Daarom willen wij thans die cambrische fauna nader in oogenschouw

nemen. Ik doe dit aan de hand van Brooks, die in zijn boek over de

"Foundations of Zoology" een uiterst aantrekkelijke beschrijving van

het leven in de zee, in dien tijd en in den tegenwoordigen tijd,

geeft. Zooals iedereen weet, is de zee veel rijker aan fraaie en

vreemde vormen, aan de meest treffende en boeiende kleur-schakeeringen,

dan eenige vegetatie op het land. Zelfs de tropische bosschen kunnen

met het leven op den bodem der zee op verre na niet wedijveren.

De fauna van de onderste lagen van de cambrische periode, die dus de

alleroudste is, waaromtrent de fossielen ons iets leeren, was rijk

en verscheiden, en de meeste tegenwoordige typen van het dierlijk

leven hadden hun vertegenwoordigers reeds in dien tijd, terwijl er

daarnaast toen geen eenigszins belangrijke typen gevonden werden, die

thans geen levende nakomelingen meer zouden hebben. Gewervelde dieren

en bloemplanten waren er toen nog niet, maar van de lagere dieren,

en zoover men na kan gaan van de wieren, waren de hoofdtypen toen

reeds allen aanwezig. Men kent omstreeks 150 soorten van dieren uit

die onderste cambrische lagen, maar deze zijn zeer gelijkelijk verdeeld

over de orden en familiën, die thans nog op den bodem der zee leven.

Die 150 soorten maken daarenboven niet den indruk van allerprimitiefste

voorvaderen te zijn van de tegenwoordige typen. Integendeel, de

specialisatie en organisatie mogen toen in bizonderheden anders

geweest zijn dan nu, zij stonden volstrekt niet merkbaar lager dan

thans. In geologischen zin de alleroudste waren zij volgens zoölogische

opvatting even modern als de tegenwoordig levende wereld. Binnen in

elke groep is het aantal soorten en vormen in de sedert vervlogen

tijden uitermate toegenomen, en is er een verscheidenheid ontwikkeld

zooals die toen, naar alle waarschijnlijkheid, op verre na niet

bestond. Maar deze differentiëering geldt eigenlijk slechts bijzaken,

terwijl de hoofdzaken nagenoeg onveranderd zijn gebleven. Allerlei

levensomstandigheden, deels voortspringende uit de ongelijkheden van

den bodem der zee en de verschillende diepten, voornamelijk echter

te wijten aan de overal afwijkende eischen van den strijd met andere

wezens en van den grooten wedstrijd om voedsel, hebben talrijke

speciale adaptatiën doen ontstaan, en een enormen rijkdom van vormen

teweeggebracht, waarvan de gewone mensch zich geen voorstelling kan

maken. Maar de hoofdtrekken van de organisatie waren toen dezelfde

als thans, de kenmerken van de hoofdgroepen van het dierenrijk zijn

al die millioenen van jaren vrij wel onveranderd gebleven.

Deze moeten dus in de vóór-cambrische tijden ontstaan zijn, terwijl

de tallooze bizondere aanpassingen van lateren datum zijn.

Wil men nu trachten zich een voorstelling te maken van het leven

gedurende die vóór-cambrische tijden en van de veranderingen, die zoo

plotseling het ontstaan van fossielen mogelijk maakten, dan moet men

natuurlijk geheel van zoölogische, in plaats van palaeontologische

gegevens uitgaan. Het wordt dan een vergelijkende studie, waartoe de

tegenwoordig levende wereld het materiaal moet leveren.

Er zijn in de levensgeschiedenis der aarde klaarblijkelijk perioden van

langzame en tijden van snellere verandering geweest. Voor de fossiele

kruipende dieren was de tijd van den Ichthyosaurus zulk een tijdperk

van snelle ontwikkeling. De allerlaatste tijden toonen een toenemend

overwicht van intellectueelen vooruitgang, en onder de landdieren

geldt thans vrij algemeen list meer dan kracht. De fossielen leeren

ons, dat de gemiddelde grootte van de meeste typen van landdieren

sinds het midden van de tertiaire periode is afgenomen, maar dat de

verhouding van den inhoud van de hersenpan tot de lichaamsgrootte

aanzienlijk is toegenomen. Naar een globale schatting is het gewicht

der hersenen in vergelijking met dat van het lichaam in die latere

geologische tijden meer dan verdubbeld.

Brooks neemt nu aan, dat het begin der cambrische periode ook zulk

een tijd van snellen vooruitgang in een bepaalde richting was, en

wel in de richting van die vaste kalkachtige lichaamsdeelen, die in

fossielen staat zijn overgebleven. De reden, waarom uit oudere tijden

geen fossielen bekend zijn, zou dan eenvoudig deze zijn, dat alle

lichaamsdeelen nog week en voor fossilisatie ongeschikt waren. En de

oorzaak van die verandering zoekt hij in den overgang van het leven

uit de hoogere lagen der zee naar den bodem.

Om de bedoeling van deze voorstelling duidelijk te maken, moeten

wij dus trachten een denkbeeld te geven van die twee, zoo uiterst

verschillende fauna's.

Bestudeert men de ontwikkelingsgeschiedenis van tegenwoordig levende

dieren uit de meest verschillende afdeelingen van het dierenrijk,

dan komt men tot de overtuiging dat zij moeten afstammen van kleine

en eenvoudig gebouwde voorvaderen, die echter reeds het kenmerkende

type der afdeeling in zich droegen. De gemeenschappelijke afstamming

van die groepen moet dus plaats gevonden hebben in een zeer ver

verwijderden tijd, toen alle dieren nog zeer klein en eenvoudig van

bouw waren. Zulke zeer kleine en eenvoudig gebouwde diertjes leven

tegenwoordig talloos in zee, maar niet op den bodem, doch drijvende

of zwemmende in de golven. De bovenste lagen van het water onzer

zeeën moet men zich bevolkt denken met een onnoemelijk aantal uiterst

kleine levende wezens, waarvan velen zelfs microscopisch klein en

voor het ongewapend oog onzichtbaar zijn, terwijl de anderen niet

veel grooter zijn, dan zoo, dat zij juist nog even gezien kunnen

worden. Deze zwevende wereld, die tot een diepte van verscheidene

meters onder de oppervlakte gaat, zoover als het licht en de zuurstof

en het koolzuur der lucht nog ruimschoots kunnen binnendringen, is

het plankton, waarvan ik bij een vorige gelegenheid als van voedsel

voor grootere zeedieren, reeds met een enkel woord heb melding gemaakt.

Dit plankton nu bestaat deels uit plantjes, deels uit diertjes,

maar allen van een zeer eenvoudigen bouw. De planten behooren tot

verschillende groepen van lagere wieren, de dieren daarentegen omvatten

vertegenwoordigers van nagenoeg alle afdeelingen van het dierenrijk,

zoover zij zeedieren omvatten, en met uitzondering natuurlijk van

de gewervelde dieren. De verschillen, die reeds in het plankton de

groote afdeelingen van het dierenrijk van elkander onderscheiden,

worden algemeen als veel diepergaande en als van veel grooter

systematische beteekenis geacht dan alle de tallooze verschillen binnen

die afdeelingen zelven. In het plankton vormen de microscopische

wiertjes niet alleen het voedsel voor alle dieren daarin, maar

tevens voor nagenoeg het geheele leven in zee, met uitzondering van

de kust. Natuurlijk niet rechtstreeks, maar middellijk. De wieren

behooren maar tot een klein aantal typen en soorten, maar deze

komen dan ook in ontelbare millioenen van individuen voor. De meeste

gewone vormen behooren tot de Protococcen of oudste celvormen; het

zijn microscopisch kleine, kogelronde groen eencellige wezens. Zij

vermenigvuldigen zich door deeling, maar zoodra een cel op deze wijze

er twee gevormd heeft, laten deze elkander los, om afzonderlijk te

gaan leven. Zij voeden zich in hoofdzaak met het opgeloste koolzuur,

dat zij ontleden en waaruit zij de organische stof maken. Hoe fijner

zij in het water verdeeld zijn, des te gemakkelijker kunnen zij

dit koolzuur natuurlijk opnemen, daarmede hangt hun microscopische

kleinheid, hun eencellige bouw en hun gemis van bizondere organen

samen. Dit alles toch zou in de eentonige en gelijkmatige omgeving

van het zeewater slechts last en omslag zijn. Alles is ingericht voor

een snelle en rijkelijke vermenigvuldiging, maar ook nagenoeg alleen

daarvoor. Behalve groene protococcen komen ook diatomeeën en enkele

andere vormen van eencellige wieren in ontelbare hoeveelheden in het

plankton voor, maar over deze behoef ik hier niet uit te wijden.

