De Man zag haar aan, en zei: "Ja."

Toen weer stilte.

Langzaam, héél langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten

vast hield; en ze spraken niet.

--Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen

mooi vond.

--Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten

de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen

ze. Stom! eenvoudig stom!

Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne

iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al

maar zwijgend.

Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen.

--Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft

je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn!

Nu was de Man het dichtst bij het viooltje.

Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen:

"Ik heb je nog zooveel te zeggen!"....

De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien,

want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't

lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien

met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei:

"Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo."....

Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over

hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan

strak liggen op den grond.

--Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te

zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat

doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar

ben ik zeker van!

--Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje

rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd.

--Vindt je dat dan zoo prettig?

--Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem... en... ik

houd zoo van licht!

--Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht

hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en

van 't alléén zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan?

--Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze

weêr kwam!

--Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht!

--Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien

hebben!

--Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet

kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde

de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken,

en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten.

--Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht

't viooltje.

De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan

het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes

tegen hem op.

--Het licht van háár stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van háár

hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer.

De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar.

--Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje.

--Naar niets!

--Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem!

--Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en dááraan

denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is,

omdat ze veel te doen hebben.

--Hij zag het licht van haar stem!

--Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets

van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel

verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net

als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste

avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet

wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan

doen. Allemaal gekheid... stòmheid... Natuurlijk doen ze weer zoo,

omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen:

ik wil niets te doen hebben!

--Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem!

--Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven,

en alles vertellen wat ze te zeggen hadden!

--Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't

mijne wezen!

--Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in

hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze

een papier hebben waarop staat dat ze het mòèten doen. Dàn doen ze

't, al zouden ze véél liever niet bij elkaar blijven.

--Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat

iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen:

je moet héél graag blijven of heengaan! Ik zou 't wàt naar vinden,

als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik mòet bij

je blijven.

--Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze

wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen

ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de

duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort.

--Dan vind ik den duivel zoo erg niet!

--Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge

deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dòm!!

--Hoe kwam je vader bij de menschen?

--Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot,

dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land,

naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen

kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam

hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half

vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk

ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken

dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij

de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij

zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen

de zon buiten zóó lekker scheen, dat vader boven op het laddertje

geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zóó te

verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat

is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak,

en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om

zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen.

De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich

altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er

geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al

aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis

woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt,

en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje

valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het

menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We

vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo

mooi van zijn avonturen vertellen toen!

Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet?

--Blijf je hier? zei verheugd het viooltje.

--Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen.

--O, héél veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen... en dan... je

bent zoo knàp... Je wéét zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden,

als ik wakker werd, en je was er dan nog.

--Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik

overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei

de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig

neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren.

--Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem!

--Ik droom nooit.

--Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen:

"Wat is het mooi hier!"

--Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij!

--Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij,

om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den

kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit

niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn.

--Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde

niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig

lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in

zijn kop.

Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten

of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem

zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde

houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap.

Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze

sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het

geluk, niet meer alleen te zijn.

En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen.

En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen

hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame,

hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt

het lichtende geluk in zich, overal.

Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond,

en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten

naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe

dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en

wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde

houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar

zijn mooie, zachte, gemarmerde borst.

Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje:

--Ben je wakker?

--Al lang! zei de kikker bedaard.

--Waarom zeg je dan niets?... Goeden morgen!

--Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen.

--Wat is dat?

--Waar ik zal gaan eten!

--Wat is eten?

--Dat moet je doen om te blijven leven.

--Ik doe het toch nooit!...

--Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet

wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde,

met je wortels die er in vastzitten!

Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar

gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat

met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat

de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe

gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep

nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was

dat wonderlijk! Waarom zocht je bóven de aarde, als je van de aarde

leefde? Waarom?

--Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van

haar overdenken.

--Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding

bewarende.

--O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan

't geen ik niet begrijp.

--Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel

eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit

pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden!

--Je komt toch weer terug?

--Jawel ... als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan

dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur.

--Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan

iets denk?

--Praat er dan niet over.

--Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar

eten en kom gauw terug.

De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van

't stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door,

tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen.

Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om

heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte

oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam

van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar

gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens.

Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur

dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen

alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen,

dat over haar heen hing als een dikke sluier.

Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn

gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer

alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse,

onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen

denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen.

--Kwam de Vrouw maar eens ... dacht ze hardop.

Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar

die lieve stem-muziek.

--Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij

meenam, opdat ik haar àltijd zou kunnen hooren!

Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die

zorgde dat ze leven kon. Wat dàn?... Door een kleine opening in de

dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den

blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht,

en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende.

Maar het licht kuste haar, en zweeg.

Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door,

de stem van de Vrouw hoorde.

--Háár stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren.

Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast

zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem

hoorde; en teleurgesteld riep ze uit:

--Het licht is uit haar stem!

Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante

niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man,

maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en

beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte.

--Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het

licht dan weer in haar stem!... dacht 't viooltje.

De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden,

riep zoo hard ze kon:

--Vrouw!... Vrouw!... Vrouw!

De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte

violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren,

liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog,

denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam

door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras,

en keek naar den grond.

De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en

luisterde....

--Vrouw!... Vrouw!... riep weer 't viooltje.

Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet,

hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze

wijd, wijd open omhoog zagen....

En ze zag een licht komen in haar oogen, en nòg een licht en

nòg een... En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke

wangen... Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag,

kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende

er in, en ging naar de Gedaante, zeggende:

--Aardig, dat ruischen van die dennen!

--'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig

naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet

sentimenteel zijn!

Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur

zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de

morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen.

--Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het

zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't

viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken.

Juist kwam hij aanspringen.

--'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer.

--De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje.

--Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man.

--Zoo, was dat óók een man... Het licht was uit haar stem. Ze sprak

veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem.

--Natuurlijk ... Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze

nú wel.

--Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar

oogen, toen ik haar riep.

--Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat

is héél zeldzaam! En kwam ze bij je?

--Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en

luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen,

en die zijn neergevallen ... ik denk op het pad, ginds! Die moet

je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan,

of bij me houden.

--Dat waren tránen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tránen! Die

kàn je niet weervinden!

--Tranen! Wat zijn dat?

--Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van

de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet

weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels

die neervallen.

--Wat zijn dat?

--Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel

eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet

zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei

kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als

je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de

plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes.

--Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig ... klaagde

't viooltje.

--Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen?

--Neen, wat is dat?

--'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch

wel lichtjes?

--Ja!

--Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er

niets over van hun licht. Dat is dan óók weg!

--Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!... Waarom moet

dat zoo zijn?

--Begin je al weer met den duivel aan te roepen?

--Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden

op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten

waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die

mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de

aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze

aarde!... Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet!

--Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet.

--Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen?

--Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles

heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever

niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Láten ze het dan niet doen! Ik

vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet

met dingen die je niet aangaan!

--Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik

wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat

ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet

laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed?

--Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat

hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik!

--Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi

hier"; vindt dié dat dan goed?

--Die heeft natuurlijk óók veel te doen! Daar komt bij de menschen

alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat

anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding,

nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden.

--Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg

is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!... jammerde

het viooltje weer.

--Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! Hè,

wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen!

En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen.

De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad,

en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij.

--Man!... Man!... Man!... riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon.

De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel

donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed

weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen.

--Het licht! Het licht van de Vrouw!... juichte 't viooltje. Zie

eens! Zie eens!

Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel

donker. Hij zag recht voor zich uit en ging.

--Man!... Man!... riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hóór

toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht

is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie,

mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezién!... Ik heb

het gezién!...

De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn

pas, en verdween.

--Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur

verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet

eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel

gauw dood. Hij dacht óók weer dat de dennen riepen; dat was je geluk,

anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen!

--Ik wóú het!... Ik wóú dat hij me mee genomen had; dan zou ik

misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig

maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hèn, als ik dan maar éérst weet,

wat zij weten!

--Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel

bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij

meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet

aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim,

heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het

nooit te zullen oververtellen ... maar ... jij spreekt toch nooit

iemand ... en ... heel lang leven jullie viooltjes niet!

--Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och,

wien zóú ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet

hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens

luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders

was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch

nóóit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet!

--Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo

dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er

van, dan doen ze dat tòch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond,

vouwen hun vóórpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden"

zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op

den grond vallen: "Waarom?... waarom?... waarom?... 't Gaat altijd

heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't màg

volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort;

en vader wèrd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den

gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders

doen; want antwoord krijgen ze tòch nooit.

Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je

meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden

ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens màg.

--O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vrééselijk

treurig!... snikte 't viooltje.

--Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat

afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet.

--Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil óók

bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door

"waarom?"... "waarom?"... "waarom?"... bidden.

--Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist

voorbij vloog.

--Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het

uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig,

innig treurig.

--Je bent sentimenteel! Dát is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen

lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten

van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!... 't Was misschien nog maar

het beste, als ik je alleen liet.

De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over

het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad,

waar het weiland was.

Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die

gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet

mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond,

zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante....

Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze

mòèst denken, en treurig zijn, als ze treurig mòèst zijn....

--Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed

met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is,

als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik

ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en

springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben,

en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt

je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik

alleen: dat ik nóóit iets weten zal! nóóit iets begrijpen kan!

--Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is

in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap

te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan,

op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou

dat ik vertellen zou, en nu ... ik begrijp je niet!

--Dat ìs 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders

zijn.... Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw,

en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel,

net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren.... En ik

kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is,

en dat ik weten wil, waaròm dat zoo is....

--Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom;

alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien

kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger

bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals

ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat óók altijd

tegen elkaar.

--Maar als ze alleen zijn, roepen ze ...!

--Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu

ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft,

geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen

en laat je met den duivel alleen.... Wat moet je nu beginnen, als de

storm komt en ik ben er niet meer?

--Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zóó

erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot

hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren

om antwoord.

--Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van

alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt tòch nooit!... Nu,

ik ga dan maar! Goeden dag!

De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed

en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets

hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem

opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van

't praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen,

moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen.

Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet

het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx

te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel

succes had.

--Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank

je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood

ben misschien. Ik kan tòch niet leeren, om net als de menschen,

te praten over wat ik nièt denk, en te zwijgen over wat ik wèl

denk!... Vaarwel!--

En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist,

dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer

alleen te zijn.

Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude

kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar

vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer

gedaan hebben om hèm, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud

om aan te raken!

--Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele,

geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje

ziende.

't Viooltje wàs sentimenteel; en dat wàs vervelend. Hij kroop

langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind

van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen

hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland,

waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en

paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot

genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van

de menschen, waar hij zooveel van wist.

"Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben,

't Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende.

.........

Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige

omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen,

en vroeg "waarom?"

En haar stemmetje ging wèg in het ruischen van de altijd-groene,

statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur.

Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de

dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?"

En haar licht stemmetje stéég in het zwijgende licht, dat het wègdroeg

... zonder antwoord te geven.

Van 't viooltje dat weten wilde · 第 5 / 9 题