andere dieren, waarvan zulk een variëteit nog niet bestaat,

zoodat men werkelijk iets nieuws zou krijgen. Ja men zou het beginsel

misschien ook op bloemen kunnen toepassen. Witte afwijkingen van

soorten met blauwe of roode bloemen komen zoo algemeen voor, dat

het slechts natuurlijk schijnt om aan te nemen, dat elke rood- of

blauwbloemige plant er eene zou kunnen hebben. Toch is dit nog niet

het geval, en zijn er tuinplanten, waarvan een witte vorm nog steeds

te vergeefs gezocht is en zeker, zoo zij gevonden of voortgebracht kon

worden, door kruising met andere, tot een belangrijke vermeerdering

der vormen zou kunnen bijdragen. Ik noem slechts de bloeiende canna's,

wier kleur rood is, doch met geel vermengd. Verlies van het rood zou

ze zuiver geel doen worden, verlies van het geel zuiver karmijnrood,

terwijl een verlies van beide kleuren noodig zou zijn, om de zoo zeer

gewenschte witte variëteit te doen ontstaan. Maar men heeft haar nog

niet gevonden, en kan haar voorshands ook nog niet maken.

Is het mij gelukt duidelijk te maken, wat men in zulk een bepaald geval

door vernietiging of verzwakking der vertegenwoordigende deeltjes

in een ei van een dier of in een zaadknop van een plant wellicht

eenmaal zou kunnen bereiken, dan mogen wij dit denkbeeld natuurlijk

uitbreiden. De kleuren dienden ons slechts als voorbeeld. Juist

dezelfde beschouwing zou men ook op allerlei andere eigenschappen

kunnen toepassen. Doornlooze en onbehaarde variëteiten worden

dikwijls als verdere voorbeelden aangehaald. Verlies van het meel in

het zaad onderscheidt de suikererwten en de suikermais van de gewone

soorten. Er zijn aardbeziën die geen uitloopers en Acacia's die geen

gevinde bladeren maken. Dit zijn natuurlijk slechts onbelangrijke

wijzigingen, maar het is duidelijk dat als men die kunstmatig kon

maken, men allengs tot meer belangrijke zou kunnen overgaan. Groote

verbeteringen onzer nuttige dieren, of van land- en tuinbouwplanten

zouden ten slotte mogen worden verwacht.

Gaarne geef ik toe, dat wij van het bereiken van dit doel nog ver af

zijn. Maar bij de stichting van een nieuw laboratorium met een nieuwe

richting van onderzoek komt het mij toch wenschelijk voor zulk een

blik in de toekomst te slaan. Natuurlijk kan men niet voorspellen

wat later eenmaal zal worden ontdekt. Maar het is van groot belang,

een heldere voorstelling van de mogelijkheden op dit gebied te hebben,

teneinde van elke toevallige vondst terstond de waarde en de beteekenis

te kunnen beoordeelen. Zonder die voorzorg zou allicht een kleine

ontdekking kunnen verloren gaan, die toch het punt van uitgang had

kunnen worden, van waaruit ten slotte de oplossing van het raadsel

had kunnen bereikt worden.

Daarom wensch ik thans na te gaan, welke kansen er zijn, om in eieren

zulke veranderingen teweeg te brengen. Ik stel daarbij voorop, dat

alles, wat men tot nu toe omtrent de physiologie van de eieren der

meest verschillende soorten van dieren onderzocht heeft, en alle

veranderingen, die men daarbij feitelijk in de kiemen teweeg heeft

gebracht, grof is in vergelijking met het verschijnsel dat ons thans

voor den geest zweeft. Een kleurverandering in de veeren van een pauw

zou natuurlijk volkomen onzichtbaar blijven, zoolang het kuiken in het

ei ligt, en zelfs nog geruimen tijd daarna. En zoo zou het met allerlei

andere eigenschappen zijn. Zichtbare veranderingen in de kiem en het

kuiken komen ons, van dit standpunt, voor als grove monstrositeiten,

die wel belangrijk, maar niet het doel van ons streven zijn. Wat

men thans moet zoeken zijn onzichtbare, en zich eerst veel later

verradende wijzigingen.