Opgegeten worden is in zee de levensregel, en voor dat de protococcen

tot een geschikt voedsel voor haaien en andere groote visschen

geworden zijn, moeten zij, als ik het zoo eens zeggen mag, tallooze

malen opgegeten zijn. Ik bedoel natuurlijk dat zij door zeer kleine

diertjes worden gegeten, deze weer door grootere, die op hun beurt

aan nog grootere tot voedsel strekken, en zoo vervolgens. De eersten

in deze reeks zijn de globigerinen en radiolarien of straaldiertjes,

fijne, slijmerige wezens met naalden van kiezel of andere harde

deeltjes van uiterst fraaie structuur in hun overigens schijnbaar

structuurloos lichaam. Bijna even talrijk als de protococcen, maar

zonder het vermogen om zich met koolzuur te voeden, leven zij van

deze, om zelven weer aan tal van andere, grootendeels wat hooger

georganiseerde maar toch nog uiterst kleine wezens ten prooi te

vallen. Zoo klimt de organische stof, die de zee-planten oorspronkelijk

maken, langzamerhand in het dierenrijk op.

Ofschoon nu opgegeten worden de regel is, spreekt het wel van zelf, dat

daaraan ten slotte een grens komt. Kleinere en grootere aantallen van

diertjes sterven af, zonder aan anderen tot voedsel te strekken. Deze

zullen allengs gaan zinken. En moge hun aantal ook slechts een klein

deel vormen van wat er in de bovenste lagen der zee blijft leven, toch

zal het ten slotte zijn als een regen van voedsel, die uit deze lagen

langzaam omlaag daalt. Wanneer dit begonnen is, en welke graad van

organisatie vereischt was, om dit verschijnsel van eenige beteekenis

te doen worden, is moeilijk na te gaan. Maar het is een feit, dat

tegenwoordig die onderzeesche regen van organisch voedsel de groote

en nagenoeg de eenige bron van het leven op den bodem der zee is.

Het licht wordt door het zeewater geabsorbeerd. Het dringt tientallen

van meters in, maar wordt voortdurend verzwakt. Overal waar de zee niet

al te ondiep is, heerscht op den bodem volkomen duisternis. Planten

kunnen daar niet groeien, want die leven niet zonder licht. Organisch

voedsel wordt er dus niet gemaakt; alles wat er noodig is, moet

uit de hoogere lagen neerdalen. Toch pleegt die bodem met een rijke

vegetatie van koralen en van allerlei andere dieren bedekt te zijn. De

een leeft van den ander, en ook hier moet dezelfde organische stof

achtereenvolgens in tal van lichamen dienst doen. Maar het spreekt

van zelf dat er een bron moet zijn, waarmee dit alles begint. Het

is geen kringloop. Het is een langzaam en zuinig gebruik van wat er

voorhanden is, maar al die dieren ademen toch en verbruiken daartoe

een deel van het opgenomen voedsel. Een bron moet er dus zijn, en

wel een rijke en altijd vloeiende bron.

Die bron is de zooeven bedoelde regen van voedsel uit de bovenste

lagen, de lijken der diertjes die daar geleefd hebben, en die zich,

rechtstreeks of indirect, met de daar levende groene wieren hebben

gevoed.

Op den bodem der zee is nu het leven natuurlijk geheel anders dan boven

in de golven. Daar ontstaan vastzittende en zwemmende vormen. Daar

is kleinheid en eencelligheid geen voordeel meer. Allereerst komt

het beginsel van kolonie-vorming en van uitbreiding over de vlakte,

want dit vergroot natuurlijk de kans, om het neerdalende voedsel te

bemachtigen. Dan komt het belang van over anderen heen te groeien, en

het voedsel als het ware te onderscheppen. Zoo ontstaan de stamvormende

en vertakte koralen. Eindelijk is het klaarblijkelijk een voordeel

om liever niet rechtstreeks op den voedselregen te teren, maar de

dieren te verslinden, die zich zoo gevoed hebben. Dit is de bron

van de plaatsbeweging, van kruipen en zwemmen, ten einde de prooi te

bereiken. Zoo kan men gemakkelijk verder gaan, en opklimmen tot hoogere

en hoogere organisatie, ja tot die lichtende zeedieren, die zich zelven

in hun strooptochten in de duisternis kunnen bijlichten. In één woord,

het leven op den bodem is de bron van differentiëering en aanpassing

aan tallooze verschillende behoeften van het leven. Het is een strijd

om het voedsel, en strijd is de grondslag van den vooruitgang. In de

bovenste lagen der zee daarentegen is het voedsel in overvloed aanwezig

en zijn de levensomstandigheden zoo eenvoudig als men zich maar denken

kan. Daar mogen wij dus niet die aanpassing en die ontwikkeling van

tallooze nuttige en doelmatige inrichtingen verwachten, daar blijft

eenvoudigheid de hoofdleus.

Het plankton, of het zwevend leven, is nu niet alleen de eenige groote

bron van het organisch voedsel in zee, het is uit den aard der zaak

ook de oorspronkelijke bron, en dus de meest oorspronkelijke vorm van

het leven. Daarmede komen wij terug, van den tegenwoordigen toestand,

zooals ik dien nu geschetst heb, tot Brook's voorstelling van het

leven in de vóór-cambrische tijden.

Het leven op den bodem en de ontwikkeling van grootere organismen

is geheel afhankelijk van het plankton. Het spreekt dus van zelf

dat het niet zonder dit bestaan kan en dus jonger moet zijn dan

dit. De fossiele overblijfselen in de cambrische lagen, waarvan ik

reeds gesproken heb, vertoonen ons koralen en allerlei diertypen,

zooals zij tegenwoordig op den bodem der zee leven. Natuurlijk niet

dezelfde soorten, maar toch zoo nauw verwant, dat men ze gemakkelijk

herkennen en beoordeelen kan. In oudere lagen vindt men zulke

overblijfselen niet. Toch is er in den bouw der gesteenten niets

wat zou doen vermoeden dat zij hier wel geweest, maar sedert door

latere veranderingen weer verdwenen zouden zijn. Zulke veranderingen

hebben de alleroudste lagen zonder twijfel ondergaan, maar het komt

hier natuurlijk alleen aan op die, welke in de laatste periode vóór

de cambrische afgezet zijn. Daaruit nu moet men besluiten dat er

in die periode nog geen leven op den bodem der zee was. Is deze

conclusie juist, dan is het cambrische tijdperk het begin van alle

hoogere organisatie, van alle vastzittende planten en dieren, en

van de tallooze soorten die rond waren om zich ten koste van deze

te voeden. Dan is de cambrische periode tevens het begin van het

ontstaan van grootere diervormen met vaste skeletachtige deelen,

die in fossielen toestand bewaard kunnen blijven. Dan is ten

slotte de cambrische periode het slot van eenvoud en kleinheid en

gelijkvormigheid, terwijl in alle vóór-cambrische tijden deze drie

hoofdbeginselen altijd het geheele leven op aarde beheerscht hebben.

Ik kom nu terug op de bovengegeven tijdsbeschouwing. Deze leerde ons,

dat het cambrium omstreeks het midden van den biologischen tijd

ligt. De helft van den beschikbaren tijd, meer dan tien millioen

jaren, moet het leven in dien eenvoudigen zwevenden toestand bestaan

hebben. Al de groote rijkdom van vormen, dien wij thans overal rondom

ons bewonderen, moet het product zijn van de tweede helft.

Maar nutteloos voor den vooruitgang is de eerste helft volstrekt

niet geweest. Juist integendeel moet men aannemen, dat toen de breede

grondslag gelegd is, waarop de trotsche bouw van het dierenrijk in het

cambrium kon worden opgetrokken, of waarop ten minste met dien bouw een

omvangrijk en in vele opzichten beslissend begin kon worden gemaakt.

