Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons

inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans

had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te

herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en

wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een

zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare

oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep

als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij

achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de

kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning

moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons

omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die

met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over

hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op

het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel

in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan.

Één onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen

nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u

wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het

insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van

ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en

bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.

Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat

was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te

verroeren.

Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde

ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen

en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven

worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende

hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit

rog of vloot gekookt was geworden.

Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag

juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in

den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die

kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven,

vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest

gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had

om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men,

dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken.

Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen

zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon.

Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven

in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning.

Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak

der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend.

Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te

laten vinden.

Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp

brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een

bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een

groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in

eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende

tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw

gebonden, op wat stroo te slapen.

De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het

vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende

ledematen.

Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half

twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij

de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak,

deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk

papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig

doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere

woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen

spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het

overige wierp hij in den ziedenden ketel.

Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:

"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar

ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf

uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en

bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet

doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal

hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren

of zien moogt!"

De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd

uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene

doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel

in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid

om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere

te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk

gevestigd.

Nog vijf minuten!

In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu

begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte,

borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op

sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder

de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven

ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren;

de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.

Nog twee minuten!

De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den

breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk

gevestigd, stond hij gereed om te steken....

Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen,

als van iemand, die met eenen stok gaat.

"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij

elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek

overhoop nedervielen.

De deur ging open.--Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den

toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes

en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid

klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met

geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de

hand.

Nog ééne minuut!

"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris.

"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend.

"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de

geneeskunde uit. Dit is verboden."

De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf

uren ging slaan.

"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog één oogenblik, één kort

oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of

gij doodt iemand met uwe handen!"

"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet

volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote

pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!"

Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren;

hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich

vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk

nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!...

Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos

in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is

dood!"

Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de

deur ingeloopen, roepende:

"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en

ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"

De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden

man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd,

als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later

tot eenige maanden gevangenis verwezen.

--Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles

tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien

het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe

legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit?

Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die

onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij

aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken;

want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle

geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een

zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen

beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat

onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde

betoovering?

VOETNOTEN:

43: Eene gemeente bij Antwerpen.

44: Eene gemeente bij Antwerpen.

STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTS

ZEDENSCHETS

Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia

bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de

plaats der poëtische en verleidende Roos, op den troon van het

bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij

u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe

redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn,

alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat

gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het

zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt

Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.

Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers

en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de

meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend

een toets dienen in deze beschrijving.

Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste

gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin,

zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van

iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne

bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het

hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josué,

de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer

nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat

het bed, vóórdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en

rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene

Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en

tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en

begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt

hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te

weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne

vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in.

Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op,

steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een

blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door,

totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht

ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne

huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet;

en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is,

gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij

doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene

Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van

buiten kent,--en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen,

maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren.

Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over

gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en

brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken:

"Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van

tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de

Dahlia?"--Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp

te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45] zijn

aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene

artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is

afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal

ze zeker onder den voet geloopen hebben:--dit zou spijt

zijn!"--Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers

voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia

schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!"

--Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij

zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling

meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.

--En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den

ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren

van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten.

Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op

een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in

Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechts _enkele_ bloemen als

starren geeft,--dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen

Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,--dat deze

plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden

door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen

kruidenhof,--dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802

verkreeg, enz.

Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den

liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de

Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs,

gedurende zijn gansche leven, het _goeden dag_ weigeren.--Hij, die

anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij

zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer

het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een

blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch

niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft

toegesteld.--Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen

onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de

geurrijke Anjelier[46] vertrapt hij met voeten; de overvloedige

bloemende Wolroos[47] geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat

uit de ontwortelde planten van Okulei,--Pioen,--Tuiltje,--Vingerhoed,--

Violier,--Beverken,--Veldklok,--Knaptand,--Lelie,--Brikel[48]

en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door

onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid

gehaat.

Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in

zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden

lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen

liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat de _Marmot_ een dier is, dat

gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te

slapen, en niet ontwaakt vóórdat de zon de aarde met kruiden komt

begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier:

zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen

in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone

van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne

bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des

geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit

levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne

lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor

vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne

veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed

mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den

invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste

maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen

langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne

oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en

nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd

gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die

trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De

Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds

van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene

natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt;

hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken

toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van

eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en

springt den hof in.

Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat;

hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de

losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de

verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de

bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat

de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen

weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze,

gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de

lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond

iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde

overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de

plantenslaap geëindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige

oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de

lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich

met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt

ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater

spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne

lippen stamelen een bevallig welkom. Dáár, voor hem, staat het lieve

Sneeuwzotteken[49] met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft,

als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de

natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij

de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:

"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu

gaan wij weer leven!"

De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij

een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich

te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader

geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit

steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de

andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders

zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat

in een ander vertrek, zonder nog te spreken.

De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer

Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een

middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en

vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de

razernij der Dahlia's.

U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met

spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten

bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.

M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige

kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood,

benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens

doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als

volgt:

"_Anna Maria_ plant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem,

met muizenoorkens en met purperen punten. _Buonaparte_, met haren

stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevens

_Waterloo_ met hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ik _Défiance_

nog planten? Die Dahlia _doet het bijna nooit_[50]. Het is anders nog

al eene aardige: chocolade met melk.--Ik zal haar in het midden

zetten met _Englands pride_, _don Carlos_, _Formosa_ en _Hortense

Knyff_. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet

ik mijne _Striata Formosissima?_[51] Ik mag daar niet losselijk over

beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan

in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen

slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers

moede gezien, eer zij aan mijne _Striata Formosissima_ komen. Dit mag

ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre

niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?"

Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd,

dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de

tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar

vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering

opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen

heeft.

"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijne _Striata Formosissima_

planten?"

Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder

antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer

wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber,

de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit,

zeggende:

"Dat zijn weerkens, eh?[52]"

M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden

van het vertrek, plantte zich vóór hem, zag hem strak in de oogen en

herhaalde als met gramschap zijne vraag:

"Waar zal ik mijne _Striata Formosissima_ toch planten?"

M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen

genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende

gesprek:

BIELENS.--Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op éénen dag niet

moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij

onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik

zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit

met rijp oordeel beslissen.

FRUYTS, _blijmoedig_.--Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet

wat bloemken mijne _Striata Formosissima_ is. Niemand heeft haar in

honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes

medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53] ditmaal eens

kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien.

BIELENS.--Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge

zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?

FRUYTS.--Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder

geweest.

BIELENS, _invallende_.--Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu

eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu

niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang

genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan

nog meer met uitstel plagen?

FRUYTS, _hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen_.--Zie,

Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne

Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze ééne Dahlia.

BIELENS, _in het boeksken lezende_.--"N° 756, _British Queen_,

Well's.--Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond,

overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve

steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu

vastgesteld na Paschen."

FRUYTS, _in gedachte dwalende_.--Dit moet eene schoone bloem zijn,

eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken

aan! Raadt gij mij hem te koopen?

BIELENS, _met ongeduld_.--Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen

Dahlia's meer, vóórdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze

kinderen na Paschen, ja of neen?

FRUYTS, _hij schudt het hoofd met spijt_.--Wel ja, ja zeker. Zijt gij

nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik de _British

Queen_ nu koopen, zeg?

BIELENS.--Ja, maar zóó trouwen is de regel niet, dat weet gij ook

wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe

dochter wel een rond sommeken medegeven?

FRUYTS.--Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe

liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd

vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand

gegeven.--Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder

gehaald, Bielens?

BIELENS.--Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien

gelegd.--Ik ga _boeturen_[54].

FRUYTS.--De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg

zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken.

BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand

op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen,

gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u

zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?

Avondstonden · 第 9 / 10 段