Het dooden van enkele vertegenwoordigende deeltjes in een ei is

misschien het beste voorbeeld, ofschoon het allicht in de praktijk nog

te grof zal blijken. Men zou kunnen trachten het te bereiken met een

methode, die door Engelmann voor andere doeleinden gebruikt is. Ligt

een levende cel onder het microscoop, zoo kan men het licht dat haar

beschijnt, door een lens laten gaan, en die lens zoo kiezen en zoo

plaatsen, dat haar brandpunt juist in het veld van het microscoop

valt. Is de lens aan een eigen, beweeglijk statief bevestigd,

dan zou men dit brandpunt zich onder het microscoop kunnen doen

verplaatsen. Men zou dan in een vrij donker veld een helder lichtend

punt als het ware kunnen laten wandelen. Is het klein genoeg om een

enkele bladgroenkorrel, of een celkern, of zelfs een deel van een

kern te treffen, zoo zou men alleen dat punt kunnen verlichten. Op

deze wijze heeft Engelmann rechtstreeks aangetoond dat het licht in de

groene deelen der cellen zijn koolzuur-ontledende werking uitoefent,

en niet in de kleurlooze gedeelten van het levend protoplasma.

Nu concentreert een lens natuurlijk niet alleen de licht- maar ook

de warmtestralen. Iedereen weet, dat voorwerpen, in het brandpunt

geplaatst, verhit worden; vandaar trouwens de naam. Past men dit onder

het microscoop toe, dan zou men dus een klein deel van een cel sterk

kunnen verwarmen, zonder de overige deelen te beschadigen. Spoedig

zou daarbij de warmte zoo groot worden, dat het getroffen deel

afstierf. Zoo kan men enkele bladgroenkorrels dooden, terwijl de

overige deelen der cel levend blijven. Als men nu voorzichtig een

celkern, of een deel daarvan tot dicht bij de temperatuurgrens van

het leven verwarmde, zou men mogen verwachten, dat die grens niet

voor alle deeltjes dezelfde is. Enkele zouden eerder sterven, andere

later. In een gunstig geval zou men dus de meest gevoelige kunnen

dooden, maar de overige sparen.

Gesteld nu, dat men er enkele trof, die voor de ontwikkeling niet

volstrekt noodzakelijk waren, dan zou men misschien, langs dezen

weg, een variëteit kunnen tot stand brengen. Natuurlijk zou er nog

heel wat te bestudeeren en te beproeven zijn, vóórdat men zoover kon

komen. Doch dit is thans niet de zaak die ons bezighoudt. Het kwam

er slechts opaan, aan te toonen, dat er een weg is, die de kans op

zulk een ingrijpen opent.

Waarschijnlijk zal het volstrekt niet noodig zijn, bepaalde deeltjes

in een ei te dooden, om zichtbare veranderingen in het daaruit groeiend

organisme teweeg te brengen. Veel natuurlijker schijnt het ze eenvoudig

in meerdere of mindere mate te verzwakken, hetzij tijdelijk, hetzij

op den duur. Door een tijdelijke verzwakking zou men kunnen hopen

ze achterlijk te maken in vergelijking met de overige factoren van

het ontwikkelingsproces en daardoor misschien de fijnst mogelijke

wijziging te erlangen.