Wat in den voortijd geschied is weten wij niet, maar wij moeten

het afleiden uit wat van de onderste cambrische lagen tot ons is

gekomen. Ik heb reeds gezegd dat het een 150-tal soorten zijn, maar dat

deze, met uitzondering van de bloemplanten en de gewervelde dieren,

alle hoofdgroepen van het latere leven omvatten. De eigenschappen

van die hoofdgroepen waren dus toen al voorhanden. De thema's waren

gegeven, waarop tallooze nuanceeringen konden worden gegrond. In die

lange plankton-periode moeten dus deze fundamenteele eigenschappen,

deze grondverschillen tusschen schelpdieren en gelede dieren, tusschen

kwallen en zeesterren en al die andere groote typen, reeds tot stand

gebracht zijn. De organismen bleven klein, hun omgeving stelde aan hen

geen uiteenloopende eischen, maar daarentegen hadden eigenschappen,

die geen aanpassing, maar de grondslag van principieele verschillen

in den bouw zijn, al den tijd om zich te ontwikkelen.

Het is zeer moeilijk zich daarvan een nauwkeurige voorstelling te

maken, en zelfs de vraag of men die ontwikkeling als snel of als

langzaam moet beschouwen in vergelijking van wat er sedert gebeurd

is, is onbeteekenend tegenover de millioenen van jaren die voor dit

proces beschikbaar waren.

Een rijk drijvend leven van uiterst kleine wezens, maar een kale

zeebodem en kale kusten, en hier en daar wat land dat eveneens zonder

leven was, ziedaar ons beeld van de alleroudste tijden. De totale

massa der levende stof was misschien niet noemenswaard kleiner, dan zij

thans is, nu wij er zooveel meer van zien. Maar er was toen niets dat

fossiel kon worden; geen overblijfselen er van zijn tot ons gekomen.

Laat ons thans op den ingeslagen weg nog een stap verder gaan. Als

het oudste leven dat van het plankton was, dan volgt daaruit dat

het leven ook in dien vorm aanvankelijk moet zijn ontstaan. Niet op

het vaste land, noch aan de kusten, noch op den bodem der zee is het

begin van het leven te zoeken. Drijvend in de golven moet het ontstaan

zijn. Verder is het gemakkelijk in te zien, dat de eerste levende

wezens niet ten koste van andere geleefd kunnen hebben. Zij kunnen

dus geen dieren geweest zijn, want deze leven òf van andere dieren

òf van planten. Alleen de eencellige wieren van het plankton zijn

in hun bestaan van andere levende wezens geheel onafhankelijk, daar

zij zich met het opgeloste koolzuur en met opgeloste zouten voeden,

en dan, behalve water en licht, ook niets anders noodig hebben. En

onder de eencellige wieren hebben nu de protococcen verreweg den

eenvoudigsten bouw. Kogelvormig en met niet meer dan de strikt

noodzakelijke bestanddeelen van een cel, bestaan zij eigenlijk alleen

uit het levend protoplasma, de kern, den celwand, en het groene orgaan

hunner voeding. Het is duidelijk dat er tijden geweest kunnen zijn,

dat zij alleen het geheele plankton vormden, maar ook dat dit van

geen der andere soorten, en met name van geen der dieren beweerd

kan worden. Eerst nadat de zee over uitgestrekte streken dicht met

groene protococcen bevolkt was, konden andere vormen van planten en

dieren optreden.

Hieruit leiden wij af, dat de protococcen de oudste bekende levende

wezens zijn. Deze stelling kan, trots het gebrek aan fossiele

overblijfselen, aan geen twijfel onderhevig zijn. Mogen wij daaruit

ook afleiden dat zij de oudste van alle levende wezens geweest

zijn? Hiertegen vormt hun wel is waar eenvoudige, maar toch nog voor

ontleding vatbare bouw een bezwaar. Alle analogie pleit er voor,

dat het eerste tevens het allereenvoudigste geweest moet zijn. Een

cel zou kunnen leven zonder celwand en zonder celkern, en zelfs de

differentiëering in groene en kleurlooze deelen sluit het denkbeeld

van hoogsten eenvoud uit. Wij zouden ons een levende gelei willen

voorstellen, die het vermogen van groei had, maar ook niets meer. Een

vermogen dus om koolzuur om te zetten in dezelfde stof, waaruit de

gelei reeds bestaat, zoodat voortdurende vergrooting plaats vond,

maar ook niets meer. Eerst daaruit zouden dan later, in den loop van

lange tijden, door geleidelijke differentiëering de groene eencellige

wiertjes ontstaan zijn.

Zou zulk een gelei nog ergens bestaan? Zou zij misschien nog

voortdurend ontstaan, maar thans spoedig aan allerlei dieren ten prooi

vallen, en dus nog slechts een zeer ondergeschikte rol spelen? Wij

weten het natuurlijk niet. Maar aan de andere zijde is het niet erg

waarschijnlijk, dat de omstandigheden op zee voor twintig of dertig

millioen jaren zoo geheel anders geweest zouden zijn, dan zij sedert

waren en nu nog zijn. Het is slechts een gissing, maar het komt

mij volstrekt niet onmogelijk voor, dat diezelfde gelei ook thans

nog hier en daar ontstaan zou. Haar ontstaan zoude het eenvoudigst

denkbare geval van generatio spontanea, van een geboorte zonder ouders

zijn. En het is duidelijk, dat het in de hoogste mate de moeite waard

moet geacht worden, naar dit verschijnsel te zoeken.

Is deze voorstelling juist, en gelukt het die oorspronkelijke

levensgelei te vinden, dan zou men natuurlijk een van de merkwaardigste

uitgangspunten voor een experimenteele studie der evolutie in handen

hebben. Dan zou allereerst de vraag onder het oog moeten worden gezien

hoe zulk een gelei ontstaan kan, welke stoffen en welke krachten

daartoe samen moeten werken. Men zou natuurlijk de hoop koesteren,

het proces kunstmatig na te leeren bootsen, en zoodoende eindelijk

het zoo dikwijls besproken denkbeeld van een experimenteele generatio

spontanea te kunnen verwezenlijken. Maar men zou ook willen weten,

hoe in die gelei de differentiëeringen tot stand gekomen zijn, die

tot het eerste optreden van cellen geleid hebben. En als men ook hier

de experimenteele methoden wilde toepassen, zou men ten minste niet

zoo in den blinde behoeven rond te tasten, als thans het geval is. In

één woord, het historische uitgangspunt van het leven zou tevens het

wetenschappelijke uitgangspunt voor een geheel nieuwe richting van

bestudeering van het leven kunnen worden.

Maar ik ben reeds veel te ver verdwaald op het gebied van vermoedens

en van verwachtingen, wier vervulling, zoo zij al mogelijk zal zijn,

toch niet voor de naaste tijden is weggelegd. Het is thans noodig

terug te keeren tot vasteren bodem, en tot die uitgangspunten voor

onderzoek, die rechtstreeks door de bekende feiten worden aangeboden.

Daarmede springen wij in eens over tot het andere uiterste van de

geschiedenis van het leven op aarde. Hadden de gegeven beschouwingen

ten doel, te trachten een slip op te lichten van den sluier, die het

begin bedekt, thans richten wij onzen blik naar het einde. Maar een

eigenlijk einde is het niet. Geen reden bestaat er om aan te nemen, dat

de evolutie der levende wezens vóór of in onzen tijd reeds opgehouden

zou hebben. Misschien gaat zij langzamer vooruit dan vroeger, maar

misschien ligt het ook slechts aan onze kortzichtigheid, dat wij haar

niet meer bemerken.

Land- en tuinbouw en evenzoo de tegenwoordige historie onzer

huisdieren wijzen er echter duidelijk op, dat de levende vormen

geenszins onveranderlijk zijn. Overal is er afwisseling, telkens

ontstaat iets nieuws en de praktijk heeft daaruit slechts te kiezen

wat voor haar van nut kan zijn. Het ligt voor de hand om aan te

nemen, dat wat de huisdieren en cultuurplanten ons vertoonen, ook in

de vrije natuur moet gebeuren. Ginds wordt het gezien en opgemerkt,

omdat groote belangen er rechtstreeks mede gemoeid zijn, in het wild

gaat het voorbij, zonder dat men er zich om bekommert.

