DE GEYSERS.

Verlaten wij thans de warme bronnen van Mammoth Hot Springs met

hunne terrassen van kalksteen, om tot de eigenlijke geysers over te

gaan. Deze liggen in het algemeen in de dalen tusschen de vulkanische

gesteenten, en hunne afzettingen bestaan dan ook niet uit kalk maar in

hoofdzaak uit kiezelzure gesteenten of silicaten. Deze formatie heet

hier geyseriet, in tegenstelling met het travertijn der beschreven

warme bronnen.

Hoogopspringende bronnen ziet men op het kalkterrein niet. De geysers

zijn echter juist het meest bekend om de enorme hoogten waartoe

sommige van hen het kokende water opwerpen.

Vanwaar die kracht, die stoom en water zoovele honderden meters omhoog

kan werpen? Vanwaar dat vermogen, om een schijnbaar volkomen rust

plotseling af te breken, om zulke geweldige verschijnselen voort te

brengen, en dan weer, als of niets gebeurd ware, tot de vroegere rust

terug te keeren? Het is de inwendige warmte der aarde, die dit teweeg

brengt. Het zijn eenvoudig verschijnselen van koken, maar onder zeer

bizondere omstandigheden. In een gewonen ketel bruist en borrelt en

spat het water op. Kon op een of andere wijze plotseling het koken

versneld worden, dan zou ook het opspatten van waterdruppels plotseling

toenemen, zij zouden talrijker en hooger opgeworpen worden. Zoo moet

men zich de geysers voorstellen. Enkele komen uit een diepe spleet,

waarin men tijdens de rust het water niet zien kan, maar kort vóór

de uitbarsting komt het toch omhoog. De meesten echter komen uit

een kleinen kom of vijver, die tot aan den rand toe gevuld is met

water. Een volkomen helder, maar donkerblauw water, dat in schoonheid

en aantrekkelijkheid voor dat der andere warme bronnen van het park

niet onderdoet.

Men kan veilig zeggen, dat tusschen de voortdurend kokende bronnen

en de machtigste geysers in de bassins van het Yellowstone-park alle

overgangen voorkomen. Daarbij geldt de regel, dat gewoon kokend

water betrekkelijk slechts weinig opspat, maar dat het opwerpen

van hooge zuilen samenhangt met periodische rust. Hoe zeldzamer het

opspatten is, des te hooger en des te machtiger kan het worden. De

meest bekende geyser is de Old Faithful, die dien naam draagt, omdat

hij, zoolang als men hem kent, nog nooit aan zijne belofte ontrouw

geworden is. En die belofte, afgeleid uit een lange ervaring, is dat

hij telkens, na ruim een uur, weer zal beginnen te "spelen," zooals

de locale term luidt. Alle andere hoog opspuitende geysers van deze

streek zijn zeldzamer in hun uitingen, zij werken elken dag eens,

of om den anderen dag of om de 4 of 5 dagen. De tusschenpoozen van

rust zijn wel ongeveer gelijk, voor elk van hen, maar toch niet zóó,

dat men juist vooruit kan zeggen, wanneer het spel beginnen zal. Voor

den reiziger, die op elk bassin slechts eenige uren vertoeft, hangt

het dus geheel van het toeval af of hij de verschijnselen zien zal

of niet. Maar de Old Faithful laat hem nooit in den steek.

Vlak bij dezen geyser, op een afstand van omstreeks 300 Meters, is het

hôtel gebouwd, dat zijn naam in de curieuse combinatie draagt. Het

heet Old Faithful Inn, een naam, dien, buiten verband met de bron,

menige Inn benijden zou. Het spel begint met het opstijgen van heet

water uit de spleet en het overvloeien van groote hoeveelheden daarvan,

terwijl voortdurend aanzienlijke hoeveelheden stoom in groote wolken

in de lucht ontwijken. Heeft dit eenige minuten geduurd, dan begint

het water sterker op te spatten, meters hoog en in verschillende

richtingen schuin opstijgend, totdat ten slotte een zuil van wel

twee voet in doorsnede tot een hoogte van 40-50 M. met geweldige

snelheid omhoog stijgt. Deze zuil is echter, zoover ik zien kon,

geen massieve waterkolom, maar gevormd uit een onnoemelijk aantal

grootere en kleinere druppels. En de hoeveelheid water, die terstond

daarna omlaag valt en den geheelen geyserkegel overdekt, komt met

deze voorstelling goed overeen. Een uitvoerige beschrijving van dezen

geyser en zijn spel zal ik echter eerst later geven.

Juist op dezelfde wijze werken de talrijke geysers die met

tusschenpoozen van een kleiner of grooter aantal minuten

opspuiten. Hier kan men alles meer van nabij en dus nauwkeuriger

zien. Een, twee of drie meters spat het water op. Zorgt men dat

men ten opzichte van de windrichting ter zijde staat, zoo kan men

soms veilig vlak aan den rand blijven staan. Onder den wind zou men

natuurlijk door de heete stoomdampen omhuld worden, zonder snel genoeg

een uitweg te kunnen vinden. Men ziet ook hier geen eigenlijke zuil

van water. Uit de diepte van den helderen vijver stijgen plotseling

groote stoomblazen in geweldig aantal op. Zij werpen het water dat

boven hen is, en dat zij meevoeren met kracht omhoog, maar doen het

daarbij snel en volkomen uiteenspatten.

De Ginantess [20] speelt om de 12 uren, de Sawmill [21] 5 of 6

maal daags, de Giant [22] eens in de week, de Castle [23]-geyser

met tusschenpoozen van omstreeks 30 uren, en zoo zou men voor al de

grootere geysers een lijst van hunne werkzaamheid kunnen geven. De

Giant, die het zeldzaamst werkt, is ook de hoogste, zooals zijn naam

trouwens aanduidt; zijn water wordt tot ruim 80 Meter hoog opgeworpen,

dus bijna de dubbele hoogte van Old Faithful.

Door dit overzicht van de kracht der uitbarstingen in verband met de

lengte van de perioden van rust, komen wij tot de voorstelling, dat de

machtige geysers gedurende die perioden eenvoudig hun kracht opsparen

en ophoopen, om die dan, in den korten tijd van enkele minuten, op

veel grootschere wijze te kunnen gebruiken. Als van zelf ontstaat

dus de vraag, op welke wijze zij dit ophoopen kunnen tot stand brengen.

Natuurlijk kan men in het inwendige der aarde niet gaan kijken, hoe

het water daar eigenlijk kookt, noch ook hoe de ketel of ketels er

uit zien, waarin dit gebeurt. Kon men door boringen zoo dicht bij de

bronnen komen, dan zou men toch waarschijnlijk hun regelmatige werking

storen. Men moet dus uit gewone natuurkundige verschijnselen, in

verband met den bekenden bouw der gesteenten, en den gewonen loop van

het water, dat in artesische putten en in overeenkomstige natuurlijke

bronnen omhoog komt, trachten een voorstelling af te leiden.

Zulk een voorstelling heeft de groote scheikundige Bunsen ontwikkeld

en door laboratorium-proeven gesteund. Zij heeft algemeenen bijval

gevonden, en hoewel door lateren hier en daar in de uitwerking wat

veranderd is, is het beginsel toch steeds hetzelfde gebleven. Zoo groot

is de vereering, die de bewonderaars der geysers voor Bunsen hebben,

dat een der hoogste en fraaiste bergtoppen van het Yellowstone Park

naar hem genoemd is. Het is de Bunsenpeak, de hoekige pyramidale

berg, die vlak achter de Mammoth Hot Springs en tegenover de

Terrace-mountains staat. De groote zijweg gaat tusschen hem en deze

bergen door, en mijlen lang rijdt men rond om zijn voet, met het

volle uitzicht op zijn rotsen en bosschen.

Om mij echter niet te zeer in theoretische beschouwingen te begeven,

zal ik beginnen met een korte schets van de beweging van het

water in den grond in gewone gevallen. Ik knoop daarbij aan aan den

gedachtengang, dien ik reeds bij de bespreking der travertijn-bronnen

van Mammoth Hot Springs gegeven heb.

Overal waar een kunstweg in het gesteente van een gebergte is

uitgehouwen kan men zien, dat die steen niet gaaf is. Altijd is

hij door spleten en barsten in verschillende richtingen in stukken

gebroken. Men beweert dat nergens op aarde, noch aan de oppervlakte,

noch in de diepte, een volkomen gaaf rotsblok van kubieken vorm met

zijden van 3 Meters of meer zou te verkrijgen zijn. Die barsten zijn

onafhankelijk van den laagsgewijzen bouw en in het algemeen het gevolg

van plaatselijke opheffingen en verzakkingen. In het lava-gesteente

van het Yellowstone Park komt daarbij het feit dat de lava bij het

verkoelen natuurlijk sterk ingekrompen is. Zij is daarbij min of meer

regelmatig gebarsten, in het geval van de basalt zelfs zeer regelmatig

in de bekende zeszijdige zuilen.

