En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg.
Zoo gingen lange, lànge uren voorbij.
Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne
blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten.
Ze werd heel stil.
Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer.
Ze kwam zacht, alléén, over 't mulle pad.
Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen.
--Vrouw!... riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde.
De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief
de gevouwen handen op.
Toen gebeurde het.
Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar
hoofd lei ze op haar gevouwen handen.
En haar stem, nu héél donker, kwam in het donker héél zacht tot
het viooltje:
--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?... snikte ze.
--Dat is bidden ... dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na:
--Waarom?... O mijn Gòd! waarom?
En wachtte.........
En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken.........
En ze wachtte.........
Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den
hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het
uitstraalde.
En wijd ... wijd ... héél wijd...! zwijgend en rustig, als een
gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze
te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen,
vèr boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister
leed, op de zwarte zwijgende aarde.
En het wétende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende
Vrouw, en op 't viooltje, en zwéég ... als alles.
Toen zag het viooltje dat het wáár was, dat er geen antwoord is....
Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde háár van het
voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden
nu, zonder licht er in.
--Neem me mee!... neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien
op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, àltijd!
De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging.
--Dat was het éénige Licht ... zei ze....
En ze gingen samen verder ... het viooltje stervende, maar bijna
tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat
kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte
vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo.
Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het
zag... En héél stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode
bloempje ... om het te zièn....
Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve
klacht omhoog steeg: "Waarom?".... "Och, waarom?" ...
En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde,
en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden.... En toen
... wist niemand waarheen die te zamen gingen.
--Naar het Licht ... dacht de Vrouw.
Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen,
en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone
schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar
ze vallen.
Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de
menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het
smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde
doet geboren worden.
Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op
aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle
schoonheidzoekende zielen eenmaal, om dáár te sterven. Want het leven,
zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid,
alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers,
die niet loslaten.
Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag.
..................
En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde
hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest.
Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan
had. 't Was er niet meer.--Dood! zei de kikker; en hij sprong
verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij
wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap
lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal
geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze
altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze
wel wilden doen.
En hij làchte dan ook.... Altijd: stilletjes, achter zijn wijs
sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzèlf.
En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde
niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen.
En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als
remedie tegen nadenken, dat onrust brengt:
"Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de
Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er
uit de verte mee."
Zijn vader had altijd gezegd:
In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die
drie samen zijn de "duivel".
Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de
menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte
dus de verwarde theorieën van zijn vader na, die ze van de menschen
nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken,
dat onrust brengt.
Toch was het nog niet zoo héél dom. De theorie was wel wijs; maar
ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die héél deftige
dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten.
Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar
"iets héél ergs" van.
En het niet-zoeken noemden ze "God".
Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en
God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin.
Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht
dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch wéét ... en die hem
soms zwijgend kust....
Altijd zwijgend ... àltijd zwijgend.