Een eerste middel dat zich daarbij aanbiedt is het bedwelmen. Aether

en chloroform werken op dierlijke en plantaardige cellen op

overeenkomstige wijze als op het menschelijk organisme, en wellicht

zou men daarvan gebruik kunnen maken, om geringe storingen in

de allereerste ontwikkeling te doen optreden. Reeds zijn een

aantal feiten bekend, die de uitgesproken hoop wettigen, of ten

minste steunen. Wat eieren betreft, gebruikt men bij voorkeur die

van zee-egels en zee-appels, die deels om hun doorschijnendheid,

deels om hun taaiheid, deels om allerlei andere redenen voor

onderzoekingen bizonder geschikt zijn. Wilson heeft nu vóór, tijdens,

en na de bevruchting aether op zulke eieren laten inwerken. Zichtbare

afwijkingen van het normale proces waren daarvan het gevolg. Zoo kan

de mannelijke kern belet worden met de vrouwelijke te copuleeren,

doch daarbij op eigen gelegenheid voortgaan met groeien. Ook kunnen de

stralen-sphaeren, die gewoonlijk van de kernen uitgaan, en waarlangs

zij vermoedelijk haren invloed op de cel oefenen, door de werking van

aether tijdelijk worden uitgewischt, of ten minste onzichtbaar gemaakt,

zonder dat daardoor de levensverschijnselen en met name de deelingen

in de kernen merkbaar worden gestoord. Dan kunnen de kernen zich

vermenigvuldigen, zonder dat dit door de overeenkomstige celdeelingen

wordt gevolgd en er ontstaan veelkernige cellen. Wilson kon soms 64

kernen in een enkele cel tellen, terwijl het normale aantal niet meer

dan één bedraagt. Eindelijk kunnen de celdeelingen zoo onregelmatig

worden, dat zij, inplaats van tusschen de kernen door te gaan, langs

deze den nieuwen wand maken, zoodat de eene helft geen en de andere

beide of alle jonge kernen krijgt. Zulke kernlooze cellen vertoonen

dan natuurlijk allerlei afwijkende verschijnselen.

De meeste van de beschreven afwijkingen zijn van voorbijgaanden aard,

zoo de bedwelming slechts kort genoeg duurt. Is het nog mogelijk, dan

keert daarna de kiem tot het normale ontwikkelingsproces terug. Maar

misschien blijft er toch nog iets over, dat, aanvankelijk onzichtbaar,

en dus tot nu toe niet opgemerkt, in het latere leven zich zou

verraden, en dan juist wijzigingen geven, zooals wij die zouden

wenschen te zien ontstaan. Een ruim veld van waarneming en onderzoek

ligt hier voor ons open.

Dat bedwelming werkelijk veel fijnere wijzigingen in den groei en de

ontwikkeling kan te weeg brengen is, ten minste voor planten, door

de merkwaardige studiën van Johannsen bewezen. Aan dezen gelukte

het, door een voorbijgaande bedwelming, slapende knoppen wakker te

maken. Het resultaat was geheel onverwacht, en toch kan iedereen zich

gemakkelijk van de juistheid overtuigen. Onze boomen en heesters,

onze bloembollen en knolgewassen hebben 's winters een periode

van rust, die niet eenvoudig het gevolg van de koude is. Dit blijkt

terstond wanneer men bedenkt, dat de term winterrust het verschijnsel

eigenlijk zeer onvolkomen uitdrukt. Want hyacinten en tulpen en tal van

andere bolgewassen rusten eigenlijk des zomers. Als in het voorjaar

hun bloemen uitgebloeid zijn, kunnen zij nog zaad maken, en moeten

zij, b.v. een maand lang, door middel hunner bladeren het voedsel

maken dat voor het verdere leven van den bol, tijdens de periode

van rust, noodig is. Maar juist als de ware zomermaanden intreden,

beginnen zij deze periode, en daaruit volgt, dat gebrek aan warmte

daarvan klaarblijkelijk niet de oorzaak is. Zoo is het met tal van

voorjaarsplanten, waarvan men de bladeren nog eenigen tijd in den

zomer ziet, maar die vroeg of laat ter ruste gaan, lang vóór het

einde van den herfst.