In die barsten ziet men somwijlen op de rotsen, maar meer nog op de

zooeven bedoelde, bij het aanleggen van wegen kunstmatig gemaakte in-

en doorsnijdingen, de wortels der planten doordringen. Dit is een

studie op zichzelf, vooral omdat het een tastbare verklaring geeft

hoe het komt, dat zoovele planten op schijnbaar naakt gesteente of op

klaarblijkelijk uiterst droge hellingen leven kunnen. Meters ziet men

de wortels omlaag dalen, en waarschijnlijk gaan zij nog veel dieper,

maar de fijne takken en uiteinden zijn allicht beschadigd en gebroken

en dus niet meer waarneembaar.

Langs denzelfden weg sijpelt natuurlijk het regenwater in het gesteente

omlaag. Het moge in de humuslagen langeren of korteren tijd zijn

opgehouden, alles wat niet verdampt, of niet als beken langs de

oppervlakte afvloeit, zinkt weg in de spleten. Het verzamelt zich

in de diepte. Ging het gesteente met denzelfden bouw onbeperkt door,

allicht zou het water onbeperkt kunnen wegzinken. Maar de lava rust op

krijtlagen, en deze weer op andere formatiën. Storingen in de beweging

van het water moeten dus het gevolg zijn, en zoo de lagen eenigszins

hellen, zullen zij het water in bepaalde richtingen afvoeren. Zoo

ontstaan onderaardsche beken en stroomen en hun aantal en macht is

veel grooter dan men zich gewoonlijk voorstelt. Trouwens ook in ons

eigen land speelt die onderaardsche beweging van het water een groote

rol, een rol, die men thans, bij het aanleggen van waterleidingen

hoe langer hoe meer waardeeren en bestudeeren gaat.

Loopt nu een laag in een berg zóo, dat zij met haar laagsten rand in

een dal uitkomt, dan zal het water, dat over de laag heen vloeit, in

dit dal te voorschijn komen. Soms ziet men het rechtstreeks uit den

rotswand sijpelen, maar waar deze met een dikke humuslaag bedekt is

ziet men meestal, in het hoogste deel van het dal een klein moerasje,

van waaruit een beek omlaag stroomt. Vloeit geen zichtbare beek in dit

moerasje, dan is het duidelijk dat het door een of meer onzichtbare

stroompjes gevoed wordt; zijn er echter een of meer aanvoerbeekjes,

dan heeft de gewone beschouwer meest geen reden om ook nog aan

onzichtbare te denken.

Thans komen de artesische putten aan de orde. Hun water komt onder

drukking uit de diepte te voorschijn, het moet dus daar onder

drukking staan. De laag, die door talrijke en wijde spleten het

water gemakkelijk vervoert, moet van boven en van onderen aan minder

gespleten en minder doorlatende lagen grenzen. Evenzoo zijn het bij ons

vooral grint- en zandlagen, die als het ware ingesloten zijn tusschen

klei, die het water voor de opborrelende putten leveren. De put maakt

men in een dal, op grooteren of kleineren afstand van een gebergte-

of heuvelenreeks. Niemand zal verwachten dat in een put, geboord op

den top van een berg, het water tot aan den rand zal opstijgen. Want

terwijl de laag helt, is het het water in de heuvelen dat drukt op

dat in de vlakte, en waar men boort tracht het natuurlijk even hoog

op te stijgen, als het onder den heuvel staat. Het tracht eenvoudig

het evenwicht te herstellen, want de put en de laag vormen een stel

van communiceerende buizen, en eer het tot rust komt, moet het water

dus in beiden even hoog staan. Is dus de monding der put lager dan

de waterstand in den heuvel, dan blijft het water voortdurend vloeien

en de bron is schijnbaar onuitputtelijk.

In een zand- of grintlaag vloeit het water met een zachte helling

in een regelmatigen stroom. In een gespleten gesteente hangt de weg

geheel van de spleten af, en is dus uiterst onregelmatig. Dit heeft

nu voor den loop over groote afstanden wel niet veel beteekenis,

maar de aard van de uitmonding hangt daarvan natuurlijk geheel af. De

laatste spleet, die waaruit het water te voorschijn komt, kan rechtop

gaan of schuin of misschien bijna horizontaal liggen, en waar op het

gebied der geysers heete stoom uit spleten te voorschijn dringt,

zonder dat rondom de monding een vijvertje ontstaan is, ziet men

de spleten dan ook in alle richtingen hellen. Monden zij in een

vijver uit, dan kan men ze maar zelden zien, en liggen zij diep,

dan werken zij onder water allicht toch als vertikale openingen, ook

al zijn zij zeer schuin. Verder zullen de spleten natuurlijk nooit

overal even wijd zijn, maar hier en daar zullen wijdere gedeelten,

wellicht zelfs geheele grotten, met de nauwere spleten afwisselen.

Het spreekt van zelf dat het water, dat uren ver door bepaalde lagen

loopt, de temperatuur van die lagen zal aannemen. En komt het snel

genoeg aan de oppervlakte, dan zal het dus daar dien warmtegraad, ten

minste ongeveer, verraden. Nu is het Yellowstone-park in de laatste

geologische tijden voortdurend een terrein van uitgebreide vulkanische

werkzaamheid geweest, en moet men dus aannemen, dat de koude korst,

die hier de inwendige warmte bedekt, dunner is dan wellicht op eenige

andere plaats op aarde. Het water behoeft dus niet zoo heel diep af

te dalen om in lagen te komen, wier temperatuur boven het kookpunt

ligt. En het doorloopen van zulke warme aardlagen is klaarblijkelijk

de eenige bron voor de warmte van het heete water.

Hier komt nu een zeer belangrijke factor in het spel, namelijk de

afhankelijkheid van het kookpunt van water van de drukking. Iedereen

weet, dat op hooge gebergten het water bij een lagere temperatuur

kookt dan bij ons, al ware het ook slechts uit de ervaring dat het

koken van eieren in zulke streken langeren tijd vordert. Evenzeer

weet iedereen dat in een Papiniaansche pot [24] het water tot ver

boven 100° C. verhit kan worden, zonder tot stoom over te gaan. Het

is de grootere drukking, die dit belet. Passen wij dit nu toe op onze

onderaardsche stroomen, die op de beschreven wijze onder de zeer

aanzienlijke drukking van het grondwater in de omringende heuvelen

staan. Het zal dus bij 100° C. nog niet gaan koken, ja verscheidene

graden hooger verhit kunnen worden, zonder dit te doen. Het kan dus

een tijd lang in oververhitten toestand zich voortbewegen. Eindelijk

echter nadert het de openingen der spleten, en dus de plaats waar

geen overmaat van drukking er meer op rusten zal. Is het dan toch nog

warmer dan 100° C., dan zal het gaan koken, plotseling of langzaam,

al naar gelang van de wijze waarop het toestroomt. Bij den overgang

tot stoom zet het zich geweldig uit, en perst dus al het water dat

er boven staat voor zich uit.

Zoo ontstaan de kokende bronnen. In oververhitten toestand wordt het

water in een zeer langzamen stroom toegevoerd. Houdt dan de drukking

op, dan gaat het koken, en de stoom verhit het water in den vijver,

tot ook dit het kookpunt nadert, waarna de stoom, in grootere en

kleinere bellen ongehinderd doorgaat, bruisend en barstend aan de

oppervlakte komend. Veel kleine geysers, die heftig koken, voeren

alleen stoom en geen water omhoog, en men ziet hun rand dan ook niet

overvloeien; een van de grootere heeft zelfs, om het typisch zuinige

van dit verschijnsel, den naam van Economy-geyser ontvangen.

Zijn nu de onderaardsche spleten regelmatig, zoo zal de bron

gelijkelijk door blijven koken. Onregelmatigheden in de spleten kunnen

echter tot plaatselijke ophoopingen van stoom aanleiding geven. Een

gewelfvormige spleet, die alleen van onderen toe- en afvoergangen

heeft, zal zich b.v. allengs met stoom vullen, en deze zal onder de

drukking van de zuil water tusschen het gewelf en de oppervlakte

van den uitmondings-vijver staan. Langzaam neemt de stoom toe,

tot hij eindelijk de geheele holte vult. Ontstaat er nu nog meer,

dan moet deze ontwijken, en drukt dus de zuil water boven zich

weg. Men ziet den kraterrand overvloeien, meest schoksgewijze. Maar

stoom weegt minder dan water, en het wegpersen van de waterkolom

ontheft den stoom in het onderaardsche gewelf van den druk, die

hem daar samenperste. Plotseling zet hij zich geweldig uit, en

slingert nu alles wat nog in het te doorloopen kanaal gebleven was,

en misschien zelfs al het water van den vijver, met groote kracht voor

zich uit. In plaats van af te nemen, neemt de kracht op den weg toe,

daar de drukking vermindert. Zoo worden in weinige minuten nagenoeg

al de stoom en al het water hoog in de lucht opgeworpen.