Gelukkig is hierin in den laatsten tijd verandering gekomen. Men

begint in te zien, dat de verschijnselen, aan land- en tuinbouwplanten

waargenomen, dikwerf slechts zeer onvolledig bespied zijn, en dat

zij daarenboven, door invoer van andere rassen uit andere streken, of

door kruisingen der bastaardeeringen dikwijls zoo samengesteld zijn,

dat een juiste beoordeeling niet meer mogelijk is. Daarbij komt dat

de overtuiging veld wint, dat vele der zoogenaamd nieuwe variëteiten

en soorten van land- en tuinbouwgewassen eigenlijk niet in de cultuur

ontstaan zijn. Vele belangrijke rassen schijnen overoud te zijn, maar

eerst sedert omstreeks het midden der vorige eeuw is men begonnen ze op

te merken en te isoleeren. Vele tuinbouwgewassen, die zich voordoen als

variëteiten van bekende soorten, zijn niet op kweekerijen ontstaan,

maar toevallig ergens in 't wild aangetroffen. Met name geldt dit

voor heesters en boomen, die door hun langer leven meer kans hebben

om ten slotte te worden opgemerkt dan variëteiten van kruiden en met

name van een- of tweejarige gewassen.

Sedert Darwin het voorbeeld gegeven heeft, al dergelijke gevallen uit

de praktijk zorgvuldig bijeen te verzamelen, om uit het geheel der

verschijnselen die kennis af te leiden, die de gebrekkige waarneming

der afzonderlijke gevallen niet zou kunnen opleveren, is deze arbeid

door verschillende schrijvers voortgezet. Voor enkele jaren heeft met

name Korshinsky, een helaas te vroeg overleden russisch plantkundige,

een volledig historisch overzicht van de eerste vondsten van tal van

tuinbouwplanten gegeven. En al deze feiten wijzen te zamen op een

zeer bepaalde wijze van het ontstaan van soorten en variëteiten. De

algemeene voorstelling, die men uit hen moet afleiden, is een

zoo scherpe, dat zij als van zelf tot de conclusie leidt, dat een

experimenteele behandeling der evolutie ten minste op dit gebied

reeds thans mogelijk moet zijn.

Variabiliteit is een uiterst vaag en veel omvattend begrip. Het

omvat zoowel rijkdom aan voorhanden verschillen, als het ontstaan van

deze verschillen zelf. In het eerste geval is het gelijkluidend met

veelvormigheid of polymorphie, in het laatste met verandering. En op

beiderlei gebied zijn er dan weer twee hoofdtypen te onderscheiden. Op

het gebied der veelvormigheid heeft men eensdeels de tallooze vormen,

ondersoorten en variëteiten, die een zelfde soort ons aanbiedt, maar

die feitelijk van elkander onafhankelijk zijn, en naast elkander

een volkomen eigen leven leiden. Zoo hebben de tuin-papavers, de

latherussen en andere bloemplanten tientallen van variëteiten, die

uit zaad geheel constant zijn en nooit in elkander overgaan, maar die

te zamen den zoo zeer aantrekkelijken rijkdom van vormen in die soort

bepalen. Zoo bestaan tarwe, mais, bieten en allerlei cultuurplanten uit

tal van constante en van elkander scherp gescheiden rassen. Daarnaast

staan de vormverschillen die binnen elk ras, en dikwerf ook tusschen de

deelen van eenzelfde individu te zien zijn. Op een paardenkastanje-boom

hebben de bloemen volstrekt niet allen denzelfden bouw. Afgezien van

het feit dat sommige kastanjes kunnen maken en andere niet, is ook het

aantal meeldraden aan voortdurende wisselingen onderhevig. Meestal

is het 7; nu eens wordt het 8 of 9, dan weer 6 of 5, en in enkele

gevallen worden zelfs deze grenzen overschreden. Heen en weer slingert

het aantal, nu eens meer dan weer minder, soms in enkele trossen zeer

sterk, dan weer een verschil tusschen de afzonderlijke trossen teweeg

brengend. Van daar de naam fluctueerende variabiliteit die aan dit

verschijnsel wordt gegeven. Het zijn veranderingen, die schijnbaar

voortdurend ontstaan, maar die toch altijd weer op dezelfde wijze

terugkeeren. Het zijn voortdurende schommelingen om een gemiddelde,

dat in hoofdzaak steeds hetzelfde blijft.

Uit deze beschouwingen volgt, dat de studie der variabiliteit op dit

laboratorium twee hoofdrichtingen te volgen heeft. En daar zoowel

de heen en weer schommelende als de toevallige en schoksgewijze

variabiliteit zich èn bij dieren, èn bij planten voordoen, kunnen

hieruit vier hoofdafdeelingen voor den te ondernemen arbeid worden

afgeleid. Nu zou het natuurlijk te veel tijd kosten elk dezer vier

richtingen in bizonderheden na te gaan, en den weg te schetsen,

waarlangs de onderzoekingen voornamelijk zullen moeten gaan, om tot

de gewenschte uitkomsten te geraken. Beter komt het mij voor, onder

die allen er een uit te kiezen, en daarvan te schetsen wat gedaan

behoort te worden, en wat met recht mag worden verwacht. Uit den

aard der zaak kies ik daartoe het plotseling ontstaan van soorten en

variëteiten in het plantenrijk.

Mac Dougal heeft, door een reeks van culturen, de aandacht der

Amerikaansche biologen op de veranderlijkheid van de grootbloemige

Teunisbloemen of Oenothera Lamarckiana gevestigd. Naast de

soort zelve heeft hij enkelen der daaruit in Europa ontstane

nieuwe vormen gekweekt, en aan het oordeel zijner vakgenooten

onderworpen. Voornamelijk de Oenothera rubrinervis en de dwergvorm

of O. nanella werden door hem in een aantal exemplaren gekweekt,

en gedurende al haar ontwikkelingstoestanden onderling en met de

moedersoort vergeleken. Zij werden onderworpen aan het oordeel van

stelselkundigen, die de waarde der kenmerken en de scherpe scheiding

van de moedersoort erkenden, en aan de nieuwe vormen dezelfde

rechten als aan andere zelfstandige typen toekenden. Door een aantal

afbeeldingen werd verder het goed recht der nieuwe soorten gestaafd.

Het spreekt echter van zelf, dat het vermogen, om jaarlijks een zeker

aantal nieuwe soorten voort te brengen, noch tot de Oenothera's,

noch tot de planten der oude wereld kan beperkt zijn. Het ligt voor

de hand aan te nemen, dat tegenwoordig ook andere soorten in dien

zelfden toestand van veranderlijkheid verkeeren. Misschien zijn het

er vele, misschien slechts enkele. In elk geval ontsnappen zij tot

nu toe om een of andere reden aan de waarneming. Het komt er dus op

aan, middelen te vinden ze op te sporen. Want de mogelijkheid bestaat

natuurlijk, dat de Oenothera's nog slechts een zeer eenzijdig beeld

van die soortenvormende veranderlijkheid geven, en dat andere planten

ons verschijnselen en wetten zullen doen kennen, die de studie der

Teunisbloemen ons niet ontsluieren kan. En wanneer het doel is, ten

slotte de wetten dezer veranderlijkheid voor alle levende wezens te

leeren kennen, dan is het natuurlijk noodzakelijk, de verschijnselen

van zoo verschillend mogelijke kanten aan te vatten.

De eerste taak is dus om te zoeken naar nieuwe muteerende

soorten. Het beste doet men, dit zoeken te beperken tot de wilde

soorten der naaste omgeving of van landen met een overeenkomstig

klimaat. Gekweekte planten bieden voorloopig weinig kans. Ten deele

is hare veranderlijkheid al zoo lang op de proef gesteld, dat men die

vrij wel als uitgeput kan beschouwen. Anderdeels zijn zeer talrijke

cultuurplanten niet meer van zuiveren oorsprong, maar zijn zij nu eens

meer, dan weer minder, door kruisingen verontreinigd. Nu heeft men

in den laatsten tijd in de kennis van de gevolgen der kruisingen wel

groote vorderingen gemaakt, maar deze zijn juist groot genoeg om ons te

waarschuwen, dat bastaardrassen nog allerlei verschijnselen vertoonen

en vertoonen kunnen, die men thans nog niet begrijpt. Hoe licht zou men

niet de zoogenaamde bastaard-splitsingen met het ontstaan van nieuwe

soorten kunnen verwarren, als men een ras onderzoekt, waarvan men

niet weet of het zuiver is, dan wel aan bastaardeering zijn oorsprong

dankt. Wilde soorten kruisen nu in 't algemeen zeer zelden, vooral

als men de enkele, aan bastaarden rijke en overbekende geslachten,

zooals wilgen, anjelieren, vingerhoedskruid en eenige andere uitsluit.