Er moeten dus inwendige, van het jaargetijde onafhankelijke oorzaken

zijn, die deze rust bewerken. Daarnaast kan 's winters de koude de

ontwikkeling vertragen, en iedereen weet dat enkele te vroege en te

warme voorjaarsdagen de knoppen er toe brengen kunnen vóór hun tijd

uit te loopen. Maar dit kan wel in het voorjaar, doch niet in den

eigenlijken winter, vooral niet in 't begin daarvan geschieden. Men

kan dit bewijzen door takken van allerlei boomen en heesters af te

snijden en, in wat water, in een warme kamer te plaatsen. Doet men dit

in Februari of Maart, dan ziet men weldra de meeste knoppen zwellen,

en een aantal er van open barsten en hun bladeren en bloemknoppen

ontplooien. Doet men het in October of November, zoo blijven de

takken echter werkeloos. Toch is alles of ten minste nagenoeg alles

in hen voor het hernieuwde leven gereed. Dit blijkt juist uit de

aether-proeven van Johannsen. Want wat men door eenvoudig verwarmen

niet kan bereiken, kan men daardoor wel verkrijgen na een voorbijgaand

bedwelmen. Men zet de takken, na ze afgesneden te hebben, en liefst

zonder water, in een groote metalen kist met goed sluitend deksel,

of ook onder een glazen stolp of in een flesch met wijden hals,

en voegt daaraan een afgemeten hoeveelheid aether toe. Men laat ze

er twee dagen in, en herhaalt daarna zoo noodig de bewerking nog

eens. Zet men ze nu in wat water op een verwarmde plaats dan ziet

men ze spoedig uitloopen, ten minste verscheidene soorten, want de

vereischte hoeveelheid aether is niet voor alle dezelfde. Dit proces,

dat in het klein zeer verrassende uitkomsten geeft, heeft in de laatste

jaren in het groot in de praktijk ingang gevonden voor het forceeren

van seringen. Want het is daardoor mogelijk geworden, den bloei

dezer struiken in Januari en December eenige weken te vervroegen, en

zoodoende omstreeks Kerstmis en Nieuwjaar daarvan groote hoeveelheden

bloemtrossen in den handel te brengen. En merkwaardiger wijze groeien

de trossen na het aetheriseeren zooveel sneller dan bij het gewone

forceeren, dat de meerdere kosten van de installatie en toepassing van

dit proces geheel opgewogen worden door de besparing aan brandstof,

die het kortere forceeren in de kassen natuurlijk met zich voert.

Zoo hebben wij in aether--en hetzelfde geldt van chloroform--een zeer

merkwaardig middel om allerlei wijzigingen in het ontwikkelingsproces

te voorschijn te roepen, en het spreekt van zelf, dat na zulke

onverwachte en uiteenloopende feiten, als die van Wilson en van

Johannsen, nog een lange reeks van ontdekkingen op dit gebied mag

worden verwacht.

Van geheel anderen aard zijn de studiën van Loeb in Californië

en van Delage in Parijs omtrent den invloed van opgeloste stoffen

en van gassen op de ontwikkeling van eieren. Ook zij gebruiken bij

voorkeur eieren van zee-sterren en zee-egels. Als zulke eieren bevrucht

worden, gebeurt er tweeërlei. Eensdeels brengt het mannelijk element

de eigenschappen van den vader op de kiem over, en bewerkt zoo de

gelijkenis der kinderen op hem, wat bij ons menschen zeer bekend is,

en bij bastaarden een zeer belangrijke rol speelt, maar wat natuurlijk

overal bij planten en dieren het meest wezenlijke deel der bevruchting

is. Maar dit is volstrekt niet het eenige, wat de mannelijke cel

bewerkt. Het ei bevindt zich in rustenden toestand, en moet daaruit

worden opgewekt, om zich verder te gaan ontwikkelen. Dit gebeurt nu

niet door die overbrenging der erfelijke eigenschappen, maar door

een afzonderlijke werking. Bij sommige planten en met name bij vele

orchideeën vindt zulk een werking zelfs reeds vóór de bevruchting

plaats, en gaat er van de stuifmeelkorrels en haar buizen iets uit,

wat den groei der zaadknoppen bevordert. Zonder dien prikkel worden

zij in die gevallen nooit normaal en voor de bevruchting geschikt.

Men kan nu, dank zij de onderzoekingen der genoemde geleerden, die

twee belangrijke werkingen van elkander scheiden. Want men kan den

groeiprikkel, als ik het zoo eens noemen mag, die van het mannelijk

element uitgaat, vervangen door iets anders. Dan zal het ei zich

ontwikkelen, zonder in den eigenlijken zin van het woord bevrucht te

zijn, en daarom pleegt men dit proces parthenogenesis, en wel in dit

bizondere geval, kunstmatige parthenogenesis te noemen.

Loeb ontdekte dit door het gebruik van opgeloste zouten, en met

name van chloormagnesium, dat in het zeewater wel aanwezig is,

maar natuurlijk niet in voldoende hoeveelheid om die onnatuurlijke

ontwikkeling te bewerken. Voegt men er echter wat grootere hoeveelheden

van aan het zeewater toe, waarin de eieren van zee-sterren, zee-egels

en zee-appels liggen, dan ziet men deze tot jonge larven worden, ook

zonder bevruchting. Eenige andere zouten zijn eveneens in staat, dit

gevolg te bewerken. Het maakt den indruk alsof het ei rustend gehouden

werd door een of andere onbekende maar op den groei belemmerend

werkende oorzaak. Het mannelijk element en de genoemde zouten heffen

die oorzaak op, lossen haar misschien eenvoudig op, zoo zij een

bepaalde stof is, en veroorloven zoo den voortgang der ontwikkeling.