Dan echter is de kracht gebroken. Wat in den vijver neerviel vloeit

thans kalm in de buis terug, en de onderaardsche aanvoer vult het

gewelf en de gangen met water. Langzaam begint de stoom zich weer

op te hoopen, tot hij eindelijk weer ontsnapt, onder dezelfde hevige

verschijnselen.

Uit deze door Bunsen gegeven voorstelling volgt nu als vanzelf,

dat spleten zonder zulke gewelven een regelmatig kokenden geyser

zullen geven, en dat de aanwezigheid van gewelven daarentegen de

periodische werking kan teweeg brengen. Hoe grooter de gewelven, des

te langer zal het duren voordat zij voldoende met stoom gevuld zijn,

en des te langer zullen dus de perioden van rust zijn. Maar des te

heviger zal ook de uitbarsting worden.

Men moet zich dus de toevoerbuis van elken geyser als een

onregelmatigen, langzaam schuin omhoog stijgenden barst voorstellen,

waarvan de onregelmatigheden nu eens zonder beteekenis, dan weer,

door de vorming van van boven gesloten gewelven, geheel beslissend

voor het verschijnsel worden.

In de verschillende spleten loopt het water meest onafhankelijk van de

overige, soms zelfs van zeer naburige bronnen. Dit blijkt allereerst

daaruit dat de vijvers op de hellingen van een heuvel op zeer ongelijke

hoogten plegen te liggen. Waren er communiceerende buizen, zoo zouden

de hoogere natuurlijk leegloopen en de lagere overvuld worden. Verder

blijkt het uit het feit dat de uitbarstingen van naburige geysers

van elkander geheel onafhankelijk zijn, de meest woeste uiting van

den een kan de volkomen rust van zijn buurman volstrekt niet storen.

Laat ons thans de heftige maar voorbijgaande werkingen verlaten,

om ons met de kalmere en schijnbaar onaanzienlijke, maar de eeuwen

trotseerende afzettingen rondom de geysers bezig te houden.

De geysers, en in dien naam zal ik thans gemakshalve de overeenkomstige

kokende bronnen mede begrijpen, liggen overal in de dalen van het

Yellowstone-park. Soms liggen zij eenzaam, meest zijn zij tot groepen,

enkele malen tot groote groepen vereenigd. In het laatste geval noemt

men het geheele dal een geyser-bassin, en het Norris-bassin, de Lower-,

Midway- en Upper- [25]bassins zijn daaronder de meest bekende. Maar

ook elders, zelfs aan de oevers van het Yellowstone-meer, vindt men

zulke bassins.

De term bassin is in zekere mate misleidend. Allereerst om de reeds

besproken onderlinge onafhankelijkheid der geysers en om het feit

dat er bijna nooit twee uit denzelfden vijver omhoog springen. Elke

geyser heeft als het ware zijn eigen monding gemaakt, het zij die

vol water is of niet. Er is dus geen gemeenschappelijk bassin, noch

onder den grond, noch er boven. Het is alleen een waterrijk dal,

dat vele bronnen omsluit. Verder is de naam van bassin misleidend,

omdat de geysers zich altijd op een soort van heuvel bevinden. Midden

in het dal ligt zulk een heuvel, van eigenaardige vorm en formatie,

en de vijvers, spleten, heete bronnen en geysers liggen bovenop

of op de hellingen van dien heuvel. De heuvel is laag en breed, de

hellingen zacht glooiend. Soms vult hij plaatselijk het dal over de

geheele breedte en sluit dan aan de aangrenzende bergen aan, maar

altijd met een lageren rand, waarlangs het geyserwater kan wegvloeien.

Deze vlakke heuvels zijn het product der geysers; zij bestaan

uit een bizonder gesteente, dat den naam van geyseriet draagt. In

tegenstelling met het travertijn der Mammoth Hot Springs, dat een

kalkgesteente is, is het geyseriet een kiezelgesteente. Zooals ik

reeds meermalen opgemerkt heb, liggen de geysers in de dalen tusschen

heuvels en bergen die voornamelijk uit lava bestaan, en is de lava

zelf weer in hoofdzaak uit kiezelmassa's gevormd. Het water, dat van

die bergen naar de geysers stroomt, vindt dus in de spleten op zijn

weg geen kalk maar kiezelzuur om op te lossen. Dit is echter op verre

na niet zoo gemakkelijk oplosbaar als kalk, en het water neemt er dus,

ook bij een langen loop, maar weinig van op.

Dit opgeloste kiezelzuur nu wordt bij het uitstorten van het water

en dus rondom de heete bronnen afgezet. Het vormt het geyseriet, en

het heeft dus, in den loop der eeuwen, de geheele geyserietheuvels

in de dalen tot stand gebracht. Moge men ook uren lang op die

"bassins" rondwandelen, toch moet men bedenken, dat deze geheele

steenmassa eenmaal vloeibaar was. Niet alles tegelijkertijd, maar

achtereenvolgens, eeuw na eeuw en laag na laag.

De vastlegging van dit kiezelzuur nu geschiedt uitsluitend door

wieren. Noch de verkoeling van het water, noch de betrekkelijk geringe

verdamping kunnen het kiezelzuur doen neerslaan; zonder de wieren

zou het even rijk daaraan afvloeien als het omhoog gekomen was.

De afzetting van kiezelzuur door levende planten is geenszins een

verschijnsel dat tot de geyserietvormingen beperkt is. Integendeel,

het is in het plantenrijk zeer algemeen, veel algemeener dan

de afzetting van kalk. Sommige planten zijn er zeer rijk aan en

hebben er een bizondere hardheid en ruwheid aan te danken, zooals

b.v. onze schuurbiezen, wier schurend vermogen juist aan deze stof

te wijten is. Opgelost kiezelzuur, of liever oplosbaar kiezelzuur

heet in den handel waterglas, de oplossing ziet er uit als water,

maar gaat bij volledige verdamping in een glasachtige massa over,

die dan niet weer door water kan worden opgenomen. In de planten

wordt het opgenomen kiezelzuur eerst als een gelei-achtige massa in

de celwanden gebonden, zoodat het die geheel doortrekt, voornamelijk

in de buitenste weefsellagen. Grassen en granen zijn er zeer rijk

aan. Allengs wordt het harder, maar blijft met de celwanden zoo

vereenigd dat men het daarin niet zien kan. Maar toch kan men het

gemakkelijk vinden daar het onbrandbaar is en dus als een skelet

achterblijft als men de weefsels voorzichtig verbrandt.

Onder de wieren is er een groep, die om dit kiezelgehalte zeer

bekend is. Het zijn de kristalwieren of Diatomeeën, beide namen die

op hun vorm en niet op hun inwendigen bouw betrekking hebben. Zulke

kristalwieren groeien ook bij ons overal in allerlei wateren, waar

zij dikwijls een dicht, vlokkig of geleiachtig bekleedsel rondom de

stengels der waterplanten vormen, voor zooverre deze onder het water

groeien. Zulke Diatomeeën spelen nu bij de vorming van het geyseriet

een belangrijke rol, maar zij verdragen de groote hitte van het

opbruisende water niet en zijn dus beperkt tot de bassins, die rondom

de eigenlijke kraters door het overvloeien ontstaan. Aanzienlijke

lagen van Diatomeeën vindt men b.v. rondom "Black Sand Pool" en

voornamelijk op den bodem van het Specimen lake, dat daaraan zijn

water ontleent. Soorten van de bekende geslachten Navicula, Epithemia,

Cocconema en andere nemen aan die formatie deel. Zij zouden even goed

voor polijstaarde kunnen worden gebruikt als sommige Diatomeeën-lagen

in Europa.