Tot de planten van het eigen klimaat moet men zich beperken, omdat de

zaaisels in het groot moeten geschieden. Duizenden en tienduizenden

van zaailingen moeten van elke soort vergeleken worden. Dit kan

bezwaarlijk in kassen geschieden, vooral omdat de kenmerken der te

verwachten nieuwe soorten misschien eerst op lateren leeftijd zichtbaar

zullen worden, en de culturen dus veel ruimte zullen vereischen. Vele

soorten zullen opgekweekt moeten worden tot zij gaan bloeien, en van

soorten met zaadarme vruchten of met weinig vruchten op elke plant

zal men slechts door vrij omvangrijke culturen het noodige zaad voor

de uitzaaisels kunnen winnen.

Men kan de culturen beginnen met planten of met zaad. Het zal in

den regel niet noodig zijn, die in het wild in groote hoeveelheid

te verzamelen. Voldoende is het ze aanvankelijk in den tuin zooveel

mogelijk te vermenigvuldigen.

Een belangrijke vraag is natuurlijk met hoeveel soorten men beginnen

moet. Dit hangt natuurlijk van de kansen af die men meent te

hebben. Hier nu tast men voorloopig nog in den blinde. De Oenothera

Lamarckiana werd gevonden door een honderdtal wilde planten in

cultuur te nemen. Daarvan werd de eene op grootere, en de andere

natuurlijk op kleinere schaal gekweekt. Bij voorkeur werden zaden

van afwijkende exemplaren genomen, maar het verzamelen van zaad in

het wild is een werk dat slechts zelden meevalt, en dat daardoor de

keus zeer sterk beperkt. Verder zijn boomen en heesters uitgesloten,

en zal men bij voorkeur ook niet die overblijvende soorten kiezen,

die telkens eenige jaren gekweekt moeten worden, voordat zij gaan

bloeien. Zoodoende wordt allengs de keus zoo klein, dat men tevreden

mag zijn, als men van een honderdtal bruikbare soorten zaden bijeen

heeft gebracht. Heeft men dan ook van sommige soorten slechts enkele

zaadkorrels, dan kan dit nog voldoende zijn, om de cultuur te beginnen.

Opmerking verdient vooral, dat de schoksgewijze veranderlijkheid

niet een eigenschap is, die vermoedelijk aan bepaalde soorten kleeft,

maar dat men aannemen mag, dat zij van geheel locaal voorkomen is. Een

soort, die op de eene groeiplaats onveranderlijk is, kan op een andere

misschien volop bezig zijn, nieuwe soorten voort te brengen. Daaruit

volgt, dat men bijna evenveel kans heeft, als men zaden van twee

of meer, onderling voldoend verwijderde groeiplaatsen van ééne

soort bestudeert, als wanneer men een gelijk aantal verschillende

soorten kweekt. Daaruit volgt tevens, dat men vooral niet de zaden

van verschillende groeiplaatsen vermengen mag, maar dat elke cultuur

zuiver van een enkele vondst moet uitgaan.

Het voornemen bestaat, dit zoeken op zoo groot mogelijke schaal

aan te vangen. Hiertoe zijn reeds van een honderdtal wilde planten

zaden verzameld en uitgezaaid. De meeste soorten zijn natuurlijk

uit New York en de aangrenzende streken der Unie genomen, maar ook

uit Europa werden zaden gezonden. In Nederland zijn zaden van een

tiental soorten speciaal voor dit doel in het wild verzameld; zij

kunnen dus reeds dezen zomer in den proeftuin van het laboratorium

met de Amerikaansche concurreeren.

Welke kansen heeft men, om bij dit zoeken te vinden wat men wenscht? Om

dit na te gaan moet men trachten zich een denkbeeld te maken van

wat er in de vrije natuur gebeurt. En dan treffen wij allereerst den

strijd voor het leven aan. Deze strijd, die in onze theorieën een zoo

belangrijke rol speelt als het groote orgaan van den vooruitgang, heeft

echter onder gewone omstandigheden, in onze onmiddellijke omgeving,

slechts een zeer conservatieve taak. Want ten slotte komt het geheele

begrip neer op den vroegtijdigen dood van alle individuen, die in een

of ander opzicht zeer merkbaar van het gemiddelde type afwijken. De

meeste planten toch hebben zich hun tegenwoordige groeiplaatsen zoo

uitgekozen, dat de gemiddelde eigenschappen der soort, of anders

van het locale ras, daarvoor het best passen. Afwijkingen kunnen

natuurlijk onschadelijk, ja soms misschien voordeelig zijn, maar

als regel volgt uit het zooeven vooropgestelde dat zij als nadeelig

moeten worden beschouwd. Zij zullen dus in den strijd voor het leven

te gronde gaan. En deze gevolgtrekking geldt natuurlijk even goed

voor de afwijkingen, die telken jare door de gewone of fluctueerende

variabiliteit ontstaan, als voor de zeldzamere schoksgewijze gevallen

van het ontstaan van nieuwe soorten en variëteiten.

Tallooze afwijkingen kunnen dus ontstaan en in de eerste jeugd

te gronde gaan, zonder dat men er ooit iets van bemerkt. Treft de

schadelijke verandering de kiemplanten, of de bladeren, of den groei

der stengels, zoo is de kans dat zij zichtbaar worden zoo goed als

nul; treffen zij de bloemen of de vruchten, zoo worden zij licht met

monstrositeiten verward en dan veelal niet nader bestudeerd. Zelfs

wanneer een zelfde afwijking in een aantal van exemplaren en jaren

achtereen op nieuw ontstaat, is haar kans om ontdekt te worden nog

maar klein. Daarbij komt, dat onze gewoonten in de studie van wilde

planten allengs zeer bepaalde zijn geworden. De invloed van Linné laat

zich hier nog steeds sterk gevoelen. Voor de verschillen tusschen

systematische soorten zijn wij zeer gevoelig, en elke nieuwe soort

trekt terstond onze aandacht. Voor geringere verschillen echter zijn

wij veel minder gevoelig, ja in zekere mate onverschillig geworden,

en deze worden dus allicht over het hoofd gezien.

Daaruit nu volgen twee regels voor het zoeken naar muteerende

planten. Allereerst moet de strijd voor het leven worden uitgesloten,

en dan moet men zich oefenen om ook zeer kleine en schijnbaar

onbeteekenende verschillen op te merken.

Het uitsluiten van den strijd voor het bestaan omvat zelf weer twee

punten. Het eene spreekt van zelf. De zaden moeten zoo ruim gezaaid

worden, dat allen de volle gelegenheid wordt gegeven om te groeien

en hun kenmerken te ontplooien. Dit eischt natuurlijk, bij duizende

zaden, voor elke soort veel ruimte. Echter komt in vele gevallen

de natuur zelve aan dit bezwaar voor een groot deel tegemoet. Als

de verschilpunten in de kiemplanten of in de bladeren gelegen zijn,

kan men dit na een paar maanden dikwijls reeds voldoende beoordeelen,

zoodat men door het regelmatig uitrooien der onveranderde voortdurend

plaats voor de nakiemers kan maken, en zoodoende op een zelfde bed

achtereenvolgens groote aantallen van individuen kan vergelijken.

Het tweede punt ligt minder voor de hand. Het vindt zijn oorsprong in

de vraag, of alle zaden van een plant, ten opzichte der variabiliteit,

gelijkwaardig zijn. Tijdens den volsten bloei plegen de bloemen

grooter en fraaier te zijn, dan in het najaar. Eveneens brengen de

zwakkere takken op vele planten kleiner en minder diep gekleurde

bloemen voort. Soms wijken ook de eerste bloemen af. De onderste

bloemen van trossen, en de buitenste bloemen van hoofdjes en schermen

zijn dikwijls anders dan de daarop volgende, en het is een zeer gewoon

verschijnsel dat de top of het centrum een geheel afwijkenden vorm van

bloem voortbrengt. Op menige plant is b.v. de eindbloem viertallig

als de zijbloemen vijftallig zijn. Hebben nu de zaden van al zulke

bloemen gelijke kansen om toevallig iets nieuws voort te brengen? Men

weet het natuurlijk nog niet, en zoolang men het niet weet, zou

het zeer onvoorzichtig zijn alleen het beste zaad tot ontwikkeling

te laten komen, te verzamelen en te zaaien, en het zwakkere te

verwaarloozen. Want misschien zijn juist de zwakke kiemen gevoeliger

voor de nog onbekende invloeden, die deze veranderingen bewerken.