Delage heeft nu aangetoond, dat behalve zouten ook gassen, en met

name koolzuur, zulk eene werking hebben. Gasvormige lichamen hebben

bij zulke proeven allerlei voordeden boven opgeloste zouten. Men

behoeft slechts een stroom van koolzuur uit een ontwikkelingsflesch,

of uit een gewonen syphon van koolzuurhoudend mineraalwater te leiden,

om de eieren, die er in liggen, tot ontwikkeling te doen komen zonder

bevruchting. Zouten werken altijd op een aantal eieren schadelijk,

maar koolzuur kan ze bij honderden doen groeien, zonder dat er een

enkel verloren gaat of ook slechts achterlijk blijft. Daardoor geeft

het koolzuur een middel aan de hand, om de onbevruchte eieren in

hun verderen levensloop te bestudeeren, iets wat op dit oogenblik

nog zeer moeilijk is, daar men met de vereischten van het leven van

jonge zee-appels, ook na bevruchting der eieren, in een aquarium

nog zeer onvoldoende bekend is. In een aquarium moet men het water

voortdurend in beweging houden, en daarenboven moet men zorgen,

dat voedsel in overvloed voorhanden zij. Dit voedsel nu bestaat in

allerkleinste organismen, bijna onzichtbaar klein, die in het zeewater

in onnoemelijk aantal voorkomen, en die door de larven der zeesterren

worden gegeten. Deze plantaardige en dierlijke, microscopisch kleine

wezens vormen een deel van de in de bovenste lagen der zee drijvende

of liever zwevende wereld, die men tegenwoordig gewoon is het plankton

te noemen. Dit plankton, waarop ik trouwens later nog terug zal moeten

komen, is de groote bron van het voedsel voor alles wat in zee leeft,

tenminste wat het dierenrijk betreft, en grootere planten zijn in de

zee zooals men weet betrekkelijk zeldzaam, en eigenlijk beperkt tot de

kusten en tot de enkele, drijvende sargasso-zeeën. Dit microscopische

voedsel moet men vermengen met het zeewater, waarin de larven leven,

en dit heeft, bij hun vraatzucht, groote moeielijkheden, doch het is

hier de plaats niet, daarop nader in te gaan.

Genoeg zij het, er op gewezen te hebben, dat eieren zonder bevruchting

tot larven kunnen worden. En kunnen zij dit, zoo zouden zij het

wellicht ook met een gedeeltelijke bevruchting kunnen, en misschien

met een gemis van slechts enkele der vertegenwoordigende deeltjes

van de erfelijke eigenschappen van den vader.

Evenals van chloormagnesium, zou men ook de werking van zwakke

vergiften op den aanvang van het ontwikkelingsproces kunnen

bestudeeren. Davenport heeft aangetoond, dat er een zeer groote

mate van overeenkomst bestaat tusschen de werking van vergiften

op het menschelijk lichaam en op verschillende soorten van lagere

dieren. Met name kunnen in vele gevallen dieren aan bepaalde vergiften

gewend worden, door de dosis langzaam te doen toenemen. Er ontstaat

dan een soort van immuniteit, en deze treedt, al naar gelang der

onderzochte voorwerpen, nu eens vroeger, dan weer later in. Zoo men

nu aan mag nemen, dat bij een fijner uitwerken van dit beginsel,

ook de vertegenwoordigende deeltjes der erfelijke eigenschappen in

een ei in verschillende mate gevoelig zullen blijken te zijn voor

zulke vergiften, dan ontstaat de kans dat men daardoor sommige kan

elimineeren, zonder de overige al te zeer te schaden. Zoodoende zou

men allicht, in de ontwikkeling van de kiem en van het jonge dier

uit het ei, enkele bepaalde eigenschappen kunnen onderdrukken.