Toch zijn deze kristalwieren slechts van locale beteekenis. Zij

vormen de hoofdmassa's van het geyseriet niet. Dit doen wiersoorten

van een veel eenvoudigeren lichaamsbouw. In het algemeen zijn het

dezelfde geslachten en ten deele ook dezelfde soorten als in de

travertijn-formatiën. In verband daarmede ziet men hier dan ook

overeenkomstige kleurschakeeringen en kleuren. De wanden der kokende

vijvers zijn ook hier wit of zeer licht geel, en de bruine of roode,

groene of blauwe, lichte en donkere, soms geheel zwarte overtrekselen

ziet men slechts in de omringende bassins, waar het water reeds meer of

min afgekoeld is. De wieren groeien snel, maar het kiezelzuurgehalte

van het water is gering, zoodat op veel organische stof weinig

sintelmassa komt. Voor een deel ten gevolge daarvan is het geyseriet

later, als het dood en droog is, een veel lichter gesteente dan het

travertijn, terwijl toch anders de kiezelgesteenten juist niet tot de

lichtste behooren. Ook verweert het zeer gemakkelijk, en ziet men op de

oppervlakte der geyserietheuvels de overblijfselen der oorspronkelijke

structuur niet zoo veelvuldig en zoo fraai als op de travertijnrotsen.

Onder de lagere wieren, die hier een rol spelen, mogen er hier enkele

genoemd worden. Ten deele zijn zij dezelfde, die ik bij de beschrijving

der Mammoth Hot Springs reeds heb aangevoerd. De voornaamste geslachten

zijn Leptothrix, Phormidium, Calothrix, Gloeocapsa en andere. De

eerste zijn bleek en verdragen hooge temperaturen, de Gloeocapsa is

blauwgroen en vormt soms aan de buitenzijde der geyserkegels zwarte

geleiachtig-vliezige en soms vingerdikke overtreksels. De kleur

schijnt overigens zeer veranderlijk te zijn, want als men van een

bruin of zwart overtreksel in een warm stroompje of bassintje deelen

los maakt, ziet men de onderzijde dikwijls groen of blauwgroen.

De wijze waarop deze wieren de formatie tot stand brengen hoop ik

weldra, naar aanleiding van mijn bezoek aan het Upper Geyser-bassin,

uitvoerig te schilderen.

Vooraf moge echter het een en ander omtrent de voornaamste bassins

gezegd worden. Zij liggen dicht bijeen, op een bijna recht van het

zuiden naar het noorden loopende lijn. De toerist bezoekt ze in

zoodanige volgorde, dat hij met de minst belangrijke begint, om met

de groep der krachtigste geysers te eindigen.

Het meest noordelijke of Norris bassin omvat een aantal geysers,

bronnen en stoomspleten, deels in het dal, deels op de hellingen

der heuvels gelegen. Onder hen speelt de Constant om de minuut, zijn

waterdroppels eenige meters omhoog werpende. De Congress is gewoonlijk

een groote, blauwe, kokende vijver, maar geeft op onverwachte tijden

geweldige uitbarstingen.

Overal in den grond ziet men spleten en gaten, waaruit stoom komt en

waaronder men het rommelen hooren kan. Soms zijn die gaten met een

dunne korst van geyseriet bedekt en onzichtbaar; op zulke plekken moet

men bij het loopen zeer voorzichtig zijn, daar de korst te dun is, om

het gewicht van een mensch te dragen. Men doet beter op de planken te

blijven, die hier de voetpaden vormen. Een zeer breede, ternauwernood

vingerdiepe stroom voert het warme water uit al deze bronnen weg,

vloeiend over een laag van kleurig en levend, voortdurend aangroeiend

geyseriet. Hooger op den berg liggen geweldige stoomspleten, die een

oorverdoovend geraas maken, en nog iets hooger de Black Growler, [26]

waarvan de kegelvormige opening geheel leeg, maar tot aan den bovenrand

met zwarte koraalvormige wiergroeiïngen bedekt was. Ik wachtte een

poosje en zag langzaam het water in den trechter opstijgen. Het

bereikte een zekere hoogte en zonk toen weer weg. Daarna stijgt het

gewoonlijk weer, nu eens hooger, dan weer lager, nu eens alle wieren

bevochtigend en overvloeiend over den rand, dan weer onvermogend om ook

maar de helft van het koraal-oppervlak te bedekken. De naam Growler

duidt op het geruisch, dat hij bij al die bewegingen maakt. New

Crater, Gibbon-Geyser en vele andere zou ik kunnen noemen; ik wil

echter alleen de grijze-verfpotten vermelden, die vol met een grauw

troebel water zijn, dat over de geheele oppervlakte kookt.

In het Lower Geyser-bassin vindt men heldere bronnen, rond en blauw als

een oog en omgeven met een bruinen rand, die met blauwe Convolvulussen

vergeleken worden en daarom, met den engelschen naam dier bloemen,

Morning glories worden genoemd. Verder grijze-verfpotten, stoomspleten

en geysers, en allerlei andere vormen van stoom-uitlaten. Great

Fountain is hier een der meest bekende geysers.

Het Midway Geyser-bassin vertoont het uitgestrekte meer van den

Excelsior Geyser en verder den Turquoise Spring en het Prismatic lake.

Het Upper Geyser-bassin is het belangrijkste. Het ligt zoo, dat

men het van uit het hôtel nagenoeg geheel kan overzien. Rechts ligt

Old Faithful, springend om het uur. Midden door het bassin loopt de

Firehole-rivier, zijn bedding ingravend in het geyseriet en de heete

wateren der bronnen overal opnemend. Soms ziet men ze vlak aan den rand

der rivier opkoken, soms stroomt het warme water langs de helling over

afstanden van honderden meters omlaag. De rivier is rijk aan forellen,

en vandaar het verhaal dat men hier, zonder zijn plaats te veranderen,

een forel vangen kan en hem dan aan den hengel in de heete bron kan

houden om hem te koken.

Aan de overzijde der rivier liggen tal van kleine, voortdurend, maar

betrekkelijk zwak werkende geysers, als Beehive [27], Sponge [28],

Beach [29], Surprise [30] en andere. Aan de zijde van den rijweg liggen

vooral Castle en Giant, over wier werkingen ik reeds gesproken heb,

en verder een groot aantal kleinere. Ook vindt men hier lange reeksen

van uitgedoofde kraters, die meest geheel droog zijn.

Aan beide zijden is het dal ingesloten tusschen heuvelreeksen die met

uitgestrekte dennebosschen begroeid zijn, en bijna van alle plaatsen

kan men Old Faithful zien, als hij aan het einde van elk uur zijn

water en zijn stoommassa hoog in de lucht werpt.

Maar ik zou kans loopen, eenvoudig een uittreksel uit mijn gids-boekjes

te geven, als ik deze beschrijving wilde vervolgen. Het medegedeelde

echter meen ik, dat noodig is voor een juist begrip van de bespreking,

die ik thans op grond van mijn eigen bezoek wensch te geven.

Ik begin daartoe met de voornaamste groep van geysers die den naam van

Upper-Geyser-bassin voert. En onder hen is de belangrijkste geyser

die van de Old Faithful, die vlak bij het hôtel is dat daarnaar

den reeds genoemden naam van Old Faithful Inn draagt. Hij springt,

of speelt zooals men het daar noemt, om het uur, en de reizigers die

slechts een halven dag in dit bassin vertoeven, kunnen dus alleen op

hem met zekerheid rekenen om de werking van een machtigen geyser te

zien. Hij is zoo trouw in zijn uitbarstingen, dat men telkens vooraf

kan berekenen, wanneer er weer een komen zal. En zijne periode van een

uur heeft hij onveranderlijk behouden gedurende al de--weinige--jaren,

dat men hem kent.

Nauwkeuriger gezegd duren de perioden gemiddeld 65 minuten, waarbij dan

de tijd van rust en de tijd van werkzaamheid telkens als één periode

samen gerekend zijn. Ik begaf mij dus op het juiste oogenblik uit

het hôtel naar den geyser, beschouwde hem eerst in den rusttoestand,

zag daarna in de diepte van de krateropening het heete water omhoog

komen en ging toen op een bank zitten om het verdere verloop te

aanschouwen. Het ging langzaam genoeg om de volgende aanteekeningen

te maken.

De krater is een zeer vlakke kegel met een zeer fraaie

terrassen-formatie met tal van zijbekkens, waarin het water blijft

staan. Die bekkens zijn omgeven door armsdikke gekronkelde randen. De

hoogere, waarin het heete water rechtstreeks valt, hebben krijtwitte

randen, de lagere, waarin het water na gedeeltelijke afkoeling vloeit,

hebben meest lichtbruine randen, vooral waar zij nog nat zijn. In de

eerste bekkens ziet men witte en lichtgele afzettingen, die den bodem

met een eigenaardig gevariëerde vegetatie van sintelwieren bedekken;

hier zijn de randen hoog opgegroeid en de bekkens dus vrij diep. De

koelere bekkens zijn vlakker, minder diep en vol bruine afzettingen in

allerlei tinten. Nog verder af, waar de helling veel geringer wordt,

zijn vlakke terrassen zonder opstaande randen, trapgewijze afdalend;

het water vloeit hier eenvoudig langzaam in een dunne laag over de

geheele sintelmassa heen.

