VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE.

In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein

viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als

denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid

angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch.

Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinen

reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige,

eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de

moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen

ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is.

Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer,

glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw.

Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van

het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer

licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje.

Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het

ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende

van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche

boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over

het zandpad elkander raakten.

Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag

aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming

wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle

op gelijken afstand van elkaar.

Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen,

van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende

boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek

angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar

heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het

pijn wou doen.

Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel,

en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht!

Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel

eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't

licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen,

toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk

daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind

wat sterker werd.

De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet

zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!... het

fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode

takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven

haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen,

weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer,

zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze

geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend!

Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen,

toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't

verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog

in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze

er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar,

zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren:

de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en

toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde,

toen ze niet durfde luisteren: de melodieën die de dennen zongen in

den nacht, en de melodieën die ze zongen in 't licht, telkens andere,

en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen

wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen,

dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar,

dik-zwart, één waren met den nacht.

Dit alles boeide haar.

Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen,

ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap

zonder droomen.

Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen,

nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar

rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar

aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in

de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk

voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het

had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig

air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was,

scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen

kant kon ze maar even zien.

Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop,

met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen

onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van

omhoog zitten, en wijs neerzien.

Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje:

--Hè, wat is dat?

--Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap

stoor! 't Was bij ongeluk!

--Maar wie ben je?

--Ik heet kikker!

--Wat doe je hier?

--Wel, springen, natuurlijk!

--Waarom?

--Waarom! waarom! omdat ik het doe!

--Moet je het dan doen?

--Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op

dezelfde plaats blijven!

--Waarom niet?

't Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan.

--Hoor eens, zei deze, als je nu nog één keer "waarom" vraagt, ga ik

heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen

"waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me

altijd erg uit mijn humeur brengt.

--Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd

zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan?

--Op 't oogenblik van den straatweg.

--Wat is dat?

--Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal

steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en

hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over

heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al.

De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat

zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde.

--Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje.

--Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien!

--Wat zijn menschen?

--Dieren, net als ik, maar veel, véél grooter. Zie je, jij bent een

plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun

twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen

ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan.

--Waarom doen ze zoo?

--Wat heb ik je gezegd?

--O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos... smeekte 't viooltje

nederig.

--Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te

leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel;

dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij

is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat

zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De

duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen

elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel

ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen;

ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood?

--Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje.

Ze voelde zich héél wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en

een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor

dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet!

--Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait

en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig

de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En

evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuïtie hun vóórzegt,

raadde ze goed.

--Den wind meen je!

--Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor

het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets

heel ergs. Misschien is dat de duivel wel!

--Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last

van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als

je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er

veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond;

dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die

raden elkaar óók altijd aan, om laag bij den grond te blijven.--Zeg,

hoe oud ben je?

--Wat bedoel je daarmee?

--Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan?

--Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en

daarna is 't nog eens weg geweest.

--Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je

nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm

komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je

zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de

dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken

worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het

kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft,

en of de aarde van binnen kermt!

--Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me!

--Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding

als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken,

bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder

me over niets meer!

--Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje.

Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben.

--Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een

grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn

erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt

niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor

ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk

wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je

niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten,

dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets

liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan

hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe

meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze

nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met

alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen

dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk

heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze

praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen,

net zoo min als "waarom" vragen. Eén ding is zeker: als ze je eenmaal

meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je

niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat

kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag

toch héél wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms

wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je

staan kijken, of er héél wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik

alleen van hooren zeggen. Vader zag zóó iets nooit!

--Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker

zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al

begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten;

beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van,

als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg

te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was

't gezellig, iemand zoo bij zich!

--Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen.

--Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er

is zooveel, zie je!

--Wat is dat! riep opeens het viooltje.

Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het

plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de

denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was.

--Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms

's nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten

weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen.

--Slapen die dan nooit?

--Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt

niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk

je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze

"duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed

altijd net of hij het begreep,--dat had hij van de menschen,--en dan

vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen

wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls:

't Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat

ze zijn!... Neen, daar heb je geen begrip van.--Ze maken expres overal

moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil,

en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en

moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze

maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen;

en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk.

En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zèlf eerst maken. Niets

doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel

vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn:

zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?... Begrijpen

doen ze niets! Niet eens, hoe je je ècht lekker voelt. Ik houd het

er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat

ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen

van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal

leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets

weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch

niet énkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al

weer zijn, om maar veel te doen hebben.--

--Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte

pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte.

--Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze:

Man; die witte: Vrouw.

Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit

vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms

een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt!

Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker

in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken

opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even

straalden en verdwenen.

Zoo zag het viooltje.

Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten,

boven het hoofd van de Vrouw.

Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte.

De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op.

Van 't viooltje dat weten wilde · 第 4 / 9 题