In de vrije natuur worden die zwakke zaden grootendeels onderdrukt. Of

wel de takken ontstaan niet, of zij dragen geen bloem, of het zaad

wordt niet rijp, of eindelijk worden de kiemplanten verdrongen zoodra

zij zich ontplooien. Daarom kan men in het wild slechts het zaad

verzamelen dat voor het begin der cultuur noodig is, maar moet men

in den proeftuin, bij wijden stand en rijke vertakking, elke plant

zooveel mogelijk zaden laten maken. Daarom ook bieden soorten, die

door het klimaat in haar groei vertraagd worden, over het algemeen

minder kans van slagen.

Zijn deze voorzorgen genomen, dan komt de oefening in het waardeeren

van kleine verschillen. Deze eisch heeft ten gevolge, dat men niet

verwachten mag in een eersten zomer te kunnen beslissen of een ras

muteert of niet. Aanvankelijk is de kans om de nieuwigheden over het

hoofd te zien, zeer groot. Slechts allengs leert men zijne planten

zoo kennen, dat men een open oog voor haar onderlinge afwijkingen

krijgt. Daarbij komt, dat de producten van de fluctueerende

variabiliteit en van de mutatie niet gemakkelijk van elkander

te onderscheiden zijn, ja dikwijls zóó ineen loopen, dat eerst

in een volgende generatie een werkelijke beslissing kan worden

genomen. Verder ontstaan er door parasieten, door allerlei insecten,

door toevallige verwondingen en verschillende andere oorzaken soms

belangrijke afwijkingen, die niets met de eigenlijke variabiliteit

te maken hebben, en dan ook volstrekt niet erfelijk, ja zelfs in het

individu niet eens blijvend zijn.

Min of meer op goed geluk af moet men dus alle individuen die eenige

duidelijke afwijking vertoonen, beschouwen als de dragers van de

kansen van slagen. Al de overige kan men allengs uitrooien, maar

deze moet men met zorg behandelen. Dit eischt allereerst, dat zij

van het gedrang, waarin zij natuurlijk staan, worden bevrijd, hetzij

door rondom hen ruimte te maken, hetzij door ze te verplanten. Dit

laatste heeft het voordeel, dat de hoofdcultuur er niet onder lijdt,

en dat de planten zelven goed bemest en onder alle vereischte zorgen

opgekweekt kunnen worden, zoodat een snelle en volledige ontplooiing

van hun afwijkende kenmerken zoo goed mogelijk wordt verzekerd. Bij

honderden zoekt men zulke exemplaren uit, want velen onder hen zullen

natuurlijk later blijken, niet aan de verwachting te voldoen. Dit

echter ziet men dan dikwijls eerst tijdens den bloei, en soms zelfs

pas in de volgende generatie.

Het is duidelijk, dat dit zoeken naar mutatiën veel werk

vereischt. Maar daarnaast blijkt, dat het, meer dan iets anders,

een zaak is van oefening. Daarom moet het jaren lang worden

voortgezet. Telken jare moeten de culturen der reeds gekweekte

soorten worden uitgebreid, en telken jare moeten nieuwe soorten in

het wild worden verzameld. Zoo neemt allengs de kans toe, en zal

men ten slotte ook tot een voorstelling kunnen komen van den omvang,

dien het verschijnsel in de omgevende natuur feitelijk heeft.

Het werk zou in hooge mate vereenvoudigd kunnen worden, zoo men een

leiddraad had, om uit de waarnemingen in de vrije natuur eenigszins

af te leiden, welke soorten meer, en welke minder kans van slagen

hebben. Het toeval, gesteund door oefening, kan natuurlijk zulke

aanwijzingen aan de hand doen, en de Oenothera Lamarckiana vertoont,

op haar oorspronkelijke vindplaats bij Hilversum, nagenoeg telken

jare enkele afwijkende individuen, die aan den ingewijde terstond

haar toestand van mutabiliteit zouden kunnen verraden. Dit schijnt

hier, en eveneens in enkele andere gevallen, samen te hangen met de

gelegenheid tot snelle uitbreiding, waardoor hier en daar zwakke zaden

en zwakke kiemplanten aan den strijd voor het leven worden onttrokken,

zoodat vormen zich ontplooien kunnen, die anders vroegtijdig te gronde

zouden gaan.

Dergelijke waarnemingen zijn enkele malen meer gedaan. Zoo

beschrijft Darwin een geval, dat hij bij een wilde kleinbloemige

soort van Geranium (G. pyrenaicum) heeft gezien. Deze was ergens in

Staffordshire van uit een tuin ontsnapt en had zich in den loop van

eenige jaren verbazend sterk vermenigvuldigd, waarbij natuurlijk

telken jare een groot aantal zaden moesten voortgebracht worden en

ontkiemen. Daarbij was de soort sterk gaan varieeren, in bijna alle

organen en eigenschappen en in de meest verschillende richtingen. Een

zoo sterke variabiliteit was vroeger bij deze soort nooit waargenomen,

en het is dus zeer waarschijnlijk, dat zij, hoewel aanwezig, toch

door het voortdurend mislukken van het overgroote aantal van zaden

en kiemen eenvoudig was verborgen gebleven. Over de grens van de

veranderlijkheid mag men dus bij geen plant een oordeel vellen,

voordat zij onder een dergelijke snelle vermenigvuldiging van het

aantal individuen is beoordeeld geworden.

Daar tegenover staat, dat snelle vermenigvuldiging volstrekt niet

altijd met het vertoonen van zulk een hoogen graad van variabiliteit

gepaard gaat. Zij is het middel, om haar te toonen als zij er is,

maar niet de oorzaak die haar doet ontstaan. Dit ziet men bij ons te

lande, als na het droog leggen van een polder bepaalde soorten snel den

nieuwen grond overwoekeren, en hem soms met een dichten plantengroei

bedekken, voordat de verschillende stukken in cultuur kunnen worden

genomen. De Zilte of Aster Tripolium, verschillende soorten van melde

en andere bekende gewassen zouden hier kunnen genoemd worden. Onder

millioenen van exemplaren zoekt men tevergeefs naar afwijkingen. Een

variëteit van de gewone kamille, gekenmerkt door het gemis van de

witte lintbloemen, breidt zich sedert enkele tientallen van jaren

op sommige plaatsen van Europa en Noord-Amerika geweldig snel uit,

zonder dat daarbij iets van bizondere veranderlijkheid gebleken is. De

Erigeron canadense, die in Europa uit Canada is ingevoerd, treedt

soms op zandige gronden plotseling in millioenen van exemplaren op,

de Diplotaxis teuifolia, een kruisbloem met fraaie groote gele bloemen,

verspreidt zich talloos langs sommige wegen, en zoo zouden een aantal

andere voorbeelden kunnen worden aangehaald. Zij blijven even trouw aan

hun type, als of zij slechts oude en kleine groeiplaatsen bewoonden.

Een belangrijk punt omtrent het zaaien van wilde planten verdient

nog besproken te worden. Als men erwten zaait, verwacht men dat

elke afzonderlijke erwt zal opkomen; als men zaad van tuinbloemen

zaait, rekent men er op dat tenminste verreweg het grootste deel

planten zal leveren. Bij wilde soorten is deze kans nu veel minder

gunstig. Dikwijls kiemen op honderden zaden slechts eenige weinige. De

overigen zijn dan niet dood, maar vinden niet de vereischten voor

hun groei. Laat men ze in den grond, dan wachten zij een jaar, en in

't volgend voorjaar komt weer een deel op. Anderen wachten langer,

en soms kan men na 5 tot 6 jaren de oude zaden nog zien kiemen. Hoe

meer zorg men aan het uitzaaien besteed, des te meer zaden kiemen

er van elke honderd, en er bestaat natuurlijk een kans dat juist de

achterblijvenden de afwijkende vormen zullen voortbrengen. Daarom is

het dikwijls beter, niet in den tuin te zaaien, maar in zaaischotels

in goede tuinaarde in een goed verlichte kas. Men moet dan echter

daarna de planten uitplanten, en dit vereischt veel werk, tenzij

reeds in de schotels een keus gedaan kan worden.

Nemen wij thans aan, dat het door al deze zorgen gelukt is een of meer

soorten te ontdekken, die hetzelfde verschijnsel van veranderlijkheid

vertoonen als de Oenothera Lamarckiana. Wat moet er dan met die

planten gedaan worden?