Soms is die vlakte te droog; dat hangt er grootendeels van af of

de wind de geyserkolom naar de eene zijde of naar de andere zijde

waait en dichterbij of verder af doet neervallen. Want de uitbarsting

moet elk uur het noodige water voor het overvloeien in het volgend

uur leveren. Op dit breede terrassenvlak komen groote vlokken van

zwarte geleiachtige wiermassa's voor, die het terrein hier en daar

zoo glibberig maken, dat het gevaarlijk is er op te loopen.

Old Faithful staat niet alleen; rondom hem ziet men nog ruim een

half dozijn kraters van ongeveer gelijken bouw en ontwikkeling. Zij

staan allen op denzelfden breeden heuvelrug, vlak langs de rivier,

waarheen dan ook het geyserwater afvloeit. Maar al die buren zijn

sinds lang uitgedoofd en onwerkzaam geworden.

De krater is een diep gat op den top van den vlakken heuvel. Rondom de

eigenlijke opening is een dikke wal opgegroeid, sierlijk geteekend met

randen en lijsten als aanduiding van de werkzaamheid der wieren. In

het gat ziet men in de rustperiode geen water, doch voortdurend

komen er heete dampen uit te voorschijn. Aan de noordzijde is de rand

hoog en onregelmatig, omstreeks een halven meter hoog. Hij bestaat

uit een grijswitte steenmassa met ronde vormen, en overal ziet men

de fijne ribbelingen van den wiergroei. Naast den krater en hier

en daar over den heuvel verspreid zijn een aantal kleinere gaten,

waarin water kookt of waaruit stoom komt. Voortdurend hoort men de

onderaardsche opborrelingen.

Langzaam wordt nu de stoommassa in den hoofdkrater dichter en van

tijd tot tijd stijgt zij wat hooger op, terwijl de wind de nevels

zuidwaarts drijft. Voor enkele minuten zag ik den krater nog leeg,

nu spuit hij herhaaldelijk groote druppels heet water omhoog, en rust

dan schijnbaar weer eenigen tijd. Maar het onderaardsche geluid hoort

men nu voortdurend, het wordt langzaam sterker.

Plotseling wordt een watermassa tot een hoogte van een meter in

druppels opgeworpen, en weer volgt schijnbare rust. Dan volgt weer

zulk een kleine, voorloopige uitbarsting. Allengs worden deze talrijker

en krachtiger, doch de pauzen duren soms nog eenige minuten. Nog eens

wordt de dampzuil hooger en voller, dan weer lager en zwakker, en van

tijd tot tijd worden weer gulpen waterdruppels omhoog geworpen. Dit

voorspel duurt ruim een kwartier, dan volgt weer schijnbare rust,

ofschoon de stoom en het geluid voortduren.

Plotseling volgt nu de uitbarsting. Huizen hoog wordt het water in

een dikken straal van druppels omhoog gezonden, schok volgt op schok,

en de fijne nevel, die alles omgeeft, wordt door den wind voldoende

op zijde geschoven, om het geheele spel te laten zien. Geen straal of

zuil van water komt er omhoog, alles is stof-fijn verdeeld in grootere

en kleinere druppels, in onnoemelijk aantal. De druppels verplaatst de

zachte wind maar weinig; zij vallen rondom neer, en over den geheelen

geyserheuvel vloeit nu voor een korte pooze het heete water. Na een

paar minuten wordt de zuil van druppels iets lager, maar dan duurt

het nog geruimen tijd vóór zij sterk vermindert. Telkens komen er

nog schokken, die de druppels weer wat hooger opwerpen. Eerst na

ongeveer vijf minuten houdt het spel op. Ik ging er terstond heen,

maar de krater was leeg, zoover ik in zijne diepte kon zien, en alleen

met dwarrelende stoom gevuld.

Toen volgde weer ruim een half uur van rust en daarna begon allengs

het voorspel. Dit duurt, met de uitbarsting zelve, bijna een half

uur. Zoo gaat het jaar uit jaar in, met de groote regelmatigheid,

die er den naam van Old Faithful aan heeft doen geven.

Ik had op dien namiddag nog verscheidene malen het voorrecht de

uitbarsting te zien, maar telkens bevond ik mij op een anderen afstand

en min of meer aan een andere zijde. Telkens ook woei de wind anders,

en werd de wolkenzuil, die de druppelmassa omgaf, of ter plaatse

gehouden of in andere richting en op andere wijze weggedreven. Eenmaal

kon ik, op aanzienlijken afstand staande, de hoogte van de rookzuil

goed vergelijken met de hoogte der boomen in het bosch er achter;

de rook dreef in horizontale richting weg, ver boven de toppen

der dennen. Over het algemeen ziet men de trotsche trekken van het

verschijnsel pas op eenigen afstand goed; eerst hier is het werkelijk

indrukwekkend. De bizonderheden treden op den achtergrond en vooral het

voorspel, dat betrekkelijk zoo lang duurt, ziet men niet. Plotseling

en zonder voorbereiding ziet men de geweldige zuil van damp en water

omhoog stijgen in al de schittering van het zonlicht, en kort daarop

verdwijnt zij even plotseling en keert de volle rust van het landschap

weer terug.

Na de uitbarsting van Old Faithful gadegeslagen te hebben volgde

ik den stroom van zijn water naar de Firehole [31]-rivier en ging

over een brug naar de andere zijde, waar op een uitgestrekt, een

weinig golvend terrein een groot aantal der kleinere geysers bijeen

liggen. Hier had ik een gunstige gelegenheid om vele bizonderheden

te leeren kennen, zoowel omtrent het koken van het water als vooral

omtrent de werkzaamheid der sintelwieren, die de randen en de

kraterkegels opbouwen.

Tea Kettle [32] is een ronde ketel van 2-3 meter doorsnede, met een

lagen opstaanden rand, die zich niet meer dan een paar decimeters

boven den ketel verheft. De rand is dik en van boven naar binnen toe

omgebogen. Het water vult den ketel met een heldere, doorschijnende,

donkerblauwe massa, en ergens in den bodem, op eenigen afstand van

het midden, is een gat, waaruit het voortdurend heftig opkookt. De

ketelrand heeft een overlaat en een lek. Het lek ligt iets lager en

daaruit vloeit voortdurend water. Het is een horizontale spleet in

den overigens gaven wand. Het is de oorsprong van een beekje, met

witte wierafzetsels in 't midden doch met zwarte, glibberige, levende

randen. Verder op, waar 't water minder heet is, worden de witte

wieren door oranjeroode soorten vervangen. De overlaat is bizonder

fraai gebouwd, daar de geheele meer dan handbreede oppervlakte er van

met kleine koraalvormingen dicht bezet is. Aan de buitenzijde is een

klein vijvertje, dat somtijds een afvloeibeekje heeft, maar dit was

tijdens mijn bezoek droog. Die koraalvormingen in den overlaat zijn

een begin van herstel der opening en leeren dus hoe de geheele wand is

opgebouwd. Let men hier op, dan ziet men aan die zijde van den ketel,

waar de winden van tijd tot tijd het water over den rand kunnen waaien,

juist dezelfde koraalvormingen, maar kleiner, dikker en meer tot een

dichte massa aaneensluitend. Zij staan in groepjes, die de richting

van het overvloeiende water volgen en dus dwars over den ketelwand

gaan; op de buitenvlakte zijn de koralen langer en met zuiverder,

meer levende toppen dan op den bovenkant. Elders op den rand is de

droge oppervlakte klaarblijkelijk afgesleten, maar vertoont toch nog

dezelfde structuur. Ook zijn de openingen tusschen de wierkoralen

hier door nieuwere formaties grootendeels toegegroeid. Hier en daar

is door deze vormingen de wand fijn getand of gegolfd of gekarteld,

maar zelfs in die tanden en kartelingen is de massa zoo hard als

steen. De witte wiermassa is dus hier niet eerst een dikke gelei,

maar verkiezelt nagenoeg in gelijke mate als zij groeit.

Topaas-pool is een jonger voorbeeld van dezelfde ketelvorming. Zij

is van boven nog wijder open en zoo breed, dat zij aan haar rand

voldoende afgekoeld is voor den groei der bruine wieren. Dit heeft

haar klaarblijkelijk haar naam doen geven. Het opborrelende water

stroomt in een breede beek snel weg, terwijl het over verscheidene

meters van den weg in zijn midden nog te heet is om den groei der

bruine wieren toe te laten.