Allerlei andere invloeden zouden kunnen worden bestudeerd, en onder

deze bieden wellicht de stralen van Röntgen, en de radio-activiteit

van het nieuwe element radium, bizondere kansen van slagen aan. Van

beide zijn reeds uiterst belangrijke werkingen op het levend organisme

bekend, die deels als genezing, deels als schadelijke veranderingen

van beteekenis zijn. Ook is in sommige gevallen hun invloed op

de ontwikkeling van jonge dieren uit het ei nagegaan. Zoo kan de

groei der organen van de donderpadden, die uit de kikvorsch-eieren

ontstaan, op belangrijke punten gewijzigd worden door de stralen

die van radium-bromide en andere radium-zouten uitgaat. In normale

gevallen verandert b.v. de vorm van den kop na omstreeks acht dagen,

de hals wordt onduidelijk en de uitwendige ademhalingsorganen

worden door inwendige vervangen. Maar de radium-stralen belemmeren

deze processen, en inplaats van te verdwijnen, wordt de hals door

het ontstaan van huidplooien duidelijker. In jonge zee-appels,

die zich uit eieren ontwikkelen, kan het radium den geheelen bouw

der ingewandsholte wijzigen. Wijzigt men nu de intensiteit van de

inwerking van het radium, zoo verandert ook de uitwerking, en voor

zoover de waarnemingen thans reeds een inzicht veroorloven, kan men

zeggen dat zwakke werkingen dikwijls de levensfunctiën bevorderen,

terwijl sterkere ze vertragen of belemmeren. Zeer sterk behoeft de

werking dan ook niet te worden, om plaatselijk enkele organen of cellen

geheel te dooden. Ook in dit opzicht gedragen zich verschillende cellen

verschillend, en onlangs heeft Soddy voorgesteld om de radio-activiteit

van het thorium, die zooveel zwakker is dan die van het radium zelf,

te gebruiken om de microben der longtering binnen in het lichaam te

dooden. De longen zouden daarbij zoo goed als onbeschadigd blijven. Hoe

dit ook zij, de hoofdzaak is voor ons dat ook hier, evenals in de

vorige gevallen, krachten aanwezig zijn, die bepaalde deeltjes meer en

andere veel minder in hun levensfunctie en ontwikkeling tegenwerken,

en evenals wij dit reeds herhaaldelijk gedaan hebben, kunnen wij

ons ook hier voorstellen dat een fijnere uitwerking van het beginsel

eenmaal tot een scheiding onder de vertegenwoordigende deeltjes der

erfelijke eigenschappen in het ei zal kunnen leiden.

Maar ik heb wellicht reeds te veel feiten en verschijnselen uit te

zeer uiteenloopende deelen der natuurwetenschap aangehaald. Bij de

volkomen onzekerheid die hier uit den aard der zaak nog heerscht,

zou een verdere beschouwing van dit punt allicht al te vermoeiend

worden. Mijn doel was dan ook slechts aan te toonen, dat de

zuster-wetenschappen, vooral in haar nieuwste ontdekkingen, een schat

van feiten aanbieden, die als uitgangspunten voor onderzoekingen op

het gebied der experimenteele evolutie kunnen dienst doen.

Daarom is een der eerste vereischten voor den goeden gang van de

werkzaamheden op dit nieuwe laboratorium, dat men zooveel mogelijk op

de hoogte blijve van het nieuwste wat in alle andere wetenschappen

ontdekt wordt. Natuurlijk kan niet alles van toepassing zijn. Maar

men weet vooruit niet, op welken weg een ontdekking zal te vinden

zijn. De eene poging kan mislukken, terwijl de andere gelukt. Het

komt er slechts op aan, de gunstige gelegenheden niet voorbij te laten

gaan. En om daarvoor te zorgen moet men op alles voorbereid zijn. Zeer

dikwijls hangt een belangrijke ontdekking af van een toevallige

kennismaking met een of ander nieuw feit, of een of andere nieuwe

gedachte, die plotseling blijkt van toepassing te kunnen worden op

het werk waarmede men juist bezig is. Is dan dit werk in vollen gang,

en beschikt het over alle methoden en hulpmiddelen die noodig zijn om

het nieuwe gezichtspunt terstond aan de ervaring te toetsen, dan is

wellicht de ontdekking ineens gedaan en misschien tevens al halverwege

voltooid. Is men echter òf niet voldoende voorbereid in eigen werk,

òf niet voortdurend op den uitkijk naar wat het toeval soms brengt,

dan gaat de gelegenheid ongemerkt voorbij, en jaren kunnen verloopen,

eer zich een tweede voordoet. Naast grondigen arbeid acht ik daarom

een voortdurende algemeene oriënteering een eerste vereischte voor

welslagen.