Allereerst moet worden nagegaan, welke nieuwe soorten zij voortbrengen,

en welke eigenschappen deze vertoonen. Die eigenschappen hebben deels

betrekking op den vorm, en deels op de erfelijkheid. De vormen van

twee soorten kan men echter niet volledig vergelijken zoolang men van

een van beiden slechts een of slechts weinige exemplaren bezit. Dit

kan natuurlijk wel, als er zeer groote verschillen in het spel zijn,

zooals bij het onderscheiden en omschrijven van soorten die uit vroeger

niet onderzochte landen en zeeën worden medegebracht. In ons geval

echter hebben wij uit den aard van de zaak steeds met zeer kleine

verschillen te doen, verschillen die dikwerf niet duidelijk buiten het

gebied der gewone of fluctueerende variabiliteit vallen. Men moet dus

van de afwijkende exemplaren zaad winnen en dit uitzaaien, teneinde

een juist beeld en een volledige beschrijving van het gemiddelde

type te kunnen geven. Daar men nu voor de studie der erfelijkheid

toch ook zaaien moet, zoo is het noodig thans eenigen tijd bij deze

werkzaamheden stil te staan.

Het is om de waardeering van kleine verschillen te doen. Daaruit

volgt, dat twee exemplaren, die schijnbaar aan elkander gelijk zijn,

toch in werkelijkheid nog kunnen verschillen, terwijl omgekeerd

de fluctueerende variabiliteit verschillen kan doen waarnemen bij

individuen, die eigenlijk tot eenzelfde type behooren. Deze overweging

leidt tot de conclusie dat men de zaden van elk exemplaar afzonderlijk

moet oogsten en afzonderlijk moet zaaien. Want alleen zóó kan men

zeker zijn, zuivere rassen te verkrijgen. Elke variatie in een groep

van kinderen van ouders, wier zaad gemengd werd uitgezaaid, kan het

gevolg van die menging zijn. Zijn de kinderen eenvormig, dan is het

bewijs natuurlijk van die voorzorgen onafhankelijk, maar bij het minste

verschil zou de vertrouwbaarheid der uitkomsten kunnen wegvallen. Een

varieerend bed zou een mengsel kunnen zijn van twee verschillende

constante rassen, of van een varieerend en een constant ras. Waren

beide deelen variabel, dan zou nog die variabiliteit verschillend

kunnen zijn, zoodat enkele der vormen van de eene, en andere van de

andere moeder afstamden. Al zulke onzekerheden kunnen alleen door

een individueele zaadoogst voorkomen worden, en deze moet dan ook bij

wetenschappelijke studiën over erfelijkheid en variabiliteit als een

eerste beginsel worden voorop gesteld.

Het moge in den aanvang een al te zware eisch schijnen, elk afwijkend

individu op deze wijze op zijne erfelijkheid te onderzoeken. Heeft een

proef eenmaal een gunstig gevolg, dan komen licht een 50 tot 60, soms

misschien een honderdtal zulke planten voor. De ondervinding met de

Teunisbloemen leert echter, dat het zeer goed uitvoerbaar is, op zulke

groepen het beginsel toe te passen, en vooral leert zij, dat alle werk

zonder dit beginsel zeer groote kans heeft verloren te zijn en tot geen

betrouwbare uitkomst te leiden. Wanneer de planten eerst tijdens den

bloei te onderscheiden zijn, drukken deze bezwaren natuurlijk met hun

volle gewicht. Maar wanneer de verschillen reeds in de jeugd, b.v. 2

of 3 maanden na het zaaien zich vertoonen, dan kan men de planten in

de zaaischotels of in de speenbakjes laten, tot deze toestand bereikt

is, en zoodoende het werk zeer aanzienlijk verminderen. Bij volkomen

erfelijkheid is het dan dikwijls voldoende op deze wijze in eenige

honderden van zaailingen het nieuwe kenmerk waar te nemen, terwijl

daarvan dan slechts zoovele behoeven te worden uitgeplant, als toch

noodig zijn, om een voldoende zaadoogst te verkrijgen. Zoo bestudeert

men hun latere eigenschappen en zorgt er tevens voor, dat de contrôle

nog een of meer generatiën kan worden voortgezet. Bij onvolkomen

erfelijkheid kan men in de zaaischotels en speenbakken met groote

nauwkeurigheid de getalsverhouding der afzonderlijke typen bepalen,

terwijl men dan weer van elk type slechts een betrekkelijk klein aantal

exemplaren als zaaddragers uitplant. Door middel van hun zaad kan men

dan verder zien of deze typen op den duur even veranderlijk blijven,

of dat sommigen onder hen weer standvastig worden.

Heeft men op deze wijze het verschijnsel der schoksgewijze

veranderlijkheid zoo volledig mogelijk leeren kennen, dan treedt

daarnaast de vraag naar de oorzaken op den voorgrond. Als regel zal

men waarschijnlijk vinden, dat van een veranderlijke plant slechts

enkele zaden nieuwe soorten geven, terwijl verreweg de meerderheid

aan het ouderlijke type getrouw blijven. De vraag ontstaat dus,

welke zaden afwijken, en waarom juist zij dit doen en niet de anderen.

De oorzaak daarvan kan deels gelegen zijn in de plaats van de zaden

op de plant, deels in de uitwendige omstandigheden waaronder het

zaad ontstond en bevrucht werd en waaronder de kiem in het zaad zich

vormde. Die oorzaken moeten dus worden nagegaan, en daarbij moet

natuurlijk niet alleen met de zaden, maar ook met het bevruchtende

stuifmeel rekening worden gehouden. Om dit te doen is het in

het algemeen wenschelijk, elke bloem met haar eigen stuifmeel te

bevruchten. Daartoe worden de trossen of bloemgroepen omhuld met

zakken van geprepareerd papier, die onder den tros rondom den tak

worden dichtgebonden. Insekten kunnen dan de bloemen niet bezoeken, en

dus geen stuifmeel van ongecontroleerde herkomst aanbrengen. Menige

plant drukt zelf haar meeldraden tegen haar stempel, en zoo dit

bevruchting geeft, behoeft zij natuurlijk verder geen hulp. Anders

moeten de zakken van tijd tot tijd geopend worden, ten behoeve eener

kunstmatige bestuiving. Sommige soorten geven alleen dan zaad, als

twee individuen onderling worden bevrucht, en in dit geval krijgt

men natuurlijk meer samengestelde bewerkingen.

Onder deze voorzorgen zal men nu allereerst de verschillende

vruchten op een plant onderling moeten vergelijken. De zijtakken van

verschillenden rang, de hoogere en lagere vruchten van een tros, kunnen

misschien in verschillenden graad neiging tot muteeren hebben. Kon

men hieromtrent een regel vinden, dan zou de geheele studie op dit

gebied zeer vereenvoudigd kunnen worden, daar men dan voortaan bij

het zoeken naar veranderlijke soorten, zich tot de keuze van bepaalde

takken en bepaalde groepen van vruchten zou kunnen beperken.

In de tweede plaats zal men de levensomstandigheden vóór, tijdens,

en na de bevruchting kunstmatig moeten wijzigen. Hebben krachtige

individuen een grooter of wel een kleiner aantal afwijkende

nakomelingen dan zwakke? Heeft de vruchtbaarheid van den bodem op dit

verschijnsel een bevorderenden dan wel een belemmerenden invloed? Hoe

gedragen zich de mest en hare afzonderlijke bestanddeelen? Is goede

verlichting gunstig of ongunstig? Kan men door snoeien het voedsel zoo

in bepaalde richtingen leiden, dat zichtbare gevolgen ontstaan? Deze

en al dergelijke vragen wijzen den weg, dien het onderzoek heeft in

te slaan. Zij leeren tevens, dat de ontdekking van een of meer nieuwe

veranderlijke soorten slechts als het uitgangspunt te beschouwen is,

en dat zeer omvangrijke studiën vereischt zullen zijn, om van die

uitgangspunten uit tot belangrijke ontdekkingen te geraken.

Maar langs dezen weg zal men toch ten slotte een macht over de planten

verkrijgen, die allereerst ons in staat zal stellen, het aantal

muteerende zaden belangrijk te vergrooten, en die het daarna mogelijk

zal maken ook den omvang der mutabiliteit te verwijden. Nieuwe en

onverwachte soorten zullen dan verschijnen, en wat men thans weet,

zal blijken slechts een eerste begin te zijn van een wetenschap,

die zoowel voor de theorie als voor de praktijk geheel nieuwe

gezichtspunten zal openen.