Vlak er naast is een breed gat, zoo breed dat men er bijna in

zou kunnen afdalen. Heel in de diepte ziet en hoort men het water

koken. Zulke gaten, kleine heete bronnen, kleine kokende vijvertjes en

kleine geysers zijn hier talloos over den geheelen geyserietheuvel

verspreid, veel te talrijk om ze afzonderlijk op te noemen. Zij

vertoonen alle een zekere periodiciteit, de een meer, de ander

minder. In intervallen van enkele minuten pleegt het water nu eens

harder en dan weer zachter te koken en soms bijna geheel zonder

beweging te zijn.

De vormen der vijvertjes zijn zeer verschillend, maar naderen meestal

tot het cirkelronde of wijken daarvan alleen om plaatselijke redenen

af. Eén, twee of drie meters middellijn is de gewone grootte.

Beach is de naam van een diepen ketel, omgeven door een breeden

vlakken rand. Op dezen rand staat het water maar een vingerdikte

hoog, en een kleine lijst beveiligt het tegen wegvloeien. Die lijst

is echter zeer onregelmatig, zoodat het water bij de minste golvende

beweging overvloeien kan. Tusschen den diepen ketel en den vlakken

vijver er rondom is ook een sintelrand, die boven het water uitsteekt,

maar waarover het toch telkens bij het koken wordt heen geworpen. De

bodem van den vlakken vijver is met brosse, korrelige wiermassa's

dicht begroeid; zij zijn lichtgeel van kleur. In den diepen ketel is

het water helder blauw en in de diepte ziet men de vooruit groeiende

gedeelten van den levenden wand als ronde witte rotsblokken.

Juist had ik deze beschrijving gemaakt, toen het water in den ketel,

dat zoolang rustig geweest was, heftig begon op te koken. Dit

duurde echter slechts kort, daarna kwam weer rust, ofschoon nu

en dan afgebroken door het opstijgen van groote stoomblazen. Nu

begint het weer heftiger te koken en talrijke groote stoombellen

komen uit de diepte te voorschijn. Ook schijnt de watermassa toe te

nemen. Allengs worden de stoombellen zoo talrijk en zoo krachtig,

dat zij waterdruppels meenemen en in de lucht slingeren. In golven

stroomt het water over den rand van den ketel in den omringenden

vlakken vijver, maar toch is slechts een zeer geringe overvloei van

dien vijver er het gevolg van, en allengs komt de kokende massa weer

tot rust. De onderaardsche spleet werpt dus hier veel stoom maar

slechts weinig water omhoog.

Kleinere poeltjes zijn in het algemeen duidelijker van bouw dan de

grootere. Men ziet dat de geheele wand, tot zoo diep het oog reiken

kan, met groeiende steenmassa's bekleed is. De wieren daarin groeien

niet in vlakke lagen, maar maken overal vooruitstekende hoorntjes,

die zich soms tot groote halve bollen vereenigen, soms kartelranden

maken en in het algemeen een zeer groote verscheidenheid van vormen

voortbrengen. Dikwijls groeien zij in verdiepingen van lijsten, de

bovenste aan de oppervlakte van het water, de overige trapsgewijze

lager.

Dichtbij was een trechtervormige put, die geheel met een geelbruin

wier bekleed was. Alleen de randen waren grijs, en de kleurverdeeling

was dus juist andersom dan in de meeste overige gevallen. Toch was

ook hier het water kokend heet. Vlak er naast zag ik een diepe,

met heet water gevulde kloof met zuiver witte, koraalachtige wanden.

Lion, Lioness en Cubs [33] zijn namen van dergelijke grijswandige

formaties, die reeds een hoogeren ketelrand om zich heen gevormd

hebben. Hun water kookt hevig, zij staan dicht bijeen op een heuveltop

met vrij steile wanden. Bee-hive, een der meest bekende kleine geysers,

heeft rondom zijn krater een wand gemaakt die sterk op een bijenkorf

gelijkt, maar van boven open is. De korf is ongeveer een meter hoog.

Na deze groep van kleine geysers en vijvertjes beschouwd en nog

een laatsten blik over het periodisch opspuiten van het water

geworpen te hebben, begaf ik mij weer naar de andere zijde van de

Firehole-rivier. Hier verheft zich de Castle als een kasteel boven

op een grooten, vlakken geyseriet-heuvel.

De Castle is een der grootste geysers, werpt zijn waterdruppelzuil

vele malen hooger en in veel dikkere massa op dan Old Faithful, maar

wisselt dan ook zijn werkzaamheid met perioden van rust af, die langer

dan een dag duren. Ik had niet het voorrecht een uitbarsting te zien,

maar daarentegen wel de gelegenheid om de formatie zeer nauwkeurig

te bestudeeren. Deze biedt hier meer afwisseling dan bij de meeste

andere geysers. Op den geyseriet-heuvel, dicht bij den Castle-geyser

bevindt zich een vrij groot, ondiep meertje "Crest" [34] of "pool"

[35] geheeten, en verder ziet men er een aantal andere poeltjes en

spleten met kokend water of met stoom.

Het kasteel is een bijna zuilvormige kraterwand, ongeveer manshoog

en even breed; het wierp tijdens mijn bezoek voortdurend stoom en

ongeveer om de minuut een smalle maar hooge zuil van waterdruppels

uit. Aan de westzijde is de wand steil en de voet rond, aan de

oostzijde echter bestaat de voet, onder de zuil, uit een trapsgewijs

gebouw van terrassen, waarop het water, dat het kasteel uitwerpt,

neervalt. De geheele heuvel is grijs, en van terras naar terras

stroomen breede beekjes vol heet water. De randen der terrassen golven

sterk en zijn geheel met koraalvormingen bedekt, en dus van nabij

gezien uiterst fraai. Op een afstand maakt dit alles zeer sterk den

indruk eener oude ruïne. En deze indruk wordt nog versterkt door de

vele gaten en holten, openingen die door uitgroeiingen der wierranden

overwelfd zijn, en die aan dezen krater een zeer eigenaardig karakter

geven. Aan den steileren kant vloeit het water sneller af, en hier

zijn de koraalvormingen dus veel minder ontwikkeld. Ook brokkelt en

schaalt die massa hier voortdurend af, waarschijnlijk omdat zij te

dikwijls droog is. Rondom den voet, waar het overvloeiende water al

afgekoeld is, is de grond evenzeer van een schaalachtigen bouw, met

een geribbelde oppervlakte maar zonder de eigenlijke koraalvormingen.

Kon men van den eigenlijken kraterwand een stuk zoo groot als

een hoofd afnemen en afzonderlijk vertoonen, zoo zou het zeer

gemakkelijk met een echt koraal verward kunnen worden, zoo groot

is de gelijkenis. Ik bedoel met die soorten van koralen, die als

bollen van een dichte vertakte massa opgroeien, zoodat de oppervlakte

voortdurend met tallooze kleine opstaande takjes bedekt is, terwijl

de massa daaronder aaneengegroeid en steenhard geworden is. Dezelfde

eigenaardige verdeeling in vakken en groepen vindt men ook hier.

Op den breeden voet, waarop dit kasteel rust, liggen de schalen

tamelijk los op elkander. Sommige schalen zijn zoo dik als papier,

andere zoo dik als een vinger; overal vertoonen zij de ribbelingen

der randwieren, dikwijls in zeer fraaie teekeningen.

De overvloeiende watermassa stroomt in talrijke groote en kleine

beekjes langzaam naar beneden en vereenigt zich hier en daar

met het water der andere heete bronnen van dezen heuvel. Op eene

plaats vormen zij een breeden poel, die geheel met de oranje-roode

wiersoort volgegroeid is, afgezien van smalle gekronkelde lijnen,

waarin het water in dezen poel omlaag stroomt. Het water is zoo heet,

dat torren, libellen en andere insecten er in sterven als zij er bij

ongeluk in vliegen; toch tieren de roodbruine wieren hier welig. Langs

de stroompjes ziet men ze in lange, fijne, sterk vertakte draden,

boomvormig als de stroom ze vrij laat, en als natte penseelen overal,

waar de stroom ze heen en weer wiegelt. Op den bodem vormen zij een

zeer sierlijke teekening, een bekleeding die fluweelachtig naar een

zelfde richting heenvloeit. In de diepte helderbruin, zijn zij dichter

bij het oppervlak donkerder van kleur en tevens meer geleiachtig. Waar

het water, tusschen de stroompjes, stilstaat, groeien zij omhoog,

zoodat zij er een sierlijk netwerk van walletjes van een vrij

vaste gelei vormen. Die walletjes houden het water tegen en doen het

stilstaan, trots de zwakke helling van den bodem aan den poel. Nu eens

omsluiten die walletjes kleinere, en dan weer grootere watervakken.