De experimenteele evolutie kan echter nog van geheel andere

gezichtspunten uitgaan dan de tot nu toe ontwikkelde, en daarbij

geheel andere wegen van onderzoek inslaan. Zulk een weg is die, welke

men vroeger algemeen de studie der generatio spontanea noemde. Maar

toen had men, omtrent wat men mocht verwachten, nog slechts uiterst

vage en grootendeels onjuiste voorstellingen. Pasteur's ontdekking

der bacteriën heeft hier veel verkeerde denkbeelden opgeruimd. Want

mogen de bacteriën ook nog zoo klein zijn, en voor het gewapend

oog een ook nog zoo eenvoudigen bouw vertoonen, toch leeren ons hun

zoo uiterst verscheidene, scheikundige en physiologische werkingen,

dat hun binnenst maaksel volstrekt niet zoo primitief zijn kan. Men

is dan ook reeds lang van het vermoeden terug gekomen, onder hen

de meest oorspronkelijke wezens te zoeken. Vooral heeft daartoe de

overweging bijgedragen, dat zij alle òf van de weefsels van hoogere

planten en dieren, òf tenminste van hunne afvalproducten leven. Zij

zijn dus in hun geheele bestaan van deze afhankelijk en men kan zich

dus moeilijk voorstellen, dat zij, in het begin van den biologischen

tijd, aan deze zouden zijn voorafgegaan.

Hierdoor komen wij als van zelve tot de vraag, waar men zich dan

voorstellen moet, dat het eerste leven ontstaan is. Dit nu is uit

den aard der zaak een quaestie die thuis behoort op het gebied

van het verre verleden, en dus in de palaeontologie. De leer der

voorwereldlijke planten en dieren antwoordt op onze kwestie echter

met een groot bezwaar. In fossielen toestand kan men natuurlijk

niet verwachten, dat van de bedoelde verschijnselen iets zal zijn

overgebleven. Integendeel, er is in het algemeen al een vrij hooge

graad van organisatie noodig, zal een plant of dier kans hebben om zijn

overblijfselen of indrukken in de gesteenten achter te laten. En die

hoogere bouw, gepaard gaande met een grootte, die de eerste levende

wezens zeer zeker niet bereikt kunnen hebben, sluit de studie van

het bedoelde verschijnsel op palaeontologisch gebied geheel van de

ervaring uit.

Wij komen dus hier op een gebied van reine fantasie. Maar niet van een

vrije fantasie. Want zij is gebonden aan de bekende feiten, die haar

binnen vrij enge grenzen beperken. En met deze beperking kan zij ons

van groot nut zijn om ons een nieuwen weg te wijzen, waarlangs wellicht

de studie der experimenteele evolutie zou kunnen worden aangevat.

Ik wil thans trachten duidelijk te maken, welke gezichtspunten ons

door zulke beschouwingen worden geopend. Daartoe wensch ik een kort

beeld te ontwerpen van de theorie van Brooks omtrent het leven op

aarde gedurende de oudste tijden, waarvan geen fossielen tot ons

zijn gekomen. Deze beschouwing komt mij voor zoo eenvoudig en zoo

gemakkelijk te begrijpen te zijn, dat ik geen bezwaar zie haar hier

eenigszins in bizonderheden te volgen. Zij gaat natuurlijk uit van

hetgeen feitelijk bekend is omtrent de alleroudste fossiele fauna,

die van de cambrische lagen.