Een alzijdige en zoo volledig mogelijke kennis van het geheele

verschijnsel van het ontstaan van soorten en variëteiten is het

doel, dat in de eerste jaren behoort te worden nagestreefd. De keus

der onderzoekers, die met dit werk belast zijn, de inrichtingen en

de middelen waarover het nieuwe laboratorium beschikt, wettigen de

verwachting, dat ook hier de leer zal gelden: onvermoeide arbeid komt

alles te boven. De methoden zijn duidelijk, en zoodra dus een bruikbaar

materiaal gevonden zal zijn, moeten de wetten, die de verschijnselen

beheerschen, aan het licht komen.

Om tot zulk een volledig inzicht te komen is echter nog een ander

beginsel noodig. Dit is het boekhouden. Mutatiën komen onverwacht,

en wat men dan van haar weten wil, betreft minder haar zelven dan

wel hare ouders en voorouders. Deze moet men elk afzonderlijk kennen,

en een geheele stamboom moet ontworpen kunnen worden, zoodra zulk een

nieuwe soort optreedt. Van de voorouders moet steeds een volledige

beschrijving voorhanden zijn, al hunne kenmerken moeten met die van

den nieuwen vorm nauwkeurig kunnen worden vergeleken. Maar dit is nog

geenszins de hoofdzaak. Bovenal moet men ingelicht zijn, of zich kunnen

inlichten omtrent hun erfelijkheidsverschijnselen. Zijn zij in elk jaar

zuiver bevrucht, en zoo het stuifmeel van een andere plant herkomstig

was, welke was deze, en welke was hare afstamming? Hebben onder de

kinderen dier voorouders reeds vroeger mutatiën plaats gevonden,

en zoo ja, hoe dikwijls en in welke richting?

Al deze zaken moeten nauwkeurig opgeteekend zijn, en daarenboven moet

van iedere individueele plant zooveel zaad bewaard zijn, dat men den

graad van zuiverheid van hare nakomelingschap zoo noodig nog door

nieuwe proeven kan controleeren. Hiertoe moet iedere plant natuurlijk

een nummer hebben, aangevende het jaar en het ras, het zaaisel en het

individu, en haar zaad moet onder dit nummer worden bewaard. Goed

droog bewaarde zaden blijven vele jaren kiembaar, en kunnen dus na

langen tijd nog voor het onderzoek dienen, maar het bewaren van het

zaad eischt natuurlijk bizondere inrichtingen en voorzorgen.

Op deze wijze moet nagenoeg de geheele familie van een muteerende

plant bekend zijn, want eerst dan heeft men de gegevens in handen,

om de verandering volledig te beoordeelen. Wenschelijk is het ook,

dat de cultuurvoorwaarden, de invloeden van klimaat en weder, zooveel

mogelijk zijn opgeteekend, omdat uit de kennis daarvan allicht

vermoedens omtrent de oorzaak der mutatie kunnen worden afgeleid.

Elke proef moet eens een begin hebben. Men kan aanvangen met een plant

of met een groepje planten, of met eenig zaad, dat men in 't wild

verzameld heeft. Omtrent de daaraan voorafgaande geschiedenis van

zulk een ras weet men in den regel niets. De kennis der wilde flora

geeft in het algemeen enkele aanwijzingen omtrent standvastigheid

of variabiliteit; eveneens kan men nagaan of men soms een bizondere

elementaire soort als uitgangspunt heeft gekozen. Maar men zou ook

toevallig een bastaardras in handen hebben kunnen krijgen, en zoo

dit voldoende constant is, is er tegenwoordig nog geen middel om

hieromtrent zekerheid te verwerven. Heeft men een vermoeden omtrent

bepaalde ouders dan zou men de kruising kunnen herhalen; heeft men

echter zulk een gissing niet, dan is het bezwaarlijk om de vraag

te beantwoorden.

En daar men niet weet, waar en wanneer een mutatie zal ontstaan, is

men wel gedwongen, om dit boekhouden op al zijn culturen en al zijn

planten toe te passen, en voor allen al datgene op te teekenen, wat men

in de enkele gunstig afloopende gevallen wenscht te weten. Hierdoor

wordt het werk wel zeer omvangrijk en moeilijk, maar toch is het de

eenige weg om met voldoende zekerheid vooruit te komen.

Met al deze studiën zal dan toch volstrekt nog niet alles bereikt

zijn. Want wat men ten slotte wenscht te weten is niet hoe de soorten

ontstaan, en van welke oorzaken dit afhangt, maar hoe men kunstmatig

en willekeurig nieuwe soorten kan doen ontstaan. Zoolang men dit niet

weet, staat men tegenover alle soorten, die thans niet in een periode

van onveranderlijkheid verkeeren, natuurlijk machteloos. Alles wijst

er op, dat de groote meerderheid der soorten thans standvastig is,

en dat slechts enkele veranderen. Die enkele veranderlijke kunnen

ons wel als voorbeeld en als materiaal van studie dienen, maar daarom

is het ten slotte toch niet te doen. Men moet trachten soorten, die

thans reeds door bepaalde eigenschappen nuttig zijn, op andere punten

zoo veranderlijk te maken, dat zij schadelijke trekken verliezen, of

andere gunstige afwijkingen er bij krijgen. Eerst dan zal de wetenschap

der mutabiliteit ten volle aan de belangen der menschheid dienstbaar

gemaakt worden; eerst dan zal het doel van dit laboratorium in dit

opzicht worden bereikt.

Wat er vereischt zal worden, om in die richting vooruit te komen,

laat zich thans nog niet voorspellen. De bizondere gevallen, die men

vinden zal, moeten het uitmaken. In zekeren zin zal het werk moeten

samenvloeien met hetgeen ik zooeven geschetst heb, en misschien geeft

de voltooiing van het een van zelf de oplossing van het andere.

Veel, ja zeer veel is er nog te doen, en het arbeidsveld is bijna

onafzienbaar. Maar van tijd tot tijd komt een gelukkige vondst of een

invallende gedachte den weg bekorten, en daarom is er geen reden om

aan een volledig slagen in niet al te langen tijd te wanhopen.

Hoofdzaak is, dat het werk worde aangevangen, dat men voor zichzelf het

te bereiken doel nauwkeurig en zoo zorgvuldig mogelijk vaststelle,

en dat alle middelen ten dienste staan, die voor die bereiking

noodig zijn.

Daarom acht ik de stichting van dit laboratorium van het allerhoogste

belang. Gedurende een halve eeuw heeft de afstammingsleer aller

aandacht tot zich getrokken, en op het gebied van stelselleer,

vergelijkende morphologie en vergelijkende ontleedkunde, vooral ook in

de studie der ontwikkelingsgeschiedenis der afzonderlijke organismen,

een krachtigen stoot tot snellen vooruitgang gegeven. De experimenteele

wetenschap is daarbij achtergebleven. Nog steeds zoekt de physioloog

zijn materiaal in de ervaringen van land- en tuinbouw. Thans is de

tijd gekomen, dat die rijke, maar steeds min of meer vage en door

twijfel omhulde bron door een andere worde vervangen. Het zuiver

proefondervindelijke onderzoek, met een volledige kennis van alles

wat voor een juiste beoordeeling der feiten noodig is, moet op den

voorgrond treden. Zoo enkelvoudig mogelijk moeten de verschijnselen

worden uitgekozen en zóó geleid, dat alle vragen kunnen worden

beantwoord. Eerst dan zal de leer der erfelijkheid een wetenschap

worden, die, ontdaan van al de poëtische beschouwingen waarin zij

thans bevangen is, den waren aard van het leven in zuivere trekken

aan ons openbaart. Eerst dan zal zij de grondslag worden voor die

echte poëzie en die verhevene levensopvatting, die nu eenmaal alleen

door een grondige studie der natuur kunnen worden bereikt.

Het Carnegie-Institution te Washington heeft heden een stoot gegeven

in een richting, die niet nalaten kan spoedig in hare volle waarde

erkend te worden. Dan zal zijn voorbeeld worden gevolgd, en zullen

talrijke andere gelijksoortige inrichtingen worden gesticht. Het is

het voorrecht van Amerika op deze wijze te kunnen voorgaan en bakens te

plaatsen op een gebied, waarop nog geen ander zich durft te wagen. Moge

de uitkomst bewijzen, dat hier een weg is ingeslagen, die eenmaal een

roem voor het land, en een zegen voor de geheele menschheid zal worden.

Het Yellowstone-Park · 第 10 / 12 题