Is het water door den groei dier walletjes dieper geworden, dan groeien

de oranje bruine wieren als dunne boompjes omhoog, om zich eerst

aan de oppervlakte uit te breiden. Zij zien er dan uit als tallooze

kleine paddestoelen, wier koppen op dunne stelen rusten en allengs

tegen elkander aan gaan sluiten, zoodat zij een dicht vlies over het

water vormen. Zinkt nu de oppervlakte van het water, hetzij doordat

de toevoer vermindert, hetzij doordat tijdelijk een betere afvoer tot

stand komt, dan wordt deze oranje massa allengs geheel wit, maar blijft

nog staan als een harde geleikorst. Verdroogt zij dan ten slotte, zoo

wordt de grond weer begaanbaar, en maken de kiezelwieren het geheel

bros en korrelig, zoodat het weldra in een zanderige massa verandert.

Het beschreven poeltje is klaarblijkelijk van jonge vorming en grenst

aan de eene zijde aan een ouder gedeelte, dat met grassen, asters,

gulden roeden en andere kleine, meest bloeiende planten begroeid

is. Enkele vooruitspringende grasplanten zag ik door het heete

water gedood.

Langzamerhand ontstaat in dit poeltje een laag van een zeer poreuze

structuur, die in verhouding tot het kiezelzuur, dat uit het water

wordt afgezet, rijk is aan organische stof maar ook rijk aan die

zouten, die voor het leven en den groei der wieren noodig zijn. Deze

stoffen zijn dezelfde, die ook het voedsel voor de bloemplanten

vormen, en daaruit volgt, dat als eenmaal dit poeltje opgedroogd

zal zijn, de grond voor allerlei plantengroei bizonder geschikt

moet worden. Dit verklaart ons op een zeer eenvoudige wijze waarom

de heuvels van geyseriet over het algemeen zoo spoedig met gras en

andere planten begroeid worden. Er is daartoe niet veel anders noodig

dan dat de heete waterstroom tijdelijk naar een andere zijde wordt

afgeleid. Het verklaart ons tevens, hoe de dennen bijna even gaarne

op deze gesteenten van jongen vulcanischen oorsprong groeien als op de

lava's, die overal rondom deze vallei de boschbedekte bergen vormen. Op

deze is het verweerend gesteente rijk aan minerale voedingsstoffen,

terwijl de geyserietheuvels niet alleen uit kiezelzuur bestaan,

maar ook uit die andere bestanddeelen, die hier niet door verweering

ontstaan, maar rechtstreeks door den groei der wieren vastgelegd zijn.

De verandering der levende wieren in dit vruchtbare gesteente

verdient nog een nadere beschouwing. Zij vormen een vlies, dat aan

de onderzijde langzamerhand verkiezelt; zij plegen daar meest vast

met den onderliggenden bodem te zijn verbonden, daar zij slechts

een voortzetting van den groei en de transformatie van dien bodem

zijn. Doch soms laat de bovenste korst in kleine stukjes min of meer

gemakkelijk los; en dan blijken die stukjes op de breukvlakte groen

te zijn. En dit zoowel als de bovenkant donkerbruin is, als wanneer

zij zoo bleek is, dat men er geen wierleven in vermoeden zou. Het

groen is blauwachtig in allerlei tinten, zoodat men daaruit mag

afleiden dat hier soorten uit de groep der Blauwwieren de hoofdrol

spelen. De losgelaten stukjes bevatten vrij veel kiezelzuur maar

zijn nog bros en het was gemakkelijk ze tot een fijn poeder te

wrijven. In de onmiddellijke nabijheid der geyserbekkens en der

heete bronnen droogt deze korst veelal langzaam op, en ik vond haar

op verschillende plaatsen afschilferend. Dan was de droge bovenkant

der schilfers hard en grijs, maar de onderkant was nog geleiachtig en

groen. Daar ging dus het leven nog voort, en kon het telkens, als de

bron er water overheen werpt, opnieuw werkzaam worden en kiezelzuur

vastleggen. De kale, harde, schijnbaar rotsachtige grond is dus hier

overal levend en groeiend. Hoe diep deze gelei nog vochtig genoeg

blijft om te leven, en hoe dik dus de laag is die nog groeien kan,

is moeilijk na te gaan. De geheel losgeraakte schilfers, waarmede

de geyserietheuvels overal bedekt zijn, zijn natuurlijk ook aan de

onderzijde grijs, al bevatten zij misschien hier en daar nog levende

overblijfselen van wieren.

Evenals de bruine wieren vond ik ook de zwarte gelei op den bodem der

koelere beekjes van onderen groen en hard. Aan de randen der heete

bronnen drogen de wiervliezen niet zelden op, zonder nog versteend te

zijn, en worden zij dus min of meer leerachtig. Ook deze vond ik, als

ze nog vochtig waren, aan de onderzijde groen, terwijl de bovenkant

bruin of zwart was. Hier en daar zag ik ook, hoe de diepere beekjes

soms gleuven in den grond maken, en waar de wanden schuin overhellen

en dus een onderkant hebben, is deze dan duidelijk groen. En dit ook

daar, waar het water nog zeer heet was.

Een zeer eigenaardig geval van den groei der kiezelwieren zag ik aan

den rijweg dicht bij den Castle-geyser. Een deel van het water uit deze

bron wordt in een kunstmatige greppel verzameld en van deze uit door

een houten goot naar een grooten houten bak naast den weg geleid. In

de goot is het water nog zeer heet, in den bak nog warm. De bodem van

die goot is bekleed met de bruine wieren, die er deels in vlokken en

deels in draden groeien, en die, als men ze wegveegt, van onderen

weer blijken groen te zijn. Zij zetten nog laatste overblijfselen

van het opgeloste kiezelzuur uit het water af en vormen dus allengs

een verhardende korst tegen de binnenzijde van den wand der goot.

Tusschen al deze lage en breede geyserietheuvels, met hun

tallooze bekken en spleten, stroomt de Firehole-rivier in sierlijke

kronkelingen. Soms hellen de heuvels zoo sterk, dat zij het water nog

heet in de rivier brengen; soms zijn zij zoo vlak en wordt het water

zoo breed uitgespreid, dat het afkoelt en een soort van moeras vormt,

waarin gras en biezen en talrijke bloemen welig tieren. Vlak langs de

rivier vindt men somwijlen ook heete bronnen, soms ook kegelvormige

kraters rondom kokende poeltjes. Meest zijn zij grijswit, soms met

bruine wieren zoo sterk overgroeid, dat de toeristen ze met den naam

van chocolade-potten bestempelen. Enkele kraters liggen niet hooger

dan de rivier zelf; kokend en in een breeden stroom zag ik hier het

water in de rivier vloeien zoodat plaatselijk alle groei van hoogere

planten belet werd. Zelfs hoog opspringende geysers vindt men aan

den rand van den stroom, bijna in de rivier zelve.

Rondom zijn de bergen met het donkere dennebosch bedekt, of ziet

men op de hellingen de tallooze kleine gewassen, die ze met een

dicht en overal bloeiend gazon bekleeden. In de moerasachtige

gedeelten langs de rivier, tusschen het hooge gras, schitteren de

blauwe sterbloemen der Sisyrrhynchium's, de gele Mimulus, paarsche

asters, lange witte bloemtrossen van Orchideeën en tal van andere

fraai bloeiende planten. Overal heerscht leven en prijken bonte

kleuren. Maar de grond waarop zij groeien is grootendeels zelf een

product van het leven, zij het dan ook van allerlaagst georganiseerde

wezens en van een groei onder de meest vreemde omstandigheden. Onder

en boven den grond wedijveren de wieren en de bloemplanten. Maar

terwijl de laatste telken jaren verdwijnen, hoopen de kleine wieren

in den loop der eeuwen hunnen arbeid op, en stichten zij de kraters en

geyserietheuvels. Zoodoende herinneren zij ons levendig aan Harting's

woord: De macht van het kleine.

Reeds meermalen heb ik opgemerkt, dat volstrekt niet alle geysers hun

water tot aanzienlijke hoogte opwerpen. Integendeel, verreweg de meeste

zijn slechts warme bronnen, waarin het water wel kookt en opbruist,

maar slechts tot een geringe hoogte opspat. Ik kom daarom thans tot een

beschouwing van de warme bronnen en de stoomspleten. Wat de geysers

ook vóór mogen hebben door hun geweldige werkingen, de warme bronnen

winnen het verre van hen in schoonheid. De namen Gem [36], Jewel [37],

Emerald [38] pool, Morning glory--de engelsche naam voor den blauwen

Convolvulus,--en talrijke andere bewijzen dit ten duidelijkste. De

stoomspleten vinden weinig aandacht, zij zijn uitermate talrijk en

meest kleine, soms zeer kleine gaten in den gewonen beganen grond. Soms

spuiten zij stoom uit, soms hoort men er een borrelend geluid in en

soms ziet men in de diepte wat kokend water. Maar eigenlijke open

vijvertjes vormen zij niet; dit is het type der warme bronnen.