Allereerst een enkel woord omtrent den tijd. Men stelt zich thans

algemeen voor, dat het leven op aards geenszins onbegrensd lange

tijden geduurd heeft. De ontwikkeling op de hoofdlijnen van den

stamboom van het dieren- en plantenrijk behoeft niet zoo onmerkbaar

langzaam geweest te zijn, als men voor een tiental jaren nog algemeen

geloofde. Hubrecht heeft ons geleerd de tallooze vertakkingen van

den stamboom beter te beoordeelen en veel, wat men vroeger meende dat

een plaats op de hoofdlijnen moest hebben, wordt thans beschouwd als

te behooren tot de zijtakken. Daardoor wordt, in onze voorstelling,

het geheele proces der evolutie aanzienlijk verkort. Wat men vroeger

meende, dat na elkander moest gebeuren, ziet men thans in, dat voor

een groot deel naast elkander geschied kan zijn. Daarnaast komt de

overtuiging, dat een ontstaan van soorten zoo langzaam, dat eeuwen

noodig zouden zijn om merkbare verschillen teweeg te brengen, allengs

moet wijken voor de meening dat de vooruitgang stapsgewijze geschiedt,

en dat nu eens talrijke stappen elkander snel hebben opgevolgd,

terwijl in andere gevallen, zooals bij de zoetwatermosselen, lange

geologische tijden zijn voorbijgegaan, zonder dat eenige merkbare

vooruitgang, ja zelfs zonder dat eenige belangrijke wijziging in de

organisatie tot stand kwam. Men meent thans dat eenige millioenen van

jaren geheel voldoende kunnen worden geacht voor de verklaring van

het geheele evolutie-proces. Hoeveel millioenen doet er natuurlijk

niet veel toe, daar ons voorstellingsvermogen toch niet in staat is

op zulk een ontzaggelijke uitgebreidheid verschillen duidelijk te

waardeeren. Meestal schat men den duur van het leven op tusschen

de 20 en 40 millioen jaren, of, bij enger beperking, doch nog met

een voldoenden graad van waarschijnlijkheid, tusschen de 20 en 30

millioen jaren.

In dien tijd zouden dus tevens nagenoeg alle geologische lagen zijn

afgezet. De dikte van deze, voor de verschillende perioden van de

ontwikkelings-geschiedenis der aarde, geeft een in 't groot goed

vertrouwbaren maatstaf voor de verdeeling van den zooeven aangenomen

tijd over die verschillende perioden. De oudste lagen zijn verreweg

de dikste, de perioden duurden dus in den aanvang het langste en

dit wil zeggen, dat toen de veranderingen in de aardschors, in

de verdeeling van land en zee, en in de organisatie der levende

wezens uiterst langzaam geschiedde in vergelijking met de latere

tijden. Groote eentonigheid en groote gelijkvormigheid moet er

in den beginne overal op aarde geheerscht hebben. En, naar alle

waarschijnlijkheid heeft het ongeveer de helft van den geologischen

tijd geduurd, voordat hierin eenige merkbare verandering kwam. Sedert

zijn de veranderingen sneller en sneller, en de perioden dus korter

en talrijker geworden. Daaruit volgt echter nog niet dat de totale

vooruitgang ook in die tweede helft de grootste is geweest. Doch eer

ik hierop in ga moet ik eerst de palaeontologische feiten vermelden,

waarop de theorie van Brooks steunt.

De periode in de ontwikkeling der aardschors die het keerpunt in

de geheele ontwikkelings-geschiedenis schijnt te zijn, draagt den

naam van den cambrischen tijd. Deze komt ongeveer met het midden van

alle geologische lagen, en dus met het midden van den geheelen duur

van het leven op aarde overeen. Vóór het cambrium moeten dus 10 à

20 millioen jaren zijn verloopen, sedert de eerste levende wezens

ontstonden, en daarna ongeveer evenveel. De cambrische periode

echter is de oudste, waaruit fossielen bekend zijn geworden, en wij

mogen dus zeggen dat wij van de eerste helft van de ontwikkeling

van het leven op aarde feitelijk niets weten. Daartegenover staat,

dat na het cambrium het voorkomen van fossielen in de gesteenten

regelmatig is toegenomen. Leemten zijn er in onze kennis natuurlijk

nog zeer talrijke, doch zij betreffen meer de fijnere trekken der

ontwikkelingsgeschiedenis. Omtrent de hoofdlijnen mogen wij zeggen

dat de ervaring ons voldoende uitsluitsel geeft.

Geheel juist is het echter niet, zooals ik zooeven zeide, dat wij

omtrent de eerste helft van den biologischen tijd niets weten. Mogen

de feiten ook ontbreken, toch is het duidelijk dat de fauna van den

cambrischen tijd als het product der voorafgegane evolutie mag worden

beschouwd, en dat deze dus zoodanig moet geweest zijn, als met dat

product overeenkomt.

Het Yellowstone-Park · 第 9 / 12 题