De vijvertjes zijn meest alle nagenoeg even groot, en eenige weinige

meters in diameter; soms echter zijn twee of meer naburige vijvertjes

ineengevloeid en toonen zij biscuitvormige gedaanten. Het oppervlak is

meestal cirkelrond of daartoe naderend. De bodem is soms panvormig,

soms trechtervormig en soms meer trompetvormig. In het eerste geval

ziet men in de diepte een aantal plaatsen, waar de stoomblazen in het

water opstijgen; terwijl in de trechter- en trompetvormige bronnen

de stoom bijna uitsluitend of tenminste in hoofdzaak uit de diepte

van het midden te voorschijn komt.

Het water is zeer helder en de wanden zijn meestal wit, terwijl in het

diepste gedeelte de bodem niet gezien kan worden. De kleur van het

water is blauw, het diepste gedeelte bijna zwart. Deze kleur is zoo

zuiver, dat zij alleen voldoende zou zijn om de bronnen tot juweelen en

edelgesteenten te stempelen, maar zeer dikwijls zijn deze nog gevat in

een ring van goud of van zilver. Dit is dan het geval, wanneer de rand

zich zeer vlak uitspreidt, wat vooral bij de trompetvormige voorkomt;

dan groeien daarin oranjebruine of zilverwitte wieren, die een

gelijkmatig overtreksel over den vlakken bodem van den ondiepen rand

vormen, wat dan den indruk van een ring rondom een edelen steen maakt.

Uit de duistere en raadselachtige diepte stijgt de stoom in blazen

op. Nu eens in enkele groote, dan weer in talrijke kleine. Valt

het licht gunstig in, dan schitteren deze blazen in de diepte als

zilver of als goud, en worden dan soms, om hun beweeglijkheid, met

vlammen vergeleken. Omhoog stijgende doen zij het water opborrelen

en koken. Met den stoom wordt ook heet water opgevoerd, doch in

zeer wisselende hoeveelheden. Men leidt dit af uit het feit, dat de

vijvertjes voortdurend overvloeien; het overtollige water loopt dan

over den rand weg. Want elk vijvertje neemt in den regel het hoogste

punt van den vlakken heuvel in, waarop het voorkomt. Sommige nu

vloeien sterk over, andere weinig, nog andere in het geheel niet.

Tot de helderheid van het water en de overweldigend schoone kleuren

draagt de bouw van den trechterwand zeer veel bij. Deze wand toch is

meestal zeer zuiver wit. Zelden is hij vlak, of volgt hij nauwkeurig

de bochten van den trechter, trompet of pan. Meestal ziet men hier

en daar grootere en kleinere vooruitstekende bochten, die aanleiding

geven, dat op de betrekkelijk eenvoudige thema's, zooals ik ze aangaf,

tallooze varianten voorkomen. Bedenkt men daarbij dat de donkere diepte

soms rond, soms ovaal en soms spleetvormig is, en dat de bovenste

en buitenste rand in hooge mate van de omgeving afhankelijk is, dan

kan men zich gemakkelijk voorstellen dat geen twee van die bronnen

precies aan elkaar gelijk zijn.

Trots de groote hitte is de geheele wand levend. Hij bestaat uit

microscopisch kleine wieren, die zich voeden met de opgeloste

bestanddeelen van het water en die het kiezelzuur er uit vast

leggen. Deze wiertjes zijn geleiachtig en slaan het kiezel ook

als gelei neer, maar zij worden spoedig zoo hard, dat men de

weeke oppervlakte ternauwernood voelen of zien kan: deze vormt

slechts een dun overtreksel van de steenharde, maar toch levende

massa. De temperatuur van het water komt, tot aan den rand, nabij het

kookpunt. Ik nam in eenige bronnen 86-90° C. waar, terwijl ik den bol

van mijn thermometer tegen de levende wieren aandrukte. Het kookpunt

van water is op deze hoogte slechts 92° C.; het hangt, zooals men

weet, van de drukking der lucht, of van den barometerstand, zooals men

het noemt, af. Men kan dus veilig zeggen, dat de geheele warme bron

nagenoeg kokend water bevat, en dat de wieren dus aan deze temperatuur

blootgesteld zijn. Wat ze niet belet om krachtig te groeien.

Al naar gelang van de soorten der wieren en van de bizondere

omstandigheden, groeien zij bij voorkeur als randen of als koralen. In

het eerste geval vormen zij talrijke ribbels, wier richting dwars

op de richting staat, waarin het water over hen heenvloeit. In het

laatste geval vormen zij korte, opstaande zuiltjes, zoo dik als een

pink of dunner, en die zich veelal naar boven toe vertakken. Maar

veel hooger dan een centimeter worden die zuiltjes niet, omdat zij

zich van onderen snel verbreeden en daar dus tot een samenhangende

massa inéén groeien. Overeenkomstige groeiwijzen vindt men trouwens

ook bij de stoomspleten en rondom de geysers. Zeer fraaie, gitzwarte

koraalvormingen bekleeden den geheelen binnenwand van den Black

Growler, die daaraan dan ook zijn naam ontleent. Het is een groote,

wijde spleet waarin het water nu eens tot onzichtbare diepte wegzakt,

en dan weer opbruist, totdat het den smallen trechter geheel of

ten deele vult. Vult het hem geheel, dan bevochtigt het het geheele

zwarte koraalvlak en vloeit over, maar talrijker zijn de perioden

dat het minder hoog opborrelt en dus den bovensten rand alleen met

stoom bevochtigt.

Het overvloeiende water vormt de geyseriet-heuvels evenals bij de

geysers. Overal, waar de grond vochtig is, groeien de kiezelwieren,

en leggen zij het kiezelzuur en de minerale bestanddeelen uit

het water vast, zoodoende den grond met een nieuwe steenschaal

bekleedende. Vloeit het water dan weer eens aan een andere zijde over

den rand, dan wordt de eerste vlakte droog en verbrokkelt zijn nieuwe

schaal, zoodat bijna overal de geyserietvlakten met zulke verbrokkelde

gesteenten bedekt zijn.

Waar dit heete water over een helling vloeit die met planten begroeid

is, doodt het ze. Niet alleen door de hitte, maar vooral door de

vorming van een harde en ondoordringbare kiezellaag, die de lucht van

de wortels afsluit en deze daardoor doet sterven. Telkens en telkens

ziet men boomen die zóó gedood zijn, en zoowel in het Norris-bassin als

op andere plaatsen zijn soms geheele bosschen op deze wijze te gronde

gericht. De kale, gebleekte stammen getuigen dan nog jaren lang van

de ramp. Soms vallen die boomen in een bron of over den rand, en dan

worden zij geheel met een kiezellaag overtrokken. Ook kleinere takken

en losse naalden worden zoo verkiezeld, en naast een bron vond ik,

toen ik een stukje steen opnam en omkeerde, aan de onderzijde een

paar dennenaalden op deze wijze uiterst fraai versteend.

Zeer kenmerkend voor de warme bronnen is de neiging van de korstwieren

van den rand om in een dunne laag over het water heen, en dus naar het

midden der bron toe te groeien. Bij den ingang van het Elk-Park zag ik

een vrij groote, langwerpige bron die over de eene helft met zulk een

laag bedekt was, de andere was nog open en liet het diepe en helder

blauwe water zien. Soms brokkelen deze randen af en dan kan men hun

inwendigen bouw uit schalen duidelijk waarnemen. Meestal nemen zij

allengs in dikte toe en vernauwen den vijver. Zoo zijn wellicht de

kleinere waterhoudende gaten door het gedeeltelijk dichtgroeien van

vroegere vijvertjes ontstaan.

In zeer enkele heete bronnen is het water troebel en modderachtig. Zoo

b.v. in de paint-potten, die op grijze verfpotten gelijken, en over

de geheele oppervlakte koken. Trouwens, allerlei afwijkingen van het

gegeven beeld komen voor. Van deze wensch ik hier alleen te wijzen op

den Excelsior-geyser, die een kuil van vele meters diepte in de oude

geyseriet-lagen gemaakt heeft en daarin een meertje vormt, zoo groot,

dat men door de heete nevelen heen de overzijde niet zien kan. En

eindelijk het Prismatic-lake, daar dicht bij, waar de geheele bodem,

zoover ik zien kon, uit groote schuin geplaatste schotsen van een licht

groene kleur en een geleiachtig draderige structuur bestond. Bizondere

soorten van wieren geven aan zulke meren en plassen een zeer bizonderen

kleur en vorm, zoodat zij dan ook telkens en telkens op den bezoeker

een anderen indruk maken.

Chicago, Aug. 1904.

Het Yellowstone-Park · 第 8 / 12 题